13 december
Daarna toonde hij mij Jozua, de hogepriester, staande voor het aangezicht van de Engel des Heeren; en de satan stond aan zijn rechterhand om hem te wederstaan.
Zacharia 3:1
Het is satans doel om degenen gerust te houden die veilig in zijn handen zijn; ook acht de Heere het niet gepast hun rust te verstoren. Maar aan de andere zijde: waar de satan bemerkt dat er een werk der genade is aangevangen, waar hij somtijds de ogen gevuld ziet met tranen, waar hij de zuchtingen hoort opstijgen uit het berouwvolle hart, waar hij bemerkt dat de knieën in het verborgen gebogen worden, waar zijn opmerkzaam oor menigmaal de smartelijke belijdenis hoort van zonden, zwakheden en afkeringen voor Gods aangezicht — want uit deze opmerkingen hebben wij reden om te geloven dat satan nog in kundigheid toeneemt — waar hij dit verborgen werk bemerkt dat in de ziel gaande is, daar lucht hij zijn helse nijd, razend van toorn en vervuld van boosheid, tegen de voorwerpen van Gods liefde.
Somtijds probeert hij hen te verstrikken in de zonde, somtijds komt hij bij hen met verzoekingen; somtijds hitst hij hun ellendig hart op tot een vreselijke opstand; somtijds werkt hij op hun natuurlijk ongeloof, en somtijds plaagt hij hen met grenzeloze twijfelingen en vrezen wat betreft hun waarheid en oprechtheid tegenover het hartdoorzoekend oog van God. Zodat zij die geen genadewerk in hun hart hebben, in vrede gelaten worden en vrij zijn van twijfel en vrees; en zij in wie God werkt, worden geoefend en bemoeilijkt in hun gemoed, en kunnen dikwijls niet geloven dat zij het volk zijn waarin God een welbehagen heeft.
De diepten van ’s mensen schijnheiligheid, de schromelijke lengte waartoe de belijdenis kan genaken, het bedrog van het vleselijk gemoed, de strikken die voor de onbedachtzame voet worden uitgespreid, het vreselijk gevaar van op het laatst nog bedrogen uit te komen: al deze dingen zijn geen voorwerpen van bekommering voor degenen die dood zijn in de zonden. Zo zij de natuurlijke consciëntie kunnen bevredigen en iets kunnen doen om enige vluchtige overtuiging tot bedaren te brengen, zijn zij blijde bedrogen te worden.
Maar aan de andere zijde: hij die een tedere consciëntie heeft in de vreze Gods, weet wat een ontzaggelijke zaak het is als een schijnheilige voor God te zijn, een leugen in zijn rechterhand te hebben en door de vorst der duisternis bedrogen te worden, totdat het God belieft door Zijn mond met kracht in de ziel te spreken en hem te vergewissen van zijn aandeel in Christus, door Zijn liefde in zijn hart uit te storten. Hij moet beproefd en geoefend worden in zijn gemoed; hij moet dikwijls heen en weer geschud worden, om de eenvoudige reden dat hij niet vergenoegd rusten kan dan alleen in de persoonlijke bekendmakingen van de genade Gods.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u heen en weer geschud wordt door twijfelingen en vrezen of het met u wel waarachtig is. Kunt u dikwijls niet geloven dat u behoort tot het volk waarin God een welbehagen heeft? Zie dan eens om u heen: zij die dood zijn in de zonden, worden met rust gelaten en zijn blijde bedrogen te worden. Dat u zo bestreden wordt, kan juist zijn omdat de vijand bemerkt dat er in u een werk der genade is aangevangen.
Uw tranen in het verborgen, uw zuchtingen, uw smartelijke belijdenis voor Gods aangezicht zijn hem niet ontgaan, maar zij zijn ook de Heere niet ontgaan. U kunt niet vergenoegd rusten in een vluchtige gerustheid; u moet het uit Zijn eigen mond horen. Wacht dan op Hem, totdat het Hem belieft met kracht in uw ziel te spreken, u te vergewissen van uw aandeel in Christus en Zijn liefde in uw hart uit te storten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarna toonde hij mij Jozua, de hogepriester, staande voor het aangezicht van de Engel des Heeren; en de satan stond aan zijn rechterhand om hem te wederstaan.
Zacharia 3:1
Het is het doel van satan om hen die veilig in zijn handen zijn, gerust te houden; en ook de Heere vindt het niet gepast hun rust te verstoren. Maar aan de andere kant: waar satan merkt dat er een werk van de genade begonnen is, waar hij soms de ogen met tranen gevuld ziet, waar hij de zuchten hoort opstijgen uit het berouwvolle hart, waar hij merkt dat de knieën in het verborgen gebogen worden, waar zijn oplettende oor vaak de smartelijke belijdenis hoort van zonden, zwakheden en afdwalingen voor Gods aangezicht — want uit deze waarnemingen hebben wij reden om te geloven dat satan nog in bekwaamheid toeneemt — waar hij dit verborgen werk in de ziel bemerkt, daar koelt hij zijn helse nijd, razend van toorn en vervuld van boosheid, op de voorwerpen van Gods liefde.
Soms probeert hij hen in de zonde te verstrikken, soms komt hij met verzoekingen bij hen; soms hitst hij hun ellendige hart op tot een vreselijke opstand; soms werkt hij op hun natuurlijke ongeloof, en soms plaagt hij hen met grenzeloze twijfels en vrezen over de vraag of zij wel waarachtig en oprecht zijn voor het hartdoorzoekende oog van God. Zo worden zij die geen werk van de genade in hun hart hebben, met vrede gelaten en zijn zij vrij van twijfel en vrees. Maar zij in wie God werkt, worden geoefend en bemoeilijkt in hun gemoed, en kunnen vaak niet geloven dat zij het volk zijn waarin God een welbehagen heeft.
De diepten van de schijnheiligheid van de mens, de ontstellende afstand die een belijdenis kan afleggen, het bedrog van het vleselijke gemoed, de strikken die voor de onbedachtzame voet worden uitgespreid, het vreselijke gevaar om op het laatst toch bedrogen uit te komen: al deze dingen bezorgen hen die dood zijn in de zonden geen zorg. Als zij hun natuurlijke geweten kunnen bevredigen en iets kunnen doen om een vluchtige overtuiging tot bedaren te brengen, zijn zij blij bedrogen te worden.
Maar aan de andere kant: wie in de vreze Gods een teder geweten heeft, weet wat een ontzaglijke zaak het is om als een schijnheilige voor God te staan, een leugen in zijn rechterhand te hebben en door de vorst van de duisternis bedrogen te worden. Daarom moet hij beproefd en geoefend worden in zijn gemoed, totdat het God behaagt met kracht door Zijn mond in de ziel te spreken en hem zeker te maken van zijn deel aan Christus, door Zijn liefde in zijn hart uit te storten. Hij moet vaak heen en weer geschud worden, om de eenvoudige reden dat hij nergens tevreden in kan rusten dan alleen in de persoonlijke bekendmakingen van de genade van God.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u heen en weer geschud wordt door twijfels en vrezen of het met u wel waarachtig is. Kunt u vaak niet geloven dat u behoort tot het volk waarin God een welbehagen heeft? Kijk dan eens om u heen: wie dood is in de zonden, wordt met rust gelaten en is blij bedrogen te worden. Dat u zo bestreden wordt, kan juist zijn omdat de vijand merkt dat er in u een werk van de genade begonnen is.
Uw tranen in het verborgen, uw zuchten, uw smartelijke belijdenis voor Gods aangezicht zijn hem niet ontgaan, maar zij zijn ook de Heere niet ontgaan. U kunt niet tevreden rusten in een vluchtige gerustheid; u moet het uit Zijn eigen mond horen. Wacht dan op Hem, totdat het Hem behaagt met kracht in uw ziel te spreken, u zeker te maken van uw deel aan Christus en Zijn liefde in uw hart uit te storten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And he shewed me Joshua the high priest standing before the angel of the LORD, and Satan standing at his right hand to resist him.”
Zechariah 3:1
It is the object of Satan to keep those secure who are safe in his hands; nor does God see fit to disturb their quiet. But on the other hand, where Satan perceives a work of grace going on, where he sees the eyes sometimes filled with tears, where he hears the sobs heaving from the contrite heart, where he observes the knees often bent in secret prayer, where his listening ear often hears the poor penitent confess his sins, weaknesses, and backslidings before God, (for by these observations we have reason to believe Satan gains his intelligence,) wherever he sees this secret work going on in the soul, mad with wrath and filled with malice, he vents his hellish spleen against the objects of God’s love.
Sometimes he tries to ensnare them into sin, sometimes to harass them with temptation, sometimes to stir up their wicked heart into desperate rebellion, sometimes to work upon their natural infidelity, and sometimes to plague them with many groundless doubts and fears as to their reality and sincerity before a heart-searching God.
So that while those who have no work of grace upon their hearts at all, are left secure, and free from doubt and fear, those in whom God is at work are exercised and troubled in their minds, and often cannot really believe that they are the people in whom God takes delight. The depths of human hypocrisy, the dreadful lengths to which profession may go, the deceit of the carnal heart, the snares spread for the unwary feet, the fearful danger of being deceived at the last—these traps and pitfalls are not objects of anxiety to those dead in sin. As long as they can pacify natural conscience, and do something to soothe any transient conviction, they are glad to be deceived.
But, on the other hand, he that has a conscience tender in God’s fear knows what a dreadful thing it is to be a hypocrite before God, to have “a lie in his right hand,” and be deluded by the prince of darkness; and therefore, until God Himself with His own blessed lips speaks with power to his conscience, and establishes him in a blessed assurance of his saving interest in Christ by “shedding abroad His love in his heart,” he must be tried and exercised in his mind, he must have these various tossings to and fro, for this simple reason—because he cannot rest satisfied except in the personal manifestations of the mercy of God.
To the reader…
It may be that you are tossed to and fro by doubts and fears whether it is really genuine with you. Can you often not believe that you belong to the people in whom God delights? Then look around you for a moment: whoever is dead in sins is left in peace and is glad to be deceived. That you are so assailed may be precisely because the enemy notices that a work of grace has begun in you.
Your tears in secret, your sighs, your sorrowful confession before God’s face have not escaped him, but neither have they escaped the Lord. You cannot rest content in a passing ease; you must hear it from His own mouth. Wait for Him, then, until it pleases Him to speak with power in your soul, to assure you of your interest in Christ and to shed abroad His love in your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y mostrome a Josué, el gran sacerdote, el cual estaba delante del ángel de Jehová; y Satán estaba a su mano derecha para serle adversario.”
Zacarías 3:1
El propósito de Satanás es mantener seguros a aquellos que están a salvo en sus manos; ni le parece bien a Dios turbar su quietud. Pero, por otra parte, donde Satanás percibe que hay una obra de gracia en marcha, donde ve los ojos llenos a veces de lágrimas, donde oye los sollozos que brotan del corazón contrito, donde observa las rodillas dobladas a menudo en oración secreta, donde su oído atento oye a menudo al pobre penitente confesar sus pecados, debilidades y rebeliones delante de Dios (porque tenemos razones para creer que por estas observaciones obtiene Satanás su información), dondequiera que ve esta obra secreta en marcha en el alma, loco de ira y lleno de malicia, descarga su furia infernal contra los objetos del amor de Dios.
A veces procura enredarlos en el pecado, a veces acosarlos con la tentación, a veces incitar su corazón malvado a una rebelión desesperada, a veces obrar sobre su infidelidad natural, y a veces atormentarlos con muchas dudas y temores infundados en cuanto a su realidad y sinceridad delante de un Dios que escudriña el corazón.
De modo que, mientras aquellos que no tienen en absoluto obra de gracia en su corazón son dejados seguros y libres de duda y temor, aquellos en quienes Dios está obrando son ejercitados y turbados en su mente, y a menudo no pueden creer realmente que son el pueblo en quien Dios se complace. Las profundidades de la hipocresía humana, los terribles extremos a que puede llegar la profesión, el engaño del corazón carnal, los lazos tendidos a los pies incautos, el temible peligro de ser engañado al final: estas trampas y fosas no son motivo de inquietud para los que están muertos en el pecado. Con tal de poder apaciguar la conciencia natural y hacer algo para calmar alguna convicción pasajera, se alegran de ser engañados.
Pero, por otra parte, el que tiene una conciencia tierna en el temor de Dios sabe qué cosa tan terrible es ser hipócrita delante de Dios, tener “una mentira a su mano derecha” y ser engañado por el príncipe de las tinieblas; y por tanto, hasta que Dios mismo, con Sus propios benditos labios, hable con poder a su conciencia y le establezca en una bendita seguridad de su parte salvadora en Cristo, “derramando Su amor en su corazón”, tiene que ser probado y ejercitado en su mente, tiene que pasar por estos diversos vaivenes, por esta sencilla razón: porque no puede quedar satisfecho sino con las manifestaciones personales de la misericordia de Dios.
Al lector…
Puede ser que usted sea zarandeado de un lado a otro por dudas y temores sobre si de veras es genuino en su caso. ¿A menudo no puede creer que pertenece al pueblo en quien Dios se complace? Mire entonces un momento a su alrededor: el que está muerto en pecados es dejado en paz y se alegra de ser engañado. Que usted sea tan asaltado puede deberse precisamente a que el enemigo advierte que ha comenzado en usted una obra de gracia.
Sus lágrimas en secreto, sus suspiros, su dolorida confesión delante del rostro de Dios no le han pasado inadvertidos a él, pero tampoco le han pasado inadvertidos al Señor. Usted no puede quedar contento con una tranquilidad pasajera; tiene que oírlo de Su propia boca. Espérele, pues, hasta que le plazca hablar con poder a su alma, asegurarle de su parte en Cristo y derramar Su amor en su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl