
Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien.
Jesaja 6:5
God heeft Zijn Sion laten beschrijven als „vol wonden, striemen en etterbuilen”. Toen de kerk Gods in Adam viel, viel zij dermate, dat zij al haar benen brak, benevens dat in die val haar vlees van het hoofd tot de voeten overdekt werd met wonden, die tot verzweringen overgingen. Haar verstand, haar consciëntie en haar genegenheden werden vreselijk verminkt. Haar verstand werd verduisterd, haar consciëntie gevoelloos, en haar genegenheden werden vervreemd van God. Iedere eigenschap der ziel werd dus bedorven en verkeerd.
Gelijk bij een schip dat schipbreuk lijdt het water door elk lek naar binnen stroomt, zo was het eveneens toen Adam strandde op lager wal van de zonde en de verzoeking, en schipbreuk leed van het beeld Gods, waarnaar hij geschapen was. De zonde brak door in alle vermogens van ziel en lichaam, ja, drong door tot de binnenste schuilhoeken van zijn wezen. Of, om een ander zinnebeeld te gebruiken: gelijk wanneer iemand gebeten wordt door een vergiftige slang en het vergif door iedere ader heenloopt en hem van het hoofd tot de voeten vergiftigt, zo was het met Adam. De vergiftige slangenbeet der zonde drong tot in het binnenste zijner ziel en tastte ook zijn lichaam aan, en vergiftigde hem zo van top tot teen.
Maar de vreselijke verwoesting die de zonde veroorzaakt, wordt nooit gezien noch gevoeld, totdat de ziel geestelijk leven wordt ingestort. Ach, wat een arbeid veroorzaakt dan de zonde in de consciëntie, als zij door de Geest Gods belicht wordt! Welke oppervlakkige of kleine gedachten wij ook tevoren van de zonde mogen gehad hebben, alleen wanneer haar gevaarlijk en boosaardig karakter door de Heilige Geest in het daglicht wordt gesteld, dan wordt zij recht gezien en gevoeld; men smart en rouwklaagt erover. Het is het zwaard des Geestes dat snijdt en doorwondt. Het is dit komen tot het leven en het licht dat de consciëntie een diepe wonde toebrengt; het is dit Goddelijk werk dat het hart verscheurt en deze diepe wonden veroorzaakt, die niet dan door de balsem in Gilead kunnen genezen worden.
En niet alleen wordt de arme, overtuigde zondaar in zijn consciëntie inwendig door de zonde gewond en verscheurd, wanneer zij door de Geest van God ontdekt wordt, maar, zoals de profeet zich uitdrukt: „Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.” Hij arbeidt dan onder een samenweefsel van ongerechtigheden. Elk woord, iedere gedachte en handeling is bezoedeld door de zonde. Elk zijner geestvermogens is bedorven. De wil verkiest het kwade, de genegenheden kleven aan aardse dingen; de memorie is als een gebroken zeef: ze behoudt het kwade en laat het goede vallen. Het oordeel is als een omgekochte of dronken rechter: het spreekt een onbezonnen of verkeerd oordeel uit; en de consciëntie is als een opiumschuiver: zij slaapt en sluimert een gevoelloze slaap.
Deze ellendige staat is door de val op en in ons gekomen, en elk der kinderen Gods moet er in zekere mate iets van kennen. Het heeft geen nut de zaak te verbloemen door te zeggen dat iemand door de genade Gods en het bloed van Christus kan behouden worden, zonder iets te kennen van de diepe ellende en ongerechtigheid waarin hij door de val gekomen is. Wij moeten in de diepte van de val afsteken om ons hart te leren kennen en waartoe wij in staat zijn. Wij hebben nodig dat het scherpe mes des Heeren diep in onze consciënties ingaat en het kwaad blootlegt dat zo diep in ons vleselijk gemoed besloten ligt, vóór wij iets kunnen ervaren van de schoonheid en de zegen der zaligheid door genade.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls schrikt u van wat u in uw eigen hart ontdekt: een wil die het kwade verkiest, genegenheden die aan aardse dingen kleven, een geheugen als een gebroken zeef dat het kwade bewaart en het goede laat vallen! Misschien dacht u vroeger licht over de zonde, en nu kunt u er niet meer overheen kijken. Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.
Het is bitter om zo in de diepte van de val af te steken. Maar weet dat een dode ziel dit niet voelt. Het is het zwaard des Geestes dat zo snijdt, en Hij wondt niet om te doden, maar om de weg te banen voor de balsem in Gilead. Wie met de profeet moet zeggen: „Wee mij, want ik verga”, heeft iets van de Koning, de Heere der heirscharen, gezien. Die u zo ontdekt, kan u ook doen ervaren wat de schoonheid en de zegen van de zaligheid door genade is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien.
Jesaja 6:5
God heeft Zijn Sion laten beschrijven als „vol wonden, striemen en etterbuilen”. Toen de kerk van God in Adam viel, viel zij zo zwaar dat zij al haar botten brak, en daarbij werd in die val haar vlees van het hoofd tot de voeten bedekt met wonden die gingen zweren. Haar verstand, haar geweten en haar genegenheden werden vreselijk verminkt. Haar verstand werd verduisterd, haar geweten gevoelloos, en haar genegenheden raakten vervreemd van God. Zo werd iedere eigenschap van de ziel bedorven en verkeerd.
Zoals bij een schip dat schipbreuk lijdt het water door elk lek naar binnen stroomt, zo ging het ook toen Adam op de klippen van de zonde en de verzoeking liep en schipbreuk leed aan het beeld van God, waarnaar hij geschapen was. De zonde brak door in alle vermogens van ziel en lichaam, ja, drong door tot de binnenste schuilhoeken van zijn wezen. Of, om een ander beeld te gebruiken: zoals wanneer iemand gebeten wordt door een giftige slang en het gif door iedere ader stroomt en hem van het hoofd tot de voeten vergiftigt, zo was het met Adam. De giftige slangenbeet van de zonde drong door tot in het binnenste van zijn ziel en tastte ook zijn lichaam aan, en vergiftigde hem zo van top tot teen.
Maar de vreselijke verwoesting die de zonde aanricht, wordt nooit gezien noch gevoeld totdat er geestelijk leven in de ziel wordt ingestort. Ach, wat een strijd veroorzaakt de zonde dan in het geweten, wanneer zij door de Geest van God wordt belicht! Hoe oppervlakkig of gering wij eerder ook over de zonde mogen hebben gedacht, pas wanneer haar gevaarlijke en boosaardige karakter door de Heilige Geest aan het licht wordt gebracht, wordt zij recht gezien en gevoeld, en men treurt en klaagt erover. Het is het zwaard van de Geest dat snijdt en verwondt. Het is dit komen tot leven en licht dat het geweten een diepe wond toebrengt; het is dit Goddelijke werk dat het hart verscheurt en deze diepe wonden veroorzaakt, die door niets anders dan de balsem in Gilead kunnen worden genezen.
En de arme, overtuigde zondaar wordt niet alleen in zijn geweten innerlijk door de zonde gewond en verscheurd wanneer die door de Geest van God wordt ontdekt, maar, zoals de profeet het zegt: „Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.” Hij gaat dan gebukt onder een weefsel van ongerechtigheden. Elk woord, elke gedachte en elke daad is door de zonde bezoedeld. Elk van zijn geestelijke vermogens is bedorven. De wil kiest het kwade, de genegenheden kleven aan aardse dingen. Het geheugen is als een kapotte zeef: het houdt het kwade vast en laat het goede vallen. Het oordeel is als een omgekochte of dronken rechter: het spreekt een onbezonnen of verkeerd oordeel uit. En het geweten is als een opiumschuiver: het slaapt en sluimert een gevoelloze slaap.
Deze ellendige staat is door de val over ons en in ons gekomen, en ieder kind van God moet er in zekere mate iets van kennen. Het heeft geen zin de zaak te verbloemen door te zeggen dat iemand door de genade van God en het bloed van Christus behouden kan worden zonder iets te kennen van de diepe ellende en ongerechtigheid waarin hij door de val is gekomen. Wij moeten afdalen in de diepte van de val om ons hart te leren kennen, en waartoe wij in staat zijn. Wij hebben nodig dat het scherpe mes van de Heere diep in ons geweten snijdt en het kwaad blootlegt dat zo diep in ons vleselijke gemoed besloten ligt, voordat wij iets kunnen ervaren van de schoonheid en de zegen van de zaligheid door genade.
Aan de lezer…
Hoe vaak schrikt u van wat u in uw eigen hart ontdekt: een wil die het kwade kiest, genegenheden die aan aardse dingen kleven, een geheugen als een kapotte zeef dat het kwade vasthoudt en het goede laat vallen! Misschien dacht u vroeger licht over de zonde, en nu kunt u er niet meer overheen kijken. Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.
Het is bitter om zo af te dalen in de diepte van de val. Maar weet dat een dode ziel dit niet voelt. Het is het zwaard van de Geest dat zo snijdt, en Hij verwondt niet om te doden, maar om de weg te banen voor de balsem in Gilead. Wie met de profeet moet zeggen: „Wee mij, want ik verga”, heeft iets van de Koning, de Heere der heirscharen, gezien. Hij Die u zo ontdekt, kan u ook laten ervaren wat de schoonheid en de zegen van de zaligheid door genade is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Then said I, Woe is me! for I am undone; because I am a man of unclean lips, and I dwell in the midst of a people of unclean lips: for mine eyes have seen the King, the Lord of hosts.”
Isaiah 6:5
God has described His Zion as “full of wounds, and bruises, and putrefying sores.” When the Church of God fell in Adam, she fell with a crash which broke every bone and bruised her flesh with wounds which are ulcerated from top to toe. Her understanding, her conscience, and her affections were all fearfully maimed. Her understanding was blinded; her conscience stupified, and her affections alienated. Every mental faculty thus became perverted and distorted.
As in a ship-wrecked vessel the water runs in through every leak, so when Adam fell upon the lee-shore of sin and temptation, and made shipwreck of the image of God in which he was created, sin rushed into every faculty of body and soul, and penetrated into the inmost recesses of his being.
Or to use another figure; as when a man is bitten by a poisonous serpent, the venom courses through every artery and vein, and he dies a corrupted mass from head to foot, so did the poison fang of sin penetrate into Adam’s inmost soul and body, and infect him with its venom from the sole to the crown.
But the fearful havoc which sin has made is never seen nor felt until the soul is quickened into spiritual life. Oh, what work does sin then make in the conscience, when it is opened up by the Spirit of God! Whatever superficial or shallow views we may have had of sin before, it is only as its desperate and malignant character is opened up by the Holy Spirit that it is really seen, felt, grieved under, and mourned over as indeed a most dreadful and fearful reality. It is this sword of the Spirit which cuts and wounds; it is this entrance of life and light that gashes the conscience; it is this divine work which lacerates the heart and inflicts those deep wounds which nothing but the “balm in Gilead” can heal.
And not only is a poor convinced sinner cut in his conscience, inwardly lacerated and gashed by sin as thus opened up by the Spirit of God, but, as the prophet speaks, “the whole head is sick, and the whole heart faint.” He is thus laboring under a complication of diseases. Every thought, word, and action is polluted by sin. Every mental faculty is depraved. The will chooses evil; the affections cleave to earthly things; the memory, like a broken sieve, retains the bad and lets fall the good; the judgment, like a bribed or drunken juryman, pronounces heedless or wrong decisions; and the conscience, like an opium-eater, lies asleep and drugged in stupified silence.
This miserable state, brought upon us and into us by the fall, all the people of God must in some measure feel. It is of no use mincing the matter and saying that a person can be saved by the grace of God and the blood of Christ, without knowing anything of the depth of misery and wretchedness into which he is sunk as the fallen child of a fallen father. We must go down into the depths of the fall to know what our hearts are and what they are capable of; we must have the keen knife of God to cut deep gashes in our conscience and lay bare the evil that lies so deeply imbedded in our carnal mind, before we can enter into and experience the beauty and blessedness of salvation by grace.
To the reader…
How often are you startled by what you discover in your own heart: a will that chooses evil, affections that cleave to earthly things, a memory like a broken sieve that keeps the bad and lets the good fall through! Perhaps you once thought lightly of sin, and now you can no longer look past it. The whole head is sick, and the whole heart faint.
It is bitter to go down like this into the depths of the fall. But know that a dead soul does not feel this. It is the sword of the Spirit that cuts in this way, and He does not wound in order to kill, but to prepare the way for the balm in Gilead. Whoever must say with the prophet, “Woe is me! for I am undone,” has seen something of the King, the Lord of hosts. He Who shows you to yourself in this way can also let you experience the beauty and blessedness of salvation by grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Entonces dije: ¡Ay de mí! que soy muerto; que siendo hombre inmundo de labios, y habitando en medio de pueblo que tiene inmundos labios, han visto mis ojos al Rey, Jehová de los ejércitos.
Isaías 6:5
Dios ha descrito a Su Sion como llena de “herida, hinchazón y podrida llaga”. Cuando la Iglesia de Dios cayó en Adán, cayó con un golpe que le quebró todos los huesos y magulló su carne con heridas que están ulceradas de pies a cabeza. Su entendimiento, su conciencia y sus afectos quedaron todos terriblemente mutilados. Su entendimiento fue cegado; su conciencia, entorpecida; y sus afectos, enajenados. Toda facultad mental quedó así pervertida y torcida.
Así como en un barco naufragado el agua entra por cada vía de agua, así, cuando Adán cayó sobre la costa a sotavento del pecado y la tentación, e hizo naufragar la imagen de Dios en la que fue creado, el pecado se precipitó en cada facultad del cuerpo y del alma, y penetró en los rincones más íntimos de su ser.
O, para usar otra figura: así como, cuando un hombre es mordido por una serpiente venenosa, el veneno corre por cada arteria y vena, y muere hecho una masa corrompida de pies a cabeza, así el colmillo venenoso del pecado penetró en lo más íntimo del alma y del cuerpo de Adán, y lo infectó con su veneno desde la planta del pie hasta la coronilla.
Pero el terrible estrago que el pecado ha hecho nunca se ve ni se siente hasta que el alma es vivificada a la vida espiritual. ¡Oh, qué obra hace entonces el pecado en la conciencia, cuando es puesto al descubierto por el Espíritu de Dios! Por superficiales o ligeras que hayan sido nuestras ideas del pecado antes, solo cuando su carácter desesperado y maligno es descubierto por el Espíritu Santo es realmente visto, sentido, sufrido y llorado como una realidad verdaderamente espantosa y terrible. Es esta espada del Espíritu la que corta y hiere; es esta entrada de vida y luz la que abre tajos en la conciencia; es esta obra divina la que lacera el corazón e inflige aquellas heridas profundas que nada sino el “bálsamo en Galaad” puede sanar.
Y no solo es cortado en su conciencia un pobre pecador convencido, lacerado y herido interiormente por el pecado así descubierto por el Espíritu de Dios, sino que, como dice el profeta, “toda cabeza está enferma, y todo corazón doliente”. Así está padeciendo una complicación de enfermedades. Todo pensamiento, palabra y acción está contaminado por el pecado. Toda facultad mental está depravada. La voluntad escoge el mal; los afectos se apegan a las cosas terrenales; la memoria, como un cedazo roto, retiene lo malo y deja caer lo bueno; el juicio, como un jurado sobornado o ebrio, pronuncia decisiones descuidadas o equivocadas; y la conciencia, como un comedor de opio, yace dormida y drogada en un silencio entorpecido.
Este estado miserable, traído sobre nosotros y dentro de nosotros por la caída, todo el pueblo de Dios ha de sentirlo en alguna medida. De nada sirve suavizar el asunto y decir que una persona puede ser salva por la gracia de Dios y la sangre de Cristo sin saber nada de la profundidad de miseria y desdicha en la que está hundida como hijo caído de un padre caído. Tenemos que descender a las profundidades de la caída para saber lo que es nuestro corazón y de lo que es capaz; tenemos que tener el cuchillo afilado de Dios para que abra hondos tajos en nuestra conciencia y ponga al descubierto el mal que yace tan profundamente arraigado en nuestra mente carnal, antes de poder entrar en la hermosura y bienaventuranza de la salvación por gracia y experimentarla.
Al lector…
¡Cuántas veces se sobresalta usted por lo que descubre en su propio corazón: una voluntad que escoge el mal, afectos que se apegan a las cosas terrenales, una memoria como un cedazo roto que retiene lo malo y deja caer lo bueno! Quizá antes pensaba a la ligera del pecado, y ahora ya no puede pasarlo por alto. Toda cabeza está enferma, y todo corazón doliente.
Es amargo descender así a las profundidades de la caída. Pero sepa que un alma muerta no siente esto. Es la espada del Espíritu la que corta de esta manera, y Él no hiere para matar, sino para preparar el camino al bálsamo en Galaad. Quien tiene que decir con el profeta: “¡Ay de mí! que soy muerto”, ha visto algo del Rey, Jehová de los ejércitos. Aquel que le muestra a usted a sí mismo de esta manera puede también hacerle experimentar la hermosura y bienaventuranza de la salvación por gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk