Reconciliation and Salvation
Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. Rom. 5: 10.
Er zijn twee punten der goddelijke waarheid, waaromtrent de Schriften zeer duidelijk zijn en echter worden beide allerstoutst tegengestaan door de hoogmoed en de eigengerechtigheid van het menselijke hart. Deze twee waarheden zijn de volkomenheid van de zondeval en de evengelijke of meer dan evengelijke volkomenheid van het herstel. Geen van deze waarheden is, ofschoon om verschillende redenen, smakelijk voor de eigengerechtige natuur van de mens.
Wat de eerste, de diepte van de zondeval betreft, weinigen zijn gewillig om te erkennen dat de mens in zulk een toestand verkeert, als waarin het woord van God hem beschrijft: “dood in zonden en misdaden;” “vervreemd van het leven Gods door de onwetendheid die in hem is, door de blindheid zijns harten;” “dienende verschillende lusten en genegenheden;” “levende in boosheid en wangunst, hatelijk en elkaar hatende;” “zonder hoop, en zonder God in de wereld”.
Maar hoe duidelijk worden al deze boze vruchten in de Schrift opgespoord naar hun stamboom “de val van Adam”. Hoe duidelijk is de taal van de apostel aangaande dit punt: “Door een mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood; en alzo is de dood,” niet slechts natuurlijk maar geestelijk, “tot alle mensen doorgegaan, in welke allen gezondigd hebben;” “door de misdaad van een zijn velen gestorven;” “de schuld is uit een tot verdoemenis;” door de misdaad van een heeft de dood geheerst door dien een;” “door één misdaad is de schuld gekomen over alle mensen tot verdoemenis;” “door de ongehoorzaamheid van dien een mens zijn velen tot zondaars gesteld geworden” (Rom. 5).
En echter zijn deze stellige en uitdrukkelijke verklaringen der Schrift zodanig in tegenspraak tegen het natuurlijk beginsel, dat in ons allen aanwezig is, dat wij menen, ofschoon tot in zekere mate door de zondeval verlamd, echter niet zo geheel en al hulpeloos te zijn, dat wij niet in staat zouden zijn om iets te doen, om God te behagen en de zaligheid te verwerven. Het is waar dat er uit een soort van overgeleverde eerbied voor de Schrift, een gebit in de kaken van velen ligt, dat hen belet van tegen dezelve te getuigen; maar wanneer de waarheid, daarin vervat, in andere bewoordingen aangedrongen wordt, dan is het dat de vijandschap zich openbaart.
Op een evengelijke wijze wordt de andere hoofdwaarheid, welke aan de eerste vermaagschapt is, de volkomenheid der herstelling, de volmaaktheid van het voltooide werk Christus, de volkomen verzoening welke Hij heeft aangebracht door Zijn bloedstorting en sterven, evenzeer tegengestaan als de diepte van de zondeval, omdat zij de eigengerechtigheid evenzeer in de weg staat, die zo in de neiging van elk mens aangeboren is. Ziet hoe zij aan beide zijden alles afsnijdt.
Als ik iets aan mijn eigen zaligheid kan toebrengen, dan is de zondeval niet volkomen; want hij heeft mij enige kracht overgelaten. Als ik iets aan mijn zaligheid kan toebrengen is de verlossing niet volkomen, want zij vereist mijn meewerking om van kracht te zijn. Maar hoe duidelijk heeft de Heilige Geest niet slechts de diepte en volkomenheid van de zondeval, maar ook de volmaaktheid der herstelling geopenbaard.
De apostel schrijft, in het voor ons liggende hoofdstuk, de rechtvaardiging even duidelijk aan de gehoorzaamheid van Christus toe, als de verderfenis aan de ongehoorzaamheid van Adam; de tegenstelling tussen de twee verbondshoofden opsommende in deze woorden van waarheid en kracht: “Want indien door de misdaad van een, de dood geheerst heeft door dien een, veel meer zullen degenen, die de overvloed der genade, en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door dien een, namelijk Jezus Christus.
Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis alzo ook door één rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien een mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van een velen tot rechtvaardigen gesteld worden” (Rom. 5: 17-19).
In de woorden van onze tekst tracht hij de twijfelende heiligen Gods te bemoedigen, door hen voor te stellen wat Christus verricht heeft, en wat Hij nog blijft verrichten. Het is de opsomming van de bewijsvoering, die in de voorafgaande verzen bloot gelegd wordt. Het voornaamste punt waar hij op aandringt en waardoor hij de wondervolle liefde Gods blootlegt, is dat “als wij nog krachteloos waren, Christus ter Zijner tijd voor de goddelozen is gestorven”.
De dood van Christus en zulks voor “de goddelozen” is de klemtoon van zijn welluidend onderwerp – de grote fundamentele waarheid van het evangelie, waarop bij aandringt en welke hij bekrachtigt met al de kracht van zijn pen. Uit deze evangelische leer vormt hij een niet minder evangelische gevolgtrekking, dat God bier door Zijn liefde jegens ons “bevestigt”, of, gelijk het woord betekent, “aanbeveelt”, “dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren”.
Hij wilde dus ten sterkste de grootheid der liefde Gods verhogen en ons voor ogen stellen, dat deze liefde niet tot de “rechtvaardigen” was, van wie hij in het voorgaande vers had gesproken, als er waarlijk zo iemand kon gevonden worden; noch voor “de goede”, dat is, de vriendelijke, weldadige mens, voor wie sommigen zelfs zouden durven sterven; maar dat zij vrijwillig naar ons toestroomde terwijl wij nog zondaars waren, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon schonk om voor ons te sterven. Hij wilde alzo een deur openen voor elk ontdekt zondaar, die door goddelijke onderwijzing in de diepte van de zondeval is ingeleid en hem aanmoedigen om tot God te komen gelijk hij is, in al zijn zonde en schande, opdat hij barmhartigheid mocht ontvangen uit de hand van Hem, wiens naam en wezen liefde is.
Hij gaat vervolgens voort om de kwijnende heiligen Gods te bemoedigen, door hen de vruchten der rechtvaardiging door de gehoorzaamheid en bloedstorting van Christus voor te stellen, en de weg aan te wijzen, waarop de verlossing wordt vastgemaakt: “Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn”.
De heiligen Gods zijn gerechtvaardigd, dat is, worden rechtvaardig gerekend, door het bloed van Christus, en ofschoon het op het eerste gezicht een ongewone taal mag schijnen, zo is het evenwel in volmaakte overeenstemming niet een andere uitdrukking in hetzelfde hoofdstuk: “Door de gehoorzaamheid van een zullen velen tot rechtvaardigen gesteld worden,” want de bloedstorting en offerande van Christus waren een gedeelte van Zijn gehoorzaamheid.
Door hen dus voor te stellen dat zij reeds in een staat van rechtvaardigheid en aanneming voor God verkeerden; dat het aan het kruis gestorte bloed hun pleitgrond en recht tot de eeuwige gelukzaligheid was een pleitgrond en recht nimmer te vernietigen door de vloek en de veroordeling der Wet, of de beschuldigingen van de satan, zo moedigt hij hen aan om te geloven, dat zij volkomen zullen behouden worden en in wezen reeds behouden zijn van de toekomende toorn.
Maar deze heerlijke en allerbemoedigendste waarheid stelt hij meer volledig voor in de woorden van onze tekst, als de algemene slotsom van de voorgaande bewijsvoering: want, indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven”.
In de voorstelling van de bevindelijke uitlegging van deze woorden, zal ik, met Gods hulp en zegen, ons onderwerp in twee hoofdpunten verdelen, en aantonen:
I. In het eerste de verzoening der vijanden.
II. In het tweede de behoudenis der vrienden.
I. Eerst, de verzoening der vijanden.
1. Wie kan vollediger en krachtiger de verlorenen, verdorven, hulpeloze toestand van de mens van nature beschrijven dan de door de Heilige Geest bestuurde apostel, dat hij een vijand Gods is? Hebben wij ooit de diepte en bedoeling van die scherpe en veel omvattende uitdrukking overwogen? Hebben wij haar in het licht van Gods aangezicht aanschouwd en in dat reine, heilige en hemelse licht gezien, wat het is een vijand te zijn van de groten God van hemel en aarde?
Laat ons dan hopen, nadat de Heere de Geest ons genadig bekwame, om enige ogenblikken te wijden aan de overweging van dit punt, want alleen als wij in een bevindelijke kennis daarvan geleid worden, kunnen wij, hoe vernederend het mag zijn voor onze trots, hoe pijnlijk voor ons geweten, enige genade of heerlijkheid zien of gevoelen in de verzoening, welke door de bloedstorting en het sterven van Jezus is teweeggebracht.
Maar hoedanig had dit plaats? Wat bracht ons in deze ellendigen toestand? God maakte de mens niet tot Zijn vijand. integendeel Hij schiep hem volmaakt, naar Zijn evenbeeld, naar Zijn gelijkenis. Hier bestond vriendschap, geen vijandschap. Maar welk een neerbuiging was het in God om de mens een onsterfelijke ziel in te blazen, die in elke gelaatstrek en wezen een zichtbare voorstelling was van de reinheid en volmaaktheid van Hem zelf, dat is, voor zoverre als een geschapen, en daarom eindig en beperkt wezen daarvoor vatbaar was. De mens alzo naar het beeld Gods gevormd, was Gods vriend.
God wandelde en sprak met hem in de hof van Eden; en Zijn bezoeken waren welgevallig, want een goddelijke gemeenzaamheid ging met dezelve gepaard, en zulk een onderlinge gemeenschap als een rein en onschuldig mens met een neerbuigend God kon oefenen. In zijn geschapene reinheid en oorspronkelijke onschuld staande, had Adam geen schrikwekkend denkbeeld van de majesteit van God, want er bestond geen hinderpaal tussen hem en zijn Schepper, zo min er nu een bestaat bij de engelen, die altijd voor Zijn aangezicht staan.
Maar ach! hoe spoedig wisselde het toneel: hoe benijdde de satan de menselijke gelukzaligheid; hoe had die oude vijand, de slang, besloten om een breuk tussen God en de mens teweeg te brengen, die in zijn ogen een plaats in Gods gunst bekleedde waarvan hij zelf was uitgevallen; en hoe vreselijk slaagde hij, onder Gods toelating, om door het listige middel. der verzoeking, in het hart des mensen dezelfde kwaden wortel der boosheid in te planten, die zo diep in zijn eigen wezen was ingedrongen, een reine engel des lichts vernederende en verdervende in een vuilaardige vijand der duisternis.
De zonde dus, als het ware, in het menselijke hart ingestort zijnde, verbrak die vriendschap, die tussen de Schepper en het schepsel bestond, en stortte de mens neer in een toestand van vijandschap en vervreemding van de Oorsprong van zijn bestaan. God legde de vijandschap niet in het menselijke hart; God was de oorzaak niet van de zonde van de mens. De satan was de oorzaak van het geheel. ja, het was de oude vijand, de slang, die de zonde, als een verborgen en bedekt vergif, in de menselijke natuur instortte, die rein geschapen doch aan vallen onderworpen was, en voerde door deze inwerping der zonde, die vijandschap en vervreemding in zijn hart, die hem tot vijand Gods maakte.
Laat ons hier duidelijk zijn. De satan zelf kon geen macht gehad hebben, om de zonde in het menselijke hart in te werpen dan door middel van de verzoeking. Ofschoon ik zinnebeeldig heb gesproken van het inwerpen en instorten van de zonde, bedoel ik daarmee niet, dat de satan de zonde in de menselijke natuur instort tegelijk een vergiftige slang de gebeten mens het vergif indrukt.
Hij bood eerder, om het beeld te verwisselen, een beker aan de menselijke lippen, welke zoet en goed scheen, maar werkelijk dodelijk vergif inhield. Het was de vrije daad van de mens, om dien aan te nemen en te drinken in ongehoorzaamheid aan de geopenbaarde wil van god. Dus, alhoewel de satan de verzoeker, en de mens de verzochte was, zo zondigde de mens door toe te geven aan de verzoeking, door een vrijwillige daad en werd alzo een persoonlijk overtreder.
Nu is deze zonde, met al de vervreemding en vijandschap die er op volgde, van onze gevallen voorouders op ons overgebracht. Wij worden in deze wereld geboren als vijanden van God, wat ik zou kunnen noemen natuurlijke vijanden, omdat wij dezelfde verdorven natuur omdragen, die Adam had toen hij “een zoon gewon naar zijn evenbeeld en gelijkenis”.
2. Maar hebt gij immer overwogen, wat het is een vijand van God te zijn en wat het betekent en te kennen geeft? Het is, in strijd te zijn met al de volmaaktheden Gods, ja zelfs meer, zelfs met de Persoon des Almachtigen, zodanig is de mens van nature en door beoefening. Zodanig zijn wij geboren in openlijken of verborgen, rechtstreekse of zijdelings oorlog tegen de Majesteit van de hemel en tegen al die heerlijke volmaaktheden; waardoor God is wat Hij is.
Dus is de mens, van nature, in strijd met Gods heiligheid, want zijn hart en leven zijn onheilig, onrein, bezoedeld en verdorven; en als zodanig is hij in strijd met de vlekkeloze reinheid en heiligheid Gods, als tegenover de verdorvenheid en onreinheid van het hart staande. Er bestaat altijd een strijd, rechtstreeks of zijdelings, tussen tegenovergestelde partijen. Onreinheid is in strijd niet reinheid, dronkenschap met matigheid, onkuisheid met reinheid, valsheid met waarheid, begeerlijkheid met weldadigheid, hoogmoed met ootmoed, goddeloosheid met godzaligheid.
Op gelijke wijze is de mens van nature in strijd met Gods gerechtigheid, want hij doet altijd dingen die de wet, welke de verklaring van Gods gerechtigheid is, uitdrukkelijk en stellig verbiedt, en doet nooit een enkele daad, die zij niet even veel macht gebiedt. Hij is in strijd met Gods alomtegenwoordigheid, dagelijks die zonden bedrijvende, welke Gods tegenwoordigheid, zo zij in zijn ziel kenbaar was, daadwerkelijk zou beletten. Hij is een vijand van Gods alwetendheid, als levende in onkunde en verachting van dat alwetend oog, dat elke verborgen gedachte van het hart leest, en heimelijk tegenwoordig is bij elke daad welke door zijn handen verricht wordt; en van dat alwetend oor dat elk ijdel en erger dan ijdel woord verneemt, dat voortdurend zijn lippen ontsnapt. Hij is in strijd met Gods waarheid; want hij haat dezelve met een volkomen haat.
Hij is een vijand van Gods volk; want hij vervolgt hen en veracht ben met al zijn macht, en haat Gods woord. omdat het hem veroordeelt; en hij weet dat, als hij onder deszelfs macht en invloed moest leven, hij al die praktijken zou moeten laten varen, die dat woord veroordeelt.
Maar gij, of sommigen van Uw zeggen: “Ik ben verzekerd dat ik zulk een wezen niet ben; ik ben geen vijand van God”. 0 mijn vriend, het is omdat gij uzelf niet kent; het is omdat er een deksel van ongeloof en eigengerechtigheid op uw hart ligt, dat u voor uzelf verbergt. Zaagt gij wat gij van nature was, ja zo gij een recht gezicht had van hetgeen uw vleselijk gemoed werkelijk is, dan zoudt gij met de apostel belijden dat het “vijandschap tegen God was; want het is der wet Gods niet onderworpen en het kan ook niet”.
Kon gij uw hart doorlezen gelijk God het doorzoekt met Zijn aldoordringend oog, dan zoudt gij daarin niets dan vijandschap zien. Gij zoudt zien dat uw hart van nature haat wat God lief heeft, en bemint wat God haat. En kan er groter bewijs van vijandschap zijn dan dit? Gij zoudt zien, dat uw neigingen en begeerten, gedachten en genegenheden allen in strijd waren met elke volmaaktheid van de hemel; en kan er groter kenmerk van vijandschap zijn dan geneigd te zijn, om te doen wat God verfoeit?
Gij zoudt uw wil geheel en al in verzet vinden tegen de geopenbaarde wil van God; en kan er een groter kenmerk van vijandschap zijn dan dit? Gij zoudt bevinden dat er geen liefde in uw ziel was tot God noch godzaligheid; geen liefde voor de hemel of de heiligheid; geen, liefde tot Gods waarheid noch Zijn aanbiddelijke Majesteit; geen liefde tot Christus of Zijn volk; maar integendeel gij zoudt niets vinden dan vijandschap, opstand, hoogmoed, en eigengerechtigheid, die in de diepte loerde en werkte.
Gij moet niet denken omdat gij zedelijk oprecht bent, nauwgezet in uw uitwendige wandel, dat gij niet van nature een vijand Gods bent. Onzijdigheid in deze strijd is vijandschap. Niet aan Christus’ zijde te zijn is tegen Hem te wezen; niet van Gods vijanden gescheiden te zijn is een vijand Gods te zijn; Hem niet te beminnen is Hem te haten; en Hem niet toe te behoren is het eigendom van de satan te zijn. De Heere geve u, als het Zijn wil is, licht om te zien, dat er slechts twee soorten zijn – vijanden en vrienden, kinderen Gods of kinderen van de boze.
Maar deze toestand van vijandschap en vervreemding van God hebben wij ieder voor onszelf te leren kennen door persoonlijke ondervinding; en voordat wij zo, in zekere mate, leren wat wij van nature en praktijk zijn – vijanden van God door boze werken, zullen wij nimmer in staat zijn om in te dringen in dien wondervolle weg van verzoening, die God in de Schriften der waarheid heeft geopenbaard, en die Hij met een goddelijke kracht bekend maakt aan allen, die Hij brengt onder de band des Verbonds.
3. Dit leidt mij tot de “verzoening” waarvan in onze tekst gesproken wordt als uitgewerkt door de dood van Gods lieven Zoon. Men bezigt soms de uitdrukking “een verzoend God”; en er is één zin, waarin dit eigenlijk kan gebruikt worden. Daar er een vervreemding bestond tussen God en de mens, doordien er vijandschap aan ’s mensen zijde was en rechtvaardige verontwaardiging tegen de zonde aan de zijde Gods, zo was er een noodzakelijkheid dat de toorn Gods bevredigd zou worden.
De toorn in het hart Gods was niet tegen de uitverkorenen, want zij waren, als uitverkorenen in Christus en in Hem volmaakt beschouwd, altijd “aangenomen in de geliefde”. Maar daar de zonde een breuk gemaakt had tussen God en hen, was de toorn des Almachtigen billijk over hun overtredingen uitgesproken, en eiste bevredigd of gestild te worden voordat zij kon ophouden. Alzo zegt de gemeente: ofschoon Gij toornig op mij geweest bent, Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij” (Jes. 12: l).
Zo spreekt de Heere: “In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij ~ van Uw ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser” (Jes. 54: 8). Zo zegt Hij ook in Ezechiël: wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere Heere” (Ezechiël 16: 63).
Deze en dergelijke uitdrukkingen bewijzen dat er een zin, een zuivere en schriftuurlijke zin is, waarin God een “verzoend God” kan worden genoemd en wanneer het zodanig wordt gebruikt, heb ik niets tegen die uitdrukking. En echter betuig ik vrijmoedig dat ik liever spreek gelijk de Schrift hier spreekt van “ons verzoend zijn met God” liever dan dat God met ons verzoend is: “Indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns zoons”.
Welk een heerlijke lichtstroom werpt dit over dat wonderlijke plan van eeuwige liefde en oneindige genade, waardoor Gods vijanden Gods vrienden werden. Laat ons trachten in te dringen in de aard en. de geldigheid van deze verzoening.
De eerste zaak, welke het woord “verzoening” te kennen geeft, is dat er een vroegere toestand van vriendschap bestond, en dat die vriendschap verbroken is, en als een gevolg daarvan in vijandschap is veranderd. Dit hebben wij echter reeds gezien. Het geeft ook een heling van die breuk te kennen, een weer hernieuwen daarvan en een herstelling tot dezelfde of hogen staat van vriendschap.
Nu was de eerste noodzakelijke zaak de personen van deze natuurlijke vijanden Gods te verzoenen, als vijandig geworden zijnde tegen Gods gerechtigheid en heiligheid. De zonde had hen hoofd voor hoofd bevlekt, en hen walgelijk en afschuwelijk gemaakt. De zonde had hen hoofd voor hoofd onder de slag van Gods gerechtigheid gebracht, zodat de eisen van een rechtvaardige wet hun de deur der hel openden en de poort van de hemel voor hen sloten. De zonde, als een bezoedelend ding, had hen ook van de hoofdschedel tot de voetzolen besmet, hen met onreine klederen bekleed, zodat zij in lichaam en ziel onrein waren, en, als zodanig, ongeschikt om in de reine voorhoven der hemelse gelukzaligheid in te gaan.
Dit wordt schoon afgebeeld in het kind waarvan gesproken wordt in Ezechiël (16) geworpen op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van haar ziel, ten dag toen het geboren was”. Ofschoon een kind en geliefd kind, maakte haar natuurlijke onreinheid haar ziel walgelijk. Evenzo met Jozua de hogepriester, die “een vuurbrand” was “uit het vuur gerukt” en echter “met onreine klederen” stond.
Voordat zijn onreinheid van hem was weggedaan, was zijn persoon walgelijk, uit oorzaak van zijn onreine klederen (Zach. III). De personen dan van het volk Gods moesten verzoend worden; en dit werden zij door het verzoenend bloed van Gods dierbare Zoon. Dit deed Johannes zeggen: “Hem, die ons heeft liefgehad, en ons,” dat is onze personen, “van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed” (Openb. 1: 5). “En dit was gij sommigen; maar gij bent afgewassen” (1 Kor. 6: 11).
Deze verzoening is voor de zonden van Gods eigen volk door de bloedstorting van Zijn dierbare Zoon, en zo werd er een verzoening voor hen gemaakt, dat is, een voldoening aan de gerechtigheid Gods, welke, als het ware, door onze overtredingen was geschonden en beledigd. Dus was er een verzoening tussen de schijnbaar onverenigbare deugden Gods, zoals Zijn gerechtigheid die veroordelen, en zijn liefde, barmhartigheid en genade, die behouden wilden.
De zonde had de scheiding veroorzaakt, de zonde had de vijandschap teweeggebracht; en daarom werden, toen door de volkomen voldoening van Christus voor de zonde werd geleden, dezelve weggedaan, uitgewist en achter Gods rug geworpen en alzo een verzoening uitgewerkt. Nu kon niets anders dan de oneindige wijsheid, genade en vrijmacht Gods deze verzoeningsweg beraamd, aan het licht gebracht en uitgevoerd hebben voor hen, die natuurlijke vijanden geboren waren.
De eerste beweegoorzaak was van Gods zijde jegens ons, niet van onze kant tot Hem. De verzoening was in Zijn hart, niet in het onze. Er was medelijden in Zijn hart tot ons, toen wij geen medelijden met onszelf hadden, noch een kennis van onze behoefte naar hetzelve. Het gehele plan der verlossing was van eeuwigheid in de raad Gods beraamd, en in de in het vlees verschijning van Zijn dierbare Zoon uitgevoerd, voordat wij geboorte of aanwezen bezaten. Alzo was het gehele werk, van het eerste tot het laatste, beraamd in de voornemens van eeuwige liefde en uitgevoerd door de handen der alvermogende kracht.
Maar een weinig gezien hebbende van de bedoeling van het woord “verzoening”, willen wij nu trachten te zien op de wijze waarop zij uitgevoerd werd. Dit verklaart de apostel als ten uitvoer gebracht te zijn door de dood van Gods Zoon, Zijn waarachtige, eigen, en eeuwige Zoon. Dit is in volkomen overeenstemming met de gehele Heilige Schrift.
Wij lezen daarom dat God “Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden” (1 Joh. 4: 10), dat “Hij ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven” (Rom. 8: 32), dat Hij “zelf onze zonden gedragen heeft op het hout” (1 Petr. 2: 24), dat Hij “eenmaal geofferd zijnde, veler zonden wegneemt” (Hebr. 9: 28), dat Hij “door Zijn eigen bloed een eeuwige verlossing teweeg gebracht heeft” (Hebr. 9: 12), dat Hij “om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden verbrijzeld is,” dat Hij “de zonde van velen heeft gedragen, en verzoening heeft aangebracht voor de overtreders”.
Dus verzoende de Zoon van God, door Zijn komst in het vlees, door Zijn lijden, en opoffering, en door het aannemen van onze natuur in vereniging met Zijn eigen Goddelijke Persoon, en in het lijden, bloeden, en sterven in die natuur, diegenen welke door overtreding vijanden waren van God en godzaligheid. Zo verzoende Hij ook, door Zijn middelaarschap, á de volmaaktheden Gods, waarvan sommigen schijnbaar met elkaar in strijd zijn, zoals Zijn gerechtigheid en heiligheid aan de een zijde, en Zijn liefde, barmhartigheid en genade aan de andere. De gerechtigheid eiste haar recht.
Barmhartigheid, als reine barmhartigheid, van de gerechtigheid gescheiden, zou de overtreder gespaard hebben, maar de gerechtigheid kon zijn recht niet laten varen. En nochtans moesten de volmaaktheden Gods geen bezoedeling of verkleining lijden. Elkeen moest zijn eigen onbezwalkte, onverminderde glans hebben. Nu verzoende de Heere Jezus Christus door Zijn in het vlees verschijning, middelaarschap, offerande, bloedstorting en sterven, die schijnstrijdige eigenschappen Gods, en deed alzo de goedertierenheid en de waarheid elkaar ontmoeten, de gerechtigheden en vrede elkaar kussen.
Hij stelde zichzelf in onze plaats, onder het gewicht van onze overtredingen en zonden, en door alzo Zijn eigen dierbaar lichaam en ziel bloot te stellen aan de slagen van Gods wraakzwaard, ontving Hij in Zijn eigen persoon de slagen van die wraak die ons toekwam. God zei daarom door de profeet: “Zwaard, ontwaak tegen mijn Herder, en tegen de Man die Mijn metgezel is, spreekt de Heere der Heirscharen” (Zach. 13).
Toen Hij dus vrijwillig op zich nam om in Zijn eigen Persoon de wraak tegen de zonde te verduren, die anders op ons moest gevallen zijn, waren Zijn lijden, bloedstorten en offerande welgevallig voor God, een liefelijke reuk die in zijn neusgaten opklom; niet dat God een welgevallen had in het lijden van Zijn Zoon, als lijden, maar hij had een welgevallen in de gehoorzaamheid aan Zijn wil, die zo geopenbaard werd, naar de woorden: “Ziet, Ik kom om Uw wil te doen, o God”.
Toen Hij dus het werk had voleindigd dat God Hem te doen had gegeven, en de zonde had weggedaan door de opoffering van zichzelf, werd de verzoening uitgewerkt en voltooid. Het was dit waarvan de engel Gabriël tot Daniël sprak: “Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonde te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen” (Dan. 9: 24), hetwelk alles werd teweeg gebracht door de bloedstorting, gehoorzaamheid en het sterven des Zoons van God.
Nu was er geen andere weg, waardoor vijanden verzoend konden worden. Het zal wijsheid en genade zijn over deze heilige waarheid te peinzen, en die te beschouwen in haar onderscheiden uitwerkselen. En vooreerst, in welk een verschrikkelijke staat van vijandschap en vervreemding moest de zonde ons gebracht hebben als vijanden Gods, als wij op geen andere wijze met Hem verzoend konden worden, dan doordat Zijn eengeboren Zoon voor onze zonden moest sterven. Hoe ontzettend moeten die ongerechtigheden zijn die zulk een bloedstorting en zulk een sterven als dit eisten.
Welk een eeuwige haat moet God tegen de zonde hebben, om dezelve zodanig te straffen in de Persoon des Zoons Zijner liefde, en nochtans, welke oneindige liefde moet Hij hebben tot de personen der uitverkorenen om Zijn Zoon te zenden in de gelijkheid des zondigen vleses, om hen met zichzelf te verzoenen en hen deelgenoten van Zijn eigen heiligheid te maken.
Kon er een andere weg uitgedacht zijn geworden, die weg zou verkozen zijn; maar al de wijsheid Gods kon geen anderen ontwerpen en verkiezen. En in zoverre ons geloof de grote verborgenheid der godzaligheid kan omhelzen, zien wij helder dat geen andere weg dan deze de tegenstrijdige eigenschappen Gods kon verzoend hebben.
Op geen andere wijze kon de wet vervuld, of de eisen der goddelijke gerechtigheid bevredigd zijn geworden; op geen andere wijze kon de genade veel meer overvloedig zijn geworden over de menigte der zonden, op geen andere wijze kon de wondervolle liefde Gods en Zijns dierbare Zoons geopenbaard zijn geworden; en op geen andere wijze kon de liefde en gehoorzaamheid van Gods volk daadwerkelijk zijn verzekerd geworden.
4. Nu hebben wij deze zaken bevindelijk voor onszelf te leren kennen; en de eerste les die ons gewoonlijk in de school van Christus onderwezen wordt, en het is een allerpijnlijkste les, is dat wij, in natuur en praktijk vijanden zijn van God en godzaligheid. Wij moeten door de gezegenden Geest onderwezen worden, aangaande de boosheid der zonde in ons eigen geweten, en de werking der vijandschap tegen God in ons eigen vleselijk gemoed; en zo pijnlijk voor onszelf de verwoesting en het verderf kennen die de zonde in en van ons gemaakt heeft.
Het is een schrikwekkende ontdekking ons als vijanden Gods te kennen, wanneer dit eerst aan de ziel wordt bekend gemaakt; dat wij als zodanig voor leven en dood in Zijn handen zijn, dat wij gezondigd hebben tegen de Majesteit van de hemel, en rechtvaardig veroordeeld worden om te sterven; dat zijn wet geen uitzonderingen maakt voor de menselijke zwakheden maar haar volle eisen tot de uiterste penning vordert; dat als wij opzien, wij niets zien behalve een toornig God, en als wij neerzien wij niets anders bemerken dan een geopende hel; wanneer wij van binnen zien, wij morgen, middag en avond niets anders dan zonden vinden, en als wij rondom ons zien om hulp, wij geen hulp of toevlucht vinden in mens of leraar, kerk of wereld.
Dit is de allersmartelijkste ontdekking; echter opent zij een weg om allerkrachtigst, omdat zij het allerbevindelijkst is, te leren kennen hoe de zondaar met God verzoend is. Want de Heere de Geest verlicht op de bekwame tijd de ogen des verstands om de weg der behoudenis te zien door de bloedstorting en gehoorzaamheid van de Zoon van God; en zo licht in Gods licht ziende, als een die verlicht is met het licht der levenden, ontdekt hij dat er een behoudenis is, van welke hij vroeger geen denkbeeld bezat, of ten minste geen geestelijke bevatting.
Door een straal van goddelijk licht ziet hij, dat er een weg is, door welke bij kan worden verzoend, nabijgebracht, aangenomen, zijn zonden vergeven, en gerechtvaardigd en vrijgemaakt kan staan, zodat bij zonder vlek of smet voor de troon Gods is. Met dit goddelijk leven en licht, en als een gevolg daarvan, is er een meedelen van een levend geloof in de Zoon van God. De ziel wordt gewillig gemaakt in de dag van Gods heirkracht; zij onderwerpt zich, gelijk de apostel spreekt, aan de gerechtigheid Gods, welke gepaard gaat met een geloven met het hart tot rechtvaardigheid (Rom. 10: 3-10).
Nu heeft er inwendig een verzoening in het hart plaats, voortspruitende uit de verzoening welke reeds is aangebracht door het sterven van Gods geliefde zoon. Dit is een ontvangen van de verzoening; of, gelijk de apostel spreekt, “de verzoening verkrijgen” (Rom. 5: 11). Deze verkrijging van de verzoening is die in geloof, hoop en liefde in een gelovig en verbroken hart te ontvangen. Het is een gewillig zijn om zalig te worden, niet op onze eigen wijze maar in Gods weg; de weg der behoudenis door de bloedstorting en het sterven des Zoons van God, als geopenbaard in de Schrift, en ontvangen in een verlicht verstand, een gereinigd geweten, en een liefhebbende nederige, berouwvolle geest, goedkeurende, en er zich in verlustigende, de mond belijdende wat het hart gelooft, en God lovende en prijzende voor Zijn geopenbaarde barmhartigheid.
Maar behalve deze zalige verzekering en dit kinderlijk vertrouwen is er ook een ontvangen van de verzoening als gepast en begeerlijk, vergezeld van een inwendig getuigenis dat als dit de weg is van zalig te worden, er dan ook hoop voor mij bestaat. Daarbij is er een beschouwing van de schoonheid en gelukzaligheid des Heeren Jezus Christus als een lijdenden Imrnanuël, en een zien op Hem gelijk als diegenen welke in de woestijn door de slangen gebeten, naar de koperen slang opzagen en genezen werden.
Er is ook aan dit geloofsgezicht van Jezus, een in het hart ontvangen verbonden van de dierbare beloften welke de verlossing voorstellen aan degenen die op Hem zien, naar de woorden: “Wendt u naar Mij toe en wordt behouden alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer”. En daar de liefde het geheel bekroont, en het zekerste bewijs van de nieuwe geboorte is, zo bestaat er een levend voortstromen van liefde en genegenheid tot dit bloedend Lam Gods, deze Man van smart, deze lijdenden Zaligmaker; een omhelzen van Hem en een aankleven aan Hem met volvaardigheid van het hart, als onze enige hoop en hulp, onze gehele verlossing en onze gehele begeerte.
5. Wij zien dus dat de “verzoening” twee strekkingen bevat, en twee onderscheiden betrekkingen heeft. De een is uitwendig, de andere inwendig. Als een plaats gehad hebbende daad van bevrediging van de gerechtigheid Gods, was zij eenmaal en voor eeuwig ten volle uitgevoerd door de bloedstorting en het sterven van Gods geliefde zoon. Dit werk is voltooid. Daar kan niets van worden afgenomen, niets aan worden toegevoegd. Maar er is een ontvangen van deze verzoening in het hart, waarvan de uitwerking dient om het verstand te verzoenen door een goddelijk licht, het geweten te verzoenen door de toepassing van het bloed der besprenging, en de genegenheden te verzoenen door dezelve te vestigen op de heerlijke Persoon des Zoons Gods, als nu aan de rechterhand des Vaders zijnde.
Terwijl dan deze inwendige verzoening plaats grijpt, is er een onderwerping van de oude vijandschap, de opstand, en het werken van harde, halsstarrige gedachten en gevoelens tegen de Majesteit van de hemel en een meedeling van zachtmoedigheid, ootmoedigheid, zelfverfoeiing, goddelijke droefheid over. de zonde, en liefde tot de Heere en Zijn volk. Hier is de bijzondere zaligheid van het Evangelie als het “de kracht Gods tot zaligheid” wordt; en hier zien wij de tegenstelling tussen hetzelve en de wet. De wet openbaart de toorn Gods tegen de zonde, ontdekt de gruwelen van het hart, maar geeft er geen hulpmiddel voor; ontbloot de ongerechtigheid van elke verborgen gedachte, maar vertoont geen vooruitzicht van ontkoming van de toekomende toorn. Maar het Evangelie komt in betoning des Geestes en der kracht.
Het spreekt ons aan als een boodschap van God, met macht in Zijn naam sprekende en zegt: “Gij bent een vijand Gods door boze werken; gij bent een zondaar in gedachten, woorden en werken; alles in u is in verzet tegen de gerechtigheid, heiligheid en majesteit van god. Maar er is behoudenis voor arme zondaars zoals gij bent, door het bloed van Christus.” “Af zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe” (Joh. 3:16). “Dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon” (Joh. 5: 11).
Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden” (1 Joh. 11: 1, 2). Zij verzekert ons alzo dat Hij vijanden met God verzoend heeft; hun zonden heeft uitgedelgd door Zijn eigen bloedstorting aan het kruis. En nu opgevaren zijnde naar de hoogte, en Zijn Geest in de harten van Zijn knechten gezonden hebbende, om het Evangelie der genade te prediken, spreekt Hij door hen bemoedigende woorden tot arme zondaars, opdat zij tot Hem komen en in Hem rust en vrede vinden zouden; steeds zeggende: “Komt allen tot Mij gij die vermoeid en beladen bent, en Ik zal u rust geven”.
Het Evangelie komt met deze verklaringen, belofte, en uitnodigingen, dat er verlossing is door Christus en door geen ander. Daar nu “het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods,” wordt, wanneer het Evangelie met kracht komt, het geloof opgewekt om te geloven in de Heere Jezus Christus, op Hem te zien om behoudenis, om op Zijn barmhartigheid te hopen; en als het de genadige Heere behaagt te naderen in de openbaring van Zijn liefde en Zijn bloed, en enige liefelijke belofte in te fluisteren dan versmelt, verbreekt en verdwijnt de vijandschap, die door de wet tegen God was opgewekt met de opstand, het ongeloof, het vooroordeel en de eigengerechtigheid, die tot nu toe als hinderpalen hadden gestaan in de weg van het geloof, gelijk ijs voor de zon, en geloof, hoop en liefde nemen hun plaats in.
Het is op deze wijze dat de ziel met God verzoend is, gelijk de apostel spreekt: “Wij bidden u van Christus’ wege, laat u met God verzoenen;” dat is inwendig en bevindelijk, omdat zij nu de verzoening ontvangt, de verzoening omhelzende die door het sterven van Gods dierbare Zoon is aangebracht. Het woord “verzoening” betekent “tot één maken”, dat is, herenigen met God; en daarom is de verzoening de “hereniging” of de weg waarop God en de mens tot “een”, of als een in Christus is, ontvangen.
Hebt gij nu immer deze twee zaken ondervonden, die door elke heilige Gods bevindelijk gekend moeten worden – vijandschap en verzoening; uw verloren toestand van nature, en uw behoudenis door genade; de zondeval en de herstelling; de ziekte en het geneesmiddel; de verwonding en de genezing; dat gij niets in uzelf hebt behalve zonde en ellende; dat gij de onderste helle verdient; dat er in u noch hoop noch hulp bestaat; en dat als gij leeft en sterft zonder een kennis van Christus, gij in de hel moet verzinken met al uw zonden op uw hoofd?
En nochtans is er in uw ziel die openbaring geweest van de Persoon en het werk, het bloed en de gerechtigheid, de genade en heerlijkheid van de Heere Jezus Christus welke niet slechts uw verstand heeft verlicht maar uw hart heeft verheugd. Of zo gij niet kunt opklimmen tot de kracht van een volkomen vertrouwen, dat gij nochtans die zoete gepastheid, de schoonheid en gelukzaligheid in de Heere Jezus Christus hebt gezien, die in uw ziel een levend geloof in Hem hebben opgewekt, een liefde tot Zijn naam hebben uitgestort, en u een goede hoop door genade hebben geschonken.
Zo gij dit kunt vinden, zult gij in staat zijn, om zulk een verandering in uw hart en genegenheden op te merken, dat ofschoon gij eenmaal een vijand van God was door boze werken, er echter een bevrediging in uw gemoed is met Zijn weg, woord en wil, een onderwerpen van uw geloof, en een verlangen naar een vollediger en duidelijker getuigenis van uw schuldvergeving en aanneming. Is zulks het geval, dan bent gij niet langer een vijand, maar een vriend; niet langer een van God vervreemde, maar een van Zijn eigen dierbaar huisgezin, zelfs al kunt gij u het volle genot van die betrekking niet toeëigenen, noch roepen: “Abba, Vader”.
II. Maar wij gaan over tot de verklaring, uit de mond van een door de Heilige Geest bestuurde apostel, de behoudenis der vrienden.
1. De apostel zegt: want indien wij, vijanden zijnde met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven”. Dan zijn zij reeds verzoend, want de verzoening is een verleden daad, teweeggebracht door de bloedstorting van Christus aan het kruis, eens voor altijd en zij kan niet herhaald worden. Toen Hij Zijn zoenbloed als een slachtoffer voor de zonde stortte, en Zijn dierbaar leven als een rantsoen aflegde, was de verzoening volkomen teweeg gebracht.
Het is een voltooid werk, en werd, als zodanig, door Zijn stervende lippen verkondigd. De gemeente was toen met God, en in zekere zin, God met haar verzoend; want ofschoon God de Gemeente altijd liefhad als in vereniging met Zijn geliefde zoon, zo bestond er een wettelijke vijandschap, die weggenomen moest worden, en een toorn tegen de zonde welke vorderde bevredigd te worden. Wij kunnen dit ophelderen door het geval van David met Absalom.
David beminde Absalom en hield nimmer op hem lief te hebben, maar hij was rechtmatig misnoegd over zijn misdaad in het doden van Amnon. Maar hij werd met hem verzoend, toen Absalom zich onderwierp, en hem kuste als een bewijs daarvan (2 Sam. 14: 33). Zo was God billijk misnoegd over de zonden van Zijn volk; maar Zijn billijke toorn was afgekeerd door de gehoorzaamheid tot de dood van Zijn dierbare Zoon en in deze zin werd Hij verzoend.
Nu worden wij, gelijk ik reeds verklaard heb, wanneer wij de verzoening zodanig uitgewerkt ontvangen, en haar kracht in onze zielen gevoelen; wanneer ons geweten met het dierbare bloed van Christus besprengd is; wanneer Zijn liefde in onze harten is uitgestort, en het geloof opgewekt is, om Hem te omhelzen als de Christus Gods, bevindelijk verzoend; dan worden wij tot God aangetrokken door het bloed van Jezus Christus, en omhelzen Hem als onze Vader en Vriend. Maar de Heere Jezus Christus verrees van de doden; Hij triomfeerde over dood en hel; Hij voer op tot de rechterhand des Vaders, en zetelt daar als de grote Hogepriester over het huis Gods, als de Middelaar tussen God en de mens.
Gelijk de apostel zegt: “Hij leeft eeuwig om voor ons te bidden”. Nu is dit het voordeel en de zegen van Christus’ zitten aan de rechterhand des Vaders, dat Hij leeft tot de uitvoering van Zijn eigen testament – dat nieuwe testament of verbond, waarvan Hij aan het laatste avondmaal sprak: “Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt” (Luk. 22: 20); of gelijk wij in Mattheüs lezen: “dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwe Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden!’ Matth. 26: 28). Gij maakt een testament en sterft en hebt uw bezittingen, naar gij meent, verzekerd en gewaarborgd door de nauwkeurigste bepalingen.
Maar kunt gij verzekerd zijn dat uw executeurs uw bepalingen zullen ten uitvoer brengen? Uw bezittingen kunnen, te gelde gemaakt, wellicht niet toereikende zijn om uw legaten te voldoen; uw executeurs kunnen weigeren om te handelen, of zij kunnen bedrieglijke lieden zijn, en hun kinderen en betrekkingen kunnen door hen in hun wettige rechten bedrogen worden, gelijk herhaalde malen heeft plaats gehad. Of er kan enige misslag of gebrek in uw testament zijn, als niet behoorlijk getekend, of een beschikking inhouden welke de wet niet veroorlooft; en zo kunnen al uw sterfbedbedoelingen geheel en al verijdeld worden.
Maar hoe geheel en al verschillend is het met het Nieuwe Testament of de wil van de Heere Jezus Christus. Hij maakte Zijn eigen testament, hetwelk Hij ondertekende en verzegelde met Zijn eigen bloed, hetzelve alzo eeuwige waardij en kracht gevend. En o, hoe zalig is die waarheid, dat Hij opgevaren is naar de rechterhand Gods om Zijn eigen uitvoerder te zijn; zodat Hij zelf al de beschikkingen van Zijn Testament ten uitvoer brengt. Deze zalige waarheid is vervat in de woorden, behouden worden door Zijn leven.
2. Zo gij nu iets inwendigs en bevindelijks kent van de boosheden uws harten, de kracht der zonden, de macht der verzoeking, de listigheid van uw onvermoeide vijand, en die dagelijkse strijd tussen natuur en genade, het vlees en de geest, hetwelk het bijzonder kenmerk is van de levende hemelse familie, zult gij uw behoefte naar verlossing als een dagelijkse werkelijkheid bevinden en gevoelen. Denk niet dat de enige verlossing die gevoeld en gekend moet worden, de plaats gehad hebbende verlossing is die voltooid is door de bloedstorting en het sterven des Zoons van God. Er bestaat een dadelijke verlossing, – een inwendige, bevindelijke, en voortdurende verlossing, die meegedeeld wordt uit de volheid van Christus als een verrezen Middelaar.
Behoeft gij niet dagelijks en bijna elk uur verlost te worden? Maar waarvan? Wel van alles in u dat strijdt tegen de wil en het woord van God. De zonde is niet dood in u. Als gij verzoend en nabij gebracht bent tot God; als gij een aandeel hebt in het dierbare bloed van Christus; als uw naam geschreven is in het boek des levens des Lams, en de hemel uw eeuwig tehuis is, dat verlost u niet van de inwonende zonde, en evenmin van de macht der zonden, behalve als genade er u dadelijk verlossing van schenkt.
De zonde werkt nog in uw vleselijk gemoed, en zal daarin blijven werken tot op uw stervensuur. Waar gij dan van behoeft te worden verlost is de schuld, onreinheid, macht, liefde en praktijk van die zonde, die immer in u woont en in u werkt, en uw ziel vaak in zware en wrede dienstbaarheid voert. Nu leeft Christus aan de rechterhand Gods voor Zijn dierbaar volk, opdat Hij ze voor altijd behoudt door Zijn leven.
Daar regeert en heerst Hij als hun heerlijk verbondshoofd, altijd over hen wakende, altijd voor hen gevoelende en medelijden over hen oefenende, en toevoer van genade aan hen meedelende ter verlossing en vertroosting van al zijn lijdende heiligen, die over de oppervlakte der aarde verspreid zijn. Het verheerlijkte Hoofd is in de hemel, maar de lijdende leden zijn op aarde; en daar Hij te hun nut leeft, onderhoudt Hij door Zijn Geest en genade Zijn leven in hun ziel, naar zijn eigen woorden: “Ik leef en gij zult leven”.
Het is door dit leven dat wij, in de woorden van onze tekst, “behouden” worden; niet dat de behoudenis niet reeds volkomen is; niet dat er iets overblijft voor Christus, om in de hemel te verrichten en daardoor te voltooien, hetgeen ongedaan was gelaten in Zijn verlossingswerk hier beneden. Dat is de bedoeling der woorden niet. Het is, om zo te spreken, de aflevering van die bereids voltooide verlossing in onze harten – derzelver bekrachtiging in de rechtbank des gewetens, derzelver verzegeling met een goddelijke kracht en invloed op het geweten.
Wij lezen daarom: “Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven” (Efeze 4: 8). In het kort, op de opstanding, de hemelvaart, en de verheerlijking van Christus berust de gehele behoudenis der gemeente; want zonder dezelve zou de verlossing niet van kracht kunnen zijn geweest. De behoudenis dus, waarvan in de tekst wordt gesproken, is een bevindelijke behoudenis, is een genadige meedeling van dat goddelijk licht, leven en kracht, welke daaruit voortspruiten. Teneinde nu dit te verwezenlijken behoeven wij een leven van het geloof – het leven waarvan Paulus spreekt: “Hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, die mij liefgehad heeft, en zichzelf voor mij overgegeven heeft. (Gal. 2: 20).
En dit leven van het geloof op Christus is even noodzakelijk tot onze tegenwoordige en bevindelijke behoudenis, als Zijn sterven aan het kruis zulks Was voor onze verleden en werkelijke behoudenis. Zo gij het leven deelachtig bent als een arm, gevallen zondaar, dan ziet gij uzelf omringd door vijanden, verzoekingen, zonden, en strikken; en gij gevoelt uzelf ten een male weerloos, zonder enige kracht, om dezelve te weerstaan. Terneder gedrukt door het gewicht van het ongeloof, ziet gij een berg van bezwaren voor uw ogen, soms in voorzienigheid, soms in genade; soms met betrekking tot uzelf, soms met betrekking tot anderen.
Gij bevindt tevens, dat uw hart een kooi is van onreine vogelen, en dat er in u, dat is in uw vlees geen goed woont; gij hebt noch wil, noch kracht in uzelf om te strijden of te vluchten. Hoe dan zal deze berg een vallei worden? Hoe zult gij de strikken en verzoekingen ontkomen, die op uw pad uitgespreid zijn? Hoe zult gij ontslagen komen van al uw uitwendige, inwendige en helse vijanden, en eindelijk de poorten van de hemel veilig bereiken? Zo gij zegt: “Door de zaligheid die reeds bereid is”, bent gij dan verzekerd dat die zaligheid u toebehoort? Waar is het bewijs daarvan, zo gij geen dadelijk geloof in Christus hebt? Hoe kan die verleden behoudenis u baten voor dadelijke benauwdheden tenzij er een toepassing van is? Het is deze toepassing der behoudenis, welke vervat is in “behouden te worden door Zijn leven”.
Ziet hoedanig zij werkt; en welk een gepastheid daarin bestaat. Gij bent geheel en al zwakheid, en Hij is en heeft alle kracht, welke Hij in onze zwakheid volbrengt. Zo ondervond Paulus het, hetwelk hem deed “roemen in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in hem zou wonen”. Gij bent geheel en al machteloos tegen de zonde, de verzoeking, en duizend vijanden. Maar er is hulp bij Hem besteld als één die machtig is; Hij zendt u daarom hulp uit het heiligdom en sterkt u uit Sion (Psalm 20: 2), zodat die zonden en vijanden de overhand niet over u zullen hebben.
Gij gevoelt uzelf vaak koud, levenloos, en dodig, en behoeft daarom voortdurende toevoer van genade en kracht, om uw ziel te verlevendigen, om u gelovig, waakzaam en biddend te maken. De Heere Jezus Christus, die aan Gods rechterhand leeft, heeft voortdurend toevoer van Zijn genade te doen afdalen om uw ziel levend bij zich te behouden. Zonder dat dit leven onderschraagd en onderhouden wordt door deze voortdurende toevoer Zijner genade, kunt gij niet bidden, noch lezen, noch het woord horen, noch met enig gevoel of stichting overdenken.
Gij kunt de Heere en Zijn gezegende wegen niet liefhebben; gij kunt u aan Zijn rechtvaardige leidingen niet onderwerpen; noch de roede horen en wie ze besteld heeft. Gij mag Zijn troon naderen, maar uw hart is koud, bewolkt, en ongevoelig; uw geest zinkt neer onder het gewicht en de last der beproevingen en moeilijkheden, die op uw pad verspreid zijn; ook bent gij niet bekwaam, om iets te doen dat u bevredigt, of waarvan gij denken kunt, dat God er mee bevredigd is.
Door deze smartelijke maar nuttige lessen wordt gij bevindelijk onderwezen, dat gij het leven van Christus zowel behoeft, als het sterven van Christus; de opstanding van Christus evenzeer als de kruisiging van Christus; Christus als een eeuwig levende, altijd genadige, immer heerlijke Middelaar, om toevoer van Zijn liefde en macht in uw ziel uit te storten, evenzeer als gij Hem behoefde, om voor uw verlossing aan het kruis te sterven.
Wij lezen daarom: “Die overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking” (Rom. 4: 25), dat is, opdat er een toepassing in Zijn opgestaan leven zou zijn, van Zijn gerechtigheid, opdat wij niet slechts verzoend, maar bevindelijk zouden gerechtvaardigd worden in de voorhof van een gelovig hart en een gereinigd geweten.
3. Hier is dan het leven van het geloof, dat een gelovige op de Zoon van God aan de rechterhand des Vaders leeft. Hij komt tot het kruis om vergeving zijner zonden te verwerven door de offerande en het sterven van Jezus, om daar vrede met God te vinden door te geloven in Zijn Zoon; om daar verzoening te ontvangen door zijn zonden achter Gods rug geworpen te zien, en barmhartigheid in zijn ziel te ontvangen, als stromende door het verzoenbloed van de Godmens.
Maar hij heeft een uitgestrekte en verschrikkelijke woestijn te doorwandelen, waarin vurige slangen, en schorpioenen, en droogte zijn (Deut. 8: 15); waar hij omringd is met verzoekingen en strikken, zijnde zijn eigen hart de ergste vijand. Hoe kan hij door die woeste, huilende woestijn reizen, zonder een Vriend aan de rechterhand Gods, om hem voortdurend toevoer van genade te zenden; die zijn gebeden kan horen, zijn smekingen kan beantwoorden, naar zijn zuchten kan luisteren, en zijn tranen in zijn fles vergaderen; wie kan hem helpen om de strikken te zien, en hem genade schenken om dezelve te vermijden; wie onderscheidt van zijn hemelse wachttoren het oprijzen van boosheid in zijn hart, en een tijdige en gepaste dwarsboom daarop leggen, voordat het in woord of daad uitbarst?
Behoeft hij niet een alwijs en eeuwig levend Vriend, die hem van trotsheid kan bewaren door hem waren ootmoed te schenken; hem bewaren van hardheid van het hart door hem bekering te vergunnen; hem bewaren van zorgeloosheid door zijn geweten te vertederen, hem bewaren van al zijn vrezen door in zijn ziel te fluisteren: “Vreest niet, Ik heb u verlost;” en hem te redden uit duizend doden in vrees of gevoel door de meedeling van een verborgen leven?
Zodat het leven eens Christens bestaat in voortdurend te zien op de Heere Jezus Christus aan de rechterhand Gods, om zijn ziel te verlevendigen, wanneer zij kwijnt, zijn liefde aan zijn hart te openbaren als het koud en gevoelloos is, om zijn geweten met zijn bloed te besprengen, wanneer het schuldig en zinkende is, hem in de waarheid te leiden, hem van dwaling en kwaad te behoeden, hem te beveiligen door en temidden van elke storm, elke stap te besturen, welke hij op zijn vooruitreis doet, en hem ter bestemder tijd veilig in de hemel te brengen.
Dus bestaat er een verzoening van vijanden door de dood van Christus, en een behoudenis van vrienden door het leven van Christus; en wij moeten beiden kennen. Wij worden verzoend als vijanden, niet als vrienden; want vrienden behoeven geen verzoening. Verzoening in en van een toestand van vijandschap tegen God, is de allereerste zaak, die wij door goddelijke onderrichting hebben te leren. Hier is het dat wij behoudenis leren zien door het bloed van Christus; en dit doet ons al onze eigengerechtigheid wegwerpen als een wegwerpelijk kleed en geen hoop of hulp hebben, behalve in het kruis van Christus.
Dit is de eerste zaak, die wij hebben te leren; want voordat wij onze eerste les geleerd hebben, kunnen wij onze tweede niet aanleren. Maar wij zijn zeer trage leerlingen. Ongeloof en twijfelzucht, hoogmoed en eigengerechtigheid, schuld en vertwijfeling, spannen allen samen om ons daadwerkelijk te beletten haar doorgrondig en als het ware volkomen te leren. Telkens hebben wij dus onze eerste les te hervatten, dat wij zondaars zijn, behouden door de zuivere barmhartigheid Gods, door de bloedstorting van Christus vijanden die verzoend en nabij gebracht zijn door de dood van de Zoon van God.
Gij, die met uw zonden beladen bent; gij die de vijandschap uws harten gevoelt; die verzoend en nabij God gebracht wilt worden, die niets zozeer verlangt als de liefde Gods in uw ziel uitgestort te gevoelen; die de vergeving van Uw zonde wenst te ondervinden en een openbaring, dat gij een aandeel in de Heere Jezus Christus bezit, tot u, ja tot u wordt het zwaard van deze behoudenis gezonden.
En komen moet gij, en komen zult gij, met al uw zonden en overtredingen, hoe zwart zij ook zijn mogen, en ze, om zo te zeggen, aan de voet van het kruis neerleggen; gij moet en zult met geloofsogen op de gekruiste Zoon van God zien, en zien en staren, totdat Hij een woord van vrede, schuldvergeving en vertroosting tot uw ziel spreekt, door Zijn bloedende wonden en lijdend sterven.
En dan, wanneer gij zodanig met God bent verzoend door het sterven van Christus, en Zijn dierbaar bloed op uw geweten gesprengd is, u een vriend Gods makende, zult gij een leven van het geloof en van het gebed te leven hebben op Hem als een verrezen Middelaar, als een genadig en heerlijk invloedrijk Hoofd, en Voorspraak aan de rechterhand des Vaders.
Tot Hem zult gij dag aan dag te komen hebben met uw zonden en smarten, uw droefheden en klachten over uw herhaalde en verzwarende afkeringen, uw talrijke, ja ontelbare gebreken en tekortkomingen; en Hem zodoende tot uw beste, mag ik er bij voegen, uw vertrouwden Vriend maken; want Hij is een Vriend, die nauwer in verwantschap is dan enig aards broeder.
In deze weg zult gij, door uw schuld te belijden, en door geloof in Zijn naam, mededelingen van Zijn genade, barmhartigheid en liefde in uw hart ontvangen, om u te bewaren van de liefde en de geest van de wereld, van dwaling, van de macht en het geweld van uw eigen lusten, en de verfoeilijke neiging van uw gevallen natuur.
Deze zullen dikwijls op een vreesverwekkende wijze werken; maar dit zal u slechts meer uw behoefte doen gevoelen naar de macht en tegenwoordigheid des Heeren Jezus, om u van die allen te redden.
Nu is het een ondervinding van deze inwendige oefeningen en van de kracht en tegenwoordigheid des Heeren onder dezelve, die de ware godsdienst tot zulk een levende zaak in de boezem van de mens maakt. Een van God onderwezen mens zal niet, en moet niet zeggen: “Alle mijn zonden zijn vrijwillig vergeven en uitgedelgd door Christus’ bloedstorting en sterven aan het kruis. Toen en daar werd ik met God verzoend. Ik heb nu niets meer met de zonde te maken, noch de zonde met mij.”
Dit is een gezegende evangelische waarheid omkeren en miskennen. Gij hebt nog zeer veel met de zonde te doen, en de zonde heeft nog zeer veel met u te maken; want zij woont in u, en zal in u werken en dat somwijlen op een geweldige wijze. En zo uw hart recht voor God is zult gij ondervinden, dat gij vele beproevingen en verzoekingen, worstelingen en droefheden te verduren zult hebben; vele veldslagen te strijden, en, ik mag er wel bijvoegen, overwinningen te behalen.
Gij bent een arm, machteloos schaap, door wolven omringd, en behoeft als zodanig de gehele zorg en bescherming van de goede Herder. Gij bent een vaartuig op een stormachtige zee, waar de winden en golven tegen zijn, en behoeft daarom een alwijze en bekwamen loods, om u veilig binnen de haven te brengen. Het is op deze wijze dat wij leren, dat “wij behouden worden door Zijn leven”.
4. En houdt de woorden “veel meer” in gedachten; want hoe tonen zij de volheid en gewisheid van deze behoudenis: want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven”. Het is alsof de apostel wil zeggen: het grootste, het zwaarste, het moeilijkste gedeelte van het werk is reeds verricht; en als de grote taak voltooid is geworden in de verzoening van vijanden, hoeveel te gemakkelijker moet, om zo te spreken, de behoudenis van vrienden dan zijn”. Dus is er de volste verzekering, dat allen die verzoend zijn, zullen behouden worden; want zo een stervende Christus hen verzoende, zal een levende Christus hen behouden.
O, de kracht van dit sterven en dit leven te gevoelen dit sterven om te verzoenen, dit leven om te behouden! En hoe ontsluit een bevindelijke kennis van dit sterven en dit leven hemelse mededelingen tussen Christus en de ziel; doet de godsdienst een levende werkelijkheid zijn; doet de Bijbel voortblinken als een boek, dat gevuld is met eeuwig nieuwe en eeuwig heerlijke waarheden. Hoe scheidt ons ook een bevinding van deze aard van de wereld, en van alles dat tussen Christus en de ziel indringt.
Als uw voeten op dit gezegende pad zijn, dan zijn er geen bezwaren, die gij kunt ontmoeten boven de kracht des Heeren Jezus Christus, om te overwinnen; geen verzoeking kan u aanvallen, geen beproeving u overkomen, geen vijand u deren, dien gij niet kunt verslaan. Ook is er geen enkele zaak op aarde of in de hel, die u kan schaden, zo gij slechts op de Heere Jezus Christus ziet, en toevoer van genade en kracht uit Hem ontvangt. Duizenden hebben deze verzoening en deze behoudenis beproefd; en waarom gij niet?
Met deze vraag tenslotte, in de hoop, dat gij die in uw eigen hart mag tehuis brengen, en het antwoord daar geopenbaard mag vinden, zal ik het onderwerp voor ons in de handen des gezegenden Geestes toevertrouwen, om daarmee te doen, wat in Zijn ogen goed schijnt; en zo Hij het vergezelt met de zalving van Zijn genade, zal al de lof en heerlijkheid worden toegebracht aan een Drie-enig God, Vader, Zoon en Heilige Geest, na en tot in alle eeuwigheid.
Amen.
Preached at North Street Chapel, Stamford, on May 16, 1858
“For if, when we were enemies, we were reconciled to God by the death of his Son, much more, being reconciled, we shall be saved by his life.” — Romans 5:10
There are two points of divine truth on which the Scriptures are very express and plain, and yet both of them are most stoutly resisted by the pride and self-righteousness of man’s heart. These two truths are the completeness of the fall, and the equal or more than equal completeness of the recovery. Neither of these truths, though for different reasons, is palatable to man’s self-righteous nature. As to the first, the depth of the fall, how few are willing to admit that man is in such a state as the word of God describes him to be— “dead in trespasses and sins;” “alienated from the life of God through the ignorance that is in him, because of the blindness of his heart;” “serving diverse lusts and pleasures;” “living in malice and envy, hateful and hating one another,” “having no hope, and without God in the world.” But how plainly are all these evil fruits traced up in the Scriptures to their parent stock— the Adam fall. How clear on this point is the language of the apostle— “By one man sin entered into the world, and death by sin, and so death,” not only naturally but spiritually, “passed upon all men for that [or “in whom,” margin] all have sinned;” “through the offence of one many be dead;” “the judgment was by one to condemnation;” “by one man’s offence death reigned by one;” “by the offence of one judgment came upon all men to condemnation;” “by one man’s disobedience many were made sinners.”
And yet these unquestionable and express declarations of Scripture are so opposed to that natural principle which exists in all of us, that we think we are not so thoroughly helpless as not to be able to do something to please God and obtain salvation; and that we will never be exposed to all the desperate rebellion that our wicked heart is capable of manifesting.
It is true that from a kind of traditional respect for the Scriptures there is a bridle in the jaws of many which prevents them from speaking against them; but when the truth contained in them is brought forth and enforced in other language, then it is that the enmity manifests itself.
In a similar way, the other grand and glorious truth which is the correlative of the first, the completeness of the recovery, the perfection of the finished work of Christ, the full atonement which he has made by his blood shedding and death, is as much opposed as the depth of the fall, because it equally stands in the way of that self-righteousness which is innate in every man’s heart. See how it cuts both ways. If I can do something toward my own salvation, then the fall is not complete; for it has left me some power. If I can do something for my own salvation, then the recovery is not complete; for to become effectual it needs my co-operation.
But how plainly has the Holy Spirit revealed not only the depth and completeness of the fall, but the height and completeness of the recovery. The apostle, in the chapter before us, ascribes justification to the obedience of Christ as plainly as condemnation to the disobedience of Adam, summing up the contrast he has drawn between the two covenant heads in these words of truth and power— “For if, by the trespass of the one man, death reigned through that one man, how much more will those who receive God’s abundant provision of grace and of the gift of righteousness reign in life through the one man, Jesus Christ. Consequently, just as the result of one trespass was condemnation for all men, so also the result of one act of righteousness was justification that brings life for all men. For just as through the disobedience of the one man the many were made sinners, so also through the obedience of the one man the many will be made righteous.” (Rom. 5:17-19.)
In the words of our text, we find Paul seeking to encourage the desponding saints of God, by laying before them what Christ has already done, and what he still lives to do. It is the summing up of the argument laid down in the preceding verses. The main point which he enforces, and whereby he sets off the wondrous love of God, is that “when we were yet without strength, in due time Christ died for the ungodly.” The death of Christ and that for “the ungodly” is the key-note of his melodious theme— the grand fundamental truth of the gospel— on which he insists and enforces with all the strength of his pen. From this gospel doctrine he draws a no less gospel conclusion, that thereby God “commends,” or, as the word means, “recommends,” “his love towards us, in that, while we were yet sinners, Christ died for us.” He would thus to the utmost of his power enhance and set before our eyes the greatness of the love of God; that this love was not to “the righteous man,” of whom he had spoken in the preceding verse, if indeed such a one could be found; nor for “the good,” that is— the kind, benevolent man for whom some would even dare to die; but that it flowed so freely forth towards us while we were yet sinners that he sent his only begotten Son to die for us.
He would thus open a door of hope for every sensible sinner who is led by divine teaching into an experimental acquaintance with the depth of the fall, and encourage him to come to God as he is, in all his sin and shame, that he may receive mercy from the hand of him whose name and nature are love.
He then goes on still further to encourage the drooping saints of God by pointing out to them the fruits of justification by the obedience and blood shedding of Christ and the way in which it makes salvation sure— “Much more then, being now justified by his blood, we shall be saved from wrath through him.” The saints of God are justified, that is, are accounted righteous, through the blood of Christ; and though it may seem at first sight unusual language, yet it perfectly harmonizes with an expression in the same chapter— “By the obedience of one shall many be made righteous” (verse 19); for the blood shedding and sacrifice of Christ were a part of this obedience. Thus by setting before them, that they are already in a state of justification and acceptance before God; that the blood shed upon the cross is their plea and title to eternal bliss— a plea and title that never can be set aside by the curse and condemnation of the Law or the accusations of Satan and a guilty conscience, he encourages them to believe that they shall be fully saved, and are in fact already saved from the wrath to come.
But this glorious and most encouraging truth he sets forth more fully in the words of our text, as the general summing up of the preceding argument— “For if, when we were enemies, we were reconciled to God by the death of his Son, much more, being reconciled, we shall be saved by his life.”
In bringing before you what I seem to see and feel as the spiritual and experimental interpretation of these words, I shall, with God’s help and blessing, divide our subject into two leading branches, showing, under the first, the reconciliation of enemies; and, under the second, the salvation of friends.
I. The reconciliation of enemies.
A. What language can describe more fully or forcibly the lost, ruined, undone condition of man by nature than the declaration from the mouth of an inspired apostle that he is an enemy of God? Have we ever considered the depth and meaning of that pointed and pregnant expression? Have we ever viewed it in the light of God’s countenance and seen in that pure, holy, and heavenly light what it is to be an enemy of the great God of heaven and earth? Let us endeavor, then, as the Lord the Spirit may graciously enable us, to devote a few moments to the consideration of this point, for only as we are led into an experimental acquaintance with it, humbling though it maybe to our pride or painful to our conscience, can we see or feel any grace or glory in the reconciliation which has been effected by the blood shedding and death of Jesus.
But how has this come to pass? What brought us into this miserable condition? God did not make man his enemy. On the contrary, he made him upright, in his own image, after his own likeness. Here was friendship, not enmity. But what a depth of condescension was it in God to breathe into man an immortal soul, bearing in every feature and lineament a visible representation of the purity and perfection of himself, that is, so far as a created, and therefore finite and limited being was capable of it. Man thus made in the image of God was God’s friend. God walked with, and talked with him in the garden of Eden; and acceptable were his visits, for a divine familiarity came with them, and such a mutual communion as a pure and innocent man could maintain with a condescending God. Standing in his created purity and native innocence, Adam had no alarming apprehension of the majesty of God, for there was no bar between him and his Maker, any more than there is now in the angels who ever stand in his presence.
But ah! how soon the scene changed— how Satan envied man’s happiness; how determined that old enemy the Serpent was to make a breach between God and man who seemed in his eyes raised to occupy a place in God’s favor from which he himself had fallen; and how fearfully, through God’s permission, he succeeded by planting, through the subtle medium of temptation, in the breast of man the same evil root of wickedness that had struck so deeply into his own being, degrading and polluting a pure angel of light into a foul fiend of darkness. Sin being thus, as it were, infused into the heart of man, broke up that friendship which existed between the Creator and the creature, and hurled man down into a state of enmity and alienation from the Author of his being.
God did not put enmity into man’s heart; God was not the author of man’s sin. Satan was the author of the whole. Yes, it was the old enemy, the Serpent, who injected sin as a secret and subtle poison into man’s nature, which was created pure and yet subject to fall, and by this infusion of sin, introduced that enmity and alienation into his heart, which constituted him an enemy of God. Let us be clear here. Satan himself could have had no power of introducing sin into man’s heart but through the medium of temptation. Though I have spoken figuratively of the injection and infusion of sin; I do not mean thereby that Satan infused sin into man’s nature as a venomous serpent by a sudden bite introduces poison into the blood of a bitten man. He rather, to change the figure, presented a cup to man’s lips, which seemed sweet and good, but really contained deadly poison. It was the free act of man to take and drink it in disobedience to the revealed will of God. Thus, though Satan was the tempter, and man the tempted, yet, by yielding to the temptation, man sinned by a voluntary act, and so became a personal transgressor. Now this sin, with all the alienation and enmity consequent upon it, has been handed down from our fallen ancestor to us. We are born into this world enemies of God, what I may call natural enemies, because we bear the same corrupt nature that Adam had when “he begat a son in his own image, after his own likeness.”
B. But have you ever considered what it is to be an enemy of God, and what it means and implies? It is to be at war with all the perfections of God, no more, with the very Person of the Almighty. Such is man by nature and practice. Such are we, every one of us as born into this world— at open or secret, direct or implied war against the Majesty of heaven, and against all those glorious perfections whereby God is what he is.
Thus, man by nature, is at war against God’s holiness, for his heart and life are unholy, unclean, polluted, and vile; and as such, he is at war with the spotless purity and holiness of God, as opposed to the corruption and uncleanness of his heart. There always is a war, express or implied, between opposites. Filth is at war with cleanliness, drunkenness with sobriety, unchastity with purity, falsehood with truth, covetousness with liberality, pride with humility, ungodliness with godliness.
Similarly, man by nature is at war against God’s justice, for he is ever doing the things that the Law, which is the declaration of God’s justice, expressly and positively forbids, and never does a single thing that it with equal authority commands.
He is at war with God’s omnipresence, daily committing those iniquities which God’s presence, were it known in his soul, would effectually prevent.
He is an enemy to God’s omniscience, as living in ignorance and contempt of that omniscient eye which reads every secret thought of his heart, and is privy to every act performed by his hands; and to that omniscient ear which hears every idle, and worse than idle word, continually issuing from his lips.
He is at war against God’s truth; for he hates it with a determined hatred.
He is an enemy to God’s people; for he persecutes them and despises them to the utmost of his power.
And he hates God’s word, because it condemns him; and he knows if he were to live under its power and influence he must give up those practices which that word condemns.
But you, or some of you say, “I am sure I am not that character— I am not an enemy of God.” O, my friend, it is because you do not know yourself; it is because there is a veil of unbelief and self-righteousness over your heart, which hides yourself from yourself. Did you see what you were by nature; if you had a right view of what your carnal mind really is, you would confess with the apostle it was “enmity against God; that it is not subject to the law of God, neither indeed can be.” Could you read your heart as God scans it with his omniscient eye, you would see nothing but enmity against God there. You would see that your heart by nature hates what God loves, and loves what God hates. And can there be a greater proof of enmity than that? You would see that your inclinations and desires, thoughts and affections were all at war against every perfection of heaven; and can there be a greater mark of enmity than to be bent on doing what God abhors? You would find your will totally opposed to the revealed will of God; and can there be a greater mark of enmity than a will diametrically opposite?
You would find there was no love in your soul for God or godliness; no love for heaven and holiness; no love for God’s truth and the perfections of his adorable Majesty; no love for Christ or his people; but, on the contrary, you would find nothing but enmity, rebellion, pride, and self-righteousness lurking and working in its lowest depths. You must not think because you are moral and upright, correct in your outward walk, and consistent in all the relationships of life, that you are not by nature an enemy of God. Neutrality in this warfare is enmity. Not to be on Christ’s side is to be against Christ; not to be separate from God’s enemies is to be God’s enemy; not to love him is to hate him, and not to be his is to be Satan’s. May the Lord, if it be his will, give you light to see there are but two classes— enemies and friends, children of God, or children of the wicked one.
But this state of enmity and alienation from God we have each to learn for ourselves by personal experience; and until we learn thus, in some measure, what we are by nature and practice— enemies of God by wicked works; we never shall be able to enter into that wondrous way of reconciliation which God has revealed in the Scriptures of truth, and which he makes known with a divine power to all whom he brings within the bonds of the Covenant.
C. This leads me to the “reconciliation” spoken of in our text as effected by the death of God’s dear Son. Good men use the expression sometimes “a reconciled God;” and there is a sense in which it may be properly used. There being an alienation between God and man, there being enmity on man’s part and righteous indignation on the part of God against sin, there was a necessity that this anger of God should be appeased. The anger in the bosom of God was not against the persons of the elect, for being chosen in Christ and viewed complete in him, they were ever “accepted in the beloved.” But sin having made a breach between God and them, the anger of the Almighty was justly due to their transgressions, and needed to be appeased or pacified before it could cease.
Thus the church says, “Though you were angry with me, your anger is turned away, and you comforted me.” (Isaiah. 12:1.) So the Lord speaks, “In a little wrath I hid my face from you for a moment; but with everlasting kindness will I have mercy on you, says the Lord your Redeemer” (Isaiah. 54:8); thus he says also in Ezekiel, “When I am pacified toward you for all that you have done, says the Lord God.” (Ezekiel 16:63.) These, and similar expressions, show that there is a sense, a sound and Scriptural sense, in which God may be called “a reconciled God,” and when so used, I have no objection to the expression. And yet I freely confess I prefer to speak as the Scripture speaks here of our being reconciled to God, rather than of God being reconciled to us— “If when we were enemies we were reconciled to God by the death of his Son.”
What a glorious flood of light does this throw upon that wondrous scheme of eternal love and super-abounding grace whereby God’s enemies became God’s friends. Let us endeavor to enter into the nature and efficacy of this reconciliation.
The first thing that the word reconciliation implies is that there was a previous state of friendship, and that this friendship had been broken up, and, as a consequence, been converted into enmity. This, however, we have already seen. It implies also a healing of that breach, a making it up again, and a restoration to the same or greater state of friendship.
Now the first thing necessary was to reconcile the persons of these natural enemies of God as having become inimical to God’s justice and holiness. Sin had defiled them individually, and personally made them loathsome and abominable. Sin had brought them individually under the stroke of God’s justice, so that the demands of a righteous law opened to them the door of hell and shut against them the gate of heaven. Sin also, as a polluted thing, had contaminated them from head to foot, clothed them in filthy garments, so as to render them unclean in body and soul, and, as such, unfit to enter into the pure courts of heavenly bliss.
This is beautifully typified in the forlorn child spoken of in Ezekiel 16— “cast out in the open field to the loathing of its person in the day that it was born.” Though a child, and a beloved child, its native filth made its person loathsome. So with Joshua, the High Priest, who was “a brand plucked out of the fire,” and yet “stood clothed with filthy garments.” Until his iniquity was caused to pass from him, his person was loathsome, on account of his loathsome garments. (Zech. 3.) The persons, then of the people of God needed to be reconciled; and this they were through the atoning blood of God’s dear Son. This made John say, “Unto him who loved us and washed us” that is, our persons, “from our sins in his own blood.” (Rev. 1:5.) “And such were some of you; but you are washed.” (Cor. 6:11.)
This reconciliation is for the sins of God’s own people through the blood shedding of his dear Son, and thus an atonement was made for them, that is, a satisfaction to the justice of God which had been, as it were, injured and offended by their transgressions. Thus, there was a reconciliation between the apparent jarring attributes of God, such as his justice and holiness, which would condemn; and his love, mercy and grace, which would save. Sin had caused the breach, sin had produced the enmity; and therefore when by the full satisfaction of Christ, sin was atoned for, put away, blotted out, and cast behind God’s back, reconciliation was effected. Now nothing but the infinite wisdom, pure grace, and sovereign power of God could have devised, brought to light, or carried through this way of reconciliation for those who were his born and natural enemies. The first movement was on God’s part to us, not on our part towards him. Reconciliation was in his bosom, not in ours. Mercy was in his heart towards us when we had no mercy upon ourselves nor indeed any sense of our need of it. The whole plan of salvation was devised from eternity in the mind of God and carried out in the incarnation of his dear Son before we here present had birth or being. Thus the whole of the work, from first to last, was devised in the purposes of eternal love and executed by the hands of omnipotent power.
But having seen a little into the meaning of the word “reconciliation,” let us endeavor to look at the way in which it was carried into execution. This the apostle declares was effected by the death of God’s Son, his true, proper, and eternal Son. This is in full harmony with the whole current of sacred writ. We therefore read of God “sending his Son to be the atoning sacrifice for our sins” (1 John 4:10); of “not sparing his own Son, but delivering him up for us all” (Rom. 8:32); of his “bearing our sins in his own body on the tree” (1 Pet. 2:24); of his “putting away sin by the sacrifice of himself” (Heb. 9:28); of his “having by his own blood obtained eternal redemption for us” (Heb. 9:12); of his being “wounded for our transgressions and bruised for our iniquities;” of his “bearing the sins of many, and making intercession for the transgressors.”
Thus by the incarnation, sufferings, and sacrifice of the Son of God, and by taking our nature into union with his own divine Person, and in that nature, suffering, bleeding and dying, he reconciled those who were by transgression enemies to God and godliness. Thus also, by his mediation he reconciled all the perfections of God, some of which seem to clash, as his justice and holiness on one side, and his love, mercy, and grace on the other. Justice called for its victims, demanding its just due. Mercy, as pure mercy, apart from justice, would have spared the transgressor, but justice could not give up its rights. And yet the perfections of God must suffer no tarnish or diminishing. Each must have its own unsullied, unimpaired luster.
Now the Lord Jesus Christ by his incarnation, mediation, sacrifice, blood shedding, and death reconciled these apparent jarring attributes of God, and thus made mercy and truth to meet together, righteousness and peace to kiss each other. He put himself into our place, standing under the weight of our transgressions and sins, and thus by exposing his own precious body and soul to the strokes of the sword of God’s wrath, he received in his own person the strokes of that wrath due to us. God therefore said by the prophet, “Awake O sword against my shepherd, and against the man who is my fellow, says the Lord of hosts.” (Zech. 13.) As then he voluntarily undertook to endure in his own Person the wrath against sin which must otherwise have fallen upon us— his sufferings, blood shedding, and sacrifice were acceptable to God, a sweet savor that rose up into his nostrils; not that God took delight in the sufferings of his dear Son, as sufferings, but he delighted in the obedience to his will thus manifested, according to the words, “Lo, I come to do your will, O God.”
When, then, he had finished the work which God gave him to do, and had put away sin by the sacrifice of himself, reconciliation was effected and accomplished. It was this of which the angel Gabriel spoke to Daniel, “Seventy weeks are determined upon your people, and upon your holy city, to finish the transgression, and to make an end of sins, and to make reconciliation for iniquity, and to bring in everlasting righteousness” (Dan. 9:24), all which were effected by the blood shedding, obedience, and death of the Son of God.
Now there was no other way whereby enemies could be reconciled. It will be our wisdom and mercy to ponder over this solemn truth, and to view it in its various bearings. And first, in what a dreadful state of enmity and alienation must sin have placed us as enemies to God, if we could be reconciled to him by no other means but that his only begotten Son should die for our sins. How dreadful must those iniquities be which demanded such a blood shedding and such a death as this! What eternal hatred must God have to sin so to punish it in the Person of the Son of his love; yet, what eternal love must he have to the persons of his elect, to send his own Son in the likeness of sinful flesh to reconcile them unto himself, and to make them partakers of his own holiness. Could any other way have been devised, that way would have been chosen; but all the wisdom of God could contrive and choose no other.
And so far as our faith can embrace the great mystery of godliness, we clearly see that no other way but this could have reconciled the jarring attributes of God. By no other way could the Law have been fulfilled, or the claims of divine justice satisfied; by no other way could grace have super-abounded over the aboundings of sin; by no other way could the wondrous love of God and of his dear Son have been made manifest; and by no other way could the love and obedience of the people of God have been effectually secured.
D. Now we have to learn these things experimentally for ourselves; and the first lesson usually taught us in the school of Christ, and a most painful lesson it is, is that we, by nature and practice, are enemies to God and godliness. We have to be taught by the blessed Spirit the evil of sin in our own conscience, and to feel the working of enmity against God in our own carnal mind; and thus to learn painfully for ourselves the havoc and ruin that sin has made in and of us. It is a fearful discovery, when first made known to the soul, to find ourselves enemies to God; that as such we are in his hands for life and death; that we have sinned against the Majesty of heaven, and are justly doomed to die; that his law makes no allowance for human infirmity, but exacts its full demands to the utmost penny; that when we look up we see nothing but an angry God, and when we look down see nothing but an opening hell; when we look within find nothing but sin morning, noon, and night; and when we look around us for help, find no help or refuge in man or minister, the church or the world.
This is a most painful discovery; yet it opens a way to learn most effectually, because most experimentally, how the sinner is reconciled to God. For the Lord the Spirit in due time enlightens the eyes of the understanding to see the way of salvation through the blood-shedding and obedience of the Son of God; and thus seeing light in God’s light, as one enlightened with the light of the living, he discovers that there is a salvation of which he had no previous idea, or at least no spiritual perception. By a ray of divine light he sees that there is a way whereby he may be reconciled, brought near, accepted, have his sins pardoned, and stand justified and acquitted, so as to be without spot or blemish before the throne of God.
With this divine life and light, and as a consequence of it, there is a communicating and a drawing forth of a living faith in the Son of God. The soul is now made willing in the day of God’s power; it submits itself, as the apostle speaks, unto the righteousness of God, which is attended with a ‘believing with the heart’ unto righteousness. (Rom. 10:3-10.) A reconciliation now takes place inwardly in the heart, springing out of the reconciliation already made by the death of God’s dear Son. This is a receiving of the reconciliation; or, as the apostle speaks, “receiving the atonement.” (Rom. 5:11.) The word “atonement” there, means “reconciliation,” as rendered in the margin, and indeed is the same term as is translated “reconciliation” in the text. This “receiving the atonement” is to receive it in faith, hope, and love into a believing and broken heart. It is a being willing to be saved, not in our own way but in God’s way; approving of and delighting in the way of salvation through the blood shedding and death of the Son of God, as revealed in the Scriptures and received into an enlightened understanding, a purged conscience, and a loving, humble, penitent spirit, the mouth confessing what the heart believes, and praising and blessing God for his manifested mercy.
But short of this sweet assurance and filial confidence, there is also a receiving the atonement as suitable and desirable, attended with an inward testimony that if this is the way of salvation, there is hope for me. With this there is a view of the beauty and blessedness of the Lord Jesus Christ as a suffering Immanuel, and a looking unto him as those who were bitten by serpents in the wilderness looked to the bronze serpent and were healed. There is also connected with this believing view of Jesus, a receiving into the heart the precious promises that hold forth salvation to those who look to him, according to his own words, “Look unto me and be saved all the ends of the earth; for I am God and there is none else.” And as love crowns the whole, and is the surest evidence of the new birth, there is a flowing forth of love and affection towards this bleeding Lamb of God, this man of sorrows, this suffering Savior; an embracing of him and a cleaving to him with full purpose of heart, as all our hope and help, all our salvation and, all our desire.
E. We see, therefore, that “reconciliation” wears two aspects, and has two different relationships. One is external, the other internal. As a PAST act of satisfaction to the justice of God, it was once and forever fully effected by the blood shedding and death of God’s dear Son. This work is complete. Nothing can be taken away from it, nothing added to it.
But there is a receiving this atonement into the heart, the effect of which is to reconcile the understanding by a divine light, to reconcile the conscience by the application of the blood of sprinkling, and to reconcile the affections by fixing them on the glorious Person of the Son of God as now at the right hand of the Father. As, then, this INWARD reconciliation takes place, there is a subduing of the ancient enmity, rebellion, and the working of hard obstinate thoughts and feelings against the Majesty of heaven; and a communication of meekness, humility, contrition, godly sorrow for sin, and love to the Lord and his people.
Here is the peculiar blessedness of the gospel as it becomes the “power of God unto salvation;” and here we see the contrast between it and the law. The law reveals the wrath of God against sin, discovers the evils of the heart, but gives no remedy for them. It lays bare the iniquity of every secret thought, but holds out no prospect of escape from the wrath to come. But the gospel comes in demonstration of the Spirit and power. It addresses us as a message from God, speaking by authority in his name, and says, “You are an enemy to God by wicked works; you are a sinner in thought, word, and deed; everything in you is opposed to the justice, holiness, and majesty of God. But there is salvation for poor sinners such as you, through the blood of Christ.” “God so loved the world that he gave his only begotten Son, that whoever believes in him should not perish, but have everlasting life.” (John 3:16.). “This is the record, that God has given to us eternal life; and this life is in his Son.” (1 John 5:11.) “If any man sins, we have an advocate with the Father, Jesus Christ the righteous; and he is the propitiation for our sins.” (1 John 1:1, 2.)
The gospel thus assures us that he has reconciled enemies to God; has put away their sins by his own blood shedding upon the cross. And now having gone up on high, and sent his Spirit into the heart of his servants to preach the gospel of his grace, he speaks by them encouraging words to poor sinners, that they might come to him and find in him rest and peace; still saying, “Come unto me, all you who labor and are heavy laden, and I will give you rest.” The gospel comes with these declarations, promises, and invitations— that there is salvation through Christ and no other. Now as “faith comes by hearing, and hearing by the word of God,” when the gospel comes with power, faith is raised up to believe in the Lord Jesus Christ, to look unto him for salvation, to hope in his mercy; and as the gracious Lord is pleased to draw near in the manifestation of his blood and love, and to whisper some sweet promise into the heart, the enmity that was stirred up by the law against God with the rebellion, unbelief, prejudice, and self-righteousness, which had hitherto stood up as invincible obstacles in the way of believing— at the voice of mercy melt, break up, and disappear out of sight like the ice before the sun— and faith, hope, and love take their place.
It is in this way that the soul is reconciled unto God, as the apostle speaks, “We beg you in Christ’s stead, be reconciled unto God;” that is, internally and experimentally, because it now receives the atonement, embracing the reconciliation effected by the death of God’s dear Son. The word “atone,” means “to make at one,” that is, at one with God; and therefore to receive the atonement, is to receive the “atonement” of the way whereby God and man become “at one,” or as one, in Christ.
Now have YOU ever felt these two things that must be experimentally known by every saint of God— enmity and reconciliation; your lost state by nature, and your salvation by grace; the fall and the recovery; the malady and the remedy; the wounding and the healing; that you have nothing in yourself but sin and misery; that you deserve the lowest hell; that in you there is neither hope nor help; and that if you live and die without a knowledge of Christ, you must sink into hell with all your sins upon your head?
And yet there has been that manifestation to your soul of the Person and work, blood and righteousness, grace and glory of the Lord Jesus Christ, which has not only enlightened your understanding but delighted your heart. Or if you cannot rise up into the power of a full confidence, yet that you have seen that sweet suitability, that beauty and blessedness in the Lord Jesus Christ, which have raised up in your soul a living faith in him, shed abroad a love to his name, and given you a good hope through grace. If you can find this, you will be able to trace such a change in your heart and affections, that though you once were an enemy to God by wicked works, yet there is a reconciliation in your mind to his way, word, and will; a subduing of your unbelief, and a longing for a fuller and clearer testimony to your pardon and acceptance. If so, you are no longer an enemy, but a friend; no longer an alien from God, but one of his own dear family, even though you cannot claim the full enjoyment of the relationship, or cry, “Abba, Father.”
II. But we pass on to the other declaration from the mouth of the inspired apostle, the salvation of friends.
A. The apostle says, “If, when we were enemies, we were reconciled to God by the death of his Son, much more, being reconciled, we shall be SAVEDby his life.” Then they are already reconciled, for reconciliation is a past act— effected by the blood shedding of Christ upon the cross, once for all, and cannot be repeated. When he shed his atoning blood as a sacrifice for sin, and laid down his precious life as a ransom price, reconciliation was then thoroughly effected. It is a finished work, and was so proclaimed by his dying lips. The church was then reconciled to God, and in a sense God reconciled to her; for though God ever loved the Church as in union with his dear Son, there was a law-enmity which needed to be removed, and an anger against sin which required to be appeased.
We may illustrate this by the case of David and Absalom. David loved Absalom and never ceased to love him, but he was justly displeased with his crime in slaying Amnon. But he was reconciled to him when Absalom submitted himself, and kissed him as a proof of it. (2 Sam. 14:33.) So God was justly displeased with the sins of his people; but his righteous anger was appeased by the obedience unto death of his dear Son, and in this sense he became reconciled.
Now, as I have already explained, when we receive the atonement thus effected, and feel its power in our souls; when our conscience is sprinkled with the precious blood of Christ; when his love is shed abroad in the heart, and faith is raised up to embrace him as the Christ of God, then we are experimentally reconciled; then we are drawn near to God through the blood of Jesus Christ, and embrace him as our Father and Friend. But the Lord Jesus Christ rose from the dead; he triumphed over death and hell; he ascended to the right hand of the Father, and there sits as the great High Priest over the house of God, as the Mediator between God and man. As the apostle says, “He ever lives to make intercession for us.”
Now this is the benefit and blessing of Christ being at the right hand of the Father, that he lives to carry out and execute his own testament— that new testament or covenant of which he spoke at the last supper, “The cup is the new testament in my blood, which is shed for you” (Luke 22:20); or, as we read in Matthew, “This is my blood of the new testament which is shed for many for the remission of sins.” (Matt. 26:28.) You may make a will and die, leaving your property as you think secured and guarded by the strictest regulations. But can you guarantee that your executors will carry out your injunctions? Your property, when realized, may not be sufficient to pay your legacies; your trustees or executors may decline to act, or they may be fraudulent men, and your children and relatives may be cheated by them of their due rights, as has occurred over and over again. Or there may be some flaw or defect in your will as being improperly signed, or making a provision which the law does not allow; and thus all your death-bed intentions may be thoroughly frustrated.
But how different it is with the New Testament or will of the Lord Jesus Christ. He made his own will, which he signed and sealed with his own blood, thus giving it eternal value and validity. And O how blessed the truth that he has risen to the right hand of God to be his own executor; so that he himself executes all the provisions of his will. This blessed truth is contained in the words, “we are saved by his life.”
B. Now if you know anything inwardly and experimentally of yourself of the evils of your heart, the power of sin, the strength of temptation, the subtlety of your unwearied foe, and the daily conflict between nature and grace, the flesh and the Spirit, which is the peculiar mark of the living family of heaven— you will find and feel your need of salvation as a daily reality. Do not think that the only salvation to be felt and known is salvation past— salvation accomplished by the blood shedding and death of the Son of God. There is salvation present— an inward, experimental, and continual salvation communicated out of the fullness of Christ as a risen Mediator.
Don’t you need to be daily and almost hourly saved? But from what? Why, from everything in you that fights against the will and word of God. Sin is not dead in you. If you are reconciled and brought near to God; if you have a saving interest in the precious blood of Christ; if your name is written in the Lamb’s book of life, and heaven is your eternal home, that does not deliver you from the indwelling of sin, nor from the power of sin either, except as grace gives you present deliverance from it. Sin still works in your carnal mind, and will work in it until your dying hour. What then you need to be saved from is the guilt, filth, power, love, and practice of that sin which ever dwells and ever works in you, and often brings your soul into hard and cruel bondage.
Now Christ lives at the right hand of God for his dear people that he may be ever saving them by his life. There he reigns and rules as their glorious covenant Head, ever watching over, feeling for and sympathizing with them, and communicating supplies of grace for the deliverance and consolation for all his suffering saints spread over the face of the earth. The glorious Head is in heaven, but the suffering members upon earth; and as he lives on their behalf, he maintains by his Spirit and grace his life in their soul, according to his own words, “Because I live you shall live also.”
It is by this life that, in the words of our text, we are “saved”— not that salvation is not already complete; not that anything remains for Christ in heaven to do, to make up that which was left undone in his work of redemption here below. That is not the meaning of the words. It is, so to speak, the handing down of that already accomplished salvation into our hearts— the ratifying of it in the court of conscience, the sealing of it with a divine power and influence upon the heart. We therefore read— “When he ascended up on high, he led captivity captive, and gave gifts unto men.” (Ephes. 4:8.) In fact, upon the resurrection, ascension, and glorification of Christ hangs all the salvation of the church; for without it, redemption could not have been made effectual. The salvation, therefore, spoken of in our text is an experimental salvation, in a gracious communication of that divine light, life, and power which spring out of it.
Now in order to realize this, we need a life of faith— the life of which Paul speaks— “The life which I now live in the flesh I live by the faith of the Son of God, who loved me and gave himself for me.” (Gal. 2:20.) And this life of faith in Christ is as necessary to our present and experimental salvation, as his death upon the cross was to our past and actual salvation. If you are alive to what you are as a poor, fallen sinner, you see yourself surrounded by enemies, temptations, sins, and snares; and you feel yourself utterly defenseless, as weak as water, without any strength to stand against them. Pressed down by the weight of unbelief, you see a mountain of difficulty before your eyes, sometimes in providence, sometimes in grace; sometimes as regards yourself, sometimes as regards others. You find also, that your heart is a cage of unclean birds, and that in you, that is, in your flesh there dwells no good thing; that you have neither will nor power in yourself to fight or flee. How then shall this mountain become a plain? How shall you escape the snares and temptations spread in your path? How shall you get the better of all your enemies— external, internal, infernal, and reach heaven’s gates safe at last?
If you say, “By the salvation already accomplished.” Are you sure that that salvation belongs to you? Where is the evidence of it if you have no present faith in Christ? How can that past salvation profit you for present troubles unless there be an application of it? It is this application and manifestation of salvation which is being “saved by his life.” See how it works; and what a suitability is in it. You are all weakness, and he is and has all strength, which he makes perfect in your weakness. So Paul found it, which made him “glory in his infirmities that the power of Christ might rest upon him.” You are all helplessness against sin, temptation, and a thousand foes. But help is laid upon him as one that is mighty; he therefore sends you help from the sanctuary and strengthens you out of Zion (Psalm 20:2), that these sins and enemies may not get the better over you. You often feel yourself cold, lifeless, and dead, and therefore need continual supplies of grace and strength to revive your soul, to make you believing, watchful, and prayerful.
The Lord Jesus Christ, who lives at God’s right hand, has to send down supplies of his grace continually to keep your soul alive unto himself. Without this life being kept up and maintained by these continual supplies of his grace, you cannot pray, or read, or hear the word, or meditate with any feeling or profit. You cannot love the Lord and his blessed ways; you cannot submit to his righteous dealings; or hear the rod and him who appointed it. You may approach his throne, but your heart is cold, clouded, and unfeeling; your spirit sinks under the weight and burden of the trials and difficulties that are spread in your path; nor are you able to do anything that satisfies yourself, or that you think can satisfy God.
By these painful and profitable lessons you are experimentally taught that you need the life of Christ as well as the death of Christ, the resurrection of Christ, as much as the crucifixion of Christ; Christ as an ever living, ever gracious, ever glorious Mediator, to send down supplies of his love and power into your soul, as much as you needed him to die upon the cross for your redemption. We therefore read, “Who was delivered for our offences, and was raised again for our justification” (Romans 4:25), that is, that there might be an application in his risen life, of his righteousness that we might be not only pardoned, but experimentally justified in the court of a believing heart and a purged conscience.
C. Here then is the life of faith that a believer lives upon the Son of God at the right hand of the Father. He comes to the cross to receive pardon of his sins through the sacrifice and death of Jesus; there to find peace with God by believing in his Son; there to have reconciliation by seeing his sins cast behind God’s back, and receive mercy into his soul as flowing through the atoning blood of the God-Man.
But he has to walk through a great and terrible wilderness, wherein are fiery serpents, and scorpions, and drought (Deut. 8:15); where he is surrounded with temptations and snares, his own evil heart being his worst foe. How can he travel through this waste howling wilderness unless he has a Friend at the right hand of God to send him continual supplies of grace; who can hear his prayers, answer his petitions, listen to his sighs, and put his tears into his bottle; who can help him to see the snares, and give him grace to avoid them; who observes from his heavenly watch tower the rising of evil in his heart, and can put a timely and seasonable check upon it before it burst into word or action? Does he not need an all-wise and ever-living Friend who can save him from pride by giving him true humility; save him from hardness of heart by bestowing repentance; save him from carelessness by making his conscience tender; save him from all his fears by whispering into his soul, “Fear not, I have redeemed you;” and save him from a thousand deaths in fear or feeling by supplies of a hidden life?
So that the life of a Christian is to be continually looking to the Lord Jesus Christ at the right hand of God, to revive his soul when drooping, to manifest his love to his heart when cold and unfeeling, to sprinkle his conscience with his blood when guilty and sinking, to lead him into truth, keep him from error and evil, preserve him through and amid every storm, guide every step that he takes in his onward journey, and eventually bring him safe to heaven.
Thus there is a reconciliation of enemies by the DEATH of Christ, and a saving of friends by the LIFE of Christ; and we must know both. We are reconciled as enemies, not as friends; for friends need no reconciliation. Reconciliation in and from a state of enmity against God is the very first thing we have to learn by divine teaching. Here it is we come to see salvation through the blood of Christ; and this makes us cast away all our own righteousness as filthy rags, and have no hope nor help but in the cross of Jesus Christ. That is the first thing we have to learn; for until we have learned our first lesson, we cannot learn our second.
But we are very slow learners. Unbelief and infidelity, pride and self-righteousness, guilt and despondency, all conspire to prevent us effectually learning it thoroughly, and as it were finally. Again and again then have we to recommence our first lesson, that we are sinners saved by the pure mercy of God, through the blood shedding of Christ— enemies reconciled and brought near by the death of the Son of God.
You, who are burdened by your sins; you, who feel the enmity of your heart; who would be reconciled and brought near to God, who desire nothing so much as to feel the love of God shed abroad in your soul; who want to experience the pardon of your sins and have a manifestation that you have a saving interest in the Lord Jesus Christ; to you, even to you, is the word of this salvation sent.
And come you must, and come you will, with all your sins and transgressions, however black they may be, and lay them down, so to speak, at the foot of the cross; you must and will look with believing eyes to the crucified Son of God, and look and look, until he speaks a word of peace, pardon, and consolation to your soul, through his bleeding wounds and suffering death.
And then, when you have been thus reconciled to God by the death of Christ, and his precious blood has been sprinkled upon your conscience, making you a friend of God, you will have to live a life of faith and prayer upon him as a risen Mediator, as a gracious and glorious Head of influence, and Intercessor at the right hand of the Father. To him you will have to come day by day with your sins and sorrows, your mournings and lamentations over your repeated and aggravated backslidings, your numerous, yes innumerable infirmities and short comings; and thus make him your best, may I add, your confidential Friend; for he is “a friend that sticks closer than any earthly brother.”
In this way, by confessing your sins, and by faith in his name, you will receive communications of his grace, mercy, and love into your heart, so as to save you from the love and spirit of the world, from error, from the power and strength of your own lusts, and the base inclinations of your fallen nature. These will often work at a fearful rate; but this will only make you feel more your need of the power and presence of the Lord Jesus to save you from them all.
Now it is an experience of these inward exercises and of the power and presence of the Lord in and under them, which makes real religion such a living thing in a man’s bosom. A man, taught of God, will not and must not say, “All my sins were freely forgiven and blotted out by Christ’s blood shedding and death upon the cross. Then and there I was reconciled to God. I have now nothing more to do with sin, nor sin with me.” This is to pervert and abuse a blessed gospel truth. You have still a great deal to do with sin, and sin has still a great deal to do with you; for it dwells in you, and will work, and that sometimes at an dreadful rate. And you will find, if your heart be right with God, that you will have many trials and temptations, conflicts and sorrows to bear; many battles to fight, and, I may add, victories to gain. You are a poor, defenseless sheep, surrounded by wolves, and, as such, need all the care and defense of the good Shepherd. You are a ship in a stormy sea, where winds and waves are all contrary, and therefore need an all-wise and able pilot to take you safe into harbor. It is in this way that we learn that “we are saved by Christ’s life.”
D. And do bear in mind the words “much more”— for how they show the fullness and certainty of this salvation— “If when we were enemies, we were reconciled to God by the death of his Son, much more, being reconciled, we shall be saved by his life.” It is as if the apostle would say, “The greatest, the hardest, the most difficult part of the work is already done; and if the main task has been accomplished in the reconciliation of enemies— how much easier, so to speak, must be the salvation of friends.
Thus there is the fullest assurance that all who were reconciled shall be saved; for if a DYING Christ reconciled them, a LIVING Christ will save them.
O to feel the power of this death and this life— this death to reconcile, this life to save! And how an experimental knowledge of this death and this life opens up heavenly communications between Christ and the soul; makes religion a living reality; causes the Bible to shine forth as a book filled with ever new and ever glorious truths. How too a living experience of this kind separates from the world, and from everything which intervenes between Christ and the soul.
If your feet are in this blessed path there is no difficulty that you can meet with beyond the strength of the Lord Jesus Christ to overcome; no temptation can attack you, no trial await you, no enemy assault you— which he cannot defeat. Nor is there a single thing on earth or in hell which can harm you if you are only looking to the Lord Jesus Christ, and deriving supplies of grace and strength out of him. This reconciliation and this salvation thousands have proved; and why not you? With this parting question, in the hope you may take it home to your own breast and find the answer manifested there, I shall leave the subject before us in the hands of the blessed Spirit to do with it what seems good in his sight; and if he attend it with the unction of his grace, all praise and glory be ascribed to a Triune God, Father, Son, and Holy Spirit now and evermore. Amen!