Maar o, hoe onwaardig en hoe onbekwaam voelen wij ons al aan het begin om de heerlijkheid van die verheven Heerser op een passende en waardige wijze uiteen te zetten! Hij zit aan de rechterhand van de Vader als Hoofd over alles voor de gemeente.
Wanneer de zon haar stralen achter een wolk verbergt, kunnen wij haar mildere glans met onverblind oog aanschouwen. Maar wie kan kijken in haar middagstralen in al hun ongedimde pracht? Zo kan het geloof de Zoon van God, toen Hij de glans van Zijn eeuwige heerlijkheid omsluierde door een tabernakel van vlees aan te nemen, met onverblind maar meelevend oog aanschouwen als een lijdende en offerende Hogepriester in de hof en aan het kruis.
Op dezelfde wijze kan het geloof, wanneer Jezus nog als Profeet spreekt in het woord van Zijn genade, aan Zijn voeten zitten en Zijn woorden horen zonder door Zijn heerlijkheid overweldigd te worden: Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.
Maar wanneer wij omhoog kijken en Hem trachten te zien zittend aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte, in al Zijn verheven waardigheid en macht als Koning van de koningen en Heere van de heren, dan voelen wij ons als verblind en overweldigd door het zien en beseffen van Zijn overtreffende heerlijkheid.
In de dagen van Zijn vlees kon de geliefde discipel aan de borst van Jezus leunen en bij Zijn kruis staan. Maar toen Hij op het eenzame eiland Patmos in Zijn majesteit verscheen en Zijn ogen waren gelijk een vlam vuurs en Zijn aangezicht was gelijk de zon schijnt in haar kracht, viel Johannes als dood aan Zijn voeten!
Maar heeft Hij ons gewillig gemaakt op de dag van Zijn kracht en ons in alle nederigheid aan Zijn voeten gebracht om de scepter van Zijn genade aan te raken en Hem als Heere van alles te erkennen, dan mogen wij samen met Zijn heiligen de woorden van de psalmist gebruiken: Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken; Om de mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer der heerlijkheid Zijns Koninkrijks (Psalm 145:11-12).
En omdat wij ons hebben voorgenomen de verbondskarakters van de Heere Jezus uiteen te zetten, mogen wij nu niet bezwijken onder het besef van Zijn heerlijkheid of van ons eigen onvermogen. Wij mogen onze pen niet wegleggen, hoewel wij daartoe in de verleiding komen. Wij willen, voor zover de Heere ons daartoe in staat stelt, nagaan wat ons in het woord van de waarheid is geopenbaard over Zijn tegenwoordige waardigheid als Sions verheven Koning.
Maar wij willen het onderwerp zo duidelijk en onderscheiden mogelijk aan onze lezers voorstellen. Daarom zullen wij onze beschouwingen en Overdenkingen daarover in de volgende volgorde rangschikken:
I. Het eeuwige voornemen van God de Vader om Zijn dierbare Zoon te verheerlijken en te verheffen tot Heere en Koning.
II. De uitvoering van dit voornemen in de menswording, de dood, de opstanding, de hemelvaart en de verheerlijking van de Zoon van God.
III. De aard, het doel, de omvang en de duur van Zijn koninkrijk.
IV. De toekomstige ontwikkeling en heerlijke openbaring ervan.
V. De praktische en bevindelijke invloed die de koninklijke macht en het gezag van Jezus hebben op gelovige harten.


