Pearls from Philpot — Part 3: Kept by the Lord and Shaped by Trial (Part 2 of 2)
Moge de Heere mij naar Zijn belofte elk ogenblik behoeden. Moge Hij mij bewaren door Zijn Geest en genade met al de tederheid die ligt in de woorden Bewaar mij als het zwart des oogappels!
Mijn vrienden, u kunt … weinig weten van uw eigen hart, weinig van de listen van de satan en weinig van de strikken die voor uw voeten zijn gespreid, tenzij u voelt hoe diep u deze zegen nodig hebt: „De Heere behoede u.”
En Hij zal het doen. Want wij lezen van de rechtvaardigen dat zij in de kracht Gods worden bewaard door het geloof tot de zaligheid en dat Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren.
Een greintje heiligheid?
Heb ik zelf één greintje heiligheid? Niet één.
Kunnen alle mensen in de wereld met al hun gezamenlijke inspanningen een greintje geestelijke heiligheid in hun hart oproepen? Geen atoom met al hun pogingen.
Als alle predikers van de wereld zich zouden verenigen om één greintje heiligheid in de ziel van één mens te werken, zouden zij tot in alle eeuwigheid kunnen strijden. Met hun prediking kunnen zij net zomin heiligheid scheppen als een klomp goud.
Maar Jezus deelt een maat van Zijn eigen heiligheid mee aan Zijn volk. Hij zendt de Heilige Geest om heilige verlangens op te wekken. Hij deelt een hemelse, geestelijke en goddelijke natuur mee die zich baadt in eeuwige dingen als in haar element en geestelijke dingen geniet als zoet en kostbaar. Zij mag inderdaad klein van maat zijn en wie haar heeft is vaak bedroefd omdat hij er zo weinig van heeft. Toch heeft hij genoeg om te weten wat zij is.
U voelt zich een bezoedelde ellendeling. Soms werkt elke ongerechtigheid in uw hart en al te vaak sleept elke worm van gemeenheid en verderf zijn vuile slijm over uw vleselijke gezindheid. Heeft uw ziel toch niet een maat van heiligheid naar God toe gevoeld? Voelt zij die niet soms?
Voelt u ooit een uitademen van uw ziel in de schoot van een heilig God … hemelse verlangens, reine genegenheden, een enkel oog, eenvoud van oogmerk, een hart dat ernaar verlangt dat de gezindheid, het beeld en de gelijkenis van Jezus erin worden gedrukt?
Dit is een heiligheid zoals de Heere van leven en heerlijkheid die uit Zijn volheid meedeelt aan Zijn arme en behoeftige huisgezin.
Wat is dit verborgen manna?
Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is (Openbaring 2:17)
Wat is dit verborgen manna?
Is het niet het Woord van God dat met kracht op het hart wordt toegepast?
Wat zegt de profeet Jeremia? Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten.
Wanneer het de Heere behaagt … een woord van Zijn eigen lippen in het hart te laten vallen; een belofte toe te passen; een kostbaar gedeelte van Zijn Woord te openen; een gezegende Schriftplaats zachtjes in het hart te fluisteren — is dat dan geen manna?
Vanwaar kwam het manna? Werd het door mensenhanden verbouwd? Nee, het viel uit de hemel. En geldt dat niet ook voor het Woord van de Heere dat met kracht op het hart wordt toegepast? Het is niet ons onderzoeken van de Schriften, hoe goed het ook is de Schriften te onderzoeken. Het is de Heere Zelf Die het behaagt een kostbaar gedeelte van de waarheid op ons hart toe te passen.
En wanneer dat gebeurt, is het „manna”. Het is … zoet, verkwikkend, versterkend, vertroostend en bemoedigend. Ja, het is engelenspijs — het vlees en bloed van het Lam zelf, waarmee het de Heere behaagt van tijd tot tijd hongerige zielen te voeden en te begunstigen.
Maar in de tekst heet het „verborgen”. Waarom „verborgen”? Omdat het voor de wijzen en verstandigen verborgen is. Het is verborgen voor de ogen van zelfgerechtige farizeeën. Het is verborgen voor hen die in eigen kracht strijden en de overwinning proberen te behalen met hun eigen gespierde arm.
Het is verborgen voor allen behalve voor Gods beproefde en verzochte huisgezin. Het is verborgen voor allen behalve voor hen die de plaag van hun eigen hart kennen. Het is verborgen voor allen behalve voor hen die het geheim hebben geleerd om te overwinnen door het bloed van het Lam en door het woord van Zijn getuigenis.
Wanneer de Heere ons laat wegzinken in zwakheid en ons in die zwakheid Zijn kracht volbracht doet vinden, wanneer Hij ons geheel schuldig neer laat vallen en ons dan de toepassing van het verzoenende bloed laat voelen — dan is dat manna.
De kinderen van Israël moesten honger lijden in de woestijn voordat het manna viel. Zo leert het volk van de Heere de waarde van het verborgen manna, de zoete mededelingen van boven, door te hongeren en te dorsten in een woeste huilende wildernis.
Dit is verborgen voor alle ogen behalve voor die welke door de Geest gezalfd zijn om het te zien. En het is verborgen voor alle harten behalve voor die welke bereid zijn het te ontvangen en ervan te leven.
Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. (Johannes 6:51)
Verstrikt, verward en bedrukt?
Hoeveel mensen van het volk van de Heere staan voortdurend in slavernij van het kwaad! Wat een macht hebben de lusten van het vlees over sommigen en hoe voortdurend zijn zij verstrikt in alles wat zinnelijk en vleselijk is! Wat een macht heeft de hoogmoed van het hart over een ander! En welke kracht oefent de hebzucht uit over een derde! Welke macht oefent de liefde tot de wereld en tot de dingen van tijd en zinnen uit over een vierde!
Hoe moeten zij dan de zonde overwinnen?
Door goede voornemens te maken? Door te proberen haar in eigen kracht te overwinnen? Nee! De zonde breekt altijd door de kracht van de mens heen. Zij is altijd sterker dan elk voornemen dat wij kunnen maken om er niet door overwonnen te worden.
De Heere laat Zijn volk zo lang en zo vaak verstrikt, verward en bedrukt zijn opdat zij dit geheim leren, dat verborgen is voor allen behalve voor Gods levende huisgezin: dat de kracht van Christus in hun zwakheid wordt volbracht.
Hebben sommigen van u deze les niet heel pijnlijk moeten leren? Er was een tijd waarin u dacht dat u steeds beter en heiliger zou worden. U dacht dat u niet alleen niet meer in openlijke zonde zou wandelen zoals voorheen maar ook niet meer … verstrikt zou raken door verzoeking, overwonnen door overheersende lusten of neergeslagen door verborgen strikken.
Er was een tijd waarin u dacht vooruit te gaan, meer kracht te verkrijgen en een betere wijsheid dan u meende ooit bezeten te hebben.
Hoe is het u vergaan?
Zijn deze verwachtingen ooit uitgekomen?
Hebt u deze dierbare hoop ooit bereikt?
Is de zonde zwakker geworden?
Is de wereld minder aanlokkelijk geworden?
Zijn uw lusten tammer geworden?
Is uw humeur milder geworden?
Zijn de verdorvenheden van uw hart steeds zwakker geworden?
Als ik het hart kan lezen van een arme beproefde en verzochte ziel die hier aanwezig is, zou hij zeggen: „Nee! Tot mijn schaamte en droefheid zij het gezegd: ik bevind integendeel dat de zonde sterker en sterker wordt. Het kwaad van mijn hart is machtiger dan ik het ooit in mijn leven heb gekend. En wat mijn eigen pogingen betreft om het te overwinnen: ik bevind inderdaad dat zij steeds flauwer en zwakker worden. Dit is wat mij neerslaat.
Als ik meer kracht had tegen de zonde, als ik vrijmoediger kon standhouden tegen de satan, als ik mijn overheersende lusten kon overwinnen, meer kon leven tot Gods eer en heiliger en heiliger kon worden, dan, dan zou ik enige troost hebben. Maar mijzelf zo voortdurend te voelen verslagen, zo gedurig in verwarring gebracht, zo onophoudelijk neergeslagen door de werkingen van mijn verdorven natuur — dit is het, dit is het wat zo scherp snijdt. Dit is het, dit is het wat mij zo diep beproeft!”
Mijn vriend, u bent op de hoofdweg naar de overwinning. Dit is juist de weg waarlangs u moet overwinnen. Wanneer u … zwakker en zwakker, armer en armer, schuldiger en schuldiger, snoder en snoder wordt, zodat u werkelijk door pijnlijke bevinding gedwongen wordt uzelf de voornaamste van de zondaren te noemen, niet in de taal van valse nederigheid maar in de taal van zelfverafschuw, dan bent u op de hoofdweg naar de overwinning.
Dan wordt het bloed van het Lam op het geweten van de zondaar toegepast en komt het Woord van Gods getuigenis met kracht in zijn ziel. Het geeft hem de overwinning over de lusten waarin hij eerst verstrikt was. Het brengt hem uit de wereld die hem zo had aangelokt en breekt de heerschappij van de zonde stuk waaronder hij zo lang had gezucht.
Iets heel anders dan levenloze, dorre hoofdkennis
Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen (1 Johannes 5:20)
Er is verschil tussen een genadig, verlicht verstand van de waarheid van God dat voortkomt uit het onderwijs van de Geest en wat men gewoonlijk „hoofdkennis” noemt. Zulke „louter hoofdkennis” bestaat — een hoogst gevaarlijke en misleidende zaak — en zij is wijdverbreid in de kerken.
U zegt misschien: „Hoe moet ik onderscheid maken tussen louter hoofdkennis en dit geestelijke verstand?”
Ik zal het u zeggen. Wanneer een bijzonder licht in uw verstand valt, wanneer het Woord wordt geopend in zijn geestelijke, bevindelijke betekenis, wanneer de Heilige Geest het met zoetheid en kracht op uw hart verzegelt en u niet alleen begrijpt wat u leest maar het in geloof ontvangt, de smaak ervan voelt en de gezegendheid ervan geniet. Is dat niet iets heel anders dan levenloze, dorre hoofdkennis?
Arm van geest
Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. (Mattheüs 5:3)
Niemand is werkelijk arm van geest behalve zij die de hand van God heeft uitgekleed, die Hij heeft neergebracht en doen walgen van zichzelf in stof en as. Zij zien en voelen zichzelf berooid van al wat goed, heilig, hemels en welbehagelijk is in Zijn zuivere, hartonderzoekende ogen.
Het hart moet uitgekleed, leeggemaakt en doeltreffend blootgelegd worden door een genadewerk dat tot op de bodem reikt en doordringt tot in de schuilhoeken van de ziel. Zo wordt alle verdorvenheid opgespoord die daarbinnen op de loer ligt en etterend woekert.
De werkelijk „arme” is iemand van wie alles is weggenomen. Niet slechts zijn vage voorstellingen van een barmhartig God (zoals natuurlijke mensen die hebben) zijn hem ontnomen en niet slechts zijn wettische gerechtigheid. Ook al die verstandelijke, overgeleverde godsdienst die tegenwoordig zo overvloedig is, is hem ontnomen. Hij is schuldig voor God gebracht, naakt, in het stof, zonder iets waarmee hij Hem gunstig kan stemmen of Zijn welgevallen kan verwerven.
Gods bedoeling
Opdat geen vlees zou roemen voor Hem. (1 Korinthe 1:29)
De mens mag in zichzelf roemen maar God heeft de glorie van de mens voorgoed onder de voet getreden. Gods bedoeling is de trots van alle menselijke glorie te bezoedelen.
Volslagen dwazen!
Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden (Romeinen 1:22)
Wat ben ik van nature? Een dwaas! Al mijn wijsheid buiten Christus is niets dan het toppunt van dwaasheid en al mijn kennis niets dan de diepte van onwetendheid!
Aan onszelf overgelaten zijn wij volslagen dwazen! Wij hebben helemaal geen wijsheid om onze voeten te richten. Wij zijn … blind, onwetend, zwak, hulpeloos en volstrekt niet in staat onze weg naar God te vinden.
Alle wijsheid die niet van de Vader neerdaalt is dwaasheid. Alle kracht die niet goddelijk in de ziel is gewerkt is zwakheid. Alle kennis die niet voortkomt uit het eigen onderwijs van de Heere in het geweten is de diepte van onwetendheid.
Wij moeten de waarde van het juweel kennen voordat wij het werkelijk op prijs kunnen stellen. Toen diamanten voor het eerst in Brazilië werden ontdekt, wist niemand dat het diamanten waren. Zij werden rondgegeven als mooie, glanzende kiezelstenen. Maar zodra men ontdekte dat het diamanten waren, werden zij gretig gezocht en steeg hun waarde duizendvoudig.
Zo is het ook geestelijk. Zolang wij geen onderscheid kunnen maken tussen de „kiezelsteen van menselijk onderwijs” en de „diamant van goddelijke verlichting” zullen wij de goddelijke wijsheid verwaarlozen, verachten en niet waarderen.
Het hart van Gods kind
Er is veel … aanmatiging, hoogmoed, huichelarij, bedrog, begoocheling, vormelijkheid, bijgeloof, eigenwillige godsdienst en zelfgerechtigheid uit het hart van Gods kind te zuiveren.
Maar al deze dingen … houden hem laag. Zij ontsieren zijn hoogmoed, verbrijzelen zijn zelfgerechtigheid, knippen de lokken van zijn aanmatiging af en bezoedelen zijn eigenwaan. Zij stuiten zijn grootspraak en behoeden hem ervoor anderen te verachten. Zij doen hem de laagste plaats innemen en leren hem anderen uitnemender te achten dan zichzelf.
Zij drijven hem tot ernstig gebed, maken hem geschikt als voorwerp van barmhartigheid, breken zijn vrije wil in stukken en leggen hem laag aan de voeten van de Verlosser als iemand die alleen door soevereine genade behouden moet worden!
Een geest van begoocheling
Een geest van begoocheling lijkt ons wijdverbreid … een vleselijk vertrouwen, een dode zekerheid, een aanmatigende aanspraak, een brutale nabootsing van de Geest van de aanneming tot kinderen.
Wie met ogen of hart ziet en voelt de wijde verspreiding van dit reusachtige kwaad niet?
Geen gebrokenheid van hart, geen tederheid van geweten, geen geestelijkheid van gemoed. Geen hemelse genegenheden, geen biddend en waakzaam leven, geen godvruchtige toewijding van het leven. Geen zelfverloochening en kruisiging, geen nederigheid of berouw, geen afscheiding van de wereld, geen gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid.
Kortom: geen van de gezegende genaden en vruchten van de Geest vergezelt dit vleselijke vertrouwen.
Integendeel … lichtzinnigheid, grappenmakerij, hoogmoed, hebzucht, zelfverheffing en vaak grove zelfverwennerij zijn duidelijk gestempeld op velen van deze verharde belijders. Op de meeste van hen zelfs.
De draf die de zwijnen eten
Alle vormen, meningen, riten, ceremoniën en denkbeelden zijn voor mij niets, en erger dan niets. Zij zijn de draf die de zwijnen eten, niet het voedsel van de levende ziel.
Het hart diep doordrongen te hebben van de vreze van Jehova, te smelten en vervuld te worden met een zoet besef van Jezus’ stervende liefde, de genegenheden verwarmd en uitgetrokken te hebben onder de zalvingen van de eeuwige Trooster — dit is de enige godsdienst die een wedergeboren ziel past en bevredigt!
Toen riepen zij
Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden; Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt. Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten; (Psalm 107:4-6)
Totdat zij in de woestijn dwaalden; totdat zij het als een eenzame weg gevoelden; totdat zij geen stad ter woning vonden; totdat hun ziel hongerig en dorstig in hen overstelpt was; was er geen roep.
Er was misschien wel een gebed, een verlangen, een zwakke wens en nu en dan een zucht of een kreun.
Maar dat was niet genoeg. Er was meer nodig om goedertierenheid te ontlokken aan de schoot van het medelijdende Hoofd van de gemeente.
Er was een roep nodig — een noodkreet, een kreet van zielenood, een kreet die door zware lasten uit hun hart werd geperst. Een roep houdt dringende nood in, een vergaan zonder antwoord op de roep. Het is dit plechtige gevoel in het hart dat er geen andere toevlucht is dan God.
De Heere brengt al Zijn volk hier: dat zij geen andere toevlucht hebben dan Hij Zelf. Vrienden, raadgevers en kennissen kunnen meeleven maar zij kunnen geen verlichting bieden. Er is … geen toevlucht, geen schuilplaats, geen haven en geen thuis waarheen zij kunnen vluchten behalve de Heere.
Zo dwingen moeilijkheden ons persoonlijk met God te maken te hebben. Zij jagen die halfslachtige godsdienst weg waarvan wij er zoveel hebben. Zij verdrijven die verstandelijke bevinding en dorre belijdenis waarmee wij zo vaak tevreden zijn. Zij jagen ze weg zoals een sterke noordenwind de nevels verjaagt. Zij brengen een mens op die plechtige plek waar hij ervaart dat hij God nodig heeft om hem te ondersteunen en uit zijn nood te brengen. Maar wat een barmhartigheid is het wanneer er een roep is!
En wanneer de Heere in de nood een roep geeft, zal Hij zeker op Zijn eigen tijd en wijze verlossing daaruit zenden.
O, wat een pijnlijk werk is dat!
Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis (1 Petrus 2:5)
Gods volk heeft … veel zware verdrukkingen, veel kwellende verzoekingen en veel krachtige beproevingen nodig om hen tot een goede vorm te houwen en tot enige gelijkvormigheid aan het beeld van Christus uit te beitelen.
Want zij zijn niet als het lijdzame marmer in de handen van de beeldhouwer dat zonder morren en inderdaad zonder gevoel toelaat dat deze hoek wordt afgehakt en die uitstekende kant door de beitel wordt afgerond.
Maar Gods volk zijn levende stenen en voelen daarom elke slag. Wij zijn zo teergevoelig dat wij geen „draadje verdriet” op ons kunnen verdragen. Wij deinzen zelfs terug voor de aanraking van de beitel.
Door de hand van God gehouwen, vierkant gemaakt en gebeiteld te worden tot vormen die Hem behagen — o, wat een pijnlijk werk is dat!
Als de Heere dan aan onze ziel werkt … hebben wij niet gehad, hebben wij nu niet en zullen wij nooit hebben … één slag te veel, één slag te weinig, één slag in de verkeerde richting. Maar er zal juist genoeg zijn om in ons te werken wat in Gods ogen welgevallig is en om ons te maken tot wat Hij wil dat wij zijn.
Wat een hoop moeite zou ons bespaard blijven als wij ons maar geduldig konden onderwerpen aan de kastijdende slag van de Heere en geen andere wil kenden dan de Zijne.
Wij worden niet beter maar eerder slechter
door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde (Efeze 1:6)
Wij zoeken voortdurend iets in het ZELF waardoor wij aanvaardbaar worden voor God. Vaak zijn wij droevig neergeslagen en ontmoedigd wanneer wij … die heiligheid, die gehoorzaamheid, die rustige onderwerping aan de wil van God, die gemoedsrust, die geestelijkheid en hemelsgezindheid niet kunnen vinden waarvan wij geloven dat zij in Zijn ogen aanvaardbaar zijn.
Onze verkeerde gemoedsaard, ons kribbige en gemelijke gemoed, onze opstandige gedachten, onze koude, onze dorheid, onze vervreemding van het goede en onze halsoverkop neiging tot het kwade doen ons denken dat God ons ziet zoals wij onszelf zien. Dat gebeurt met het dagelijkse gevoel dat wij niet beter worden maar eerder slechter.
Wij lijken onze aanvaarding in Christus uit het oog te verliezen en komen terecht in de ellendige droesem van het ZELF. Wij zijn zo snood en worden alleen maar slechter naarmate wij ouder worden.
Hoe dieper wij in deze droesem van het ZELF komen en hoe meer wij blijven kijken naar de vreselijke taferelen van wrak en ondergang die ons hart dagelijks voor ogen stelt, des te verder raken wij van de genade van het evangelie. En des te meer verliezen wij de enige grond van onze aanvaarding bij God uit het oog.
Alleen in den Geliefde worden wij aanvaard, en niet om enig … goed woord, goed werk, goede gedachte, goed hart of goede bedoeling van onszelf.
En een zaligmakende kennis van onze aanvaarding in den Geliefde, los van alles in ons wat goed of slecht is, is een vaste grond voor ons geloof en onze hoop en bewaart ons ervoor geheel in wanhoop weg te zinken.
Tastend en struikelend voortgaan in het duister
Nadat de Heere onze ziel levend heeft gemaakt, gaan wij een tijd lang vaak tastend en struikelend voort zonder te weten dat er een Jezus is.
Wij denken dat de weg van het leven is … de geboden van God te houden, de wet te gehoorzamen, ons van zonde te reinigen, ons leven te verbeteren en algehele heiligheid in gedachte, woord en daad te kweken. Zo gaan wij tastend en struikelend voort in het duister en komen intussen geen enkele stap vooruit.
Maar de Heere staat ons toe ons af te matten om de deur te vinden. Hij laat ons steeds dieper wegzinken in de put van schuld en ondergang doordat wij voelen dat al onze pogingen om onszelf te bevrijden ons alleen maar dieper erin hebben gestort. Dan opent de Geest van God ons verstand en brengt Hij in de ziel een geestelijke ontdekking van Jezus. Zo maakt Hij bekend dat er een Zaligmaker is, een Middelaar en een uitweg.
Dit is het grote keerpunt in ons leven, de eerste opening van een deur der hoop in het dal Achor (verdriet).
Wanneer u in de woestijn bent
Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken. (Hosea 2:13)
Wanneer u in de woestijn bent, hebt u … geen vriend, geen hulp van een schepsel en geen wereldse troost. Allen hebben u verlaten.
God heeft u in de woestijn geleid om u te beroven van deze aardse banden, van deze „toevluchten bij schepselen en ijdele hopen”, opdat Hij Zelf tot uw ziel kan spreken.
Als u dan van de wereld bent afgescheiden doordat u in de woestijn bent gebracht, als u door beproevingen en verdrukkingen gaat, als u met velerlei verzoekingen wordt geoefend en op die plek wordt gebracht waar het schepsel noch hulp noch hoop biedt, dan gaat u zien en voelen dat niets dan Gods stem die met kracht tot uw ziel spreekt u enige vaste grond van rust of vrede kan geven.
Maar is dit niet nuttig? Het mag pijnlijk zijn — het is pijnlijk — maar het is nuttig, want daardoor leren wij op de Heere en alleen op de Heere te zien. Dat moet voor elk kind van God altijd een gezegende les zijn om te leren.
O, wat een scharen van beklagenswaardigen
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. (Hebreeën 4:16)
Welk hart kan zich de dagelijkse, uurlijkse triomfen van de alles overwinnende genade van de Heere Jezus Christus voorstellen en welke tong kan ze navertellen?
Wij zien nauwelijks een miljoenste deel van wat Hij als Koning op Zijn troon dagelijks doet. Wat een menigte behoeftige smekelingen omringt elk ogenblik Zijn troon! Wat een dringende nood en wee te beantwoorden; wat een snijdend leed en verdriet te lenigen; wat een gebroken harten te verbinden; wat een gewonde consciënties te genezen; wat een ontelbare gebeden te verhoren; wat een ernstige verzoeken in te willigen; wat een hardnekkige vijanden te onderwerpen; wat een schuldige vrezen te bedaren!
Wat een genade en goedheid, wat een geduld en mededogen, wat een barmhartigheid en liefde, wat een macht en gezag toont deze almachtige Soeverein!
Geen omstandigheid is te gering; geen smekeling te onbetekenend; geen geval te moeilijk; geen moeilijkheid te groot; geen zoeker te opdringerig; geen bedelaar te haveloos; geen bankroetier te berooid; geen schuldenaar te insolvent voor Hem om niet op te merken en niet te helpen.
Zittend op Zijn troon van genade … overziet Zijn alziend oog alles, grijpt Zijn almachtige hand alles en omarmt Zijn liefdevol hart allen die de Vader heeft uitverkoren, die Hij Zelf met Zijn bloed heeft verlost en die de gezegende Geest met Zijn onoverwinnelijke kracht tot leven heeft gebracht.
De hopelozen en hulpelozen; de verstotenen om wie niemand geeft; de door storm voortgejaagden die niet getroost zijn; de bijna omkomenden; de treurenden in Sion; de beroofde weduwe; de jammerende wees; de zieken van lichaam en nog zieker van hart; de gefolterden door uurlijkse pijn; de koortsige teringlijder; de worstelaar met de laatste doodsstrijd.
O, wat een scharen van beklagenswaardigen omringen Zijn troon, en allen hebben … een blik van Zijn oog, een woord van Zijn lippen, een glimlach van Zijn gelaat, een aanraking van Zijn hand nodig!
O, konden wij maar zien wat Zijn genade is, wat Zijn genade heeft en wat Zijn genade doet! Konden wij maar meer voelen wat zij in en voor onszelf doet! Dan zouden wij verhevener denken over de heerschappij van de genade die nu in de hoogte wordt uitgeoefend door Sions gekroonde Koning!
May the Lord keep me, according to His promise, every moment—keep me by His Spirit and grace with all the tenderness implied in His words, “O keep me as the apple of Your eye!” My friends, you can know . . . little of your own heart, little of Satan’s devices, little of the snares spread for your feet, unless you feel how deeply you need this blessing—“The Lord keep you.”
And He will, for we read of the righteous, that they are kept “by the power of God through faith unto salvation;” and that “He will keep the feet of His saints.”
One grain of holiness?
Have I one grain of holiness in myself? Not one. Can all the men in the world, by all their united exertions, raise up a grain of spiritual holiness in their hearts? Not an atom, with all their efforts.
If all the preachers in the world were to unite together for the purpose of working a grain of holiness in one man’s soul, they might strive to all eternity—they could no more by their preaching create holiness, than by their preaching they could create a lump of gold.
But Jesus imparts a measure of His own holiness to His people. He sends the Holy Spirit, to raise up holy desires. He communicates a heavenly, spiritual, and divine nature—which bathes in eternal things as its element—and enjoys spiritual things as sweet and precious. It may indeed be small in measure; and he that has it is often troubled because he has so little of it—yet he has enough to know what it is.
Has not your soul, though you feel to be a defiled wretch, though every iniquity is at times working in your heart, though every worm of obscenity and corruption is too often trailing its filthy slime upon your carnal mind—has it not felt, does it not sometimes feel—a measure of holiness Godwards?
Do you ever feel a breathing forth of your soul into the bosom of a holy God . . . heavenly desires, pure affections, singleness of eye, simplicity of purpose, a heart that longs to have the mind, image, and likeness of Jesus stamped upon it?
This is a holiness such as the Lord of life and glory imparts out of his fullness to His poor and needy family.
What is this hidden manna?
“To him who overcomes, I will give some of the hidden manna to eat.” Rev. 2:17
What is this hidden manna? Is it not God’s Word applied with power to the heart? What does the prophet Jeremiah say? “Your Words were found, and I did eat them; and Your Word was unto me the joy and rejoicing of my heart.”
When the Lord is pleased . . . to drop a word into the heart from his own lips; to apply some promise; to open up some precious portion of his Word; to whisper softly some blessed Scripture into the heart; is not this manna?
Whence did the manna flow? Was it cultivated by the hand of man? No—it fell from heaven. And is not this true of the Word of the Lord applied with power to the heart? It is not our searching the Scriptures, though it is good to search the Scriptures—but it is the Lord Himself being pleased to apply some precious portion of truth to our hearts—and when this takes place, it is “manna;” it is . . . sweet, refreshing, strengthening, comforting, encouraging; yes, it is angels’ food—the very flesh and blood of the Lamb with which the Lord is pleased from time to time to feed and favor hungry souls.
But, in the text it is called “hidden.” Why “hidden”? Because hidden from the eyes of the wise and prudent. Hidden from the eyes of self-righteous pharisees; hidden from those who fight in their own strength, and seek to gain the victory by their own brawny arm; hidden from all but God’s tried and tempted family; hidden from all but those who know the plague of their own hearts; hidden from all but those who have learned the secret of overcoming by the blood of the Lamb and by the word of His testimony.
When the Lord leads us to sink down into weakness, and in weakness to find his strength made perfect— to fall down all guilty—and then to feel the application of atoning blood—this is manna. The children of Israel had to endure hunger in the wilderness before manna fell—and thus the Lord’s people learn the value of the hidden manna—the sweet communications from above—by hungering and thirsting in a waste-howling wilderness.
This is hidden from all eyes except those that are anointed by the Spirit to see it—and hidden from all hearts except those that are prepared to receive and feed upon it. “I am the living bread who came down from heaven. If anyone eats of this bread, he will live forever.”
John 6:51
Entangled, perplexed and distressed?
How many of the Lord’s people are continually under bondage to evil! What power the lusts of the flesh have over some—how perpetually they are entangled with everything sensual and carnal! What power the pride of the heart has over another! And what strength covetousness exercises over a third! What power the love of the world and the things of time and sense exercise over a fourth!
How then are they to overcome sin? By making resolutions? By endeavoring to overcome it in their own strength? No! Sin will always break through man’s strength. It will always be stronger than any resolution we can make not to be overcome by it.
The Lord allows His people to be so long and often entangled, perplexed and distressed, that they may learn this secret—which is hidden from all but God’s living family—that the strength of Christ is made perfect in their weakness.
Have not some of you had to learn this lesson very painfully? There was a time when you thought you would get better and better, holier and holier—that you would not only not walk in open sin as before, but would not be . . . entangled by temptation, overcome by besetting lusts, or cast down by hidden snares.
There was a time when you thought you were going forward—attaining some more strength—some better wisdom than you believed you once possessed. How has it been with you? Have these expectations ever been realized? Have you ever attained these fond hopes?
Has sin become weaker? Has the world become less alluring? Have your lusts become tamer? Has your temper become milder? Have the corruptions of your heart become feebler and feebler? If I can read the heart of some poor tried, tempted soul here present, he would say, “No! To my shame and sorrow, be it spoken, I find on the contrary that sin is stronger and stronger—that the evils of my heart are more and more powerful than ever I knew them in my life—and as to my own endeavors to overcome them, I find indeed that they are fainter and fainter, and weaker and weaker. This it is that casts me down. If I could have more strength against sin—if I could stand more boldly against Satan—if I could overcome my besetting lusts—live more to God’s glory—and be holier and holier—then, then, I could have some comfort. But to feel myself so continually baffled, so perpetually disconcerted, so incessantly cast down by the workings of my corrupt nature—it is this, it is this that cuts so keenly—it is this, it is this that tries me so deeply!”
My friend, you are on the high road to victory. This is the very way by which you are to overcome. When you feel . . . weaker and weaker, poorer and poorer, guiltier and guiltier, viler and viler, so that really through painful experience you are compelled to call yourself, not in the language of mock humility, but in the language of self abhorrence—the chief of sinners—then you are on the high road to victory.
Then the blood of the Lamb is applied to the sinner’s conscience, and the Word of God’s testimony comes with power into his soul—it gives him the victory over those lusts with which he was before entangled—it brings him out of the world that had so allured him—and breaks to pieces the dominion of sin under which he had been so long laboring.
A very different thing from lifeless, barren head knowledge
“We know also that the Son of God has come and has given us understanding, so that we may know Him who is true.” 1 John 5:20
There is a difference between a gracious, enlightened understanding of the truth of God which springs out of the teaching of the Spirit—and what is commonly called “head knowledge.” There is such a thing—and a most dangerous, delusive thing it is—as “mere head knowledge” and it is widely prevalent in the churches.
You may say, “How am I to distinguish between mere head knowledge and this spiritual understanding?” I will tell you. When a special light is cast into your mind— when the Word is opened up in its spiritual, experimental meaning—when the Holy Spirit seals it with sweetness and power upon your heart—and you not only understand what you read but receive it in faith, feel its savor, and enjoy its blessedness. Is not this a very different thing from lifeless, barren head knowledge?
Poor in spirit
“Blessed are the poor in spirit, for theirs is the kingdom of heaven.” Matthew 5:3
None are really poor in spirit, but those whom the hand of God has stripped—whom He has brought down—and made to abhor themselves in dust and ashes—and to see and feel themselves destitute of everything good, holy, heavenly, and pleasing in His pure and heart searching eyes.
The heart must be stripped and emptied, and laid bare effectually—by a work of grace that goes to the very bottom, and penetrates into the recesses of the soul—so as to detect all the corruption that lurks and festers within.
The really “poor” man is one who has had everything taken from him—who has had not merely his dim views of a merciful God (such as natural men have) taken from him—not merely his legal righteousness stripped away—but all that kind of notional, traditional religion, which is so rife in the present day, taken from him also —and who has been brought in guilty before God, naked, in the dust, having nothing whereby to conciliate Him, or gain His favor.
God’s purpose
“That no flesh should glory in His presence.” 1 Cor. 1:29
Man may glory in himself—but God has forever trampled man’s glory under foot. God’s purpose is to stain the pride of human glory.
Utter fools!
“Claiming to be wise, they became utter fools instead.” Romans 1:22
What am I by nature? A fool! All my wisdom, outside of Christ, is nothing but the height of foolishness—and all my knowledge nothing but the depth of ignorance! Left to ourselves we are utter fools! We have no wisdom whatever to direct our feet. We are . . . blind, ignorant, weak, helpless, and utterly unable to find our way to God.
All wisdom which does not come down from the Father is folly. All strength not divinely wrought in the soul is weakness. All knowledge that does not spring from the Lord’s own teaching in the conscience is the depth of ignorance.
We must know the value of the gem before we can really prize it. When diamonds were first discovered in Brazil, nobody knew that they were diamonds. They were handed about as pretty, shining pebbles. But as soon it was discovered they were diamonds, they were eagerly sought, and their value rose a thousandfold.
So spiritually. Until we can distinguish between the “pebble of man’s teaching” and the “diamond of divine illumination” we shall neglect, we shall despise, we shall not value divine wisdom.
The heart of God’s child
There is much . . . presumption, pride, hypocrisy, deceit, delusion, formality, superstition, will-worship and self-righteousness to be purged out of the heart of God’s child. But all these things . . . keep him low, mar his pride, crush his self righteousness, cut the locks of his presumption, stain his self-conceit, stop his boasting, preserve him from despising others, make him take the lowest room, teach him to esteem others better than himself, drive him to earnest prayer, fit him as an object of mercy, break to pieces his free-will, and lay him low at the feet of the Redeemer, as one to be saved by sovereign grace alone!
A spirit of delusion
A spirit of delusion seems to us widely prevalent . . . a carnal confidence, a dead assurance, a presumptuous claim, a daring mimicry of the spirit of adoption. Who that has eyes or heart does not see and feel the wide spread of this gigantic evil?
No brokenness of heart, no tenderness of conscience, no spirituality of mind, no heavenly affections, no prayerfulness and watchfulness, no godly devotedness of life, no self denial and crucifixion, no humility or contrition, no separation from the world, no communion with the Lord of life and glory.
In a word, none of the blessed graces and fruits of the Spirit attend this carnal confidence. On the contrary . . . levity, jesting, pride, covetousness, self-exaltation, and often gross self-indulgence are evidently stamped upon many, if not most, of these hardened professors.
The husks which the swine eat
All forms, opinions, rites, ceremonies and notions to me are nothing—and worse than nothing. They are the husks which the swine eat—not the food of the living soul. To have the heart deeply penetrated with the fear of Jehovah—to be melted and filled with a sweet sense of Jesus’ dying love—to have the affections warmed and drawn forth under the anointings of the Eternal Comforter—this is the only religion that can suit and satisfy a regenerate soul!
Then they cried
“They wandered in the wilderness in a solitary way; they found no city to dwell in. Hungry and thirsty, their soul fainted in them. Then they cried unto the Lord in their trouble, and He delivered them out of their distresses.” Psalm 107:4-6
Until they wandered in the wilderness; until they felt it to be a solitary way; until they found no city to dwell in; until hungry and thirsty their soul fainted in them; there was no cry.
There might have been a prayer, a desire, a feeble wish, and now and then a sigh or a groan. But this was not enough. Something more was needed to draw forth loving-kindness out of the bosom of the compassionate Head of the Church.
A cry was needed—a cry of distress, a cry of soul trouble, a cry forced out of their hearts by heavy burdens. A cry implies urgent need—a perishing without an answer to the cry. It is this solemn feeling in the heart that there is no other refuge but God.
The Lord brings all His people here—to have no other refuge but Himself. Friends, counselors, acquaintance—these may sympathize, but they cannot afford relief. There is . . . no refuge, nor shelter, nor harbor, nor home into which they can fly, except the Lord.
Thus troubles force us to deal with God in a personal manner. They chase away that half- hearted religion of which we have so much; and they drive out that notional experience and dry profession that we are so often satisfied with. They chase them away as a strong north wind chases away the mists; and they bring a man to this solemn spot—that he must have God to support him—and bring him out of his trouble.
But what a mercy it is when there is a cry! And when the Lord sends a cry in the trouble, He is sure in his own time and way to send deliverance out of it.
O what painful work it is!
“You also, like living stones, are being built into a spiritual house.” 1 Peter 2:5
God’s people require . . . many severe afflictions, many harassing temptations, and many powerful trials to hew them into any good shape, to chisel them into any conformity to Christ’s image. For they are not like the passive marble under the hands of the sculptor, which will submit without murmuring, and indeed without feeling, to have this corner chipped off, and that jutting angle rounded by the chisel.
But God’s people are living stones, and therefore, they feel every stroke. We are so tender skinned that we cannot bear a ‘thread of trouble’ to lie upon us—we shrink from even the touch of the chisel.
To be hewed, then, and squared, and chiseled by the hand of God into such shapes and forms as please Him—O what painful work it is! If the Lord, then, is at work upon our souls . . . we have not had, we are not now having, we shall never have . . . one stroke too much, one stroke too little, one stroke in the wrong direction.
But there shall be just sufficient to work in us that which is pleasing in God’s sight—and to make us that which He would have us to be. What a great deal of trouble would we be spared if we could only patiently submit to the Lord’s afflicting stroke—and know no will but His.
We get no better, but rather worse
“Accepted in the Beloved.” Ephesians 1:6
We are ever looking for something in SELF to make ourselves acceptable to God—and are often sadly cast down and discouraged when we cannot find . . . that holiness, that obedience, that calm submission to the will of God, that serenity of soul, that spirituality and heavenly mindedness, which we believe to be acceptable in His sight.
Our crooked tempers, our fretful peevish minds, our rebellious thoughts, our coldness, our barrenness, our alienation from good, our headlong proneness to evil, with the daily feeling that we get no better, but rather worse—make us think that God views us just as we view ourselves. We seem to lose sight of our acceptance in Christ, and get into the miserable dregs of SELF. We are so vile, and only get worse as we get older.
Now the more we get into these dregs of SELF, and the more we keep looking at the dreadful scenes of wreck and ruin which our heart presents to daily view—the farther do we get from the grace of the gospel—and the more do we lose sight of the only ground of our acceptance with God.
It is “in the Beloved” alone, that we are accepted—and not for any . . . good words, good works, good thoughts, good hearts, or good intentions of our own. And a saving knowledge of our acceptance “in the Beloved,” independent of everything in us either good or bad, is a firm foundation for our faith and hope—and will keep us from sinking altogether into despair.
Blundering and stumbling on in darkness
After the Lord has quickened our souls, for a time we often go blundering on, not knowing there is a Jesus. We think that the way of life is to . . . keep God’s commandments, obey the law, cleanse ourselves from sin, reform our lives, cultivate universal holiness in thought, word, and action—and so we go—blundering and stumbling on in darkness—and all the while never get a single step forward.
But when the Lord has allowed us to weary ourselves to find the door, and let us sink lower and lower into the pit of guilt and ruin, from feeling that all our attempts to extricate ourselves have only plunged us deeper and deeper—and when the Spirit of God opens up to the understanding and brings into the soul some spiritual discovery of Jesus, and thus makes known that there is a Savior, a Mediator, and a way of escape—this is the grand turning point in our lives, the first opening in the valley of Achor (trouble) of the door of hope.
When you are in the wilderness
“Therefore, behold, I will allure her, and bring her into the wilderness, and speak comfortably unto her.” Hosea 2:14
When you are in the wilderness, you have . . . no friend, no creature help, no worldly comfort— these have all abandoned you. God has led you into the wilderness to bereave you of these earthly ties, of these ‘creature refuges and vain hopes’, that He may Himself speak to your soul.
If, then, you are separated from the world by being brought into the wilderness—if you are passing through trials and afflictions—if you are exercised with a variety of temptations—and are brought into that spot where the creature yields neither help nor hope—then you are made to see and feel that nothing but God’s voice speaking with power to your soul can give you any solid grounds of rest or peace.
But is not this profitable? It may be painful—it is painful— but it is profitable, because by it we learn to look to the Lord and the Lord alone—and this must ever be a blessed lesson to learn for every child of God.
O what crowds of pitiable objects
“Let us then approach the throne of grace with confidence, so that we may receive mercy and find grace to help us in our time of need.” Hebrews 4:16
What heart can conceive or tongue recount the daily, hourly triumphs of the Lord Jesus Christ’s all-conquering grace? We see scarcely a millionth part of what He, as a King on his throne, is daily doing. What a crowd of needy petitioners every moment surrounds His throne!
What urgent needs and woes to answer; what cutting griefs and sorrows to assuage; what broken hearts to bind up; what wounded consciences to heal; what countless prayers to hear; what earnest petitions to grant; what stubborn foes to subdue; what guilty fears to quell!
What grace, what kindness, what patience, what compassion, what mercy, what love, what power, what authority, does this Almighty Sovereign display! No circumstance is too trifling; no petitioner too insignificant; no case too hard; no difficulty too great; no seeker too importunate; no beggar too ragged; no bankrupt too penniless; no debtor too insolvent; for Him not to notice and not to relieve.
Sitting on His throne of grace . . . His all-seeing eye views all, His almighty hand grasps all, and His loving heart embraces all whom the Father chose—whom He himself redeemed by His blood—and whom the blessed Spirit has quickened into life by His invincible power.
The hopeless, the helpless; the outcasts whom no man cares for; the tossed with tempest and not comforted; the ready to perish; the mourners in Zion; the bereaved widow; the wailing orphan; the sick in body; and still more sick in heart; the racked with hourly pain; the fevered consumptive; the wrestler with death’s last struggle.
O what crowds of pitiable objects surround His throne—and all needing . . . a look from His eye, a word from His lips, a smile from His face, a touch from His hand! O could we but see what His grace is—what His grace has—what His grace does—and could we but feel more what it is doing in and for ourselves, we would have more exalted views of the reign of grace now exercised on high by Zion’s enthroned King!