July 10
Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste!
Jesaja 54:11
De Heere vergelijkt hier Zijn strijdende Kerk bij een schip op zee, onder een ruwe lucht, met stormen kampende, door tegenwinden uit zijn koers gedreven, zoals Paulus in de Adriatische zee, en niet wetende of het ooit de haven weder zal bereiken. Welk een beeld van een door stormen voortgedreven ziel! Zon en sterren achter wolken verborgen, het kompas verloren, de kaarten onbruikbaar, de stuurman afwezig, en de branding voor de boeg!
Velen, zeer velen van Gods lieve kinderen worden dus „door onweders voortgedreven”: enigen door een onweder van twijfel en vrees; anderen door een onweder van lusten en verdorvenheid; anderen door een onweder van weerspannigheid en ontevredenheid; anderen door een onweder van schuld en twijfelmoedigheid, of van sombere voortekenen en droevige vrees. Zo drijven zij uit hun koers af; hun zon en sterren zijn verduisterd; geen duidelijke aanwijzingen; duisternis boven, een woelende zee van onder; geen haven in ’t gezicht, en de hoop om de verlangde haven te bereiken bijna geheel vervlogen.
Maar verder wordt er van Sion gezegd dat zij „ongetroost” is; dat is noch getroost door, noch vatbaar voor troost van iemand anders dan God. Dit beschouw ik als een zeker bewijs van een werk van genade aan de ziel. Wanneer iemand zo benauwd is in zijn gevoel, zo neergedrukt in zijn geest en zo ontrust in zijn geweten, dat God alleen hem kan troosten, dan schijnen wij opeens op het voetspoor des Geestes. Op die weg vindt men geen huichelaars.
Valse geleerden kunnen gemakkelijk getroost worden; zij kunnen stelen wat God niet geeft, en zich toe-eigenen wat Hij hun niet schenkt. Maar het eigen kenmerk van Sion is dat zij „ongetroost” is, dat haar wonden te diep zijn voor menselijke balsem, haar krankheid te hevig voor medicijnen van het schepsel. God heeft haar troost in Zijn eigen handen bewaard; van Zijn lippen alleen kan troost dalen in haar ziel.
Ik dacht in mijn verdriet te smoren.
Dies riep ik: „Heer, Gij zijt mijn God!
Neem mijne smekingen ter oren,
verzacht in ’t eind mijn droevig lot!”
Ps. 140:6
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u bent als dat schip op zee, door onweder voortgedreven, uit uw koers geslagen, zon en sterren verduisterd en geen haven in ’t gezicht. Misschien is het bij u een storm van twijfel en vrees, misschien een storm van schuld of van eigen verdorvenheid. En wat het zwaarst valt: niemand kan u troosten. Wat anderen zeggen, glijdt langs uw wonden af; menselijke balsem helpt niet.
Wanhoop daarover niet. Het is juist een zeker bewijs van een werk van genade, wanneer God alleen u troosten kan. Huichelaars troosten zichzelf gemakkelijk; maar Sion wacht op de troost die van Zijn lippen moet komen. Hij heeft die troost in Zijn eigen handen bewaard, en Hij bewaart haar niet om haar te weigeren. Roep dan met de psalmist: „Heer, Gij zijt mijn God!” Hij alleen is het, Die Zijn verdrukte, ongetrooste kinderen troosten kan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste!
Jesaja 54:11
De Heere vergelijkt Zijn strijdende Kerk hier met een schip op zee onder een ruwe hemel. Het kampt met stormen en wordt door tegenwind uit de koers gedreven, zoals bij Paulus op de Adriatische Zee, en het weet niet of het ooit de haven weer zal bereiken. Wat een beeld van een ziel die door stormen wordt voortgedreven! Zon en sterren zijn achter wolken verborgen, het kompas is verloren, de kaarten zijn onbruikbaar, de stuurman is afwezig, en de branding ligt voor de boeg!
Velen, heel velen van Gods lieve kinderen worden zo „door onweders voortgedreven”. Sommigen door een onweer van twijfel en vrees, anderen door een onweer van lusten en verdorvenheid, weer anderen door een onweer van weerspannigheid en ontevredenheid, en nog anderen door een onweer van schuld en moedeloosheid, of van sombere voortekenen en droevige vrees. Zo drijven zij uit hun koers. Hun zon en sterren zijn verduisterd en er zijn geen duidelijke aanwijzingen. Boven is het donker, onder hen woelt de zee. Er is geen haven in zicht, en de hoop om de verlangde haven te bereiken is bijna helemaal vervlogen.
Maar verder wordt er van Sion gezegd dat zij „ongetroost” is. Dat betekent dat zij troost niet ontvangt van, en er ook niet vatbaar voor is vanuit iemand anders dan God. Dat beschouw ik als een zeker bewijs van een werk van genade in de ziel. Wanneer iemand in zijn gevoel zo benauwd is, in zijn geest zo neergedrukt en in zijn geweten zo verontrust, dat God alleen hem kan troosten, dan lijken we ineens op het spoor van de Geest te zijn. Op die weg vindt men geen huichelaars.
Valse belijders kunnen gemakkelijk getroost worden. Zij kunnen stelen wat God niet geeft, en zich toe-eigenen wat Hij hun niet schenkt. Maar het eigen kenmerk van Sion is dat zij „ongetroost” is: haar wonden zijn te diep voor menselijke balsem, haar ziekte is te zwaar voor de medicijnen van het schepsel. God heeft haar troost in Zijn eigen handen bewaard; alleen van Zijn lippen kan troost in haar ziel neerdalen.
Ik dacht in mijn verdriet te smoren.
Dies riep ik: „Heer, Gij zijt mijn God!
Neem mijne smekingen ter oren,
verzacht in ’t eind mijn droevig lot!”
Ps. 140:6
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u bent als dat schip op zee: door onweer voortgedreven, uit uw koers geslagen, zon en sterren verduisterd en geen haven in zicht. Misschien is het bij u een storm van twijfel en vrees, misschien een storm van schuld of van eigen verdorvenheid. En wat het zwaarst valt: niemand kan u troosten. Wat anderen zeggen, glijdt langs uw wonden af; menselijke balsem helpt niet.
Wanhoop daar niet over. Het is juist een zeker bewijs van een werk van genade wanneer God alleen u kan troosten. Huichelaars troosten zichzelf gemakkelijk, maar Sion wacht op de troost die van Zijn lippen moet komen. Hij heeft die troost in Zijn eigen handen bewaard, en Hij bewaart haar niet om haar te weigeren. Roep dan met de psalmist: „Heer, Gij zijt mijn God!” Hij alleen kan Zijn verdrukte, ongetrooste kinderen troosten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O thou afflicted, tossed with tempest, and not comforted.
Isaiah 54:11
The Lord here compares His suffering Church to a ship at sea, laboring in a heavy storm, driven out of her course by contrary winds, as was Paul’s case in the Adriatic, and doubtful whether she will ever reach the harbor; as the hymn says, “Half a wreck by tempests driven.”
What a picture of a tempest-tossed soul! Sun and stars beclouded, compass lost, chart useless, pilot absent, and breakers ahead! Many, very many of the Lord’s dear family are thus “tossed with tempest;” some with a tempest of doubts and fears; others with a tempest of lust and corruptions; some with a tempest of rebellion and fretfulness; others with a storm of guilt and despondency, or with gloomy forebodings and dismal apprehensions. Thus they are driven from their course, their sun and stars all obscured; no clear evidences, no bright manifestations; darkness above, and a raging sea beneath; no harbor in sight, and hope of reaching the desired haven almost gone.
But it is further said of Zion, that she is “not comforted;” that is, not comforted by, nor capable of comfort from, any other than God. This I look upon as a very decisive mark of a work of grace upon the soul. When a man is so distressed in his feelings, so cast down in his mind, and so troubled in his conscience, that none but God can comfort him, we seem to be at once on the footsteps of the Spirit. We do not find hypocrites on this ground.
False professors can easily take comfort; they can steal what God does not give, and appropriate what He does not apply. But Zion’s special mark is that she is “not comforted,” that her wounds are too deep for human balms, her sickness too sore for creature medicines. God has reserved her comfort in His own hands; from His lips alone can consolation be spoken into her soul.
To the reader…
It may be that you are like that ship at sea: driven along by the storm, beaten off your course, sun and stars obscured and no harbour in sight. Perhaps for you it is a storm of doubt and fear, perhaps a storm of guilt or of your own corruption. And what weighs heaviest of all: no one can comfort you. What others say slides off your wounds; human balm does not help.
Do not despair over this. It is in fact a sure proof of a work of grace when God alone can comfort you. Hypocrites comfort themselves easily, but Zion waits for the comfort that must come from His lips. He has kept that comfort in His own hands, and He does not keep it in order to withhold it. Cry out, then, with the psalmist: “Thou art my God!” He alone can comfort His afflicted, uncomforted children.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pobrecilla, fatigada con tempestad, sin consuelo.
Isaías 54:11
El Señor compara aquí a Su Iglesia sufriente con un barco en el mar, que lucha en una fuerte tormenta, desviado de su rumbo por vientos contrarios, como sucedió a Pablo en el Adriático, y dudoso de si alguna vez llegará al puerto; como dice el himno: “Medio náufrago, por las tempestades llevado”.
¡Qué retrato de un alma azotada por la tempestad! El sol y las estrellas cubiertos de nubes, la brújula perdida, la carta de navegación inútil, el piloto ausente, ¡y rompientes delante! Muchos, muchísimos de la amada familia del Señor están así “fatigados con tempestad”; unos con una tempestad de dudas y temores; otros con una tempestad de concupiscencias y corrupciones; unos con una tempestad de rebelión y de impaciencia; otros con una tormenta de culpa y desaliento, o con sombríos presentimientos y lúgubres aprensiones. Así son desviados de su rumbo, oscurecidos todos su sol y sus estrellas; sin evidencias claras, sin manifestaciones resplandecientes; tinieblas arriba y un mar embravecido abajo; ningún puerto a la vista, y casi perdida la esperanza de llegar al puerto deseado.
Pero se dice además de Sion que está “sin consuelo”; es decir, que no es consolada por nadie sino por Dios, ni es capaz de recibir consuelo de ningún otro. Esto lo considero una señal muy decisiva de una obra de gracia en el alma. Cuando un hombre está tan angustiado en sus sentimientos, tan abatido en su ánimo y tan turbado en su conciencia, que nadie sino Dios puede consolarle, parece que estamos de inmediato sobre las pisadas del Espíritu. En este terreno no hallamos hipócritas.
Los falsos profesantes pueden consolarse fácilmente; pueden robar lo que Dios no da, y apropiarse de lo que Él no aplica. Pero la señal especial de Sion es que está “sin consuelo”, que sus heridas son demasiado profundas para los bálsamos humanos, su enfermedad demasiado grave para las medicinas de las criaturas. Dios ha reservado su consuelo en Sus propias manos; solo de Sus labios puede ser hablado el consuelo a su alma.
Al lector…
Puede ser que usted sea como aquel barco en el mar: llevado por la tormenta, desviado de su rumbo, oscurecidos el sol y las estrellas, y ningún puerto a la vista. Quizá para usted es una tormenta de dudas y temores, quizá una tormenta de culpa o de su propia corrupción. Y lo que pesa más que todo: nadie puede consolarle. Lo que otros dicen resbala sobre sus heridas; el bálsamo humano no sirve.
No se desespere por ello. Es, de hecho, una prueba segura de una obra de gracia que solo Dios pueda consolarle. Los hipócritas se consuelan fácilmente, pero Sion espera el consuelo que ha de venir de Sus labios. Él ha guardado ese consuelo en Sus propias manos, y no lo guarda para negarlo. Clame, pues, con el salmista: “¡Tú eres mi Dios!” Solo Él puede consolar a Sus hijos afligidos y sin consuelo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl