The Sacrifice Bound to the Horns of the Altar
De Heere is God, Die ons licht gegeven heeft: Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars. Ps. 118:27.
Het is aangenaam en verkwikkend in de heiligen van het Oude Testament dezelfde ondervindingen op te merken, die de Heilige Geest nu in de harten en gewetens van de heiligen werkt; en ik geloof dat er geen één genadebevinding is, hetzij van diepe geestelijke droefheid, of hetzij van hoge geestelijke blijdschap, die wij niet, indien het de Heere behaagt ons licht te geven om te zien, afgetekend vinden in de ondervinding van de gelovigen van het Oude Testament. Inderdaad het kan niet anders zijn. Daar is maar één God en Vader van allen; daar is maar één Heere, één geloof, één Geest; daar is maar een Leraar van de Kerk van God; en daarom al de heiligen in alle eeuwen, hebben dezelfde lessen ontvangen, en zijn door de Heilige Geest in dezelfde Goddelijke verborgenheden onderwezen. Nu schijnt daar een trek te zijn die algemeen is aan elke heilige, in welke trap van geestelijke ondervinding hij mag zijn, en dat is een volkomen verloochening van zichzelf, en een volkomen afhangen van de Heere om in Hem te willen en te werken naar Zijn welbehagen.
Hetzij wij spreken aangaande de wijsheid van het schepsel, of de roem van menselijke gerechtigheid, of menselijke verdienste, of van enig ander ijdel verzinsel, u zult nooit een van de bijbelheiligen een andere taal horen doen dan van een volkomen verloochening aan het schepsel in allerlei opzichten, en een eenvoudig afhangen van, en steunen op de Heere van leven en heerlijkheid, om Zich aan hem te openbaren, te zegenen, te onderwijzen, en in alle waarheid te leiden. Zo kenmerkt de ondervinding van de heiligen het gehele verzinsel van menselijke deugd, menselijke wijsheid en vleselijke gerechtigheid als leugen.
Ik geloof niet dat enig geestelijk mens ooit tot een heilige God naderde om de begeerten en verzuchtingen van zijn ziel voor Hem uit te storten, en Hem geestelijke in Jezus Christus welbehaaglijke offeranden op te offeren, in een andere gestalte dan van een volkomen verloochening van de gerechtigheid, de wijsheid en kracht van het schepsel, en een oprecht en eenvoudig afhangen en betrouwen op God om in hem “te werken dat goed is in Zijn ogen”. “De Heere is God, Die ons licht gegeven heeft: Bindt het feestoffer met touwen, tot aan de hoornen des altaars”.
De tekst vermeldt twee schijnbaar onsamenhangende zaken – het geven van het licht – en het binden van het feestoffer. Wat deze zijn en hoe zijsamenhangen, zullen wij onder Gods zegen in dit uur proberen aan te tonen.
1. Ongetwijfeld bezat de Psalmist het licht, want hij zegt: “De Heere is God, Die ons licht gegeven heeft”. Klaarblijkelijk was hij bezitter van het licht, en dit licht was in hem als het “licht des levens”. Dit licht had in zijn hart geschenen; de glans en stralen van de Goddelijke waarheid waren in zijn geweten doorgedrongen. Hij droeg een licht met zich om, dat van God gekomen was; in dit licht zag hij het licht, en in dit licht onderscheidde hij alle dingen die door het licht openbaar gemaakt werden.
Zo kende hij door dit inwendig licht wat goed en wat kwaad, wat zoet en wat bitter, wat waar en vals, wat geestelijk en wat natuurlijk was. Hij zei niet, dit licht komt door de inspanning van menselijke kracht, dit licht werd voortgebracht door mijn eigen wijsheid; dit is natuurlicht door handeling van mijn wil veranderd, en zo trapsgewijs door lange en bestendige beschaving toegenomen. Maar hij schrijft al het licht dat hij bezat aan God de Heere, als de enige Auteur en Gever daarvan toe.
Welnu, indien God de Heere ooit aan u en mij ditzelfde licht gegeven heeft, dat Hij aan Zijn oude dienaren gaf, zo dragen wij een meer of minder ernstige overtuiging met ons om dat wij dit licht van Hem ontvangen hebben. Daar zullen wel vele duistere wolken het bedekken; daar zal dikwijls twijfel en vrees, gelijk mist en nevel over onze zielen zweven, of het licht dat wij ontvangen hebben van God is of niet.
Maar in plechtige ogenblikken wanneer het de Heere behaagt Zijn werk een weinig te verlevendigen; in tijden en momenten wanneer Hij Zich verwaardigt de genegenheden van onze harten tot Hem te trekken, om ons in Zijn tegenwoordigheid te brengen, ons te verbergen als in het holle van Zijn hand, en ons toegang geven tot Hem in zulke tijden en ogenblikken dragen wil, in spijt van al ons ongeloof, in spijt van al de oorblazingen van de vijand, in spijt van alle twijfelingen, vrees en vermoedens die uit de diepten van het vleselijk gemoed oprijzen, in spijt van al deze tegenwerkingen en ondermijningen, een ernstige overtuiging met ons om dat wij licht hebben, en dat wij dat licht van God ontvangen hebben. En waarom? Omdat wij terug kunnen zien tot een tijd, wanneer wij niet in dat licht wandelden, wanneer wij zo’n licht niet gewaar werden, wanneer al het geestelijke en hemelse duister voor ons was, en wij duister voor het hemelse.
Indien God de Heere dan ons licht gegeven heeft, dan heeft Hij ons licht gegeven beide met betrekking tot Hem en tot ons. Hij heeft ons licht gegeven met opzicht tot Zichzelf wat Hij is; Hij heeft iets van Zichzelf op onze gewetens gedrukt; Hij heeft een getuigenis aangaande Zichzelf in onze harten gebracht; Hij heeft iets van Zijn heerlijk bestaan aan onze zielen ontdekt; en heeft ons, door de bewerking van de Heilige Geest in Zijn tegenwoordigheid gebracht, om daar uit Christus onuitputtelijke volheid meedelingen van het leven te ontvangen.
Op deze wijze zien en gevoelen wij dat wij met een hartdoorzoekend God te doen hebben; in dit licht zien en gevoelen wij dat wij met een God te doen hebben, die Zich niet laat bespotten; in dit licht, wanneer het Hem behaagt het aan ons te ontdekken, zien en gevoelen wij dat elk geheim van ons hart, elke werking van ons gemoed, open voor Hem is; en in dit licht, voor zover het Hem behaagt het aan ons te ontdekken, zien wij wat wij in Zijn heilige en zuivere ogen zijn – een massa van zonde, onreinheid en bederf, zonder hulp, zonder kracht, zonder wijsheid, zonder gerechtigheid, zonder bevalligheid van het schepsel, zonder iets van hetgeen wij kunnen zeggen, dat geestelijk goed is.
De Heere, ons licht gegeven hebbende, heeft ons daarenboven meer of minder de weg van behoudenis door Jezus Christus bekend gemaakt. Hij heeft niet alleen ons doen zien wat wij van nature zijn, maar Hij heeft zich ook enigermate verwaardigd ons te tonen wat wij door genade zijn; niet slechts Zich in onze harten bekend gemaakt als een volmaakt rechtvaardig God, maar Hij heeft Zich ook meer of minder aan onze zielen bekend gemaakt als een God van genade; en heeft ons zo enigermate er toe gebracht om Hem te kennen, de enigen ware God en Jezus Christus Die Hij gezonden heeft; en zo het geestelijk leven meer of minder, ieder overeenkomstig zijn mate in onze zielen verwekt.
II. Maar, wanneer wij in den tekst lezen: “De Heere is God, die ons licht gegeven heeft^”, schijnt dit verbonden te zijn met het laatste gedeelte: “Bindt het feestoffer”. Daar is een verband tussen de twee delen van deze tekst: “De Heere is God, die ons licht gegeven heeft”. Hij heeft. En Hij heeft ons licht gegeven in deze weg, dat daar een binden is van het feestoffer met touwen tot aan de hoornen van het altaar. Dit is de voorname reden waarom het licht gegeven is, het voornaamste voorwerp waarop het licht geworpen, de verborgenheid die door het licht ontdekt wordt. Gelijk Mozes zich wendde om het groot gezicht van de brandende braambos, die niet verteerde, te bezien; gelijk Abraham op den berg Moria zijn ogen ophief en zag om, en ziet een ram was in de verwarde struiken vast met zijn hoornen, zo is het grote voorwerp waartoe het licht gegeven is, om het feestoffer met touwen gebonden te zien aan de hoornen van het altaar.
Welk offer is dit dan, dat gebonden is aan de hoornen van het altaar? Vooreerst betekent dit offer ongetwijfeld de Heere Jezus Christus, die Zichzelf als een zoenoffer voor de zonden van Zijn volk heeft opgeofferd; die overeenkomstig Zijn eeuwig besluit en verbondsbeloften Zichzelf als een vlekkeloos offer heeft overgegeven, opdat Hij door de offerande van Zichzelf op het kruis, voor eeuwig de zonden van de uitverkorenen zou wegdoen.
Van dit feestoffer nu wordt in de tekst gezegd dat het gebonden wordt aan de hoornen van het “altaar”. De “hoornen van het altaars” waren vier vooruitstekingen aan elke hoek van het koperen altaar, waaraan het offerdier werd vastgemaakt. De omstandigheid dat het bestemde offerdier met touwen gebonden moet worden aan de hoornen van het altaar, toont aan, dat er een tegenstand in het offerdier was om daar geofferd te worden; dat het worstelend dier met touwen aan de hoornen van het altaar gebonden werd, opdat het niet aan het mes zou ontkomen, en uit de handen van de priester ontvluchten.
1. Zo werd geestelijk het ene grote offer, de Heere van leven en heerlijkheid, de Middelaar van God en van de mensen aan de hoornen van het altaar gebonden. Daar waren zekere verbondmakingen, die Hij weliswaar vrijwillig had op Zich genomen, maar die Hem nu Hij daartoe getreden was, aan de hoornen van het altaar bonden. Zich het zaad van Abraham toe te eigenen, te lijden, te bloeden en te sterven, en zo Zichzelf als een vlekkeloos offer op te offeren aan het altijd brandende vuur van den toorn van Jehova de Vader, was een groot deel van het plechtig verbond van God de Zoon, overeenkomstig deze woorden: “Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt mij het lichaam toebereid. Toen sprak Ik: Zie Ik kom, (in het begin des boeks, het boek van het eeuwig besluit, is van mij geschreven) om Uw wil te doen, o God!” (Hebr. 10: 5, 7).
Maar daarenboven was Hij niet slechts gebonden door verbondsonderhandelingen, maar Hij was ook met de sterke, de even sterke banden van genegenheid en liefde gebonden; en door deze gebonden aan de hoornen van het altaar, gebonden om stipt te volbrengen, wat Hij op Zich had genomen, gebonden om te gaan door dat waartoe Hij overeengekomen was, gebonden om het werk te vervullen, dat Hij op Zich genomen had in de plechtige verbondsonderhandeling van den Drie-enige God.
Maar waarom werd het feestoffer gebonden? Het duidt aan dat het een weerzin, een siddering, een inwendige afkeer had, die het graag van het altaar zou drijven waaraan het door deze sterke touwen gebonden was. Zo waren er in dit grote offer van de Heere van leven en heerlijkheid, smarten te ondergaan, daar was een beker van bittere angst te drinken, daar waren de vreselijke doodsbenauwdheden onder een gevoel van de toorn van God tegen de zonde te verduren, en waardoor Hij bijna overweldigd werd, daar de afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis van Gods watergoten, en al de baren en golven van Goddelijke wraak over zijn hoofd gingen; en daarom zegt Hij: “Indien Gij wilt, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan”.
Hier was een siddering van het slachtoffer; hier werd Zijn menselijke natuur neergedrukt door het gewicht van toegerekende schuld, en alleen door de goddelijke natuur ondersteund en bewaard om niet geheel en al verpletterd en overstelpt te worden. Daar was de siddering van de natuur, terugdeinzend voor de worstelingen van de doods; daar was de zielsangst sidderend voor de toorn van de Vader; daar was de zware last van toegerekende schuld, dat het bloed Hem uit Zijn aderen perste; en al deze dingen elkaar ontmoetend en in het middelpunt rakend om het slachtoffer te maken tot dat wat het in waarheid was, een slachtoffer in elke zin van het woord. Hij was dan gebonden aan de hoornen van het altaar; gebonden door verbondsonderhandeling, gebonden door de sterke genegenheden van Zijn ziet; en toch daar gebonden als een terugdeinzend slachtoffer, dat is, die sidderingen voelend waardoor Hij tot drie maal toe deze klacht uitboezemde: “Mijn Vader! indien het mogelijk is laat deze beker van Mij voorbij gaan!” Daar was de siddering van het slachtoffer. “Doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede”.
Daar waren de touwen die Hem bonden aan de hoornen van het altaar, het onuitgebluste vuur van Gods altijd vlammende wraak tegen de zonde, en daar gebonden om dat gewicht van toorn tot het einde toe te dragen.
2. Maar daar is een andere zin die deze woorden ongedwongen hebben kunnen. Wij lezen dat “de offeranden Gods zijn een gebroken Geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten”, en daarom daar is niet alleen het binden van het grote offer, de Heere van leven en heerlijkheid, de Godmens Verlosser – daar is niet slechts het binden van Hem aan het altaar als het een grote verzoeningsoffer, het enige zoenoffer voor de zonde; maar daar is ook een tweede en ondergeschikte zin, het binden van een gebroken en verslagen geest aan de hoornen van dat altaar waaraan de Heere van leven en heerlijkheid bloedde en stierf. Nu, als dit waar is, als de offeranden Gods een gebroken geest zijn, dan is Hij alleen gebonden aan de hoornen van het altaar, van wie het hart gebroken, van wie de geest verslagen, van wie de ziel vernederd is, en die bij bevinding aan de voet van het kruis ligt. Er is geen binden van een geheel ongebroken hart aan de hoornen van het altaar; dat is geen feestoffer. Er is geen binden van een luchthartige, beuzelachtige, opgeblazen, aanmatigenden, zelfvertrouwende geest, aan de hoornen van het altaars; dat is geen feestoffer. Er is geen binden van een beschouwende kennis van de leer zoals ze in de letter is, aan de hoornen van het altaar; dat is geen feestoffer.
Er is geen binden van een verhitte verbeelding en een bedrogen hart aan de hoornen van het altaars; dat is geen feestoffer. Het hart moet eerst verbroken en de geest verslagen zijn; zij moeten neergedrukt en zacht gemaakt worden door de werking van God de Heilige Geest daarin en daarop, voor dat zij geestelijk gebonden kunnen worden aan het kruis van den Heere Jezus. Daarom wanneer u, mensen, het kruis van Christus hoort vermelden, en hoort spreken alsof zij zelf belang stellen in dat grote slachtoffer, en u bemerkt dat zij luchthartig, beuzelachtig, roemende, vermetel, hoogmoedig, geldgierig, werelds zijn, zulke mensen dragen hun eigen merkteken met zich, dat zij een leugen in hun rechterhand hebben. Zij zijn niet gebonden aan de hoornen van het altaar, omdat zij daar niet gebonden zijn als een offerande met een verbroken hart. Zij zijn daar niet gebonden door de touwen, die de Heilige Geest rondom hun ziel gelegd heeft; zij zijn slechts gebonden door het licht waarmee zij hun eigen vermetele harten omwonden hebben, door de touwen van de leer, of de banden van de belijdenis, aan dat wat zij het kruis van Christus noemen, maar wat niet meer het kruis is waaraan de Heere der heerlijkheid gedood werd, dan het geschilderde crucifix in een Roomse kapel dit is.
Maar welke touwen zijn het waardoor het offer van een gebroken hart en een verslagen geest gebonden wordt aan de hoornen van het altaar? Daar is, vooreerst, het sterke touw van behoefte. Door behoefte bedoel ik gevoelde behoefte. Ik meen geen behoefte in de weg van gevolgtrekking, maar behoefte in de weg van inwendige ondervinding. Wat verbindt een zondaar aan het kruis van Jezus? Een touw rondom zijn teer geweten en gebroken hart gelegd, is het sterke touw van behoefte, of liever, om nauwkeuriger te spreken, het geloof werkend door en met de behoefte; dat hij niet zonder het kruis kan, dat zijn geweten schuldig is en nodig heeft gezuiverd te worden door het bloed van de besprenging; dat hij verloren is en gered moet worden, dat hij ver af is en nodig heeft nabij gebracht te worden, dat bij een verloren ellendeling is, die behoefte heeft aan een openbaring van genade voor zijn sidderend hart. En daarom wordt rondom het tere geweten van een levende ziel het sterke touw van behoefte gebonden. Zoals de apostel zegt, “de nood is mij opgelegd”, zo is het kind van God de nood opgelegd, om aan het kruis vast te houden, een sterke overtuiging dat van het kruis alleen het bloed van de besprenging komt, dat “betere dingen spreekt dan het bloed van Abel”.
Maar daar is niet slechts het sterke touw van behoefte; maar daar is ook het sterke touw van genegenheid, of liever het geloof werkend door genegenheid, zoals de apostel spreekt, “het geloof door de liefde werkende”. Het wezenlijke touw is het geloof, beide in behoefte en genegenheid, maar ik noem deze touwen van behoefte en genegenheid, want deze zijn hun voorname trekken, in ondervindelijk gevoel. Waar Christus enigermate bij ondervinding gekend wordt, heeft Hij de genegenheden van het hart gewonnen; Hij heeft meer of minder bezit van de ziel genomen; Hij heeft enigermate Zichzelf bemind gemaakt als een bloedende, met de dood worstelende Zaligmaker, voor elk aan wie Hij Zich op enige wijze ontdekt heeft; en daarom het sterke touw van liefde en genegenheid is, meer of minder, krachtig gevlochten om het teer gemoed en het gebroken hart, en daardoor wordt het verbonden aan de hoornen van het altaar. Zijn naam is meer of minder “een olie die uitgestort wordt”. Daar is een dierbaarheid in Zijn bloed, daar is een schoonheid in Zijn persoon, hoewel Hij verdorven is meer dan de mensenkinderen; daar is die verborgen beminnelijkheid in Hem die de tere genegenheden van de ziel wint en aantrekt en uitdrijft; en zo bindt dit touw van de liefde, rondom het hart geslingerd, het aan de hoornen van het altaar, om het vast en stevig aan het kruis van den Heere Jezus te houden.
Maar zoals wij reeds opmerkten, de uitdrukking: “bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars”, duidt aan dat het nodig is dat het slachtoffer gebonden wordt. Waarom werd in een letterlijke zin het offer dan gebonden? Het mes zou op zijn keel gezet worden, er moest pijn uitgestaan, bloed vergoten worden, het leven zou benomen worden; en daarom werd het slachtoffer aan de hoornen van het altaar gebonden, opdat het niet zou ontkomen, opdat het niet kon ontvluchten, maar dat het op die plaats zou bloeden en sterven. Nu dit wil geestelijk en bevindelijk te kennen geven, dat daar iets is dat ons van het kruis van Jezus zou afdrijven, – dat evenals het offerdier graag zou ontkomen aan het mes dat op zijn keel gezet wordt, en beeft en siddert voor het lijden en de dood, dat er ook zo in de kinderen van God een worsteling, een siddering, een ontwijken van het lijden is dat verduurd moet worden, een poging om te ontkomen, als het mogelijk was, aan het kruis waaraan zij gehecht zullen worden. Wie zou niet graag aan overtuigingen ontkomen? Wie zou niet graag zielsangsten ontvluchten? Wie zou gewillig door beroerde wateren gaan? Wie zou willen zuchten en klagen onder een lichaam van de zonde en van de dood? Wie zou pijn voelen willen door etterbuilen die stinken en vervuild zijn vanwege hun dwaasheid? Wie zou willen dat melaatsheid op zijn gezicht uitbrak en hij voor God stond vol “wonden en striemen en etterbuilen”?
De natuur siddert er voor; het vlees verafschuwt het; het vleselijk gemoed wil niets daarvan hebben. En daarom wordt het sterke touw van behoefte rondom de ziel gelegd, opdat zij niet van het kruis mag weggaan. Beproeven wij niet gedurig, mijn vrienden, zachte en bloemrijke paden uit te vinden waarin wij zouden wandelen? Zoeken wij niet langs onderscheidene wegen aan moeite, zorg en zwarigheid te ontkomen, en proberen wij niet een gemakkelijker meer effen weg af te bakenen? Voorzeker, aanhoudend doen wij dit. Wij wensen van het kruis te ontkomen, wij zouden graag een gemakkelijker weg vinden om te bewandelen; maar de overtuiging, de schuld, de vrees, de veroordeling, dat als een zware last op het geweten ligt, bindt ons aan de hoornen van het altaar, daar wij weten dat slechts in zoverre als wij aan dat altaar verbonden zijn, wij enige kracht in onze zielen ontvangen van het offer dat eenmaal op dat altaar opgeofferd werd.
Dit is een toestand die begenadigde mensen soms voorkomt. Zij hebben een goede bevinding; zij zijn door God begunstigd met blijken van de vergeving van hun zonden; zij hebben de bewijzen van Gods liefde in hun gewetens ondervonden. Wanneer de smaak hiervan verloren gaat, en door geen nieuwe proeven wordt opgevolgd, gaan zij vaak in een zachte gemakkelijke weg. De Heere laat het een tijdlang toe dat zij in die weg wandelen, en zij behouden hun verleden vertrouwen, zij staan in hun oude ondervinding, en zo gaan zij heimelijk van het kruis af, houdend nu van de natuur in de hand wat zij eens van de genade vasthielden, in de kracht van het schepsel onderhoudend, wat alleen wezenlijk door de Geest van God in hen kan onderhouden worden. Dus het kruis verlatend, gaan zij van het kruis in geestelijke ontdekking; en staan in de letter van hun oude bevinding, niet in de zoete vernieuwingen van de Heilige Geest. Maar zo van het kruis zich verwijderend, worden zij lichtvaardig, nietig, beuzelachtig, opgeblazen, vermetel, werelds, geldgierig, hoog gevoelend.
En hoe dit? Omdat zij niet in hun zielen geoefend worden, omdat zij niet in hun gemoed beproefd en bestreden worden, omdat de zonde en schuld niet op hen drukt, en omdat de Heere hun toelaat voor een poos in een weg van hun eigen raadslag te wandelen. Maar hij, wie het God behaagt door Zijn Heilige Geest dagelijks te onderwijzen, kan nooit lang zich van het kruis verwijderen. Zijn vleselijk gemoed deinst er van terug, maar de Heere leidt hem zo in die wegen welke met het kruis van Christus verbonden zijn, dat hij bevreesd wordt, in zijn oprecht gemoed, van het kruis af te gaan, gevoelend dat in het ogenblik, dat hij het kruis uit het oog verliest, hij in schuld en veroordeling valt.
Maar verder. Hij die gebonden is aan de hoornen van het altaar moet menige opoffering doen. Hij die wil wandelen in het pad dat God voor hem heeft uitgekozen, zal veel tegenstand ontmoeten. Ongetrouwheid, ongeloof, ontevredenheid, ongeduld, de aanvallen van de Satan als een engel der duisternis, de verleidingen van de Satan als een engel des lichts, valse vrienden, heimelijke of openlijke vijanden, de vleierij van belijders, en vaak het ongenoegen van Gods kinderen, het verlies van werelds goed, de opoffering van voorspoed, – al deze dingen komen op hem aan, die wil wandelen in het nauwe en moeilijke pad dat tot het eeuwige leven leidt. Zij zijn allen met het kruis van Christus verbonden en kunnen niet ontkomen worden door hem die gebonden is aan het altaar. Daarom deinst de natuur daarvan terug.
Zij vindt de strijd te groot: zij gevoelt dat de opofferingen van zo’n soort zijn, dat zij niet kan toestemmen dat deze opofferingen behoren ondergaan te worden. Welnu, hier is de worsteling van het offer; hier is de poging aan de zijde van het kind van God, om het kruis te verlaten, de touwen te breken en te ontkomen aan die dingen, welke zo pijnlijk zijn voor vlees en bloed. Maar “bindt het feestoffer met touwen, ja zelfs tot aan de hoornen des altaars”. Het gebroken hart en de verslagen geest, het tere geweten worden gebonden met zulke sterke touwen van behoefte en soms met zulke sterke touwen van genegenheid, dat hoe tegenworstelend het vleselijk gemoed ook is, hoe de weg ook met doornen bezaaid is, hoe ook het mes op de keel schittert, de ziel is echter gebonden aan de hoornen van het altaar, en van de hoornen van het altaar kan zij niet weggaan.
3. Ook worden in de Bijbel die dingen waartoe de Geest van God de mens in staat stelt, soms offeranden genoemd. “Opdat wij mogen opofferen” lezen wij “geestelijke offeranden”, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus. De apostel zegt dat “hij van Epafroditus ontvangen had hetgeen van de broederen te Filippi gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, Gode welbehaaglijk” (Filip. 4: 18). Zo zegt hij tot de Hebreeuwse kerk: “En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid (dat is, voor de behoeften van Gods volk) niet, want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen”, (Hebr. 13: 16). Welnu dan, deze geestelijke offeranden die een mens aan God opoffert worden gebonden aan de hoornen van het altaar. Zij zijn niet welbehaaglijk in het oog van God, tenzij dat zij gebonden worden aan de hoornen van het altaar, om van dat altaar hun ontvankelijkheid te ontlenen.
Onze gebeden zijn slechts ontvankelijk bij God, als zij opgeofferd worden door het kruis van Jezus. Onze gebeden en dankzeggingen zijn slechts ontvankelijk bij God, als zij verbonden zijn met het kruis van Christus, en opklimmen tot de Vader door de zelfofferande van Zijn lieve Zoon. De instellingen van Gods huis zijn slechts ontvankelijk bij God als geestelijke offeranden, wanneer zij gebonden zijn aan de hoornen van het altaar. De beide instellingen van het Nieuwe Testament – de Doop en het Avondmaal van de Heere – zijn door de handen van God Zelf aan de hoornen van het altaar gebonden; en niemand gaat op de rechte wijze tot het een, of ontvangt op rechte wijze het ander, die niet eerst geestelijk door dezelfde hand aan de hoornen van het altaar gebonden werd.
Elke daad van mildheid, elke beker koud water in de naam van een discipel gegeven, elke gewaarwording van medegevoel en genegenheid, elk vriendelijk woord, elke medelijdende handeling, aan een broeder bewezen; deze allen zijn slechts ontvankelijk bij God als zij tot Hem opklimmen door de bemiddeling van Zijn lieve Zoon. En daarom elke opoffering van onze troost, van onze winst, van onze tijd, of van ons geld tot voordeel van Gods kinderen, is alleen een geestelijke en aangename offerande in zoverre als zij gebonden is aan de hoornen van het altaar, samengevoegd met het kruis van Jezus, en al haar smaak en geur ontlenend van haar vereniging met de wierook, die daar opgeofferd werd door de Heere van leven en heerlijkheid.
Maar, dat die offerdieren aan de hoornen van het altaar gebonden moesten worden, daaruit besluiten wij, dat zij terugdeinsden en een poging deden om daar niet op geofferd te worden. Om vleselijke gebeden op te offeren is gemakkelijk; geestelijke gebeden op te offeren is moeilijk, ja onmogelijk, tenzij God in ons werkt het willen en werken naar Zijn welbehagen. Het brood te eten en de wijn te drinken met onze mond is gemakkelijk; het vlees te eten van de Zoon van God is moeilijk, ja onmogelijk, tenzij het ons geestelijk ontdekt en bekend gemaakt, en het geloof in onze harten uitgestort wordt om Christus als ons zielverzadigend deel te ontvangen. Mee te delen tot de behoeften van Gods nooddruftige kinderen, slechts uit gevoel van medelijden, is gemakkelijk; maar hun te geven uit gevoel van liefde tot Christus, en uit een hart vol van medegevoel voor hen als leden van Christus, is moeilijk, ja onmogelijk, tenzij het de Heere behaagt dat gevoel in ons te werken.
Vriendelijk, medelijdend en teerhartig te zijn, en ingewanden van barmhartigheid te hebben voor de armen en nooddruftigen, de beproefden en bestredenen en treurigen van Gods volk, om te wenen met de wenende, en te treuren met de treurende, mag gemakkelijk zijn voor hen van wie de tranen op het gezicht van lijden licht vloeien; maar geestelijk met hen te gevoelen en hen op onze harten voor God te dragen, wanneer het gezicht van de ellende uit onze ogen verdwenen en het vuur van natuurlijk medelijden uitgedoofd is, dat is onmogelijk, uitgenomen voor zover als de Heere het in ons werkt. De mens kan vele opofferingen doen, maar tenzij hij bewerkt wordt om deze offers door touwen van genegenheid aan het kruis van Christus vast te maken, hebben al zulke offeranden geen wezenlijke waarde. Iemand kan in oprechtheid, zoals hij meent tot God naderen; en echter als hij niet door het kruis van den Heere Jezus Christus komt, als zijn offers niet gebonden zijn aan de hoornen van het altaar, dan heeft hij geen geestelijke toegang tot de Vader van alle genade en de God van alle vertroosting.
Het was de plechtige getuigenis van Jezus: “Niemand komt tot de Vader dan door Mij”. Daarom, de Vader ontvangt Zijn volk alleen, als gebonden zijnde aan de hoornen van het altaar door de eeuwige touwen van uitverkiezende liefde en verbondsbesluit; en slechts in zover worden hun woorden en werken aangenomen, als zij daar gebonden zijn door de Heilige Geest, die de touwen van genegenheid rondom hun teer gemoed en gebroken hart gelegd heeft.
Maar wij merken verder op dat de woorden: “Bindt het feestoffer met touwen aan de hoornen des altaars”, voorkomen in de vorm van een onderwijzing. Het is niet slechts een plechtige verklaring, dat het feestoffer met touwen aan de hoornen van het altaar gebonden wordt, maar het komt ook voor op de wijze van een stellig bevel. Het is in deze vorm gesteld, vooreerst om de Vader als het ware aan Zijn verbondsbesluiten te herinneren. “Bindt het feestoffer met touwen, tot aan de hoornen des altaars”. Want wij moeten bedenken dat deze Psalm geschreven werd enige eeuwen, duizend jaren tenminste, voordat de Zoon van God in het vlees verscheen, en “aan de mensen gelijk geworden was”.
Het is daarom alsof de kerk de Heilige Geest wilde herinneren, dat Hij het zoenoffer met touwen zou binden, ja, “tot aan de hoornen des altaars”; en Jezus zou bekrachtigen en ondersteunen om het werk te voleindigen, dat de Vader Hem te doen gegeven heeft. Het wordt dus gesproken als bij wijze van verzoek, dat de Heilige Geest door Zijn genadewerking in het hart, het als een offerande aan de hoornen van het altaar mocht binden, en het vast en zeker bij het kruis van de Heere Jezus bewaren. En het schijnt tot dezelfde hemelse Leraar gericht te zijn, opdat het Hem genadig behagen mocht, elk woord en werk in de naam van de Heere gesproken en gedaan, aan de hoornen van het altaar te binden, opdat het een aan God welbehaaglijke offerande mag zijn.
Daarom, als wij enig bewijs hebben dat wij van de Heere zijn, alles wat wij geestelijk zijn, en alles wat wij geestelijk hebben, is gebonden aan de hoornen van het altaar. Onze personen, als wij aangenomen voor God staan, zijn met touwen gebonden aan de hoornen van het altaar, de touwen van verkiezende liefde, de touwen van geestelijke genegenheid. Als de Heere door Zijn Heilige Geest in ons gewerkt, en onze gewetens enigermate teer voor Hem gemaakt heeft; als Hij ons enige goddelijke vrees geschonken, en onze harten tot berouw en liefde verbroken heeft en door Zijn inwendig werk, dan heeft Hij ons gebonden aan de hoornen van dit altaar. Als dit dan het geval is, als wij niet alleen door verbondsbesluit in de eeuwige raad, maar ook door geestelijke banden van persoonlijke bevinding gebonden zijn, – als wij met touwen gebonden zijn “aan de hoornen des altaars”, zullen wij iets indrinken van de Geest van Hem, die daar eerst gebonden werd.
Als Hij daar als een offerande met een verbroken hart gebonden werd, zullen ook wij daar enigermate in Zijn Geest gebonden worden. Indien Hij daar gebonden werd met kinderlijke vrees die in Zijn hart werkte, en “gebeden en smekingen tot Degene, die Hem uit de dood kon verlossen met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord is uit de vreze” (Hebr. 5: 7), dan zullen wij daar ook enigermate gebonden worden met kinderlijke vrees, die in ons hart werkt, met zuchten en jammerkreten uit onze geest oprijzend tot Hem, die ons van de eeuwigen dood verlossen kan. Daarom geen ijdel vertrouwen, geen lichtvaardigheid in hemelse dingen, geen staan in ijdele meningen; geen van deze dingen zijn bestaanbaar met een aankleven van het kruis van de Heere van leven en heerlijkheid. Waar de ziel vastgebonden is om de hoornen van het altaar met de sterke touwen, die de Heilige Geest er Zelf om gelegd heeft, daar zal nederigheid, zachtheid, eenvoudigheid en goddelijke oprechtheid zijn, daar zal een gebroken geest en een verslagen hart zijn, daar zal een komen zijn door het geloof in het koninkrijk van Christus, daar zal een liggen aan de voeten van Christus zijn, en een ernstige begeerte om onze hoofden op Zijn boezem te doen rusten.
In zo’n plaats verlangt Gods volk te zijn; zij verlangen soms zeer aan de voet van dat kruis te komen; dat aangezicht meer verdorven dan van andere mensenkinderen wensen zij te aanschouwen. Als zij daar gebonden zijn, zullen zij het bloed zien dat daar werd gestort; als zij daar gebonden zijn, zullen zij Hem zien die daar voor hen gebonden werd; als zij daar gebonden zijn, zullen zij op Zijn gedaante zien, en op Zijn gedaante ziende zullen zij enigermate Zijn geest indenken. Wij kunnen dan de godsdienst van de mensen aan dit kenmerk gemakkelijk beoordelen; niet waar zij zijn in leerstelsel, niet waar zij zijn in ijdele gevoelens, niet waar zij zijn in vermetel vertrouwen, niet waar zij zijn in hoog vliegende bespiegeling; maar waar zijn zij in gebrokenheid van hart, teerheid van geweten, verslagenheid van geest, zachtheid van de ziel, goddelijke vrees, kinderlijk ontzag en bevende eerbied? Waar is de Geest van Christus in hen zichtbaar? Waar is het beeld van een lijdende Heere op hen gedrukt? Wat heeft het altaar voor hen gedaan, of wat heeft het gezicht van het altaar in hen gedaan?
Het is inderdaad ijdel vertrouwen altijd van Christus te spreken, en niets te kennen van de Geest van Christus. Het is inderdaad ijdel spreken om te belijden het kruis van Christus te kennen, en geen terugkaatsing van Christus’ beeld in ons te hebben. Het is inderdaad de ergste misleiding te geloven, dat wij belang hebben in het bloed van het Lam, zonder te gevoelen dat het geweten niet slechts bedauwd is met het bloed, dat van alle zonde reinigt, maar week gemaakt met dat bloed, dat zacht en teer voor God doet zijn. En het is de ergste dwaasheid en hoogste vermetelheid te snoeven, alsof wij aangenomen kinderen van God waren, wanneer daar niets van het beeld van de Heere, van Wie het hart verbrijzeld was, op onze ziel gedrukt, of in ons gedrag zichtbaar is.
Bent u dan een arm hart-verbrijzeld kind van de levende God? Is daar iets van de Geest van Christus in u? Is er enige flauwe gelijkenis van Zijn zacht en heilig beeld op u gedrukt? Dan voelt u zicht met touwen aan de hoornen van het altaar gebonden. U voelt de sterke banden van behoefte, en u voelt de sterke banden van genegenheid die u daar binden. Maar met dit alles, voelt u ook dat u een tegenworstelend offer bent; dat u graag zoudt ontkomen aan de beproevingen en kwellingen, die u, als u aan de hoornen van het altaars gebonden bent, bejegenen zullen; u wilde, als het kon zijn, liever in een gemakkelijker weg gaan; of als u durfde, zoudt u graag voor zich een altaar oprichten naar de afbeelding van Damascus (2 Kon. 16: 10); en zoudt graag, zoals de Rooms Katholieken, met uw lichaam een stoffelijk houten kruis aanbidden, in plaats dat u in uw ziel de aanbiddelijke Godmens, Die daar hing en bloedde, hulde zoudt bewijzen.
U zoudt graag, als u kon, het pad van zelfverfoeiing, beproeving, kwelling, vermoeiing en aanvechting verlaten, om in de bloemrijke wei van leerstellige bespiegeling te gaan, en daar te wandelen zonder een benauwdheid in uw geweten, of een verzoeking in uw ziel. Maar de Heere heeft gezegd: “Bindt het feestoffer met touwen, tot aan de hoornen des altaars”. U bent gebonden aan de hoornen van het altaar. Van die hoornen kunt u niet ontkomen. U mag woeden, gramstorig zijn, en u verzetten tegen alle of tegen een van deze touwen, u kunt ze toch niet breken. Ja u mag in uw worstelingen, deze touwen tot op het uiterste spannen; maar zij zijn te zeker bevestigd rondom uwe teer geweten; en te onverwrikt rondom uw gebroken hart geslingerd, dan dat u ze zoudt kunnen breken. Zij zouden eerder uw hart in tweeën scheuren, dan dat u ze zoudt breken of er aan ontkomen.
En naar uw oprecht gemoed, wilt u niet anders dan met touwen aan de hoornen van het altaars gebonden zijn. In uw oprecht gemoed wenst u dat de touwen dichter worden toegehaald, en u zo nauwer en nauwer daaraan verbonden, en dat uw geweten besprengd mag worden met het bloed dat er op uitgestort is. In uw oprecht gemoed, verlangt u met een oog van het geloof het slachtoffer te zien, dat eens daar bloedend lag; en als u op Hem ziet, Zijn beeld in te drinken, en de verzachtende kracht en het weekmakend vermogen van dat gezicht te voelen.
Maar echter, zijn er zulke beproevingen, bestrijdingen en opofferingen mee verbonden, dat u in uw aanvallen van opstand of vleselijkheid, even zo graag, terug zoudt gaan, als u op andere tijden graag naderbij zoudt komen. Lage ellendelingen die wij zijn, wij zouden dikwijls liever het vlees en de wereld dienen, en onze kans voor de eeuwigheid bederven, zoals men zegt, dan beproevingen en droefenissen te verdragen als navolgers van Christus! Maar het is ons voorrecht dat wij nooit enig touw van eeuwige liefde kunnen maken of vernietigen, binden of breken, maar dat, in spijt van het schepsel, God “vervult al het welbehagen Zijner goedheid, en het werk des geloofs met kracht”
O mijn vrienden! dat de Heere ons beware voor een ijdel hoogmoedig vertrouwen. Niets is er in onze dagen meer te vrezen dan met loze kalk gepleisterd te worden, wandelende in een ijdel gezicht, rustende in de leer der genade, zonder gevoel van de kracht van deze leer in ons hart te hebben, en zich verlatend op de letter van het woord, zonder gevoel van de geest en de kracht van de waarheid in onze zielen. Dit is het bijzonder gevaar van de Calvinistische kerken; en het is, geloof ik, de bijzondere verzoeking waaraan het volk van God in de stad Londen is blootgesteld, om te leven onder een ijdele bediening, en te zitten onder zulke predikers die veel letterkennis hebben, maar weinig weten van de zalige werkingen en ootmoedige onderwijzingen van God, de Heilige Geest, in hun zielen. Christus in de letter past aan een ongeschonden hart; maar Christus in de Geest past alleen voor een verbroken hart.
Christus in de letter verdraagt zich goed met wereldsgezindheid, hoogmoed en begeerlijkheid; maar Christus door de onderwijzingen van de Heilige Geest, het hart vormende in de hoop van de heerlijkheid, kan alleen bestaan met een teer geweten en een verslagen geest. Hij zal gewis elke ziel verootmoedigen aan wie Hij zich openbaart, en Hij zal die ziel meer of minder ootmoedig houden. Hij zal haar tot het kruis brengen en haar bij het kruis bewaren; en als Hij haar dichtbij zich houdt, zal Hij meer of minder Zijn eigen beeld daarop drukken.
Wilt u dan weten of u aan de hoornen van het altaar gebonden bent? Wat weet u van deze sterke banden rondom uw ziel? Wat weet u van de dierbaarheid en zoetheid van Jezus in verborgen ogenblikken? Wat weet u van het komen tot de Vader, door de toepassing van Zijn verzoenend bloed? Wat weet u van gemeenschap en overeenstemming met de Heere van leven en heerlijkheid? Dit zijn de merktekens, om onze zielen aan te beproeven, of wij Christus hebben ontvangen, of wij Christus kennen, of Hij wezenlijk dierbaar is aan onze zielen – welke vereniging en welke gemeenschap wij als volgelingen van Hem, als gebrokenen van hart met Hem zoeken, wat wij van Hem als gekruisigd voor de zonde zoeken te kennen, of wij Zijn bloed begeren te drinken, en of wij wensen met Zijn Geest bezield te zijn, en hoe afkerig en bang wij zijn van alle kennis, en elke leer, en alle vertrouwen die niet met het kruis verbonden en ondervindelijk aan onze gewetens bekend gemaakt zijn. “God is het licht, die ons het licht gegeven heeft”. Heeft Hij ons doen zien dat wij ongelukkig, verloren, schuldig, bevlekt en vuil zijn?
“God is de Heere, Die ons licht gegeven heeft”. Heeft Hij ons het kruis doen zien? Heeft Hij in Zijn licht ons het licht doen zien om enige stralen der genade in het aangezicht van de Middelaar op te vangen? Als Hij ons iets van deze dingen getoond heeft, dan heeft Hij ons met touwen gebonden, en deze touwen heeft Hij vastgemaakt aan de hoornen van het altaar, opdat wij mogen kleven aan dit altaar als ons zoenoffer tot bevrediging, onze gerechtigheid om te rechtvaardigen (Rom. 5: 9), ons voedsel om te verzadigen, en ons voorbeeld om naar wandelen. En dan zullen wij begeren bij dit altaar te blijven, niet slechts om de vergeving van onze dodelijke en zware zonden, maar om te gevoelen en ondervindelijk gezegend te worden met het werk van de Heilige Geest, onze geest herscheppende en onze zielen vernieuwende. O, dat in al onze naderingen tot God en in al ons plechtig verkeer met Hem, in wat wij in de wereld zijn, en in wat wij in de Kerk van God zijn, wij onszelf met deze touwen van de liefde en mensenzelen aan de hoornen van het altaar gebonden mochten voelen, dat de wereld ons gekruisigd en wij aan de wereld gekruisigd mochten zijn, en hetgeen wij in het vlees leven, dat wij het mogen leven door het geloof van de Zoon van God.
En o, dat wij niet slechts in het gezicht van de altaar, maar leven bij het altaar en sterven in het gezicht van het altaar, want hij die sterft in het gezicht van het altaar, zal eenmaal verrijzen om te zijn met Hem – met de Koning in Zijn schoonheid, Die, hoewel Hij eens daar geleden heeft, nu opgestaan en verheerlijkt is. Het offer dat hier beneden met touwen aan de hoornen van het altaar gebonden wordt, en dat dus op zijn geweten van het bloed ontvangt, dat van dat altaar druipt, staat nu voor God aangenomen in de geliefden, en zal gewis opstaan met den verrezen Heere van heerlijkheid: want als wij met Hem gestorven zijn, dan zullen wij ook met Hem leven; als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; en “indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding”. Hem te zien zoals Hij is, Zijn eeuwige tegenwoordigheid te genieten en te baden in die rivier van genietingen, die aan de rechterhand van God is voor altijd, dit alles zal voortspruiten als een vruchtgevolg van zijn eeuwig leven.
Maar wat die ijdele opgeblazen belijders betreft, die leven en sterven zonder een gebroken hart aan de hoornen van dit altaar te hebben gebonden, wat zij ook mogen spreken over Christus, hoe zij ook mogen snappen en snateren over de leer van de genade, deze plechtige uitspraak zal de Rechter van alles, in die vreselijke dag wanneer zij voor Zijn troon zullen staan, doen horen: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten, Ik heb u nooit gekend.” Gij belijdt Mij te kennen, maar Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij in het eeuwig vuur. Moge de Heere in onze harten een zoet getuigenis geven, dat Hij meer of minder, ieder naar de maat van ons geloof, ons gebonden heeft met touwen aan de hoornen van het altaars, en moge Hij in onze zielen een zoete liefde en genegenheid tot dat altaar uitstorten; dat wij in het gezicht daarvan mogen leven, en in het gezicht daarvan gelukkig en in vrede mogen sterven!
Amen.
Preached on June 6th, 1841, at Zoar Chapel, London
“God is the Lord—He has showed us light—bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar.” — Psalm 118:27
It is very sweet and blessed to trace in the Old Testament believers the same experience which God the Holy Spirit works in the hearts and consciences of the believers now; and I believe there is not one gracious feeling, whether it be in the depth of spiritual distress, or whether it be in the height of spiritual enjoyment, which we cannot find, if the Lord is pleased to give us light to see it, traced out in the experience of the Old Testament believers. In fact, it cannot be otherwise. There is but one God and Father of all; there is but one Lord, one faith, one Spirit; there is but one Teacher of the Church of God; and therefore all the saints in all ages have been taught the same lessons, and instructed by the blessed Spirit in the same divine mysteries.
Now there seems to be one feature which is common to every believer in whatever stage of spiritual experience he may happen to be, and that is an absolute renunciation of self, and an absolute dependence upon the Lord to work in him to will and to do of His good pleasure. Let men talk about the wisdom of the creature, or boast of human righteousness, or human merit, or any other such vain figment of the imagination, you will never find any of the Bible saints breathing forth any other language than a complete renunciation of the creature in all its bearings, and a simple hanging and dependence upon the Lord of life and glory to manifest Himself to them, to bless them, to teach them, and to lead them into all truth. Thus the experience of the saints stamps the lie upon the whole fiction of human merit, creature wisdom, and fleshly righteousness.
Nor do I believe that any spiritual man ever came before a holy God to pour out the desires and breathings of his soul before Him, and to offer up spiritual sacrifices acceptable to Him through Jesus Christ, who came in any other frame than a complete renunciation of creature righteousness, wisdom, and strength, and a simple, sincere hanging and dependence upon God “to work in him that which is well-pleasing in His sight.” “God is the Lord, He has showed us light; bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar.”
The text sets forth two apparently unconnected things—the showing of the light and the binding of the sacrifice. What these are, and how they are connected, we shall endeavor, with God’s blessing this evening, to show.
I. THE SHOWING OF THE LIGHT. The Psalmist was clearly possessed of light, for he says, “God is the Lord, He has showed us light.” He was evidently, then, possessed of light; and this light was in him as “the light of life.” This light had shone into his heart; the rays and beams of divine truth had penetrated into his conscience. He carried about with him a light which had come from God; in this light he saw light, and in this light he discerned everything which the light manifested. Thus by this internal light he knew what was good and what was evil, what was sweet and what was bitter, what was true and what was false, what was spiritual and what was natural.
He did not say, “This light came from creature exertion, this light was the product of my own wisdom, this light was nature transmuted by some action of my own will, and thus gradually rose into existence from long and assiduous cultivation.” But he ascribes the whole of that light which he possessed unto God the Lord, as the sole author and the only giver of it. Now, if God the Lord has ever showed you and I the same light which He showed His servant of old, we carry about with us more or less of a solemn conviction that we have received this light from Him. There will, indeed, be many clouds of darkness to cover it; there will often be doubts and fears, hovering like mists and fogs over our souls, whether the light which we have received be from God or not. But in solemn moments when the Lord is pleased a little to revive His work; at times and seasons when He condescends to draw forth the affections of our hearts unto Himself, to bring us into His presence, to hide us in some measure in the hollow of His hand, and give us access unto Himself—at such moments and seasons we carry about with us, in spite of all our unbelief, in spite of all the suggestions of the enemy, in spite of all doubts, fears, and suspicions that rise from the depths of the carnal mind, in spite of all these counter-workings and underminings we carry about with us at these times a solemn conviction that we have light, and that this light we have received from God.
And why so? Because we can look back to a time when we walked in no such light, when we felt no such light, when everything spiritual and heavenly was dark to us, and we were dark to them.
1. If the Lord, then, has showed us any spiritual light, He has showed us light both with respect to Himself and with respect to ourselves. He has showed us with respect to Himself who He is; He has stamped something of Himself upon our consciences; He has brought some testimony concerning Himself into our hearts; He has discovered something of His glorious character to our souls; and brought us, under the operations of the Holy Spirit, into His presence, there to receive communications of life out of Christ’s inexhaustible fullness. Thus in this light we see and feel that we have to do with a heart-searching God; in this light we see and feel that we have to do with a sin-hating God; in this light we see and feel that we have to do with a God who will not be mocked nor trifled with; in this light, as He is pleased to reveal it to us, we see and feel that every secret of our heart, every working of our mind is open before Him.
2. And also in this light, so far as He is pleased to manifest it, we see what we are in His holy and pure eyes—a mass of sin, filth, and corruption, without help, without strength, without wisdom, without righteousness, without creature loveliness, without anything of which we can say that it is spiritually good.
3. Again, God the Lord showing us light has showed us more or less of the way of salvation through Jesus Christ. He has not only showed us what we are by nature, but He has in a measure condescended to show us what we are by grace; not merely brought into our hearts some acquaintance with Himself as a God of perfect justice, but He has also brought, more or less, into our souls some acquaintance with Him as a God of mercy; and has thus brought us in some solemn measure to know Him, the only true God, and Jesus Christ, whom He has sent; and thus to have the springing up of spiritual life more or less, each according to his measure, in our souls. II. THE BINDING OF THE SACRIFICE. But if we look at the text, “God is the Lord, He has showed us light,” it seems to be connected with the latter clause, “Bind the sacrifice.” There is a connection between the two clauses of this text. “God is the Lord, He has showed us light.” He has. And He has showed us light in this way—that there is a binding of the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar. This is the chief reason for which the light is given, the main object on which the light is cast, the hidden mystery which the light discovers. As Moses turned aside to see the great sight of a bush burning and not consumed; as Abraham on Mount Moriah lifted up his eyes and looked, and behold, a ram caught in a thicket by his horns, so the great object, to see which light is shown, is the sacrifice bound with cords to the horns of the altar.
What sacrifice is this which is bound to the horns of the altar? This sacrifice, primarily, no doubt, signifies the Lord Jesus Christ, who offered Himself as a propitiation for the sins of His people; who according to eternal decree and covenant engagements, yielded up Himself as a spotless sacrifice, that, by the offering of Himself once upon the cross, He might forever put away the sins of the elect. Now this sacrifice is said in the text to be “bound unto the horns of the altar.” The “horns of the altar “ were four prominences or projections at each corner of the bronze altar, to which the victim was attached; and the very circumstance of the intended sacrifice being bound by cords to these horns of the altar shows that there was a repugnance in the victim to be there offered; that the struggling animal was bound by cords to the horns of the altar lest it should escape the knife, and burst away from the hands of the priests.
A. The sacrifice of Christ on the cross. Thus, spiritually, the one great SACRIFICE, the Lord of life and glory, the God-man Mediator, was bound to the horns of the altar. There were certain covenant engagements, which indeed He had freely and voluntarily undertaken, but which, being once entered into, bound Him to the horns of the altar. To take upon Him the seed of Abraham, to suffer, bleed, and die, and thus offer Himself a spotless sacrifice on the ever burning coals of Jehovah the Father’s displeasure, was a great part of the solemn engagements of God the Son, according to those words, “Sacrifice and offering You would not, but a body have You prepared Me. Then said I, Lo, I come (in the volume of the book—the book of eternal decree—it is written of Me) to do Your will, O God” (Heb. 10:5-7).
But again, not only was He bound by covenant engagements, but He was bound also with the strong, the equally strong ties of affection and love; and bound by these to the horns of the altar, bound to execute to the letter what He had undertaken, bound to go through that which He had covenanted, bound to fulfill the work which He had taken upon Himself in the solemn engagements of the Three-One God.
But why was the victim bound? It implies that there was a repugnance, a shrinking, an inward horror which would gladly drive it from the altar to which it was bound by these strong cords. So, in this great sacrifice of the Lord of life and glory, there were sufferings to be undergone, there was the cup of bitter anguish to be drunk, there were the solemn pangs of agony and horror under a sense of the wrath of God against sin to be endured, and by which He was well near overwhelmed when deep called unto deep at the noise of God’s waterfalls, and all the waves and billows of divine vengeance rolled over His head; and therefore He says, “If it be Your will, let this cup pass from Me.” Here was the shrinking of the Victim; here was His human nature borne down by the load of imputed guilt, and only held up from being utterly crushed and overwhelmed, by the divine nature supporting it. There was the shuddering of nature recoiling from the agonizing death; there was the horror of soul shrinking from the wrath of the Father; there was the heavy burden of imputed guilt pressing the blood from His brow; and all these things centering and meeting together, so as to make the sacrifice to be, what it was, a sacrifice in every sense of the word.
He was bound, then, to the horns of the altar; bound by covenant engagement, bound by the strong affections of His soul; and yet bound there as a struggling sacrifice; that is, feeling those strugglings within which made Him three times groan forth the agonizing cry, “O My Father, if it be possible, let this cup pass from Me.” There was the shrinking of the victim. “Nevertheless, not as I will, but as You will.” There were the cords that bound Him to the horns of the altar, the unextinguished coals of God’s ever blazing wrath against sin, and bound there to bear that weight of wrath to the uttermost.
B. A broken and contrite spirit. But there is another sense which these words will easily bear. We read that “the sacrifices of God are a broken spirit; a broken and a contrite heart, O God, You will not despise;” and, therefore, there is not merely the binding of the great sacrifice, the Lord of life and glory, the God-man Mediator—there is not merely the binding of Him to the horns of the altar as the one great atoning sacrifice, the only propitiation for sin; but there is also, in a secondary and inferior sense, the binding of the sacrifice of the broken and contrite spirit to the horns of that altar on which the Lord of life and glory bled and died.
Now, if this is true, if “the sacrifices of God are a broken spirit,” then he alone is bound to the horns of the altar whose heart is broken, whose spirit is contrite, whose soul is humbled, and who is feelingly laid at the foot of the cross. There is no binding of a whole, ‘unbroken’ heart to the horns of the altar, that is no sacrifice. There is no binding of a light, trifling, proud, presumptuous self-confident spirit to the horns of the altar—that is no sacrifice. There is no binding of a speculative knowledge of doctrine as it stands in the letter, to the horns of the altar—that is no sacrifice. There is no binding of a heated imagination and a deluded heart to the horns of the altar—that is no sacrifice. The heart must be ‘broken’ first and made contrite; it must be laid low, meekened and softened by the operation of God the Holy Spirit in it and upon it, before it can be spiritually bound to the cross of the Lord Jesus.
Therefore, when you hear men or ministers setting forth the cross of Christ, and speaking of themselves as savingly interested in that great sacrifice, and you see them light, trifling, boasting, presumptuous, proud, covetous, worldly—such men carry with them their own stamp, that they have a lie in their right hand. They are not bound to the horns of the altar, because they are not bound there as a broken-hearted victim. They are not bound there by the cords that the Holy Spirit has wreathed round their soul; they are merely bound by the light strings which they themselves have entwined around their own presumptuous hearts, by the cords of doctrine, or the bands of profession, to what they call the cross of Christ, but which is no more the cross on which the Lord of life and glory died, than the painted crucifix of a popish chapel.
But what CORDS are these by which the sacrifice of a broken heart and a contrite spirit is bound to the horns of the altar?
1. There is, first, the strong cord of NECESSITY. By necessity I mean, felt necessity. I mean necessity in the way of inward experience. What binds a sinner to the cross of Jesus? One cord thrown round his tender conscience and broken heart, is the strong cord of necessity; or rather, to speak more correctly, faith working through and with necessity that he cannot do without the cross, that his conscience is guilty and needs to be purged with the blood of sprinkling, that he is lost and needs to be saved, that he is afar off and needs to be brought near, that he is a ruined wretch who needs a manifestation of mercy to his trembling heart. And, therefore, around the tender conscience of a living soul, the strong cord of necessity is bound. As the apostle says, “Necessity is laid upon me,” so necessity is laid upon the child of God to cleave to the cross, a strong conviction that from the cross alone comes the blood of sprinkling, which “speaks better things than the blood of Abel.”
2. But there is not only the strong cord of necessity; there is also the strong cord of AFFECTION, or rather, faith working by affection, as the apostle speaks, “faith which works by love.” The real cord is faith, both in necessity and in affection, but I call these cords the cords of necessity and affection, for these are their prominent features, as experimentally felt. Where Christ is made in any measure experimentally known, He has gained the affections of the heart; He has, more or less, taken possession of the soul; He has, in some degree, endeared Himself as a bleeding, agonizing Savior to every one to whom He has in any way discovered Himself; and, therefore, the strong tie of love and affection is more or less powerfully wreathed round the tender spirit and broken heart, and by that it is attached to the horns of the altar. His name is more or less as “ointment poured forth.” There is a preciousness in His blood, there is a beauty in His Person, though more marred than the sons of men; there is that secret loveliness in Him which wins and attracts and draws out the tender affections of the soul; and thus this cord of love twined round the heart binds it to the horns of the altar, to keep it fast and firm to the cross of the Lord Jesus.
But as remarked before, the expression “Bind the sacrifice with cords even unto the horns of the altar,” implies that the victim needed to be bound. Why was the victim bound literally? The knife was to be applied to the throat, pain was to be endured, blood was to be shed, life was to be yielded up; and, therefore, the victim naturally, literally, was bound to the horns of the altar that it might not escape—that it might not get away, but that it might bleed and die upon the spot.
Now this implies spiritually and experimentally, that there is that which would drive us from the cross of Christ—that as the victim would gladly break away from the knife held out to its throat, that as it trembled and shrank from suffering and death, so there is in the children of God a struggling, a shrinking, a flying back from the suffering which is to be endured, an endeavoring to break away, if it were possible, from the cross to which they are attached. Who would not willingly escape convictions? Who would not evade the pangs of guilt? Who would willingly wade through seas of trouble? Who would groan and sigh under a body of sin and death? Who would smart under wounds that “stench and are corrupt because of his foolishness?” Who would have the leprosy of sin break out in his forehead, and stand before God full of “wounds and bruises and putrefying sores?” Nature shrinks from it! the flesh abhors it! the carnal mind will have none of it! And, therefore, the strong cord of necessity is wreathed round the soul that it may not get away from the cross.
Are we not continually, my friends, trying to find out some smooth flowery path in which to walk? Are we not in various ways seeking to evade and escape from trouble, sorrow, and difficulty, and endeavoring to chalk out a pleasanter, easier road? Yes, continually! We want to get away from the painful cross, we would gladly find some easier path in which to walk! But conviction, guilt, fear, and condemnation lying as a heavy load upon the conscience, bind us to the horns of the altar, as knowing that only so far as we are attached to that altar, do we derive any efficacy in our souls from the sacrifice that was once offered upon that altar.
There is a case that occurs to gracious people sometimes. They have had a good experience; they have been favored with some testimony from God to the pardon of their sins; they have had some visitation of God’s love in their consciences. When the savor of this has been lost, and no fresh trials come, they often get into a smooth easy path. The Lord allows them for a while to walk in this path, and they retain their past confidence, they stand in their old experience, and thus they secretly get away from the cross, holding now in the hand of ‘nature’ what they once held in the hand of ‘grace’, maintaining in ‘creature strength’ that which can only be really maintained by the Spirit of God in them. Thus by getting away from the cross in suffering, they get away from the cross in spiritual manifestation; and stand in the letter of their old experience, not in the sweet renewings of the Holy Spirit.
But in thus getting away from the cross they become light, trifling, frivolous, proud, presumptuous, worldly, covetous, high-minded. And why? Because they are not exercised in their souls, because they are not tried and tempted in their minds, because sin and guilt is no burden to them, and because the Lord allows them for a while to walk in a way of their own devising.
But he whom God is pleased to instruct by His blessed Spirit day by day, can never long get away from the cross. His carnal nature shrinks from it, but the Lord so leads him into those paths which are connected with the cross of Christ, so that he is afraid, in his right mind, to get away from the cross, feeling that the moment he loses sight of the cross he falls into guilt and condemnation.
But further. He who is bound to the horns of the altar has many sacrifices to make. He who will walk in the path which God has chosen for him will have to meet with every opposition to his walking therein. Infidelity, unbelief, rebellion, peevishness, impatience, the assaults of Satan as an angel of darkness, the delusions of Satan as an angel of light, false friends, secret or open foes, the flattery of professors, and often the frowns of God’s children, the loss of worldly interests, the sacrifice of property—all these things are entailed upon him that will walk in the strait and narrow path that leads to eternal life. They are all connected with the cross of Christ, and cannot be escaped by him who is bound to the horns of the altar. Nature, therefore, shrinks back. It finds the struggle too great; it feels the sacrifices of such a kind that it cannot consent that those sacrifices should be undergone.
Well, here is the struggling of the victim; here is the endeavor on the part of the child of God to run away from the cross—to break the cord, and to escape from those things which are so painful to flesh and blood. But, “bind the sacrifice with cords;” yes, “even unto the horns of the altar.” The broken heart, the contrite spirit, the tender conscience, are bound with such strong cords of necessity, and, at times, with such strong cords of affection, that however repugnant it is to the carnal mind, however strewed the road may be with thorns, however the knife may glitter at the throat—the soul is still bound to the horns of the altar, and from the horns of that altar it cannot get away!
C. Spiritual sacrifices. Again, those things which the Spirit of God enables a man to do, are in Scripture sometimes called SPIRITUAL sacrifices. “That we may offer,” we read, “spiritual sacrifices acceptable to God, by Jesus Christ.” The apostle speaks of “receiving of Epaphroditus the things which were sent from the brethren at Philippi—an odor of a sweet smell; a sacrifice acceptable and well-pleasing to God;” (Philippians 4:18.) So he says to the Hebrew church—“But to do good and give, (that is, to the needs of God’s people,) do not forget; for with such sacrifices God is well pleased;” (Hebrews 13:16.) Well, then, these spiritual sacrifices which a man offers unto God are bound also to the horns of the altar.
They are not well-pleasing in the sight of God, except they are bound to the horns of the altar—so as to derive all their acceptance from the altar. Our prayers are only acceptable to God, as they are offered through the cross of Jesus. Our praises and thanksgivings are only acceptable to God, as they are connected with the cross of Christ, and ascend to the Father through the propitiation of His dear Son. The ordinances of God’s house are only acceptable to God as spiritual sacrifices when they are bound to the horns of the altar. Both the ordinances of the New Testament—Baptism, and the Lord’s Supper—have been bound by the hands of God Himself to the horns of the altar; and no one either rightly went through the one, or rightly received the other, who had not been first spiritually bound by the same hand to the horns of the altar.
Every act of liberality, every cup of cold water given in the name of a disciple, every feeling of sympathy and affection, every kind word, every compassionate action shown to a brother; all and each are only acceptable to God as they ascend to Him through the mediation of His dear Son.
And, therefore, every sacrifice of our own comfort, or of own advantage, of our own time, or of our own money, for the profit of God’s children, is only a spiritual and acceptable sacrifice, so far as it is bound to the horns of the altar—fastened on to the cross of Jesus, and deriving all its fragrance and odor from its connection with the incense there offered by the Lord of life and glory.
But, from these sacrifices being bound to the horns of the altar, we gather that there is a repugnance, a struggling, a shrinking back, in the offering of them. To offer up carnal prayers is easy; to offer up spiritual prayers is difficult—no, impossible, except so far as God works in us to will and to do of His good pleasure. To eat the bread and drink the wine with our mouth is easy; to eat the flesh of the Son of God is difficult, yes, impossible, except so far as it is spiritually revealed and made known to us, and faith is drawn out in our hearts to receive Christ as our soul-satisfying portion. To communicate to the needs of God’s children in distress, merely from feelings of pity and compassion is easy; but to give unto them from feelings of love to Christ, and from a heart full of sympathy to them as members of Christ, is difficult, yes, impossible, except so far as the Lord is pleased to work that feeling in us. To be kind and compassionate and tender-hearted, and to have affections of mercy for the poor and needy, the tried and exercised and distressed of God’s family—so as to weep with those who weep, and mourn with those who mourn—may be easy to those whose natural tears readily flow at the sight of suffering. But to sympathize with them spiritually, and bear them on our hearts before God when the spectacle of woe is removed from our eyes, and the fire of natural compassion is burnt out, is impossible, except so far as the Lord works it in us.
A man may make many sacrifices—but unless he is moved to make those sacrifices by some ties of affection to the cross of Christ, all such sacrifices fall short of any real value. A man may come before God, as he thinks ‘sincerely’; and yet, if he does not come through the cross of the Lord Jesus Christ, if his sacrifices are not bound to the horns of that altar—he has no spiritual access to the Father of mercies, and the God of all comfort. It was the solemn testimony of Jesus—“No man comes unto the Father but by Me.” Thus, the Father only accepts His people, as being bound to the horns of the altar by the eternal ties of electing love and covenant decree—and only so far accepts their words and works, as they are bound there by the Holy Spirit casting the cords of affection around their tender spirits and broken hearts.
But we may further observe that the words, “Bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar,” are spoken in the form of a precept. It is not merely a solemn declaration that the sacrifice is bound with cords to the horns of the altar, but it runs also in the way of positive injunction. It seems couched in this form, first, as though to remind, as it were, the Father of His covenant engagements. “Bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar.” For we must recollect that this Psalm was penned some centuries, a thousand years at least, before the Son of God took flesh and “was made in the likeness of men.” It seems also spoken as though the Church would remind the Holy Spirit that He should bind the great Sacrifice with cords, yes, “even unto the horns of the altar;” and strengthen and uphold Jesus in finishing the work which His Father gave Him to do.
It seems also spoken in the way of supplication, that the same blessed Spirit would by His work of grace upon the heart, bind it as a sacrifice to the horns of the altar, and keep it fast and firm by the cross of the Lord Jesus. And it seems addressed to the same heavenly Teacher, that He would graciously condescend to bind every word and work spoken and done in the name of the Lord to the horns of the altar, that it might be a sacrifice acceptable and well-pleasing to God.
Therefore, if we have any evidence that we are the Lord’s, all that we spiritually are, and all that we spiritually have, is bound to the horns of the altar. Our persons, if we stand accepted before God, are bound with cords, the cords of electing love, and the cords of strong necessity, and the cords of spiritual affection to the horns of the altar. If the Lord has wrought upon us by the blessed Spirit, and made our consciences in some measure tender before Him; if He has given us anything like meekness, and humility, and godly fear; and broken our heart into any contrition and love—by this internal work He has bound us with cords to the horns of this altar.
Then if this be the case, if we are bound, not only by covenant engagements in the councils of eternity, but also by spiritual ties in personal experience—if we are bound with cords “even unto the horns of the altar,” we shall drink a little into the spirit of Him who was first bound there. If He was bound there as a broken-hearted victim, we shall be bound there with a measure of His spirit. If He was bound there with filial fear working in His heart, and “offered up prayers and supplications with strong crying and tears unto Him who was able to save Him from death, and was heard because He feared” (Heb. 5:7), we shall be bound there also in some measure with filial fear working in our hearts, with sighs and cries springing up out of our spirit unto Him who is able to save us from death eternal.
Therefore there is no presumptuous confidence, no lightness in heavenly things, no towering aloft in head knowledge and ‘vain notions’—none of these things are consistent with cleaving to the cross of the Lord of life and glory. Where the soul is firmly bound to the horns of the altar with the strong cords which the Holy Spirit Himself has wreathed, there will be humility, there will be meekness, there will be simplicity and godly sincerity, there will be brokenness of spirit and contrition of heart, there will be an entrance by faith into the kingdom of Christ, there will be a lying at the feet of Christ, and there will be an earnest desire to rest our heads upon His bosom.
In such a spot God’s people long to be; to the foot of that cross they, at times, intensely desire to come; on that face, more marred than the sons of men, they desire to look. If they are bound there, they will see the blood which there was shed; if they are bound there, they will see Him who was bound there before them; if they are bound there, they will look up in His countenance, and as they look upon His countenance, they will in a measure drink into His spirit.
We may easily measure men’s religion, then, by this test—not where they are in doctrine, not where they are in ‘empty notions’, not where they are in presumptuous confidence, not where they are in towering speculation. But where they are in brokenness of heart, tenderness of conscience, contrition of spirit, meekness of soul, godly fear, filial awe, and trembling reverence. Where is the mind of Christ visible in them? Where is the image of a suffering Lord stamped upon them? What has the altar done for them, or what has a sight of the altar done in them?
It is indeed vain confidence to be always talking about Christ, and to know nothing of the Spirit of Christ. It is indeed vain talking to profess to know the cross of Christ, and never have any reflection of Christ’s image in us. It is indeed the worst delusion to believe ourselves savingly interested in the blood of the Lamb, without feeling the conscience not merely ‘bedewed’ with that blood as cleansing it from all sin, but ‘softened’ with that blood so as to be made meek and tender before God. And it is the worst of folly and the height of presumption to boast of ourselves as accepted children of God, when there is nothing of the image of a broken-hearted Lord stamped upon our soul, or visible in our demeanor.
Are you, then, a poor broken-hearted child of the living God? Is there any measure of the Spirit of Christ in you? Is there any faint resemblance of His meekness and holy image stamped upon you? Then you feel yourselves bound with cords to the horns of the altar. You feel the strong ties of necessity, and you feel the strong ties of affection binding you there. But with this you feel also that you are a struggling victim; that you would gladly escape the troubles and trials that being bound to the horns of the altar brings upon you; you would gladly get into an easier path if you could. Or if you dared, would willingly set up yourselves some altar made after the pattern of Damascus (2 Kings 16:10); and would gladly, like the Roman Catholic, worship with your body a material cross, instead of worshiping in your soul the adorable God-man who hung and bled there. You would gladly, if you could, step out of a self-loathing, tried, harassed, and tempted path, to get into the flowery meadow of ‘doctrine and speculation’, and there walk at ease without one pang in your conscience or one trial in your soul.
But the Lord has said, “Bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar!” You are bound to the horns of the altar! From those horns you cannot escape! You may fume, fret, and rebel against all or any of these cords, but you cannot break them. Yes, you may, in your strugglings, stretch to their utmost extent these cords; but they are too firmly fastened round your tender conscience, and too strongly wreathed round your broken heart for you to burst them. They would sooner cut your heart in two than you should break them, or escape from them. And in your right mind, you would not be otherwise than bound with cords to the horns of this altar. In your right mind, you want the cords tightened, and so to be drawn nearer and nearer unto it, and to have the blood that was shed upon it sprinkled upon your conscience. In your right mind, you want to see with the eye of faith the Victim that once lay bleeding and writhing there—and as you look upon Him, to drink into His image, and to feel the melting power and softening efficacy of that sight!
But then, connected with it, there are such trials, such temptations, and such sacrifices, that you, in your fits of rebellion or ‘flesh-pleasing ease’ would at times as gladly get away from—as at others times you would gladly get near. Vile wretches that we are, who would often prefer to serve the flesh and the world, and take our chance, as men speak, for eternity—than suffer trials and temptations as the followers of Christ! But it is our mercy that we can neither make nor unmake, do or undo, bind nor break any one cord of eternal love! But that, in spite of ‘the creature’ God will “fulfill all the good pleasure of His goodness, and the work of faith with power.”
O, friends, may the Lord keep us from a vain presumptuous confidence. If there is one thing more to be dreaded in this day than another, it is being ‘plastered over with untempered mortar’, walking in a vain show, resting in the doctrines of grace without feeling the power of those doctrines in our heart, and trusting in the letter of the Word without feeling the spirit and power of truth in our souls. It is the peculiar danger of the Calvinistic churches; and is, I believe, the peculiar temptation to which the children of God are exposed in this metropolis, to get under a presumptuous ministry, and sit under those preachers who are high in the letter, but know little of the savory operations and humbling teachings of God the Holy Spirit in their souls.
Christ in the letter will suit a ‘whole heart’. But Christ in the Spirit can only suit a ‘broken heart’. Christ ‘in the letter’ will stand very well with worldliness, pride, and covetousness. But Christ in the teachings of the Holy Spirit, formed in the heart the hope of glory, can only stand in a tender conscience and a contrite spirit. He will most surely humble every soul to whom He manifests Himself, and He will keep that soul more or less humble. He will bring it to the cross, and keep it at the cross—and as He keeps it near to Himself, He will stamp more or less of His own image upon it.
Would you know, then, whether you are bound to the horns of the altar? What know you of these strong ties wreathed round your soul? Do you know anything of the preciousness and sweetness of Jesus in secret moments? Do you know anything of coming to the Father through the application of His atoning blood? Do you know anything of communion and sympathy with the Lord of life and glory? These are the marks to test our souls by, whether we have received Christ, whether we know Christ, whether He is really precious to our souls. What communion are we are seeking with Him, as His broken-hearted followers? What do we seek to know of Him as crucified for our sins? How much do we desire to drink into His image—and how much do we desire to be impressed with His Spirit—and how much do we abhor and shrink from all knowledge and all doctrine and all confidence that is not connected with the cross as made experimentally and feelingly known to our consciences?
“God is the Lord, He has showed us light.” Has He showed us this light—that we are ruined, lost, guilty, polluted, filthy, and undone? “God is the Lord, He has showed us light.” Has He shown us the cross? Has He shown us light in His light so as to catch any glimpse of mercy in the face of the Mediator? Then if He has shown us any of these things, He has bound us with cords, and these cords He has attached to the horns of the altar—that we may cleave to this altar as our propitiation to atone, our righteousness to justify (Rom. 5:9), our food to satisfy, and our pattern to walk by! And then we shall desire to abide by this altar, not merely for the pardon of our deep-dyed and aggravated sins, but also there to feel and be experimentally blessed with the work of the Holy Spirit—in renewing our spirits and reviving our souls.
O that in all our approaches unto God—and in all our solemn dealings with Him—in what we are in the world—and in what we are in the Church of God—we might feel ourselves thus bound with these cords of love and bands of a man to the horns of the altar—that the world may be crucified unto us and we unto the world, and the life we live in the flesh may be a life of faith in the Son of God. And O that we may not only live by the altar and in sight of the altar, but also die in the sight of the altar—for he who dies in sight of the altar will rise one day to be with Him—with the King in His beauty, who though He once suffered there, is now risen and glorified.
The sacrifice that is bound with cords to the altar below, and thus receives of the blood that falls upon his conscience from that altar, now stands before God accepted in the Beloved, and will surely rise with the risen Lord of life and glory; “for if we died with Him, we shall also live with Him; if we suffer with Him, we shall also reign with Him;” and “if we have been planted together in the likeness of His death, we shall be also in the likeness of His resurrection.” Yes, all such shall rise into a fruition of His eternal life, to see Him as He is—to enjoy His eternal presence—and to bathe in that river of pleasures which is at the right hand of God for evermore!
But to those vain presumptuous professors who live and die without having a broken heart bound with cords to the horns of this altar, whatever they may talk about Christ, however they may prate and chatter about the doctrines of grace, this solemn sentence will drop from the judge of all, in that awful day when they stand before His throne—“Depart from Me, you cursed ones—I never knew you. You professed to know Me—but I never knew you! Depart from Me, you cursed ones, into everlasting fire!”
May the Lord raise up in our hearts a sweet testimony that He has more or less, each according to the measure of our faith, bound us with cords to the horns of the altar, and may He shed abroad in our souls a sweet love and affection to that altar—that in the sight of it we may live, and in the sight of it we may happily and peacefully die.