
Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
Psalm 17:5
Zonder twijfelachtig of bijgelovig stil te staan bij dagen en maanden en jaren, zijn er over het algemeen weinigen onder ons die een zo gewichtig tijdstip als het opdoemen van een ander jaar op ons levenspad laten voorbijgaan zonder enige erkentenis aan God of aan de mensen. Wanneer wij op de eerste morgen van het jaar onze ogen openen, dan zeggen wij doodgewoon: „Het is vandaag Nieuwjaarsdag.” Maar dit behoorde niet de enige opmerking te zijn die wij maken over het nieuw aangevangen jaar, waarvan wij immers het einde niet bespieden kunnen. Wanneer wij onze knieën buigen voor de troon der genade, brengen wij daarbij onze dankbare erkentenis voor de weldaden ons het achterliggend jaar geschonken, beide in de voorzienigheid en in genade, en zenden ernstige gebeden op om bijzondere weldaden te mogen ervaren en genieten in het aangevangen jaar. De laatste avondstond van het achterliggend jaar getuigden onze belijdenissen van de vele, vele zware zonden, omzwervingen, afwijkingen en verlatingen van de levende God gedurende het vervlogen jaar; deze morgen daarentegen getuigen onze smeekbeden om genade te mogen ontvangen, dat onze gangen mochten gehouden worden in Zijn sporen, opdat onze voetstappen niet zouden wankelen.
Tranen zijn het meest gepast bij de begrafenis van de doden, hopen en wensen bij de geboorte van de levenden. Het afgelopen jaar was als de verscheiden vader, afgetakeld door ouderdom en zwakte; het nieuwe jaar is het pasgeboren kind in de armen van de lachende baker. De eerste dag van het aangevangen jaar verschilt in uitwendig voorkomen maar weinig van de laatste van vorig jaar, de laatste van de voorgaande dagen. Het is nog midden in de winter. Maar het peinzend, biddend gemoed neemt maar weinig notitie van winterluchten. Het ontwaart dat het oude, versleten jaar in zijn graf is neergezonken, met al zijn beproevingen en verdrukkingen, en dat een nieuw jaar in zijn plaats gekomen is, met zijn nieuwe verwachtingen en nieuwe weldaden; en zou het nieuwe beproevingen brengen, dat de belofte van kracht zal blijven, dat nieuwe ondersteuning zal gegeven worden om die te overwinnen.
Verkwikt en versterkt aan de troon der genade door dergelijke gemeenschapsoefeningen met de God aller genade, gaan wij onze familiebetrekkingen ontmoeten, en opeens worden wij van alle zijden begroet met: „Ik wens u een gelukkig Nieuwjaar”; een begroeting die wij eveneens met hartelijkheid en toegenegenheid beantwoorden. Bijna iedere vriend, bijna iedere bekende die wij in de loop van de dag ontmoeten, groet ons met dezelfde hartelijke wens. Nu, in dit alles moge veel uiterlijke schijn, lippenwerk of een gangbare gewoonte zitten; maar er kan ook veel oprechtheid, vriendelijkheid en toegenegenheid in zijn. Wij zijn waarlijk niet zo in ons ellendig eigen ik gekeerd, dat wij geen wens zouden hebben voor de gezondheid en de welstand, hetzij voor het tijdelijke, hetzij voor het geestelijke, van onze familiebetrekkingen en vrienden, alsook van onze bekenden. En wanneer wij hun het goede toewensen, dan behoeven wij ons niet achterhoudend of afkerig te tonen om dit in een paar vriendelijke woorden te uiten.
„Zijt vreedzaam onder elkander”, „barmhartig, vriendelijk”, „niet hooghartig”, „indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen”: dit zijn voorschriften, gegrond in het Evangelie, die mogen, ja inderdaad moeten beoefend worden, zonder de minste opoffering van de getrouwheid welke hun past die dagelijks wensen te wandelen in de vreze Gods. Er moge een voorbeeld zijn van vriendelijke woorden, zowel als een voorbeeld van gezonde woorden; en als wij de laatste bezigen in volkomen overeenstemming met de leer van het Evangelie, dan mogen wij de eerste gebruiken in volkomen overeenstemming met de geest van het Evangelie.
Aan de lezer…
Er zijn tijden die om een bijzondere bede vragen, en nu een nieuw jaar voor u ligt, waarvan u het einde niet bespieden kunt, is zo’n tijd gekomen. Met welke bede gaat u het in? Achter u liggen vele zonden, omzwervingen en afwijkingen; voor u liggen wegen die u niet kent. U weet hoe licht uw voet uitglijdt en hoe snel uw hart afdwaalt. Breng dat alles eerlijk voor de troon der genade, en zeg het de dichter na: „Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.”
Want het oude jaar is met zijn beproevingen in het graf gezonken, en brengt het nieuwe jaar nieuwe beproevingen, de belofte blijft van kracht dat er nieuwe ondersteuning gegeven zal worden. En gaat u dan uw naasten tegemoet, groet hen met oprechte, vriendelijke woorden. Wie zelf genade nodig heeft, mag ook een ander van harte het goede toewensen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
Psalm 17:5
Zonder op een twijfelachtige of bijgelovige manier stil te staan bij dagen, maanden en jaren, zijn er over het algemeen maar weinigen onder ons die zo’n gewichtig moment als het aanbreken van een nieuw jaar op ons levenspad voorbij laten gaan zonder er tegenover God of mensen iets van te erkennen. Wanneer wij op de eerste morgen van het jaar onze ogen openen, zeggen wij heel gewoon: „Het is vandaag Nieuwjaarsdag.” Maar dat zou niet de enige opmerking moeten zijn die wij maken over het pas begonnen jaar, waarvan wij immers het einde niet kunnen overzien. Wanneer wij onze knieën buigen voor de troon van de genade, brengen wij daar onze dankbare erkenning voor de weldaden die ons het afgelopen jaar geschonken zijn, zowel in de voorzienigheid als in de genade. En wij zenden ernstige gebeden op om in het begonnen jaar bijzondere weldaden te mogen ervaren en genieten. Op de laatste avond van het afgelopen jaar getuigden onze belijdenissen van de vele, vele zware zonden, omzwervingen, afwijkingen en het verlaten van de levende God in het vervlogen jaar. Deze morgen daarentegen getuigen onze smeekbeden ervan dat wij genade vragen, dat onze gangen in Zijn sporen gehouden mogen worden, opdat onze voetstappen niet zouden wankelen.
Tranen passen het best bij de begrafenis van de doden, hoop en wensen bij de geboorte van de levenden. Het afgelopen jaar was als de gestorven vader, afgetakeld door ouderdom en zwakheid; het nieuwe jaar is het pasgeboren kind in de armen van de lachende kraamverzorgster. De eerste dag van het nieuwe jaar verschilt uiterlijk maar weinig van de laatste dag van het vorige jaar, de laatste van de voorgaande dagen. Het is nog midden in de winter. Maar het peinzende, biddende gemoed let maar weinig op het winterweer. Het ziet dat het oude, versleten jaar in zijn graf is weggezonken, met al zijn beproevingen en verdrukkingen, en dat er een nieuw jaar voor in de plaats gekomen is, met nieuwe verwachtingen en nieuwe weldaden. En mocht het nieuwe beproevingen brengen, dan blijft de belofte van kracht dat er nieuwe ondersteuning gegeven zal worden om die te overwinnen.
Verkwikt en versterkt door zulke oefeningen van gemeenschap met de God van alle genade aan de troon van de genade, gaan wij onze familieleden ontmoeten, en meteen worden wij van alle kanten begroet met: „Ik wens u een gelukkig Nieuwjaar”. Die groet beantwoorden wij evengoed met hartelijkheid en genegenheid. Bijna iedere vriend, bijna iedere bekende die wij in de loop van de dag ontmoeten, groet ons met dezelfde hartelijke wens. Nu kan er in dit alles veel uiterlijke schijn, lippenwerk of gewoonte zitten, maar er kan ook veel oprechtheid, vriendelijkheid en genegenheid in zijn. Wij zijn werkelijk niet zo in ons ellendige eigen ik gekeerd, dat wij onze familieleden en vrienden, en ook onze bekenden, geen gezondheid en welzijn zouden toewensen, zowel naar het tijdelijke als naar het geestelijke. En wanneer wij hun het goede toewensen, hoeven wij ons niet terughoudend of afkerig te tonen om dat in een paar vriendelijke woorden uit te spreken.
„Zijt vreedzaam onder elkander”, „barmhartig, vriendelijk”, „niet hooghartig”, „indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen”: dit zijn voorschriften die in het Evangelie gegrond zijn. Zij mogen, ja, moeten zelfs beoefend worden, zonder ook maar iets op te offeren van de trouw die past bij hen die dagelijks in de vreze Gods willen wandelen. Er kan een voorbeeld zijn van vriendelijke woorden, net zo goed als een voorbeeld van gezonde woorden. Als wij de gezonde woorden gebruiken in volkomen overeenstemming met de leer van het Evangelie, dan mogen wij de vriendelijke woorden gebruiken in volkomen overeenstemming met de geest van het Evangelie.
Aan de lezer…
Er zijn tijden die om een bijzondere bede vragen, en nu er een nieuw jaar voor u ligt waarvan u het einde niet kunt overzien, is zo’n tijd gekomen. Met welke bede gaat u het in? Achter u liggen vele zonden, omzwervingen en afwijkingen; voor u liggen wegen die u niet kent. U weet hoe gemakkelijk uw voet uitglijdt en hoe snel uw hart afdwaalt. Breng dat alles eerlijk voor de troon van de genade, en zeg de dichter na: „Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.”
Want het oude jaar is met zijn beproevingen in het graf gezonken, en als het nieuwe jaar nieuwe beproevingen brengt, blijft de belofte van kracht dat er nieuwe ondersteuning gegeven zal worden. En wanneer u dan uw naasten tegemoetgaat, groet hen met oprechte, vriendelijke woorden. Wie zelf genade nodig heeft, mag ook een ander van harte het goede toewensen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hold up my goings in thy paths, that my footsteps slip not.
Psalm 17:5
Without scrupulously or superstitiously observing “days, and months, and times, and years,” few of us altogether pass by so marked an epoch as the dawning of another year upon our path without some acknowledgment of it both to God and man. When we open our eyes on the first morning of the year, we almost instinctively say, “This is New-year’s day.” Nor is this, at least this should not be, all the notice we take, all the acknowledgment we make of that opening year of which we may not see the close.
When we bend our knees before the throne of grace, we mingle with thankful acknowledgment for the mercies of the past year, both in providence and in grace, earnest petitions for similar mercies to be experienced and enjoyed through the present. Last evening witnessed our confessions of the many, many grievous sins, wanderings, backslidings, and departings from the living God during the year now gone; this morning witnesses our supplications for grace to hold up our goings in His paths, that our footsteps slip not through the year just come. Tears are most suitable at the burial of the dead; hopes and desires at the birth of the living. The past year was the departed father, worn out with age and infirmity; the present year the new-born babe in the arms of the smiling mother.
It is still, however, mid-winter. Today, the first of the present year, differs little in outward appearance from yesterday, the last of the past. But the thoughtful, prayerful mind takes little notice of wintry skies. It feels that the old, worn-out year has sunk into its grave, with all its trials and afflictions, and that a new year has come in its place, with its new hopes and new mercies; and if it bring new trials, yet that the promise still stands, that new strength will be given to meet and overcome them.
Refreshed and strengthened at the throne by such or similar communings with the God of all our mercies, we go down to meet our families, and are at once greeted on all sides with, “I wish you a happy new year,” a greeting which we as warmly and affectionately return. Almost every friend, well-nigh every acquaintance that we meet with in the course of the day, greets us with the same kind wish. Now in all this there may be a great deal of formality, lip-service, and traditional usage; but there may be also a good deal of sincerity, kindness, and affection. We are not, surely, so shut up in miserable self as to have no desire for the health and happiness, the temporal and spiritual welfare, of our families, our friends, or even our acquaintances.
And if we desire their good, we need not be backward or unwilling to express it in a few words of friendly greeting. “Be kind one to another, tender-hearted;” “Be sympathetic, be courteous;” “If it be possible, as much as lies in you, live peaceably with all men,” are precepts imbued with all the spirit of the gospel, and may be, indeed, should be, attended to without the least sacrifice of that faithfulness which becomes those who would daily walk in the fear of the Lord. There may be a form of kind words as well as “a form of sound words;” and as we may use the latter in perfect harmony with the doctrines of the gospel, so we may use the former in perfect harmony with the spirit of the gospel.
To the reader…
There are times that call for a special prayer, and now that a new year lies before you whose end you cannot foresee, such a time has come. With what prayer do you enter it? Behind you lie many sins, wanderings and departings; before you lie paths you do not know. You know how easily your foot slips and how quickly your heart strays. Bring all this honestly before the throne of grace, and say after the psalmist, “Hold up my goings in Thy paths, that my footsteps slip not.”
For the old year has sunk into its grave with its trials, and if the new year brings new trials, the promise still stands that new strength will be given. And when you then go out to meet those around you, greet them with sincere and kindly words. Whoever needs grace himself may also wholeheartedly wish another well.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sustenta mis pasos en Tus caminos, porque mis pies no resbalen.
Salmo 17:5
Sin guardar de manera escrupulosa o supersticiosa “los días, y los meses, y los tiempos, y los años”, pocos de nosotros dejamos pasar del todo una época tan señalada como el amanecer de otro año en nuestro camino sin reconocerlo de algún modo, tanto ante Dios como ante los hombres. Cuando abrimos los ojos la primera mañana del año, decimos casi por instinto: “Hoy es día de Año Nuevo.” Y esta no es, o al menos no debería ser, toda la atención que prestamos, todo el reconocimiento que hacemos de ese año que comienza y cuyo fin quizá no veamos.
Cuando doblamos las rodillas ante el trono de la gracia, unimos al reconocimiento agradecido por las misericordias del año pasado, tanto en la providencia como en la gracia, peticiones fervientes para que misericordias semejantes sean experimentadas y disfrutadas durante el presente. La noche de ayer fue testigo de nuestras confesiones de los muchos, muchísimos pecados graves, extravíos, rebeliones y apartamientos del Dios vivo durante el año ya ido; esta mañana es testigo de nuestras súplicas pidiendo gracia para que Él sustente nuestros pasos en Sus caminos, a fin de que nuestros pies no resbalen en el año que acaba de llegar. Las lágrimas son muy propias en el entierro de los muertos; las esperanzas y los deseos, en el nacimiento de los vivos. El año pasado era el padre difunto, gastado por la edad y la flaqueza; el año presente, el niño recién nacido en brazos de la madre sonriente.
Sin embargo, todavía es pleno invierno. Hoy, el primer día del año presente, difiere poco en su apariencia exterior de ayer, el último del pasado. Pero la mente reflexiva y dada a la oración apenas repara en los cielos invernales. Siente que el año viejo y gastado se ha hundido en su sepulcro, con todas sus pruebas y aflicciones, y que un año nuevo ha venido en su lugar, con sus nuevas esperanzas y nuevas misericordias; y que, si trae nuevas pruebas, la promesa sigue en pie de que se dará nueva fuerza para hacerles frente y vencerlas.
Refrescados y fortalecidos ante el trono por estas o semejantes comuniones con el Dios de todas nuestras misericordias, bajamos a encontrarnos con nuestra familia, y enseguida se nos saluda por todos lados con un “Le deseo un feliz año nuevo”, saludo que devolvemos con igual calor y afecto. Casi cada amigo, casi cada conocido con quien nos encontramos en el curso del día, nos saluda con el mismo buen deseo. Ahora bien, en todo esto puede haber mucho de formalidad, de servicio de labios y de costumbre tradicional; pero también puede haber bastante de sinceridad, bondad y afecto. No estamos, sin duda, tan encerrados en nuestro miserable yo como para no desear la salud y la felicidad, el bienestar temporal y espiritual, de nuestras familias, de nuestros amigos, o incluso de nuestros conocidos.
Y si deseamos su bien, no tenemos por qué ser reacios ni negarnos a expresarlo con unas pocas palabras de saludo amistoso. “Sed los unos con los otros benignos, misericordiosos”; “sed compasivos, amigables”; “si se puede hacer, cuanto está en vosotros, tened paz con todos los hombres”, son preceptos impregnados de todo el espíritu del evangelio, y pueden, más aún, deben ser atendidos sin el menor sacrificio de aquella fidelidad que conviene a quienes desean andar cada día en el temor del Señor. Puede haber una forma de palabras amables así como hay “la forma de las sanas palabras”; y así como podemos usar esta última en perfecta armonía con las doctrinas del evangelio, así también podemos usar la primera en perfecta armonía con el espíritu del evangelio.
Al lector…
Hay momentos que piden una oración especial, y ahora que tiene delante un año nuevo cuyo fin no puede prever, ha llegado uno de esos momentos. ¿Con qué oración entra usted en él? Detrás de usted quedan muchos pecados, extravíos y apartamientos; delante de usted hay caminos que no conoce. Usted sabe con qué facilidad resbala su pie y con qué rapidez se desvía su corazón. Lleve todo esto con sinceridad ante el trono de la gracia y diga con el salmista: “Sustenta mis pasos en Tus caminos, porque mis pies no resbalen.”
Porque el año viejo se ha hundido en su sepulcro con sus pruebas, y si el año nuevo trae nuevas pruebas, la promesa sigue en pie de que se dará nueva fuerza. Y cuando salga luego al encuentro de quienes le rodean, salúdelos con palabras sinceras y amables. Quien necesita gracia para sí mismo puede también desear de todo corazón el bien a otro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Blader door alle dagen van dit Bijbels Dagboek
Steun dit werk