Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · vandaag
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Door Baca’s Vallei

Vandaag
21 november Door Baca’s vallei

En stel mij niet tot een smaad der dwazen.
Psalm 39:8

Wie zijn deze dwazen? Ik geloof dat het beste antwoord hierop door de Heere Zelf gegeven is in de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. De dwazen waren zij die olie in hun lampen hadden, maar niet in hun vaten. Onder de dwazen in de tekst kunnen wij daarom hen verstaan die het licht van kennis in hun hoofd hebben en de lamp van de belijdenis in hun hand, maar geen olie van genade in hun hart. Zij zijn dwaas, omdat zij noch God, noch zichzelf kennen, noch zonde, noch zaligheid, noch de diepte van de val, noch de grootheid van het geneesmiddel.

Zij zijn dwaas met betrekking tot zichzelf, omdat zij geloven dat licht en kennis hen zonder leven en genade zullen behouden. En zij zijn dwaas met betrekking tot anderen, omdat het hun ontbreekt aan een bevindelijke kennis van het hart. Daarom weten zij niets van de verzoekingen van een kind van God: hoe het van alle kanten benauwd wordt, hoe satan het bedreigt of verlokt, hoe zijn eigen hart hem tot het kwaad aanzet en hoe er van alle kanten strikken voor zijn voeten worden gespannen. De dwazen weten niets van deze beproevingen. Zij zijn Farizeeën, die de buitenkant van de drinkbeker reinigen, die de graven witten en versieren, terwijl zij vanbinnen vol doodsbeenderen en onreinheid zijn.

David wist heel goed, en ieder kind van God weet het evengoed, dat wanneer hij werd toegelaten uit te glijden of iets te zeggen of te doen wat niet bepaald stichtelijk was, juist zij hem dat als eersten zouden verwijten. De dwaas kan en wil niets door de vingers zien, zelfs niet de kleinste misstap van tong of voet, want hij is zelf onbekend met de zwakheid van het vlees, met de sluwheid van satan, met de kracht van de zonde en van de verzoeking. Als hij zou struikelen of vallen, zou de dwaas hem zonder twijfel met de vinger nawijzen.

Wanneer hij dan deze smeking opzendt, mogen wij wel aannemen dat hij wil zeggen: „Heere, welke verzoekingen ik ook zal moeten doormaken, welke strikken van satan of welke begeerten van het vlees mij ook van voren en van achteren mogen belagen, o, bewaar mij, bewaar mij, dat ik niet word tot een smaad der dwazen; dat zij niets zouden kunnen vinden waar zij de hand op kunnen leggen, waardoor zij mij tot een spotrede zouden maken en Uw Naam en zaak en waarheid daarom gelasterd zouden worden.”

Aan de lezer…

Kent u, waarde lezer, die vrees die David hier uitspreekt? U weet hoe u van alle kanten benauwd wordt, hoe uw eigen hart u tot het kwaad aanzet en hoe er strikken voor uw voeten gespannen liggen. En u weet ook dat er ogen zijn die op uw struikelen wachten, ogen van hen die zelf de zwakheid van het vlees en de kracht van de zonde niet kennen. Zij zien niets door de vingers; één misstap van tong of voet, en zij wijzen u na.

Laat dat u niet tot wanhoop drijven, maar tot het gebed. Zo smeekte David: „Bewaar mij, bewaar mij.” U kunt uzelf niet staande houden, maar de Heere kan het wel. En is uw zorg niet in de eerste plaats uw eigen naam, maar dat Zijn Naam en zaak en waarheid niet gelasterd worden, dan is dat een teken dat er olie van genade in uw hart is, en niet alleen licht in uw hoofd. Roep dan tot Hem; Hij hoort zo’n bede.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk