Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Overdenkingen over Efeze 1 en 2 — deel 1: De grondtoon van de brief en de zegen in Christus

Philpot wijst de verhouding van de gemeente tot Christus als haar opgestane Hoofd aan als grondtoon van de brief aan de Efeziërs. Hij behandelt het apostelschap van Paulus en de zegen van de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

In onze inleidende studie hebben we geprobeerd de wijsheid en de genade van de Heilige Geest aan te tonen in Zijn keuze voor brieven als het meest geschikte middel. Daarmee gaf Hij aan de gemeente van Christus al het onderwijs door dat nodig was als vervolg op het door God ingegeven verslag van de Evangeliën en Handelingen. Zo werd zij opgebouwd op haar allerheiligst geloof. We vestigden vooral de aandacht op het soepele karakter van deze schrijfvorm. Die laat zoveel verscheidenheid toe in onderwerp en uitdrukking.

Maar als we deze door God ingegeven brieven wat nauwkeuriger bekijken, blijkt bijna elke brief een eigen en kenmerkende aard te hebben. We zouden het misschien een grondtoon kunnen noemen. Die beheerst en overheerst, zoals in de muziek, het hele stuk. Zo is in Romeinen de rechtvaardiging de grondtoon en in Hebreeën het priesterschap van Christus. In Korinthe is dat het innerlijke bestuur van de gemeente en in Galaten de vrijheid van de wet. In Kolossenzen zijn het het hoofdschap en de volheid van Christus en in Thessalonicenzen Zijn wederkomst. In de brieven aan Timotheüs en Titus zijn het de bijzondere vereisten en taken van predikanten en diakenen.

Niet dat elk van deze brieven geheel opgaat in het onderwerp dat we hier zo kort als hoofdgedachte hebben aangewezen. Maar dat is wel de leidende trek waarmee bijna elk vers in harmonie is en waaraan het ondergeschikt is.

Als dit zo is, kunnen we de geestelijke betekenis van geen enkele brief helder zien of ten volle waarderen zolang we deze grondtoon niet te pakken krijgen. We moeten hem niet alleen enigszins begrijpen maar ook tijdens het lezen met ons meedragen. We kunnen dan wel de betekenis verstaan en de zoetheid en de gezegendheid ervaren van losse verzen of afzonderlijke gedeelten.

Maar we missen dan de harmonie van gedachten, het verband tussen het ene betoog en het andere en de manier waarop alles naar één punt toe wijst. Dat overtuigt zo sterk wie het hele onderwerp kan overzien zoals de apostel het ontvouwt. En dat te missen is, mogen we wel zeggen, geen klein verlies in de ogen van hen die de waarheid liefhebben en een onuitsprekelijke schoonheid zien in de harmonie van elk deel.

Toen de apostel ging zitten om te schrijven aan een gemeente of aan een broeder in de Heere, leek het alsof de Heilige Geest hem niet alleen elke gedachte en uitdrukking ingaf. Hij drukte hem ook een bepaald onderwerp op het hart om die gedachten en woorden in een vaste bedding te leiden. De brieven verspreiden zich dus niet los en willekeurig over de velden als een vloed. Ze stromen in een bepaalde loop als een rivier. Dit vaste doel behoedt ze voor verwarring. En doordat het elke brief een eigen karakter geeft, schenkt het hun ook een prachtige verscheidenheid.

Achteloze en formele lezers van de Schrift, van wie er zoveel zijn in de belijdende kerk, zien misschien de noodzaak of het nut niet van een ernstig en biddend onderzoek van deze goddelijke brieven. Anderen van een ander slag verschuilen hun luiheid achter het voorwendsel dat de gezegende Geest hen zonder enige eigen moeite zal onderwijzen.

Maar ons wordt geboden: Onderzoekt de Schriften (Johannes 5:39). Dit onderzoeken wordt vergeleken met zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten (Spreuken 2:4). Dat wijst op zo’n vlijtige arbeid als een man verricht die in de diepte van de aarde naar zilver delft. Of die een heel veld omspit om een schat te bereiken waarvan hij heeft geloofd dat die ergens daarin verborgen ligt.

Maar nu rijst de vraag wat de grondtoon is van de brief aan de Efeziërs waarmee we ons nu het meest direct bezighouden. Daarop antwoorden we kort: de verhouding van de gemeente tot Christus als haar opgestane en verheerlijkte Hoofd. Dit is de leidende trek, het grote onderwerp, de grondgedachte die door de hele brief loopt. Zij bindt bijna elk vers tot één harmonieuze keten en laat steeds weer op verschillende plaatsen haar eigen toon horen.

Als u de laatste twee verzen van het eerste hoofdstuk naslaat, vindt u deze grondtoon voor het eerst duidelijk aangeslagen. Maar u ziet hem ook daarna weerklinken in Efeze 2:16-22; Efeze 3:1-21; Efeze 4:15-16; Efeze 5:23-32. In al die gedeelten wordt direct of indirect de gemeente genoemd als het lichaam van Christus.

Naar het voorbeeld van de apostel zullen we niet uitvoerig op dit punt ingaan voordat we er vanzelf aan toe komen. Maar als onze lezers de grondgedachte van de brief in gedachten houden, kan dat hen met Gods hulp en zegen beter in staat stellen ons in onze uitleg te volgen. En wat veel belangrijker is: het helpt hen de geestelijke betekenis van het geheel beter te verstaan en daarin door te dringen.

Moge de Heere de Geest bij schrijver en lezers zijn. Moge Hij hem leren het woord van de waarheid te ontsluiten en recht te snijden. En moge Hij met kracht aan hun harten toepassen wat hij hun daarmee in overeenstemming mag voorleggen.

Na deze, we vrezen te lange inleiding komen we nu aan onze uitleg van het eerste hoofdstuk.

Vers 1. Twee dingen vallen ons meteen op wanneer we het eerste vers openslaan. Omdat het een brief is, begint het naar de gewoonte van die tijd met 1. de naam van de schrijver en 2. de naam van hen aan wie hij schreef. Beide punten zullen onze aandacht vragen.

1. Eerst dus de SCHRIJVER: Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God. De oude gewoonte om bovenaan de brief eerst de naam van de schrijver te zetten en dan die van degene aan wie hij schreef, was veel verstandiger dan de onze. Wij zetten de naam van de schrijver onderaan en die van onze correspondent op de achterkant of volgens het huidige gebruik op een envelop. Hij begint dus meteen met Paulus. Wat is dat helder, eenvoudig en duidelijk. Wat is het geschikt om meteen de aandacht op de schrijver te vestigen.

Laten we ons een ogenblik proberen voor te stellen hoe de gemeente van Efeze bijeenkomt om een brief te horen voorlezen die zojuist is aangekomen van Paulus. Hij was hun geliefde vader en vereerde apostel. Drie jaar lang had hij niet geschuwd hun de hele raad van God te verkondigen en had hij niet opgehouden een ieder nacht en dag met tranen te vermanen (Handelingen 20:27-31). Een van de oudsten zou de brief openen en voorlezen. Misschien was het wel een van de mannen die zo bitter hadden geweend en Paulus om de hals waren gevallen en hem hadden gekust toen ze in Milete afscheid namen.

Hoe stil zouden ze allemaal zijn. En toen het woord Paulus in hun oren klonk, met hoeveel eerbied en aandacht zouden ze luisteren. Maar direct voegt hij daaraan toe wat zijn opdracht en gezag is om hen in de naam van de Heere toe te spreken: een apostel van Jezus Christus. Het apostelschap was de grootste gave en het hoogste ambt bij de eerste zichtbare oprichting van de gemeente van Christus in de kracht van de Heilige Geest. En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten (Efeze 4:11). En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten (1 Korinthe 12:28).

Omdat dit het hoogste ambt was, stelde het bijzondere eisen en bezat het bijzondere voorrechten. De twee voornaamste vereisten voor een apostel waren de volgende. 1. Een rechtstreekse roeping en opdracht van de Heere Zelf. 2. Dat hij de Heere na Zijn opstanding uit de doden had gezien en zo getuige was van Zijn opstanding. De roeping en opdracht van de andere apostelen vinden we in de evangeliën. Lukas 6:13 geeft ons hun roeping en Mattheüs 28:18-20 hun opdracht. Uit Handelingen 1:21-22 zien we zowel het feit als de noodzaak dat zij getuigen waren van de opstanding van Christus. Deze twee punten hoeven we dus niet verder te bewijzen.

Hier komt echter een moeilijkheid voor het apostelschap van Paulus. Hij leek namelijk deze twee grote vereisten te missen. 1. Hij was niet zichtbaar en openlijk door de Heere Zelf geroepen of gezonden. 2. Hij had de Heere nooit persoonlijk gezien, niet vóór en niet na Zijn opstanding. Daarom noemt hij zichzelf een ontijdig geborene (1 Korinthe 15:8). Hoe werden dan deze twee bezwaren weggenomen? Zo. Het eerste door een bijzondere roeping en opdracht (Handelingen 26:12-18) en het tweede door een persoonlijke openbaring van de Heere aan zijn ziel.

Hij zegt daarom: Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onzen Heere, gezien? (1 Korinthe 9:1). Enkele van onze beste handschriften, zoals het Alexandrijnse, het Vaticaanse en het Sinaïtische, verwisselen deze twee zinsdelen. Zij lezen: Ben ik niet vrij? Ben ik niet een apostel? Dat verbindt het apostelschap zeker beter met het zien van de Heere.

In één opzicht ontving hij dus een hogere opdracht dan alle andere apostelen. Zijn opdracht kwam namelijk van Christus in Zijn opstandingsheerlijkheid, terwijl zij de hunne hadden ontvangen van Christus in Zijn genade. Zij kregen de hunne toen Christus op aarde was en Paulus de zijne toen Christus in de hemel was. De hunne kregen zij gezamenlijk, maar de zijne was bijzonder en alleen voor hemzelf bestemd.

Op deze bijzondere roeping en opdracht staat hij sterk, vooral wanneer ze in twijfel werd getrokken. Daarom schrijft hij aan de Galaten: Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God den Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft (Galaten 1:1).

Zo schrijft hij ook aan Timotheüs: Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus, Die onze Hope is (1 Timotheüs 1:1). En ook: Naar het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij toebetrouwd is. En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onzen Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende (1 Timotheüs 1:11-12).

En zoals hij op bijzondere wijze was geroepen en gezonden, zo werd hij ook op bijzondere wijze onderwezen en toegerust. Als om goed te maken dat hij Christus niet in het vlees had gezien, kreeg hij een bijzondere openbaring van Hem uit de hemel. Zo moest ook het gemis worden goedgemaakt van het mondelinge onderwijs van Christus vóór en na de opstanding, waarmee zijn medeapostelen waren begunstigd. Het evangelie werd op een eigen en bijzondere wijze aan hem geopenbaard door Christus Zelf, na Zijn hemelvaart.

Hij zegt daarom: Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens. Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus (Galaten 1:11-12).

Zo ook in de brief die voor ons ligt: Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb; Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus (Efeze 3:2-4). Gelijke uitdrukkingen vindt u in 1 Korinthe 11:23; 1 Korinthe 15:1-3.

Het is zeer wenselijk om op dit punt heldere inzichten te hebben, want het geeft de woorden van de apostel zoveel gewicht en kracht. Stel dat iemand die we volkomen konden vertrouwen ons verzekerde dat hij de Heere Jezus Christus persoonlijk in Zijn opstandingsheerlijkheid had gezien. En dat hij bepaalde woorden en een bepaalde boodschap uit Zijn mond had ontvangen met het bevel die aan ons door te geven. Met hoeveel eerbied en aandacht zouden we naar zijn mededeling luisteren en haar aannemen.

Precies dat hebben we nu in de apostel Paulus en in de brief die voor ons ligt. Hij verzekert ons dat hij Christus Zelf had gezien. Zijn hele leven en arbeid bewijzen hoe waardig hij is om volledig geloofd te worden. Hij verzekert ons ook dat het evangelie dat hij had gepredikt hem bijzonder en persoonlijk door de Heere Jezus was geopenbaard.

Voor zover we hiervan overtuigd zijn, zullen we naar zijn woorden luisteren en ze aannemen. Dan zullen we ze willen begrijpen en geloven en hun ware en hemelse betekenis willen binnengaan. Dan zullen we hun kracht en invloed in ons hart willen ervaren en ze voor onze ziel tot geest en leven zien worden. Dit is de ware gezindheid waarmee we deze brief moeten benaderen en lezen. We drinken zijn woorden in ons innerlijkste hart en nemen ze aan als een bijzondere en persoonlijke boodschap van God aan ons, alsof Jezus Christus Zelf vanuit de hemel tot ons sprak.

Hij voegt er daarom aan toe: door den wil van God. Dat is niet slechts Gods goedkeuring of bekrachtiging van zijn roeping tot apostel. Het is Zijn eeuwige soevereine welbehagen waardoor alle dingen zijn verordend, geschikt en geregeld. Dit apostelschap van Jezus Christus door de wil van God gaf Paulus al zijn gezag om deze brief te schrijven. Daarom is het niet misplaatst twee eigen kenmerken van zijn opdracht aan te wijzen.

Het eerste kenmerk is, zoals we al aanwezen, dat zij hem door een bijzondere openbaring werd gegeven. Alle apostelen werden weliswaar door de Heilige Geest onderwezen en bekwaam gemaakt (Johannes 14:26; Johannes 16:13-15; Handelingen 1:8). Maar zij ontvingen niet elk een eigen afzonderlijke openbaring van de Heere Zelf in Zijn heerlijkheid. In elk geval niet op de rechtstreekse en uitdrukkelijke wijze waarmee Paulus werd begunstigd.

Petrus was werkelijk evenzeer gezonden (Galaten 2:7) en evenzeer geïnspireerd om te prediken en te schrijven (Handelingen 10:42; 2 Petrus 1:12-16; 2 Petrus 3:1-2). Hij was ook net als Paulus toegerust met de gaven van wonderen en talen (Handelingen 2:4; Handelingen 9:32-41). Maar hij werd niet opgetrokken tot in de derde hemel en niet begunstigd met zulke openbaringen van de Heere als de grote apostel van de heidenen.

Maar ook het evangelie dat Paulus predikte had een bijzonder en eigen karakter. Hij was nadrukkelijk gezonden om de heidenen te prediken, zoals de zending en prediking van Petrus op de Joden gericht was (Galaten 2:6-7). Toch had God uit de apostelen als bijzondere gunst gekozen dat de heidenen uit de mond van Petrus het eerst het woord van het evangelie zouden horen en geloven (Handelingen 15:7).

Als u Efeze 3:1-11 aandachtig leest, want het is te lang om aan te halen, ziet u hoe helder en mooi de apostel daar de bijzondere bedeling van de genade van God uiteenzet die hem was gegeven. Door openbaring maakte Hij hem een verborgenheid bekend. Dat is een hemels geheim dat sinds het begin van de wereld verborgen was geweest in de schoot van God. Maar wat was die verborgenheid? Dat de heidenen met de Joden medeerfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie zijn.

Zo vormden Jood en heiden samen één volledig en heerlijk lichaam: de gemeente. Christus had als onze vrede beide één gemaakt en er was geen middelmuur van afscheiding meer tussen hen. De Heere Jezus had immers beide met God verzoend in één lichaam door het kruis. En toen Hij dat gedaan had, kwam Hij in de bediening van het evangelie vrede verkondigen aan de verre heiden en aan de Jood die door uiterlijk voorrecht dichterbij was. Dit was het evangelie dat Paulus predikte en dat als een straal van hemels licht door al zijn brieven schijnt.

2. Maar nu de ONTVANGERS van de brief.

Wat we al over de opdracht van de schrijver hebben gezegd, kan ons beter voorbereiden om te begrijpen waarom hij aan de Efeziërs schreef. Het verklaart ook waarom hij hen aansprak als heiligen en getrouwen in Christus Jezus.

Zij waren heidenen geweest en hadden gewandeld naar de loop van deze wereld. Zij hadden gedaan den wil des vleses en der gedachten en waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, had hen om Zijn grote liefde waarmee Hij hen liefhad, ook toen zij dood waren in de zonden, levend gemaakt voor het goddelijke leven. Zoals zij door het bloed en de gerechtigheid van Christus vrijelijk en volkomen gerechtvaardigd waren, zo waren zij ook geheiligd door de Geest van God.

Hij kon hen daarom aanspreken als heiligen. Zij waren niet alleen geheiligd door de wil van de Vader en het bloed van Zijn dierbare Zoon (Hebreeën 10:10; Hebreeën 10:29). Zij waren ook van binnen geheiligd door de bijzondere werking, de verzegeling en de inwoning van de Heilige Geest (Efeze 1:13; Efeze 2:18; Efeze 2:22). De brief is ook gericht aan de getrouwen in Christus Jezus. Dit lijkt de brief een wat ruimer bereik te geven. Het is alsof hij naast de heiligen in Efeze ook alle getrouwen in Christus Jezus omvat tot wie hij zou komen.

Het woord dat in de Engelse Bijbel met „getrouw” is weergegeven, betekent ook „gelovig” of een gelovige. Het wordt vaak zo vertaald, zoals in Handelingen 10:45; Handelingen 16:1; 2 Korinthe 6:15; 1 Timotheüs 4:3; 1 Timotheüs 4:10; 1 Timotheüs 4:12; 1 Timotheüs 5:16 en elders. We zouden het hier dus ook zo kunnen weergeven en lezen: aan de gelovigen in Christus Jezus. Dat lijkt inderdaad de betere betekenis, want de brief is niet zozeer gericht aan hen die trouw zijn in hun belijdenis als wel aan hen die een levend geloof in de Zoon van God bezitten.

Aan de heiligen in Efeze in het bijzonder en aan de gelovigen in Jezus Christus in het algemeen is deze brief dus gericht. En zoals de eerste titel haar bijzonder geschikt maakte voor hen, zo maakt de tweede haar bijzonder geschikt voor ons. De Efezische heiligen zijn heengegaan en Efeze zelf is een ruïne. Maar gelovigen in Christus Jezus leven nog en zullen leven tot de gemeente voltooid is.

Maar we kunnen deze groet niet verlaten zonder erop te wijzen hoe de genade alles siert en heiligt wat zij aanraakt. De gebruikelijke koude en vormelijke aanhef van een brief in de oudheid zien we in Handelingen 23:26. Daar hebben we een oorspronkelijke en echte Romeinse brief: Claudius Lysias aan den machtigsten stadhouder Felix groetenis. De apostel behoudt de gebruikelijke vorm en blaast toch als het ware leven in een dode formule. Hoe koel, hoewel eerbiedig, is den machtigsten stadhouder en hoe kaal is het woord groetenis.

Maar hoe warm en vol genade en leven is, vergeleken met die koude dode groet: Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, aan de heiligen, die te Efeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus en dan Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus (Efeze 1:1-2).

Efeze 1:2. Maar nu een paar woorden over de ZEGENINGEN waarvoor wordt gebeden. Dit zijn genade en vrede. Genade is de bron en vrede de stroom. Genade omvat in haar schoot al die gunst die God de Vader jegens Zijn volk heeft. Vrede is al die persoonlijke openbaring daarvan die kan worden verwezenlijkt en genoten uit het besef van vergevende barmhartigheid. Maar we mogen hier niet uitweiden, want er ligt veel voor ons en onze voortgang is tot nu toe traag geweest.

Efeze 1:3. Nauwelijks had de apostel de Efezische heiligen zijn liefdevolle groet gegeven en zijn geestelijke wensen voor hen uitgesproken, of zijn hart werd geraakt. Zijn hele ziel was als ontvlamd door het besef van Gods wonderbare goedheid en barmhartigheid jegens hem en hen. Zo week en overweldigd was hij door een blik van het geloof op wat God al voor hen had gedaan in de overvloedige rijkdom van Zijn genade, dat hij losbarst in een lofzang van dankbare lof: Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus (Efeze 1:3).

Hoe zullen we proberen uiteen te zetten welke schatten van genade en heerlijkheid de Heilige Geest door de pen van Paulus in de schoot van deze woorden heeft opgeslagen? Alles lukt ons niet, want dat gaat de tong van mensen en engelen te boven. Slechts een klein deel dus. Toch brengen we onze beker mee om al was het maar één heldere teug te scheppen uit deze eeuwig vloeiende en overvloeiende bron van hemelse waarheid.

1. Het eerste dat we opmerken is het woord „gezegend” dat in dit vers tweemaal voorkomt, hoewel in twee verschillende betekenissen. In het eerste gebruik is het onze uiting van dankbare lof aan God. Letterlijk betekent het woord goed spreken over Zijn genadige Majesteit. God te zegenen en te prijzen en dat voor eeuwig is het werk en het geluk van hen die zich koesteren in de volle stralen van Zijn liefde en gunst in de heerlijke woningen boven.

Maar de eerste tonen van dit eeuwige lied van hemelse lof klinken hier beneden. Ze worden voortgebracht en opgewekt door een besef van Gods goedheid en barmhartigheid zoals die aan de ziel geopenbaard wordt. Dat gebeurt vooral wanneer Zijn liefde door de Heilige Geest in het hart wordt uitgestort. Dit deed David zeggen: Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam. Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden (Psalm 103:1-2).

Hij zegent God omdat God hem gezegend heeft. Maar let nu op het verschil tussen Zijn zegenen van ons en ons zegenen van Hem. We hebben immers gezien dat het woord „gezegend” in twee betekenissen wordt gebruikt. God zegent ons in daad en wij zegenen Hem in woord. Zijn zegeningen zijn werkelijke en wezenlijke gunsten die vrijelijk worden geschonken. De onze zijn slechts de dankbare erkenning dat wij ze ontvangen hebben. Dit zullen we echter duidelijker zien naarmate we in onze uitleg van dit vers verder komen.

Maar wie is het die de apostel zo vurig zegent? Onder welke naam en titel prijst hij Hem? Het is de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus die hij zo prijst en zegent. We kunnen God niet eenvoudig en kaal zegenen als God. Want in Zichzelf en buiten Christus is Hij in Zijn geduchte Majesteit een verterend vuur voor zondaars zoals wij. Eenvoudig als God heeft Hij ons dus niet gezegend en als zodanig kunnen wij Hem niet zegenen.

Maar als de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus kunnen wij Hem zegenen, als wij heiligen en gelovigen zijn. Want als zodanig en alleen als zodanig heeft Hij ons gezegend. Dit is Zijn bijzondere titel in het Nieuwe Testament, zoals de God van Abraham, Izak en Jakob Zijn naam in het Oude Testament was. Laten we dus proberen de geestelijke betekenis en strekking ervan te vatten.

U zult opmerken dat Hij volgens deze Nieuwtestamentische titel de God is van de Heere Jezus Christus en de Vader van de Heere Jezus Christus. Omdat deze twee titels duidelijk verschillen, vraagt het onderscheid tussen beide enige uitleg.

1. Eerst dus: Hij is de God van onzen Heere Jezus Christus. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien een nogal harde en ongewone uitdrukking. Maar ze is volkomen schriftuurlijk en vol gezegende betekenis als ze geestelijk wordt verstaan en beleefd. Zo gebruikt de apostel de term uitdrukkelijk in het hoofdstuk dat voor ons ligt. Hij bidt dat de God van onzen Heere Jezus Christus hun den Geest der wijsheid en der openbaring zou geven (Efeze 1:17).

Maar hoe is Hij „de God van Christus”? Om dit te verstaan moeten we bedenken dat de Heere Jezus Christus weliswaar maar één Persoon is, maar twee naturen heeft. En hoewel de Schrift deze twee naturen duidelijk onderscheidt, schrijft zij vanwege de eenheid van Zijn Persoon aan onze Heere de eigenschappen van beide naturen toe zonder fijne onderscheidingen te maken.

Zo onderscheidt Paulus in Romeinen 1:3-4 de twee naturen. Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees: daar is de menselijke natuur. Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God: niet „geworden” maar „bewezen”, en daar is Zijn goddelijke natuur als de eeuwige Zoon.

Maar in Hebreeën 1 maakt dezelfde apostel geen zo duidelijk onderscheid tussen de twee naturen. Over dezelfde Zoon van God zegt hij namelijk: het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid. Dat kon Hij alleen zijn in Zijn goddelijke natuur. En verder: de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft. Dat gebeurde door het bloed van Zijn menselijke natuur in vereniging met Zijn goddelijke.

Zo smelt de titel de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus in één genadige naam samen wat God voor Christus is naar Zijn menselijke en wat Hij voor Hem is naar Zijn goddelijke natuur. Omdat Christus de Zoon van God is, is God Zijn Vader. Maar omdat Hij de Mensenzoon is, is God Zijn God.

God is Zijn God in al deze dingen. Hij koos Hem en stelde Hem aan tot het werk van de middelaarschap. Hij sloot een eeuwig verbond met Hem. Hij bereidde een lichaam voor Hem. Hij zond Hem te Zijner tijd. Hij zalfde Hem met de Heilige Geest en met kracht. Hij nam Zijn offer aan als verzoening voor de zonde. Hij wekte Hem op uit de doden en zette Hem aan Zijn eigen rechterhand in de hemelse gewesten. In al deze opzichten is God de God van onzen Heere Jezus Christus.

Onze gezegende Heere riep Hem daarom in de diepte van Zijn doodsstrijd aan het kruis onder die titel aan: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten. Zo vinden we in Psalm 22, waarvan de Heere de eerste woorden aan het kruis tot de Zijne maakte en die daarom van begin tot eind Zijn taal bevat, dat Hij zegt: van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God (Psalm 22:11). Dat toont het verband tussen de menswording van Christus in de schoot van de maagd en het feit dat God Zijn God is.

Zo ook in Psalm 40, waarin de Heere Jezus, naar we ook uit Hebreeën 10:5-7 weten, spreekt. Daar vinden we Hem zeggen: Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen (Psalm 40:9). Dat deed Hij toen Hij het lichaam aannam dat voor Hem bereid was. En verder: o mijn God! vertoef niet (Psalm 40:18). Dat toont hoe Hij naar Hem opzag en aan Hem hing in de dagen van Zijn vlees.

En om te laten zien dat deze verbondstitel bij Zijn dood niet ophield maar in al haar volheid blijft bestaan, verklaarde Hij direct na Zijn opstanding dat God nog steeds Zijn God was. Dat was voordat Hij opvoer naar omhoog om de grote Hogepriester over het huis van God te zijn. Hij deed het toen Hij door Maria Magdalena die genadige boodschap naar Zijn discipelen zond: maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God (Johannes 20:17).

2. Dat Hij de Vader van onze Heere Jezus Christus is, omdat Christus Zijn eniggeboren Zoon is, hoeven we niet te bewijzen. We hebben zoveel geschreven over het onderwerp van het ware, eigenlijke en eeuwige Zoonschap van onze Heere. Het volstaat daarom dit nu slechts op te merken.

Nu is het de vermenging van deze twee titels in één en dezelfde God die Hem voor ons zo betrekkelijk gezegend maakt. We zeggen betrekkelijk, want God in Zichzelf is en moet altijd gezegend zijn, los van alles wat Hij voor Zijn schepselen is of kan zijn. Hij die in het heerlijke maar onbegrijpelijke geheim van de Drie-eenheid de Vader van de Heere Jezus Christus is, is dus de God van Jezus Christus in het verbond van genade.

Hier is het fundament van alle zaligheid en hier is de bron van elke geestelijke zegen. De Zoon van de Vader naar Zijn eeuwige wijze van bestaan is de Middelaar tussen God en mensen door een eeuwig verbond. Maar we zullen hier niet verder op ingaan, om de reden die we gaven en vooral omdat dit gezegende geheim dat we tot hiertoe hebben gewaagd uiteen te zetten ons voortdurend zal ontmoeten naarmate we met onze uitleg verder gaan.

We gaan verder naar de volgende woorden: Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening. Letterlijk staat er: „in elke geestelijke zegening”. Maar de zin is vrijwel gelijk, want „elke geestelijke zegening” betekent hetzelfde als „alle geestelijke zegeningen”. En hoewel „in” wat voller en sterker is dan „met”, omdat het een werkelijk bezit en genot inhoudt, is „met” toch voldoende uitdrukkelijk voor de zin van de apostel.

We hebben al een verschil aangewezen tussen ons zegenen van God en Zijn zegenen van ons. We kunnen Hem slechts flauw en zwak in woord zegenen voor wat Hij ons in daad zegent. En o, konden we in ons geloof maar een weinig omvatten, al was het maar een klein beetje. En o, konden we dagelijks komen en slechts enkele druppels drinken van deze zuivere bron van onsterfelijke vreugde. Dan zouden we zoet beseffen dat we gezegend zijn, al gezegend, volkomen gezegend, onveranderlijk en onherroepelijk gezegend met alle geestelijke zegeningen in Christus. Wat een kracht en troost zou dat onze vaak neergeslagen ziel schenken.

Kijk naar de woorden. Onderzoek ze telkens opnieuw. Overdenk één voor één de geestelijke zegeningen waar u het meest naar verlangt. Is het vergeving? Is het vrede? Is het de liefde van God uitgestort in uw hart? Is het de Geest der aanneming waardoor u kunt roepen: Abba, Vader? Is het gemeenschap met God? Is het het genieten van Zijn tegenwoordigheid en Zijn glimlach? Is het bevrijding van elke twijfel en vrees?

Is het een grote mate van Zijn vreze in uw hart? Is het de onderwerping van al uw lusten en verdorvenheden? Is het een godzalig en heilig leven en een gelukkige gezegende dood? Zijn dit niet de geestelijke zegeningen die u hoger waardeert dan huis of land, vrouw of man, kind of verwant of enig aards goed? Hiermee en met elke andere bent u dan gezegend, al gezegend, als u een van Gods heiligen bent en een gelovige in Christus Jezus. God moet u nog niet zegenen, behalve met een voorsmaak hier en het volle genot hierna. Hij heeft u al met alle gezegend in Christus Jezus.

Maar waar? In de hemelse gewesten (zo luidt de Engelse tekst; de Statenvertaling heeft: in den hemel). In het oorspronkelijke Grieks staat na „hemelse” geen zelfstandig naamwoord. In de Engelse vertaling staat „plaatsen” daarom cursief, wat een ontbrekend woord in het Grieks aanduidt. We zouden dus kunnen lezen „hemelse dingen”, zoals de kanttekening vermeldt. Maar we denken dat de vertalers wijs waren door „plaatsen” te kiezen in plaats van „dingen”.

En waarom? Omdat we met al deze geestelijke zegeningen gezegend zijn in Christus. En waar is Hij? Is Hij niet in de hemelse gewesten? Heeft God Zelf Hem daar niet gezet toen Hij Hem uit de doden opwekte, zoals in dit hoofdstuk wordt verklaard (Efeze 1:20)? Elke geestelijke zegening waarmee God Zijn volk heeft gezegend is in Christus. En omdat Hij nu in de hemelse gewesten is, zijn al deze zegeningen daar in Hem opgeslagen en veiliggesteld.

Hier zien we de vereniging tussen Christus en de gemeente en haar verhouding tot Hem als haar opgestane verheerlijkte Hoofd. Dat hebben we aangewezen als het kenmerkende en, als we dit zo mogen zeggen, eigen handtekening van deze brief. God heeft haar gezegend met alle geestelijke zegeningen. Maar waarom en hoe? Het antwoord is in Christus. Dat is de reden en dat is de wijze waarop zij zo gezegend is. Zij is niet in of om zichzelf zo gezegend, maar alleen krachtens haar vereniging met de Heere Jezus Christus, haar verhouding tot Hem en haar staan in Hem.

Beelden zijn slechts doffe en onvolkomen voorstellingen van de vereniging tussen Christus en de gemeente. Maar de Heilige Geest heeft Zelf het huwelijk gekozen als illustratie van de aard en de innigheid van deze vereniging. Daarom mogen we dat veilig overnemen en misschien uitbreiden om het verband duidelijker uiteen te zetten tussen de vereniging van de gemeente met Christus en haar gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen in Hem.

Neem het beeld van een vader die de gekozen bruid van zijn enige zoon rijk begiftigt en haar overlaadt met zeer kostbare geschenken. Waarom? Omdat en alleen omdat zij de gehuwde vrouw van zijn zoon is. Haar vereniging met zijn zoon maakt haar tot zijn dochter en hij wordt haar vader doordat zij de vrouw van zijn zoon wordt. Daarom lezen we: Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig en ook Hoor, o Dochter (Psalm 45:14; Psalm 45:11).

De beste van alle zegeningen zijn geestelijke zegeningen. Alle andere zijn voor de tijd, maar zij en alleen zij zijn voor de eeuwigheid. Gezondheid en rijkdom, vrouw en kinderen, voedsel en kleding, vrienden en verwanten, huis en haard zijn slechts voor het lichaam. Ze zullen niet nodig zijn wanneer lichaam en ziel zich scheiden.

Maar geestelijke zegeningen zijn de zegeningen die de Heilige Geest aan de zielen van Gods volk toont en openbaart. Door de kennis, het bezit en het genot ervan maakt Hij hen bekwaam en geschikt voor het erfdeel van de heiligen in het licht. Het zijn zegeningen die God waardig zijn om te geven en haar waardig om te ontvangen. En ze worden aan de gemeente alleen gegeven in vereniging met haar verbondshoofd.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!