The Sons of God, Their Blessings and Their Privileges
Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. 1 Joh. 3:1.
Het leven van Johannes, de geliefde discipel, werd, door de bijzondere wijsheid en goedheid Gods, verlengd boven het tijdperk dat aan zijn medeapostelen werd toegewezen.
De kerkelijke geschiedenis deelt ons mee dat hij bijna honderd jaren oud werd, en Jerome, een van de oude kerkvaders verhaalt, gelijk door Milner meegedeeld wordt, een aangename gebeurtenis van hem op dit vergevorderde tijdperk zijns levens, welke zozeer in overeenstemming is met zijn algemeen karakter, dat zij ons voorkomt ons vertrouwen meer waardig te zijn dan de meeste der in omloop zijnde overleveringen aangaande hem. Zij is deze.
Toen hij te oud en te zwak was om te lopen, werd hij naar de Christelijke vergaderingen te Efeze gedragen, en daar bepaalde hij zich bij die weinige woorden van vermaning: “Mijn kinderkens, hebt elkaar lief”. Maar ik merkte aan, dat het de bijzondere wijsheid en goedheid Gods was, dat zijn leven zo lang gespaard werd; en ik zal u nu mijn reden meedelen waarom ik dit besluit vorm. Toen de satan bevond, dat hij de gemeente van Christus niet met geweld kon omverwerpen, wijzigde hij zijn plan, en zocht haar door verraad om te keren. Hij verwekte daarom in bijna alle streken waar Christelijke gemeenten waren, een aantal laaghartige lieden, mensen die dwaalden in de leer, en goddeloos van leven, die als onkruid opkwamen in het tarweveld.
Ons schijnt het bijna ongelooflijk, dat binnen dertig of veertig jaren na het sterven en de opstanding van onze Heeren in de gemeenten zulke lieden zouden verrijzen als Judas en Petrus nauwkeurig beschrijven. Hoort Judas’ beschrijving van vele leden der christelijke gemeenten in zijn tijd, die, als wij de bijbelse tijdsbepaling van de zendbrief aannemen, Anno 66 slechts 33 jaren na de hemelvaart van Jezus was een nog korter tijdsbestek, dan waarin ik beleden heb een dienstknecht van Christus te zijn.
“Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelve oordeel tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enige Heerser, God en onze Heere Jezus Christus verloochenen.” “Deze,” zo voegt hij er bij, “zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelf zonder vrees; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld; wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, dewelke de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.” (Judas, vers 4, 12, 13).
Welke krachtige, welke nadrukkelijke taal! en echter was de gemeente van Christus op dat vroege tijdstip verpest door die beruchte wezens. Gij zult even krachtige taal aangaande hen vinden in de tweede brief van Petrus, die omstreeks dezelfde tijd geschreven is. En zelfs Paulus beschreef, een jaar of twee voor dien tijd, dergelijke personen in niet veel minder gestrenge bewoordingen. “Want velen wandelen anders: van die ik u dikwijls gezegd heb, en nu ook wenende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn, welker einde is het verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, die aardse dingen bedenken” (Filip. 3: 18, 19).
En wederom: “Want er zijn ook vele ongeregeldheden, ijdelheidsprekers, en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de besnijdenis zijn; welke men moet de mond stoppen, die gehele huizen verkeren, lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil. Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ondeugende” (Titus 1: 10, 11, 16).
Welk een genade nu was het, dat Johannes gespaard werd, om niet alleen de inleiding van deze goddeloze voorwerpen in de belijdende gemeente te beleven, maar tevens hoe zij openbaar worden; dat hij, die ooggetuige was geweest van des Heeren heerlijkheid op de berg der verheerlijking, die Zijn angst in de hof had aanschouwd, die nabij gestaan had toen Hij aan het kruis bezweek, en het bloed en water ‘zag vloeien uit Zijn doorboorde zijde, die Hem gezien en betast had na de opstanding, en Zijn hemelvaart van Bethanië gade geslagen had, dat hij gespaard werd, om er getuige van te zijn, dat al deze boosheden in de eerste gemeenten werden ingevoerd; want hij werd aldus in staat gesteld, om aan het einde van zijn levens, door de genade Gods en de invloed van de Heilige Geest, met des te groter macht en kracht als een ooggetuige, tegen deze boosheden en dwalingen te getuigen.
De “zware wolven” bij voorbeeld, die Paulus voorspelde dat te Efeze zouden inkomen (Hand. 20: 29) waren daar voor zijn ogen “de kudde niet sparende”. En zo was het met andere gemeenten, zoals te Pergamus en Thyatira. De lieden en hun boze wegen en werken waren geen schaduwen in de toekomst, gelijk het beest met zeven hoofden en tien horens, maar leefden, beweegden zich, en werkten in de gemeenten met al hun list en huichelarij, al hun dwalingen en ketterijen, al hun ontuchtigheid en boosheid. God spaarde hem daarom zo lang in het leven dat hij, ‘als Zijn laatste Nieuw Testamentische getuige, een blijvend getuigenis tegen die dwalingen en boosheden mocht geven, die de eerste gemeenten kwelden.
Als wij een meer volledige kennis van deze dwalingen en boosheden bezaten, zouden wij zien dat het getuigenis van Johannes in het bijzonder tegen haar gericht was. Wij zouden zien, waarom hij bijzonder in zijn Evangelie geleid was, om zo duidelijk aangaande de Godheid en het eeuwig Zoonschap van Jezus te getuigen, waarheden welke die ketters ontkenden; en om zo, zorgvuldig de juiste gesprekken van de gezegende Heere te bewaren, waarin hij Zijn eenswezenheid met de Vader als de Zoon van God en nochtans de wezenlijkheid van Zijn vlees en bloed als de Zoon des mensen bevestigde.
Zo zouden wij in zijn zendbrieven, en vooral in de eerste en langste ervan, zien hoe hij in elk vers enige snode dwaling veroordeelt of een gewichtige waarheid verklaart. Wel mogen wij zeggen, dat op dezelve, als met een lichtstraal, deze drie uitnemende kenmerken ingedrukt staan: waarheid, heiligheid en liefde. Hoe getuigt hij bij voorbeeld voor de waarheid door ons de wezenlijke Godheid, het eeuwig Zoonschap, en de verzoening voor te stellen, die door onze gezegende Heere voor de zonden aangebracht is! Hoe handelt hij over Zijn voorspraak bij de Vader, als Jezus Christus de Rechtvaardige en verzekert hij ons dat Zijn bloed reinigt van alle zonden! Hoe veroordeelt hij de dwaling met de scherpste pen, degenen afsnijdende die dezelve vasthouden als mensen zonder de genade Gods, en ons gebiedende ons voor hen te wachten, hen zelfs niet in onze huizen te ontvangen, of hen te groeten! En is de heiligheid niet de ademhaling van de gehelen brief?
Hoe zegt hij ons, dat hij, die gezegend is met een goede hoop door genade van Jezus te zien gelijk Hij is, zich reinige gelijk Hij rein is (1 Joh. 3: 3). Hoe waarschuwt hij ons tegen het liefhebben der wereld en de dingen die in de wereld zijn (1 Joh. 2: 15). Hoe zoekt bij ons op te leiden tot het gemeenschap hebben met de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus” (1 Joh. 1: 3); verklarende dat “die zegt dat hij in Hem blijft ook zelf alzo moet wandelen gelijk Hij gewandeld heeft;” en stelt het als een praktische toetssteen der nieuwe geboorte: “Indien gij weet dat Hij rechtvaardig is, zo weet gij, dat een ieder die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is” (1 Joh. 11: 29).
Evenmin behoef ik te zeggen met welk enen heerlijke vloed van hemelse liefde deze zendbrief besproeid is. De liefde Gods in Christus tot ons, in het zenden van Zijn Zoon tot een verzoening van onze zonden; de liefde van Christus, in Zijn leven voor ons af te leggen; de liefde welke wij jegens Hem en tot elkaar zullen hebben, is zij niet deze goddelijke en hemelse liefde in haar oorsprong en haar stromen, in haar meedeling en in haar eisen, in haar levende vruchten en praktische uitwerkselen zelfs de bezielenden adem van de gehelen zendbrief? De liefde Gods, zijn hart vertederende en smeltende, schijnt zijn pen als met een dubbele mate van kracht en vuur te hebben aangeraakt, zodat wij bijna mogen zeggen, dat als de waarheid het lichaam en de heiligheid de ziel is, dat dan liefde de geest is van deze gezegenden zendbrief.
Zonder verdere inleiding zal ik onmiddellijk tot onze tekst overgaan; en ik geloof dat wij er vier onderscheidende kenmerken in kunnen zien:
I. Ten eerste; de wondervolle liefde Gods: “ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft”.
II. Ten tweede; de verbazende zegeningen en voorrechten van Gods volk: “dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden”.
III. Ten derde; de grove onkunde der wereld: “daarom kent ons de wereld niet”.
IV. Ten vierde; de verklaring der verborgenheid: omdat zij Hem niet kent”.
I. Onze tekst vangt aan met een “ziet”. Laat ons dit niet voorbijgaan; want is het niet, alsof Johannes ons wil oproepen om een wonderdadig gezicht te aanschouwen? Is het niet, alsof hij onze sluimerende genade wil oproepen, en elke hoedanigheid van ons vernieuwd gemoed bezielen, om op het verbazend wonder te staren, dat hij ons voor ogen stelt? “Ziet, hoe grote liefde!” Deze roeping aan ons, om te komen zien schijnt ons te herinneren aan de onderscheiden verschijningen Gods in het Oude Testament, toen Hij zich plotseling en onverwacht openbaarde als een God van liefde en macht; gelijk bijvoorbeeld, toen Hij aan Abraham in een nachtgezicht verscheen met die genadige woorden: “Vrees niet, Abraham; Ik ben u een schild, en uw loon zeer groot” (Gen. 15: l). Zij kan ons ook herinneren aan de wondervolle verschijning des Heeren aan Mozes, toen hij de kudde van Jethro, zijn schoonvader, in de woestijn weidde, toen “de engel des Heeren hem verscheen in een vuurvlam, uit het midden van een braambos;” en terwijl hij zich daarheen wendde om het wondervolle licht te bezien, sprak God tot hem uit het brandende braambos.
Wonderlijk zinnebeeld van de eeuwig brandende Godheid van onze genadige Heere, en nochtans van Zijn reine, onverteerde mensheid in derzelver innigste vereniging! Dit roepen van “ziet” schijnt ons ook te herinneren aan Ezechiël, toen hem, zittende “in het midden der weggevoerden bij de rivier Chebar, de hemelen werden geopend, en hij gezichten Gods zag” (Ezech. 1: l). Mag het ons ook niet in het geheugen roepen, het gezicht van Jesaja, toen hij zag “de Heere, zittende op enen hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel?” (Jes. 6: l), of aan Daniël, eenzaam en treurende aan de rivier Hiddekel, toen hij zijn ogen ophief en “zag, en ziet daar was een Man met linnen bekleed en zijn lendenen waren omgord met fijn goud van Uphaz?” (Dan. 10: 5). Het kan ook dienen, om ons te herinneren aan Johannes zelf, toen hij op het eiland Patmos een grote stem hoorde, en enen, de Zoon des Mensen gelijk zijnde, in het midden van de zeven kandelaren zag (Openb. 1: 10, 13).
Daar al deze verschijningen onverwachte vertoningen waren van de Heere in Zijn genade en Zijn heerlijkheid; zo is het als de heilige Johannes in onze tekst zegt: “ziet”, alsof hij onze sluimerende genade wil opwekken en ons gebieden met de ogen van het geloof en der liefde een verbazend gezicht te aanschouwen, dat niet minder wonderdadig is dan deze verschijningen Gods in de dagen vanouds.
Welk is nu dit verbazend gezicht, dat Johannes ons hier gebiedt te zien? “Hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft.” Het is niet bloot, welke liefde, maar hoe grote liefde. Dus wil hij ons de liefde Gods doen overpeinzen onder dien bijzondere vorm en in die bijzondere mate, waarin God die geopenbaard en bekend gemaakt heeft aan de kinderen der mensen. In het navolgen dan, van deze goddelijke raad, geloof ik dat wij deze liefde kunnen overpeinzen uit deze drie gezichtspunten: 1. In haar natuur; 2. In haar openbaring; 3. In haar meedeling.
1. Ziet dan eerst op de liefde Gods in haar natuur, wat zij in zich zelf is, als een zuivere Fontein, onderscheiden van haar stromen en uitwerkselen; en ik geloof, dat wij er, als zodanig, zekere bijzondere kenmerken op gedrukt zullen zien, die ons zullen in staat stellen om te zeggen: “Ziet, hoe grote liefde”.
a. Ten eerste was zij uit zich zelf oorspronkelijk. De liefde, zo wij er iets van tot de Heere of Zijn volk bezitten, is Gods gave en genade; zij woont van nature niet in ons hart, maar haar oorsprong en haar bronnen zijn van boven; maar liefde woont in het hart Gods als een van Zijn heerlijke volmaaktheden. Zij stroomt daarom vrij uit Zijn boezem, gelijk een rivier van de bergzijde ontspringt, zonder enige roeping van de aarde, zonder enige uitnodiging van de mens. Van waar komen drie van onze edelste rivieren – de Rijn, de Rhóne en de Donau? Zij allen ontspringen uit de boezem derzelfde machtige Alpen, slechts enige weinige mijlen van elkaar verwijderd, vanwaar ieder in haar eigen richting voort stroomt, om elk land te bevochtigen en vruchtbaar te maken, door hetwelk zij heen stromen. Zo stroomt de liefde Gods tot Zijn volk ongezocht, ongevraagd, onverdiend uit Zijn eigen boezem, steeds enen zegen mededragende, waar zij ook vloeit.
b. Zij was ook eeuwig. Er kan in het hart Gods geen verandering plaats grijpen. Geen nieuwe plannen, geen vernieuwde besluiten, geen onbedachte schetsen kunnen in het gemoed opkomen van Hem die de Eeuwige HEDEN, de zelfbestaande IK ZAL ZIJN is. Zijn liefde moet dus, gelijk Hij zelf, even eeuwig zijn. Zij had geen begin gelijk Hij geen begin heeft en zij zal geen einde hebben, daar Hij geen einde heeft. Wel mogen wij stilstaan voor zulk een ontzettend gezicht, gelijk Mozes aan het brandende braambos en elke kracht van onze ziel bijeenbrengen, om met plechtige bewondering naar de woorden te luisteren, welke Hij door Zijn profeet sprak: “De Heere is mij verschenen van ver tijden! ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid” (Jer. 31: 3). Als u dan gevraagd wordt: Waarom is Gods liefde eeuwig? is alles wat gij antwoorden kunt: Omdat zij de liefde Gods is, die eeuwig is. En als u verder gevraagd wordt: Hoe weet gij dat God u van alle eeuwigheid heeft liefgehad? is alles wat gij antwoorden kunt: omdat Hij mij met goedertierenheid getrokken heeft.” Dit is de oplossing der vraag, hetzij in de leer of in de bevinding. Wij kunnen geen andere geven.
e. Maar eeuwig zijnde moet zij oneindig zijn, want God is oneindig en daar Hij de liefde is in naam en natuur, moet Zijn liefde dezelfde zijn als al zijn andere genaden en heerlijke volmaaktheden, die alle, gelijk Hij zelf, oneindig zijn. Maar welk een wondere genade is het voor de Gemeente Gods, dat Zijn liefde zo oneindig is. Om dit punt meer helderder te bezien, letten wij op twee andere volmaaktheden Gods in Zijn oneindigheid, Zijn wijsheid en Zijn macht. Ziet eerst op Zijn wijsheid, ziet hoe zij aan elke zijde der schepping wordt tentoongespreid. Ziet in welk een oneindige wijsheid de Heere alles in de zichtbare schepping heeft gerangschikt en bepaald, elk deel naar het ander voegende met al de volmaaktheid en voltooiing van een uitstekend werktuig.
De zon in haar dagelijkse loopbaan wentelende; de maan wandelende in haar middernachtelijke helderheid; de opvolging der jaargetijden; de vermenigvuldiging der dieren op de oppervlakte der aarde; elkeen ervan is een wonder in haar schepping, voortplanting en voeding en welke bewijzen verschaffen deze dagelijkse wonderen ons van de oneindige wijsheid Gods. En bieden zij ons ook niet evengelijke bewijzen van Zijn oneindige Macht? Als dan Zijn wijsheid en macht aldus als oneindig vertoond worden, is het dan niet eveneens waarheid van Zijn liefde? Nu is de bijzondere gelukzaligheid van deze liefde, als oneindig zijnde, dat zij als zodanig al de heiligen Gods in een algemene omhelzing besluit. Zij is gelijk Zijn wijsheid en macht in dezelfde aard. In de schepping is er niets te groot en niets te klein om de oneindige wijsheid en macht Gods te vertonen.
Er bestaat evenveel wijsheid en macht in de schepping van de angel van een bij, als in de snuit van een olifant; in het formeren van de angel der wesp als van de klauw des tijgers; in het scheppen van het oog om het licht der zon te aanschouwen, als in de schepping van de zon om het oog licht te schenken. Wat nu in de schepping waar is, is ook waarin de genade; wat waarheid is van Gods wijsheid en macht, is ook waarheid aangaande Zijn liefde. Past dit slechts toe. Gij kunt uzelf als een te onbeduidend schepsel beschouwen of voor een te zondig ellendeling houden voor de omhelzing van Gods liefde.
Maar daar Zijn liefde oneindig is, omhelst zij met evengelijke kracht al de uitverkorenen van Christus; en als gij zo gezegend en begunstigd bent, dat gij onder het getal van degenen bent, die God van alle eeuwigheid heeft liefgehad, strekt Zijn liefde zich zowel uit tot u, die de geringste van alle heiligen bent, als Zijn wijsheid en Zijn macht over de kleinste Zijner schepselen.
d. Maar oneindig zijnde, is deze liefde tevens onuitputtelijk; en dit is een ander gezegend oogpunt van overdenking in de beschouwing van de “hoe grootheid” van Gods liefde. Wij zouden dezelve spoedig leeg geschept hebben, als zij geen onuitputtelijke fontein was. Ziet op de miljoenen van Gods verlost huisgezin, hetzij de verheerlijkte geesten in de hemel, of nog doortrekkende op de aarde, of die in de loop des tijd nog moeten geboren worden. Hoe onuitputtelijk heeft de liefde Gods reeds eeuwen lang voort gestroomd tot elkeen van die ontelbare miljoenen. Ziet als een zinnebeeld van die onuitputtelijke liefde op de zon; denk aan de eeuwen in welke zij onuitgeput en onuitputbaar heeft geschenen; beschouwt de miljoenen maal miljoenen stralen, welke zij op de aarde heeft geworpen; de duizenden oogsten welke zij reeds heeft doen rijpen, de miljoenen vruchten welke zij volwassen heeft doen worden; en nog schijnt zij.
Zij schijnt heden gelijk voor 6000 jaren en zal niet ophouden met schijnen, voordat Hij die haar maakte wat zij is, haar gebiedt op te houden te bestaan. Zo is het met de liefde Gods; zij heeft in de harten van miljoenen geschenen; zij is de fontein van al hun gelukzaligheid geweest en de oorsprong van al hun vruchtbaarheid; hun blijdschap in het leven, hun steun in het sterven, hun gelukzaligheid in de eeuwigheid. Hun zonden hebben dezelve niet versleten, noch hun afkeringen dezelve uitgeput, want haar natuur is onuitgeput en om onuitputtelijk te zijn.
e. Zij is daarom onveranderlijk. God heeft niet heden lief en haat morgen. Zijn eigen woorden zijn: “Ik de Heere worde niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd” (Mal. 3: 6). Het tegendeel zou allerstrijdendst met de openbaring zijn, die God van zichzelf in de Schrift geeft als “zwijgende (“rustende” Eng. vert.) in Zijn liefde” (Zef. 3: 17); als zijnde van een gemoed, en “wie zal Hem afkeren” (Job 23: 13); als “bij Wie geen verandering is, noch schaduw van omkering” (jak. 1: 17); te denken dat, nadat Hij eenmaal Zijn liefde op iemand van Zijn volk gevestigd heeft, Hij berouw over die liefde zou hebben, en die van hen zou wegnemen als die onwaardig zijnde.
“De genadegiften en de roeping Gods,” wordt ons uitdrukkelijk gezegd, zijn onberouwelijk” (Rom. 11: 29); dat is, God heeft nooit berouw over de giften zijner liefde en genade, noch over de roeping welke de eerste vrucht daarvan is. Wist de Heere niet van alle eeuwigheid wat Zijn volk zijn zou? Wist Hij niet dat, gelijk Mozes tot de kinderen Israëls zei, zij een “hardnekkig volk” zouden zijn, Hem gedurig voor Zijn aangezicht tergende? En nochtans zegt Hij van hem: indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het gehele zaad Israëls verwerpen, om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de Heere” (Jer. 31: 37).
De onveranderlijkheid van Zijn liefde is de grondslag van al onze hoop; want wij weten Wel, dat zo onze zonden en afkeringen deze liefde konden doen afkeren, wij weldra zouden zinken om niet meer te verrijzen. Maar dit is de vertroosting van de huisgenoten Gods, dat Zijn liefde even onveranderlijk is als Zijn eigen eeuwig wezen. Zover heb ik dus gepoogd de natuur van Gods liefde te beschrijven, maar o hoe zwak en onvolkomen heb ik die voorgesteld!
Ik ga dus nu voort met de beschouwing der twee andere bijzondere kenmerken van deze liefde, namelijk, haar openbaring en haar meedeling en ik geloof dat ik het beste zal doen door onmiddellijk tot het tweede hoofdpunt van mijn onderwerp over te gaan, waarin zij meer zichtbaar blijken:
II. De verbazende zegeningen en voorrechten van Gods volk om kinderen Gods genaamd te worden.
1. God had Zijn volk van alle eeuwigheid lief, maar Hij beminde hen alleen in Christus. Dit moet altijd bedacht worden, of wij maken droevige vergissingen in deze gewichtige zaak. Als God u lief had, is zulks niet omdat Hij iets beminnelijks in u zag. Hij heeft u niet slechts lief als eenvoudig het schepsel van Zijn hand zijnde: want hierin deelt gij in het algemeen met uw medemensen; want gij moet bedenken dat er een liefde bestaat welke God tot de schepselen van Zijn hand betoont, onderscheiden van Zijn liefde in genade. Wij lezen daarom: “Die de vreemdeling lief heeft, dat Hij hem brood en kleding geeft” Deut. 10: 18). Maar de liefde welke Hij tot uw ziel heeft, waardoor Hij u een deelgenoot wil maken van Zijn eeuwige heerlijkheid, is niet de liefde, welke Hij tot u heeft als het maaksel van Zijn hand, maar de liefde welke Hij tot u heeft als een lid van het geestelijke lichaam van Christus.
Dit is wat ik bedoel door de liefde Gods in haar openbaring. De apostel zegt daarom: hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God lief gehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.” Zo gij dus somwijlen verbaasd staat over de liefde Gods, of immer ongelovig bent geweest, dat de liefde Gods op u gevestigd zou zijn, omdat gij uw algehele onbeduidendheid, zowel als uw ellendige zondigheid en verfoeilijkheid gevoelt, moet gij overwegen waarom het is dat God u, of iemand anders van het menselijk geslacht, heeft liefgehad: het is in Zijn dierbare Zoon. Het is in Zijn Zoon, dat Hij de Gemeente uitverkoos, in Zijn Zoon dat Hij haar zegent met alle geestelijke zegeningen; in Zijn Zoon dat Hij haar heeft aangenomen als zonder vlek of smet, want zij is “aangenomen in de Geliefde”. Is zulks niet de heldere, ontwijfelbare taal van de apostel? gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.
Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde: tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde” (Efeze 1: 3, 4, 6). De Gemeente was in de raad Gods nooit van haar Verbondshoofd gescheiden, want zij is “het lichaam, de vervulling van degene, die alles in allen vervult” (Efeze 1: 23). De liefde dus die God tot Zijn dierbare Zoon bezit, strekt zich uit tot al de leden van Zijn geestelijk lichaam. Dit wordt zegenrijk geopenbaard in het hogepriesterlijk gebed van onze Heeren: “Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt zijn in één; en opdat de wereld bekent, dat Gij Mij gezonden hebt, en hen lief gehad hebt, gelijk Gij Mij lief gehad hebt” (Joh. 17: 23); en wederom: “En Ik heb hun Uw naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmee Gij Mij liefgehad hebt, in ‘ hen zij, en Ik in hen” (Joh. 17: 26).
De apostel zegt daarom: maar God, die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade bent gij zalig geworden), en heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus, opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemende rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus” (Efeze 2: 4-7). Is God “rijk in barmhartigheid?” zulks is in Christus Jezus”. Is de liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad groot? Zij is zulks alleen in Christus Jezus.
Heeft Hij ons levend gemaakt toen wij dood waren door de misdaden? Zulks was met Christus. Heeft Hij ons mee opgewekt en ons mee gezet in de hemel? Het is “in Christus Jezus”. Zal Hij in de toekomende eeuwen betonen “de uitnemende rijkdom Zijner genade?” Zulks zal zijn “door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus”. Christus dus, in Zijn Persoon en werk is de openbaring der liefde Gods – het geheiligd kanaal, waardoor zij stroomt en door welke zij begrensd is.
Dit nu voert ons tot een zeer gewichtige bijzonderheid in de liefde Gods, als zodanig geopenbaard in de Persoon en het werk van Zijn dierbare Zoon, welke is de verlossing. Dit is een punt dat ons treft, om het bevindelijk en zaligmakend te kennen, want het komt ons tegen in onze verloren toestand als zondaars; en het is als in dat geval zijnde, dat de liefde Gods vooral wordt geopenbaard. Gij weet dat wij allen in Adam zondigden en van onze oorspronkelijke reinheid en onschuld vervielen. Het beeld Gods, naar hetwelk wij geschapen werden, was geheel en al ontsierd; wij werden vervreemd van het leven Gods, en zonken dood voor Hem neer in overtredingen en zonden.
Er was daarom een behoefte naar verlossing uit deze toestand der vervreemding en des doods, der schuld en veroordeling, en’ al de andere verschrikkelijke gevolgen van Adams zondeval. Hier werd de liefde zo wonderbaar geopenbaard. De zondeval verbeurde het zoonschap niet, maar zij verbeurde het beeld Gods; zij wiste de namen der uitverkorenen niet uit het boek des levens, maar zij bemorste hen geheel en’ al met het slijk en de modder der zonde; zij verdierf de vereniging niet, die het volk Gods met Christus bezat als hun Verbondshoofd, maar zij deed de leden van Zijn geestelijk lichaam neerstorten in een put van zonde en ellende, waaruit alleen de in het vlees verschijning des Zoons van God en de verzoening welke Hij daarstelde door Zijn bloedstorting en sterven, hen kon opheffen. Zij verminderde de liefde Gods tot de gemeente van Christus niet, want die ging de zondeval vooraf, maar zij bracht de vereiste verlossing ter harer openbaring teweeg. Zij verhoogde die, maakte haar meer zichtbaar en heerlijk, en spreidde de aard van die liefde in al haren glans ten toon, die sterk is als de dood, die vele wateren der zonde niet kunnen uitblussen, noch de vloeden der boosheid verdrinken.
Wat God ook voor de mens was, of ook de mens voor God, de zonde was tussen beiden gekomen en had een scheiding tussenbeide gemaakt. De zonde is zulk een verschrikkelijk kwaad; zij is zo walgelijk in de ogen der oneindige Reinheid, zulk een smaad jegens Zijn goddelijke Majesteit, zulk een verraad jegens Zijn heerschappij, zulk een inbreuk op Zijn gerechtigheid, dat wat de liefde Gods ook voor de mens ware, zij niet tot hem neer kon stromen, zolang deze hefboom tussenbeide bestond. Zij moet dus worden weggeruimd of God en de mens zullen voor eeuwig gescheiden zijn.
Maar niemand kon deze hefboom wegnemen, behalve Gods dierbare Zoon en Hij alleen door Zijn Middelaarschap en sterven. Vandaar de noodzakelijkheid en de aard der verlossing door het bloedstorten van Jezus. Aan ons als zondaars is er dus geen openbaring der liefde Gods, behalve in de Persoon en het werk Zijns dierbare Zoons, want in Hem is de verlossing, en in geen ander. De apostel zegt daarom: “In welke wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom Zijner genade” (Efeze 1: 7). Maar wat is het gevolg van dit werk van het verlossend bloed? Dat daardoor arme, schuldige zondaars vergeving van al hun zonden erlangen; en doordien hun zonden verzoend en weggedaan zijn, verkrijgen zij enen toegang tot God.
Zij zijn alzo verzoend en nabij gebracht tot hun hemelse Vader; want omdat de zonde afgekeerd is door de offerande en bloedstorting van Christus, zo is er nu niet langer een hinderpaal tussen God en hen. Teneinde nu een bewustzijn van deze schuldvergeving in zijn eigen ziel te verkrijgen, wordt elk kind van God er toe gebracht, om te zuchten en sterk te roepen met gebeden en smekingen voor de genadetroon. Zodanig wordt hem de waardij en de gelukzaligheid van het verzoenend bloed te kennen gegeven; en hoe meer het lijden, de bloedstorting en het sterven des Heeren Jezus trapsgewijze aan zijn hart worden geopenbaard, hoe meer eenvoudig en openhartig hij ziet op het bloed des Lams om zijn geweten te reinigen van dode werken, om de levende god te dienen.
Zo doet zelfs het gewicht der zonde op het geweten hem des temeer vrijmoedig en bevindelijk indringen in de aard der verlossing; en het wordt meer voor zijn beschouwing ontsloten, dat Jezus door Zijn dierbare bloedstorting en sterven al degenen, die in Zijn naam geloven, Gode verloste, hun schuld wegdeed en ze voor eeuwig uitwiste. Hij ziet, dat Hij de vloek der wet tot zwijgen bracht, doordien Hij zelf een vloek voor ons gemaakt werd; dat Hij de toorn Gods bevredigde, die om onze overtredingen op ons rustte; dat hij ten volle de eisen der gerechtigheid genoeg deed, welke ons anders voor haar ontzettende vierschaar zouden gevoerd hebben en ons, om onze beledigingen, in een verdiende hel zouden hebben geslingerd.
Een gezicht en een kennis van ons gevaar, openen onze ogen, om onderwijs te ontvangen en zo verkrijgen wij, als het werk der verlossing duidelijker voor onze geestelijke beschouwing ontdekt wordt, en het geloof opgewekt en aangetrokken, om meer persoonlijk en bevindelijk te geloven wat alzo geopenbaard wordt, helderder, meer blijvende en zielsveranderde beschouwingen van de liefde Gods in Christus. Wanhoop aan de een, en eigengerechtigheid aan de andere zijde ontvangen een dodelijke wond door een gelovig gezicht op het kruis; en de ziel juicht met beving in enen gekruiste Christus. Wel mag Johannes dan zeggen: ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft”. Hoe wondervol in Zijn natuur; hoe genadig in Zijn openbaring; hoe gezegend in Zijn meedeling. Dit laatste is het punt waartoe wij nu genaderd zijn en hetwelk ik zal trachten te ontsluiten.
2. Welke ook de natuur der liefde Gods zij, in al haar zelfvoortspruitende, oneindige, onuitputtelijke, en onveranderlijke hoedanigheid; of welke genade er is in de openbaring in de persoon en het werk Zijns dierbare Zoons, het is alleen door haar meedeling aan onze ziel, dat wij tot enige persoonlijke bevinding daarvan komen. Het is daarom met deze, gelijk met al de andere dierbare waarheden van het evangelie. Ofschoon zij alle vervat zijn in de Persoon en het werk des Zoons van God; ofschoon zij alle gezegende wezenlijkheden zijn, als ontsluierd in het woord Zijner genade, moet er een meedeling van dezelve aan onze zielen zijn, opdat wij ze mogen geloven, haar kracht gevoelen en wandelen in het zalig genot van dezelve.
a. Hier worden wij dan op eenmaal gebracht tot het eerste werk van de Heilige Geest op het hart in de wedergeboorte om ons kinderen Gods te maken door een nieuwe en geestelijke geboorte. “Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft.” Dit is de liefde Gods in haar eerste mededeling, want zij wordt ons geschonken als een daad van vrijmachtige genade, om ons te maken tot en te openbaren als kinderen Gods. En zien wij niet al de drie Personen in de Godheid, in deze grote liefde? In de grootte van haar natuur zien wij de Vader; in de grootte van haar openbaring zien wij de Zoon; in de grootte van haar meedeling zien wij de Heilige Geest en elk bijzonder en alle drie de Personen in de Godheid werkzaam in het geven van deze liefde aan de leden van het geestelijke lichaam van Jezus. Maar het werk van de Heilige Geest in het hart, in de wedergeboorte, is om ons als kinderen Gods te openbaren, door ons deelgenoten te maken van een nieuwe geboorte.
b. Maar zulks is niet genoeg. De geest der aanneming tot kinderen moet in onze ziel ingeblazen worden door dezelfde Heilige Geest, voordat wij ons de zalige betrekking kunnen toeëigenen, want wij zijn kinderen voordat wij dit gevoelen, of geloven, of genieten. Gelijk de apostel zegt: “omdat gij kinderen bent, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, die roept: “Abba, Vader”!” (Gal. 4: 6). Dit is het getuigenis des Geestes: “Dezelve Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn” (Rom. 8: 16). Dit is daarom de grootste en gezegendste meedeling der liefde Gods, want zij wordt dan in het hart uitgestort door de Heilige Geest. Het is wat weinigen genieten in haar volle meedeling en dan nog slechts op bijzondere tijden; maar zekere mate daarvan is noodzakelijk voordat wij duidelijk ons kindschap zien, of in ons hart geloven kunnen dat God onze Vader is.
3. Maar de overdenking van deze liefde in haar natuur, openbaring en meedeling kan, met Gods hulp en zegen, ons meer duidelijk leiden om de verbazende zegeningen en voorrechten te zien, die God aan Zijn volk heeft geschonken in hen deze liefde te geven. Johannes roept ons op om deze te bewonderen: “Ziet, hoe grote liefde;” alsof hij dezelve wil ophouden ter van onze bijzondere beschouwing en geestelijke overpeinzing, opdat wij daardoor werkzaam mochten zijn met er dieper in te peinzen en te zoeken naar een meer gelovige en bevindelijke omhelzing van haar schoonheid en gelukzaligheid. Welke zijn nu sommige van deze verbazende zegeningen en voorrechten?
a. De eerste en de grondslag van het geheel is “kinderen Gods genaamd te worden”. “Genaamd,” maar door wie? Door mensen? Dat zou ons weinig baten: want velen hebben zichzelf en anderen “kinderen Gods genaamd”, die de Heere nooit erkende, wiens toe-eigening en wiens roeping Hij nimmer bekrachtigde. Sommigen door vermetelheid, anderen door onwetendheid, eigen zich God toe als hun Vader, die Hij nooit zal erkennen als Zijn kinderen, maar eerder zal zeggen: “Gaat weg van Mij; Ik heb u nooit gekend”. Maar als God u Zijn kind noemt, dan “is alles het uw, want gij bent Van Christus, en Christus is Gods”. Ziet dan vervolgens op enige van deze zegeningen en voorrechten van het kindschap, dat alzo betoond wordt.
b. Als gij een kind bent, dan bent gij een verzoend kind. Christus heeft uw zonden in Zijn eigen lichaam aan het hout gedragen. Hij heeft u gewassen in de fontein van Zijn dierbaar bloed; de wet gehoorzaamt welke gij verbroken hebt; een kleed der gerechtigheid uitgewerkt, hetwelk u vrijwillig wordt toegerekend en waarin gij volmaakt voor God staat.
e. Als een andere zegen en voorrecht van een kind Gods, heeft hij toegang tot Zijns Vaders huis. Gij weet dat het kind, als een van zijn voorrechten, de vrijen toegang in het huis van zijn vader geniet; hij klopt niet aan de deur gelijk een vreemdeling, maar licht de klink op als een van het gezin. Hij weet dat bij daar welkom is en dat zijn ouders hem missen als hij zijn plaats niet inneemt in het huis onder de overige kinderen. Zo is het met het kind Gods; hij heeft enen vrijen toegang tot zijns Vaders huis. Hij staat niet buiten gelijk een vreemdeling, noch komt er in als een tussenbeiden komend en niet altijd welgevallig bezoeker, maar komt er in met de vrijmoedigheid van een kind. Maar wat bedoel ik door het “huis zijns Vaders?” Bedoel ik alleen wat zo gewoonlijk “het huis Gods” genoemd wordt, de plaats waar men gewoon is te bidden, de voorhoven hier beneden, waar Hij somwijlen Zijn tegenwoordigheid en Zijn macht openbaart?
Dit is inderdaad een voorrecht, en een dat hoog geschat moest worden; maar het huis dat ik bedoel is het binnenste heiligdom van des Heeren tegenwoordigheid, de geheiligde plaats van welke David spreekt: “Die in de schuilplaats des Allerhoogste is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen” (Ps. 91: 1); die woning van welke Mozes schreef: “Heere! Gij zijt ons geweest een toevlucht van geslachte tot geslachte” (Psalm 90: l); die heilige en hemelse verblijfplaats, welke de Heere beloofde door de profeet: “Ik zal hen tot een heiligdom zijn in de landen waarin zij gekomen zijn” (Ezech. 11: 16). Toegang tot God in onze bekommeringen, een schuilplaats in Zijn boezem tegen elke storm – dit is het bijzondere voorrecht van een kind.
Tot zulken spreekt Hij in die genadige woorden: “Ga heen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers en sluit uw deuren achter u toe; verberg u als een kleinen ogenblik, totdat de gramschap overga” (Jes. 26: 20).
d. Het kind heeft ook een zitplaats aan des Vaders tafel. Wat ook de spijzen zijn mogen, hetzij weinig of veel, hetzij lekkernij of burgerlijk, het kind heeft een plaats aan des vaders dis. Zo is het met deze kinderen Gods. God heeft Zijn tafel volop voorzien van elke evangelische lekkernij; daar is brood dat uit het fijnste der tarwe is bereid, “het levende brood dat uit de hemel neergedaald is, opdat men daarvan zou eten en niet sterven;” daar is honig uit de steenrots; daar is de uitgelezenste en zoetste melk om de zuigeling te voeden; daar is vaste spijze om de man te verzadigen.
Er bestaat geen enkele lekkernij die de zwakste eetlust kan prikkelen, noch de stevigste spijze die de onverzadelijkste honger kan voldoen, die God niet op Zijn hemelse tafel uitgespreid heeft. De zoete beloften, de aanmoedigende uitnodigingen, de heerlijke waarheden, de heilige voorschriften, de plechtige ordinantiën en, hetgeen alles bekroont, leven aan alles geeft en de slotsom en het wezen van alles is: het vlees en het bloed van Zijn dierbare Zoon, zijn de spijzen, waarmee God overvloediglijk Sion heeft gezegend. Er, Hij die het feest toebereid heeft, zegt: “Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van de wijn dien Ik gemengd heb” (Spr. 9: 5). ja, Jezus zelf verkondigt van het hoofd des tafels: “Eet, vrienden, drinkt, ja wordt dronken, o liefste”. Het kind komt gelijk een kind; het vindt de tafel voor hem toebereid zonder zijn zorg of nagedachte, zonder zijn arbeid of kosten.
O hoe zoet is het, als wij in dien kinderlijken geest kunnen neerzitten en nuttigen van dat hemelse voedsel; wanneer wij zonder vrees, dienstbaarheid, of ongeloof, zonder donkerheid, dorheid en dodigheid het woord des levens kunnen opnemen, en, het geloof mengende met hetgeen wij lezen, soms de melk drinken, soms de vaste spijze nuttigen, soms een teug evangeliewijn nemen, of proeven van de honig uit de rots. Deze geestelijke honger naar geestelijk voedsel; dit zitten onder de schaduw van Jezus met groten lust, en zijn vrucht zoet vindende voor het gehemelte (Hoogl. 2: 3), is een zeker getuigenis van onze aanneming onder de huisgenoten Gods.
e. Een ander voorrecht van een kind is een erfgenaam te zijn. “En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.” Ons kindschap eindigt niet met dit leven, maar duurt voort tot in alle eeuwigheid. Dit is inderdaad de bijzondere gelukzaligheid van een kind Gods te zijn, dat de dood, die de hoop en gelukzaligheid der mensenkinderen ten enenmale uitblust, hem de vervulling schenkt van al zijn hoop en de voltooiing van zijn gehele gelukzaligheid; want hij stelt hem in het bezit van “een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard wordt voor diegenen die in de kracht Gods bewaard worden door het geloof tot de zaligheid” (1 Petr. 1: 4, 5). In dit leven hebben wij somwijlen teugen en voorsmaken van het kindschap, die inderdaad zwak en afgebroken zijn, zodat het bij ons is, gelijk Hart zegt:
Schoon gij weinig hier geniet,
Nauw’lijks spijs
Tot bewijs
Van uw aandeel in ’t verschiet;
toch zijn zij in zoverre pleitgronden voor een toekomende erfenis. Maar dit leven is slechts een inleiding tot een beter. In dit leven zijn wij slechts kinderen, wel erfgenamen, doch erfgenamen in hun minderjarigheid, maar in het toekomende leven zullen wij, zo wij waarlijk zijn wat wij belijden te zijn, zonen en dochteren van de Almachtigen Heere, in het volle bezit van de eeuwige erfenis gesteld worden. En welke is deze? Niets minder dan God zelf. “Erfgenamen van God,” zegt de apostel. Want gelijk de Heere tot Abraham zei: “Ik ben u een schild, uw loon zeer groot,” en gelijk Hij zei tot de Levieten: “Ik ben hun erfenis,” zo is God zelf de erfenis van Zijn volk; ja Hij zelf, in al zijn heerlijke volmaaktheden.
Al de liefde Gods, de goedertierenheid Gods, al Zijn gelukzaligheid, heil, en zegen, al Zijn macht, majesteit en heerlijkheid, als uitblinkende in de Persoon van Zijn dierbare Zoon in al de glans van enen eeuwige onbewolkte dag – dit is de erfenis der heiligen. Laat ons dan niet nalatig zijn in weldoen, noch bezwijken en vermoeid zijn van te lopen de loopbaan die ons is voorgesteld met deze prijs in het oog; maar voortjagen door het geloof en het gebed om deze eeuwige en heerlijke kroon deelachtig te worden.
f. Maar ik moet er een voorrecht van het kindschap bijvoegen, en dit is gehoorzaamheid. Als wij kinderen Gods, zonen en dochteren van de Almachtigen Heere zijn, is het ons voorrecht gehoorzaam te zijn aan de wil van onze hemelse Vaders, en zulks uit het hart. Het is een van onze rijkste genaden en edelste voorrechten om Hem geen ogendienst, de ellendige dienstbaarheid eens slaafs, maar die vrijwillige gehoorzaamheid te bewijzen, welke Hem toekomt als de Vader van het kind. Gij kent het verschil tussen de blijmoedige gehoorzaamheid van een beminnelijke dochter of enen dienstwillige zoon, en de gedwongen gehoorzaamheid van enen ellendigen slaaf.
De een is vrijwillig, hartelijk, liefderijk, vrij en wordt als zodanig aangenomen; de andere wordt door vrees afgeperst, of ten uitvoer gebracht met een oog op de beloning. Gehoorzaamheid aan de voorschriften van het evangelie, de wil van God van hart te vervullen, te leven tot Zijn eer en heerlijkheid, dagelijks te wandelen in de vrees des Heeren, Zijn volk lief te hebben en hun welzijn te zoeken, en de kracht der levende godzaligheid te openbaren door een zachtmoedig, stil, heilig leven en wandel, zijn zovele gezegende kenmerken en bewijzen van een aanneming onder de huisgenoten Gods.
g. Een dagelijks kruis, een weg van beproeving en verdrukking, een kastijdende roede voor het afdwalen, een oven der loutering, het schuim en tin zuiverende, en haar vruchten, als ware nederigheid des gemoeds, verbrokenheid van het hart, verootmoediging des geestes, en teerheid des gewetens voortbrengende, met veel walging en verfoeiing van zichzelf, goddelijke droefheid over de zonde en ernstige begeerte naar innige en heilige gemeenschap met God deze zijn andere voorrechten van het kindschap, inderdaad wel niet hoog geschat noch begeerd door de belijders van onze dagen, maar gezegende kenmerken van een hemelse geboorte. In het zien op deze voorrechten en het vergelijken van uw bevinding met dezelve, zult gij er wellicht sommigen vinden, die u aanmoedigen en anderen die u ontmoedigen.
Wij willen niet bedrogen worden; wij willen eerlijk zijn voor God en voor ons eigen geweten; en daar wij ons niet kunnen toeëigenen wat de Heere niet geeft, en onze bewijzen dikwijls zo verdonkerd of buiten het gezicht zijn, zo zijn de tijden menigvuldig, waarop wij niet kunnen opklimmen in het zalige genot van onze aanneming in het levende huisgezin.
III. Maar ik ga over tot het derde punt dat ik ter overweging heb voorgesteld, de grove onkunde der wereld aangaande wie of wat deze kinderen Gods zijn: daarom kent ons de wereld niet”.
Wat wordt hier door “de wereld” bedoeld? al die geen deelgenoten zijn van de genade Gods, al die in hun natuurlijke toestand verkeren van dood in zonden en misdaden. Sommigen van deze behoren tot de openbaar goddelozen, andere tot de belijdende wereld. Maar het is waarheid van beiden, dat de wezenlijke hoedanigheid en voorwaarden, de staat en stand, de vreugde en droefheden, genade en ellende, beproevingen en overtredingen, hopen en vrezen, louteringen en vertroostingen van de kinderen Gods geheel voor hun ogen verborgen zijn. Maar wij zullen dit meer duidelijk zien door een weinig dieper in te dringen in hetgeen alzo verborgen is van de kennis en de opmerkzaamheid der wereld.
1. Zij weet het niet dat zij kinderen Gods zijn. Zij weet niet hoe grote liefde de Vader hun gegeven heeft, dat zij kinderen Gods genaamd zouden worden. Zij gelooft dat God alle mensen evenzeer liefheeft, dat iedereen die wil een kind Gods kan worden; dat God zich als enen Vader aanbiedt aan allen zonder onderscheid en dat zij, die dat offer willen aannemen op eenmaal Zijn kinderen worden. Zij hebben er geen denkbeeld van, dat God Zijn liefde aan enige bijzondere personen betoont, en hen Zijn kinderen noemt. Niets maakt hun verontwaardiging meer gaande, dan dat enige weinige, arme, onkundige en verachte lieden durven te geloven en zich kinderen Gods zouden noemen; alsof zulk een gunstbewijs in het bijzonder aan hen toekwam en aan hen alleen. Hoe kan dus de wereld hen kennen, als zij begint met hun hemels kindschap te ontkennen?
2. Zij kent hun zegeningen niet. Onkundig zijnde aangaande de geestelijke dingen, geen begrip of bevatting hebbende van goddelijke wezenlijkheden, kent zij daarom deze rijke, deze bijzondere zegeningen niet, waarmee God Zijn volk gezegend heeft in de hemel in Christus Jezus (Efeze 1: 3). Zij weet, bijvoorbeeld, niet wat het zegt, gezegend te zijn met een kennis van Gods tegenwoordigheid, met een openbaring Zijner liefde, met een betoning Zijner genade, met een ontdekking van de Persoon en het werk, de genade en heerlijkheid van Zijn dierbare Zoon.
Evenmin heeft zij enige kennis van die bijzondere gunsten, die Gods volk zo ernstig begeren, zo zij niet in derzelver onmiddellijk genot verkeren. Zij kent niets van het hijgen van een levende ziel naar Gods tegenwoordigheid; van haar dorsten naar Hem gelijk het hert dorst naar de waterstromen, van haar verlangen om Zijn macht en heerlijkheid te zien, gelijk zij Hem gezien heeft in het heiligdom. En gelijk zij niets weet van geestelijk bidden en smeken, zo kent zij niets van geestelijke antwoorden. Zij kent daarom niets van de vreugde van vergeven zonden; van de uitstorting der liefde Gods in het hart door de Heilige Geest; van een verlossing van de vloek der wet, de schuld en de prikkel der zonde en de vrees des doods.
Zij kent niets van de zalige ontsluiting der Schriften der waarheid met kracht aan de ziel; van de toepassing der beloften aan de vermoeiden geest; van toenadering tot God in verborgen smeking door Zijn dierbare Zoon; of in enen tijd van bijzondere beproeving en verzoeking, een getuigenis te verkrijgen dat de bede gehoord en aangetekend is en ter bestemder tijd zal worden vergund. Zij kent niets van enig vertederen, verbrijzelen of beweging van het hart onder het gepredikte woord; van enige toegang door het geloof in de heerlijke verborgenheden van het evangelie, teneinde hun herscheppende uitwerking te ondervinden en hun onderwerpende, heiligende kracht en invloed te gevoelen. Deze zegeningen en vele anderen – in kort, al de geestelijke zegeningen, waarmee God Zijn volk gezegend heeft, kent de wereld niet, daarom kent zij ons niet.
3. Evenmin kent de wereld de drijfveren en gevoelens welke de kinderen Gods besturen en bewegen. Zij beschouwt hen als een tal sombere, stuurse, zwaarmoedige wezens, wier gemoederen doorzuurd zijn door valse en vergrootte godsdienstbeschouwingen; die de gedachten van hel en hemel zo lang hebben bezien, totdat sommigen zich aan de wanhoop overgeven en anderen hun ijdele gemoederen hebben verheven met een ingebeeld bedrog alsof zij de bijzondere gunstelingen des Almachtigen waren. “Zij zijn waarlijk,” zegt zij niet beter dan andere mensen, indien ook al zo goed; maar zij hebben zulk een afgetrokken gemoed, zijn zo stug en afgodisch met hun arme, enge, bevooroordeelde begrippen, dat zij, waar zij komen, tweedracht en verwarring brengen”.
Maar waarom dit harde oordeel? Omdat zij niets weet van de geestelijke beweegredenen, die een kind der genade bezielen, die hem zo verschillend van de wereld doet handelen welke hem dus veroordeelt; zoals de vrees Gods in zijn hart, “als een fontein des levens om te ontwijken de strikken des doods,” zoals de heilige eerbied welke hij heeft voor de naam des Allerhoogste, als diep in zijn geest gedrukt; zoals de vrees van de Majesteit van de hemel te beledigen door in te willigen in vermaken, die de wereld onschuldig noemt, maar die hij, uit het getuigenis, van het Woord en uit zijn eigen bevinding, weet dat uitgevoerd worden met gevaar van zijn ziel.
Zij weet niets van wat het is God te aanbidden in geest en in waarheid; en kan daarom niet verstaan waarom wij ons van allen valse godsdienst afscheiden en geen geestelijken dienst willen vermengen met natuurlijke vroomheid, of hand in hand sluiten met hen die God dienen met hun lippen, en de satan in hun wandel. Zij kan ons inzicht en kennis van de ontzettende zondigheid der zonde niet verstaan en dat is de oorzaak waarom wij niet met hen in dezelfde richting der goddeloosheid in het wild willen rondslaan. Zij weet niet met welk een plechtig gewicht de eeuwige dingen op ons gemoed drukken; en dat dit de oorzaak is, waarom wij ons niet met hen kunnen verenigen in het zo gretig najagen van de dingen der wereld en het leven voor de tijd gelijk zij doen, in plaats van te leven voor de eeuwigheid.
Niet in staat zijnde om in te dringen in de geestelijke beweegredenen en genadige gevoelens, die een levende ziel bezielen, zo min als in de bewegingen des goddelijke levens, die voortdurend de boezem eens Christens in beweging brengen, beoordelen zij ons natuurlijk uit hun eigen beschouwingspunt en veroordelen wat zij niet verstaan kunnen. Gij kunt twee lieden op enen schonen bergtop plaatsen, met een uitgestrekt en schoon uitzicht voor hen. De een mens, lusteloos en ongevoelig, zonder een vonk van smaak voor schoonheid of vergezichten, gelijkt enen Fransman van wie ik gelezen heb, die toen hij de Alpen overtrok, zijn ogen sloot en bevende in zijn rijtuig zat, want hij kon het niet verdragen om te staren op die ontzettende afgronden en huiveringwekkende ijskegels, die zich in stille majesteit, rondom hem vertoonden.
O neen, hij zou liever opgesloten zijn geworden in een van die ellendige koffiehuizen in Parijs, dan dit gehele heerlijke bergtoneel voor zijn ogen gesteld hebben. Hoe onmogelijk voor hem om het gevoel te verstaan van zijn medereiziger, enen romantische Engelsman, die nauwelijks adem kan halen van verlustiging en verrukking. Op een dergelijke wijze kunnen wereldse lieden niet beter begrijpen, waarom wij genoegen kunnen smaken in een lang leerrede te horen, of het woord van God te lezen, of op onze knieën te zijn in het verborgen gebed, of een heilige verlustiging te vinden in de dienst des Almachtigen, dan deze arme Fransman de schoonheden van het Alpengebergte kon begrijpen, of dat iemand genoegen kon scheppen in het beschouwen van meer en berg, wilde pracht of neerstortende waterval, die hem deden beven.
Gij kunt een paard en een mens op dezelfde heuvel plaatsen, terwijl de man zou staren op de bossen en weiden en stromen, of, zo bij een christelijk mens is, werkzaam zijn in gebed en smeking tot zijn goddelijke Schepper, zou het paard aan zijn voeten op het gras weiden. Behoeven wij ons even zowel te verwonderen dat, als een mens niet kan indringen in de goddelijke bewegingen van de heiligen Gods, zij verachten en veroordelen wat zij niet kennen? Als het paard spreken kon, zou het zeggen: “Welk een dwaas is mijn meester! Boe staat hij rond te staren en rond te gapen! Waarom gaat hij niet neerzitten en doet zijn mandje met spijzen open, want ik weet dat hij het bij zich heeft, want ik heb het gedragen, en eten gelijk ik doe?”
Zo zegt de wereldling: “Die arme, domme mensen, hoe brengen zij hun tijd door met naar de kerk te gaan en de bijbel te lezen op hun sombere, ongelukkige manier. Godsdienst is zeer goed en wij moeten allen godsdienstig zijn eer wij sterven, maar zij maken er zoveel werk van. Waarom genieten zij niet meer van het leven? Waarom vermaken zij zich niet meer met haar onschuldige, onschadelijke genoegens, waarom zijn zij niet vrolijker, opgeruimder en vriendschappelijker, en stellen meer belang in de dingen, die ons zoveel belang inboezemen?” De reden waarom de wereld zich zo over ons verwondert is, omdat zij ons niet kent, en daarom niet kan begrijpen, dat wij verhevener gevoelens, edeler genoegens en meer blijvende verlustigingen hebben, dan immer in de ziel van enen wereldling opkwamen.
IV. Maar wij komen nu tot de verklaring der verborgenheid. Wij behoeven ons niet te verwonderen over de grove onwetendheid der wereld, en dat zij ons niet kent, want onze tekst verklaart: zij kent Hem niet.
Het woord “Hem” wijst duidelijk op de Heere Jezus Christus; want toen Hij in de wereld was, kende de wereld Hem niet. Maar wij kunnen het woord ook nemen als toepasselijk op de Vader, want in de tekst wordt van de Vader gesproken: “Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft”. -1Vat weet de wereld van de God en Vader van onze Heeren Jezus Christus? Heeft zij enige vrees voor Zijn groten en heerlijke naam? Heeft zij enig geloof in Hem? Enige liefde tot Hem? Enige vrees van Hem te mishagen? Heeft zij enige kennis van de rechtvaardigheid Gods in het veroordelen, enig bewustzijn van Zijn genade in het vergeven der ongerechtigheid, overtreding en zonde?
Wij weten, uit het getuigenis der Schrift, en uit de dagelijkse opmerking, dat terwijl de mens dood is in de zonde, met een deksel van ongeloof over zijn hart gespreid, hij God niet kent noch kennen kan; want Hem te kennen is een zegening van het Nieuwe Verbond: Jij zullen Mij allen kennen, van hun kleinsten tot hun grootste” (Jer. 31: 34); en het is het eeuwige leven tevens, want: “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige god” (Joh. 17: 3). Zij mogen wel “belijden dat zij God kennen; maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam en tot alle goed werk ondeugende” (Titus 1: 16). Behoeven wij ons dan te verwonderen dat zij ons niet kent, als zij Hem niet kent?
Evenmin kende de wereld de gezegende Heere toen Hij bier beneden rondwandelde als het ware beeld des Vaders. “Hij is gekomen tot het Zijn, en de Zijn hebben Hem niet aangenomen.” Zij verachtten zijn woord; zij versmaadden Zijn boodschap en haatten Hem en de Vader die Hem zond. Zij kroonden Zijn hoofd niet een doornenkroon, zij sloegen Hem en bespotten Hem en onthielden zich niet van in Zijn aangezicht te spuwen; zij brachten Hem buiten de grenzen van Jeruzalem naar de gemene, afschuwelijke gerichtsplaats, daar nagelden zij Hem als een boosdoener aan een vloekhout.
En waarom? Omdat zij Hem niet kenden. Gelijk de apostel zegt: “Welke niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft; want indien zij Hem gekend hadden, zo zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben” (1 Kor. 11: 8). Als dat dan de manier was waarop de wereld Gods eniggeboren Zoon behandelde, toen Hij in de wereld kwam; als de enige ontvangst, welke zij de Heere des levens en der heerlijkheid gaf, was Hem uit de weg te ruimen als een gehuwde boosdoener, behoeven wij ons dan te verwonderen als de wereld, die Hem niet kende, ons niet kent?
Als wij volgelingen van Christus zijn en gelovigen in de Zoon van God; als wij Zijn gemoed en gestaltenis bezitten, in Zijn voetstappen wandelen en Hem gelijkvormig worden gemaakt door wederbarende genade, behoeven wij ons dan te verwonderen als de wereld even onkundig omtrent ons is, als zij dat van Hem was? Moeten wij gekend worden en onze Meester ongekend zijn? Moeten wij worden geëerd en onze Heere veracht? Moeten wij toegejuicht en onze Koning gesmaad worden? Moeten wij bemind worden en onze Verlosser geschuwd? Moet de wereld ons beter behandelen dan zij Christus behandelde? Maar gij zult zeggen: “Dat is een verheven grondslag nemen”.
Dat is zo, maar kunnen wij een lager grond nemen, zo wij er in het geheel een nemen? Wij zijn of kinderen Gods, of wij zijn het niet. Indien wij het zijn, dan kent ons de wereld niet; zijn wij het niet, dan kent de wereld ons en alles van ons. Sommigen van Uw bent met al uw belijdenis, op die plaats. De wereld kent u; want gij bent met haar verenigd, mee in wandel en geest. Zij weet daarom alles aangaande u. Uw inwendige aard is niet verborgen voor haar scherpe, opmerkzame ogen. De wereld kent goddeloosheid, maar zij kent geen godzaligheid; zij kent bijgeloof, maar niet het aanbidden van God in de geest; zij kent ongeloof, maar geen geloof; vertwijfeling, maar geen goede hoop door genade; wereldse vermaken, maar geen juichen in Christus Jezus, zelfvertrouwen, maar niet het wantrouwen in het vlees.
Zij kent de liefde der zonde, maar niet de liefde der heiligheid; de vrees die pijn heeft, maar niet de liefde die ze uitdrijft; de prikkels en striemen van een schuldig geweten, maar niet het bloed der besprenging om het te reinigen en te genezen. De wereld dan, zal u geheel doorzien als gij met haren geest bezield bent; maar zo gij de Geest van Christus bezit, kent zij u niet omdat zij Hem niet gekend heeft. ja, hoe meer gij gelijkvormig wordt gemaakt aan het beeld van Christus, hoe meer gij uw kindschap openbaart door uw gehoorzaamheid, hoe meer gij van de wereld afgescheiden bent, hoe minder zij u zal verstaan.
Als wij nauwer bij de Heere bleven en meer in heilige gehoorzaamheid aan de voorschriften van het evangelie wandelden, zouden wij zelfs nog meer misverstaan worden dan wij nu zijn. Het is onze gelijkvormigheid aan de wereld, die teweeg brengt dat de wereld vele van onze bewegingen en daden zo goed verstaat. Maar als onze bewegingen meer overeenkomstig de zin van Christus waren; als wij meer wandelden, gelijk de Heere hier beneden wandelde, zouden wij de wereld in grotere onkunde, aangaande ons, laten dan wij zulks nu doen; want de verborgen drijfveren van ons leven zouden meer buiten haar gezicht zijn, ons getuigenis tegenover haar meer beslist, en onze scheiding van haar meer volkomen.
Ik heb de wondervolle liefde Gods voor u opengelegd. Hebt gij ze immer gevoeld? Ik heb u de bijzondere zegeningen en voorrechten der kinderen Gods voorgesteld. Hebt gij ze immer genoten? Ik heb u aangetoond waarom de wereld ze niet kent. Gevoelt gij dat gij in uw boezem iets bezit dat de wereld niet kent, maar dat u in hart en geest van haar afscheidt? Ik heb u de oplossing der verborgenheid voorgesteld, en dat het is, omdat de wereld noch de Vader noch de Zoon kent. Gevoelt gij, dat gij die kennis bezit van de enige waren God en van Jezus Christus dien Hij gezonden heeft, hetwelk het eeuwige leven is?
Mag Hij, zo het Zijn heilige wil is, ons meer doen kennen van Zijn verbazende liefde, meer ons aandeel daaraan doen gevoelen, mag Hij onze harten meer verwarmen met haar koesterende stralen en ons leven meer onder haren dringenden invloed brengen!
Amen.
Preached at North Street Chapel, Stamford, on Lord’s Day Morning, Jan. 31, 1864
“Behold, what manner of love the Father hath bestowed upon us, that we should be called the sons of God: therefore the world knoweth us not, because it knew him not.” — 1 John 3:1
The life of John, the beloved disciple, was, by the express wisdom and goodness of God, prolonged beyond the space allotted to his fellow apostles. Church history informs us that he lived to be nearly one hundred years old; and Jerome, one of the ancient Church Fathers, as quoted by Milner, records a pleasing incident of him at that advanced period of life, which is so much in harmony with his general character that it seems to deserve our credence better than most of the current traditions concerning him. It is this. When he was too old and infirm to walk, he was carried into the assemblies of the Christians at Ephesus, and there he confined himself to these few simple words of exhortation: “My children, love one another.” But I intimated that it was by the express wisdom and goodness of God that his life was so long spared; and now I will tell you my reason for drawing this conclusion. Satan, when he found he could not overthrow the Church of Christ by violence, changed his plan, and sought to subvert it by treachery. He therefore raised up in almost all directions, where there were churches of Christ, a set of vile characters, men erroneous in doctrine and ungodly in life, who sprang up as tares in the fields of wheat. To us it seems scarcely credible that within thirty or forty years after our Lord’s death and resurrection there should start up in the churches such characters as Jude and Peter describe with their graphic pens. Hear Jude’s description of many members of Christian churches in his day, which, taking the Bible date of the Epistle, A.D. 66, was but 33 years after the ascension of Jesus – a shorter space of time than I have professed to be a servant of Christ. “For there are certain men crept in unawares, who were before of old ordained to this condemnation, ungodly men, turning the grace of our God into lasciviousness, and denying the only Lord God, and our Lord Jesus Christ.” “These,” he adds, “are spots in your feasts of charity, when they feast with you, feeding themselves without fear: clouds they are without water, carried about of winds; trees whose fruit withereth, without fruit, twice dead, plucked up by the roots; raging waves of the sea, foaming out their own shame; wandering stars, to whom is reserved the blackness of darkness for ever.” (Jude 4, 12, 13.) What strong, what emphatic language! And yet the Church of Christ at that early period was pestered with these infamous characters. You will find equally strong language concerning them in the second epistle of Peter written about the same time. And even Paul, a year or two before the same period, denounces similar characters in terms not much less severe: “For many walk, of whom I have told you often, and now tell you even weeping, that they are the enemies of the cross of Christ: whose end is destruction, whose God is their belly, and whose glory is in their shame, who mind earthly things.” (Phil. 3:18, 19.) And again: “For there are many unruly and vain talkers and deceivers, specially they of the circumcision: whose mouths must be stopped, who subvert whole houses, teaching things which they ought not, for filthy lucre’s sake. They profess that they know God; but in works they deny him, being abominable, and disobedient, and unto every good work reprobate.” (Titus 1:10, 11, 16.)
Now what a mercy it was that John should have been spared to witness not only the introduction of these ungodly characters into the professing church but their full development; that he, who had been an eye-witness of the Lord’s glory on the mount of transfiguration; who had viewed his agony in the garden; who had stood by him when expiring on the cross, and marked the blood and water gush from his pierced side; who had seen and handled him after the resurrection, and had beheld his ascension from Bethany, should have been spared to witness all these evils introduced into the primitive churches; for he was thus enabled, towards the close of his life, by the grace of God and the inspiration of the Holy Ghost, to testify, with all the greater power and authority as an eye-witness, against these evils and these errors. The “grievous wolves,” for instance, that Paul prophesied should enter in among them at Ephesus (Acts 20:29) were there before his eyes, “not sparing the flock.” And so with other churches, such as Pergamos and Thyatira. The men and their evil ways and works were not shadows in the future, like the beast with seven heads and ten horns, but were then living, moving, and working in the churches with all their craft and hypocrisy, all their errors and heresies, all their wantonness and wickedness. God, therefore, preserved him so long in life that, as his last New Testament witness, he might deliver a standing testimony against those errors and evils which afflicted the early churches. If we had a fuller knowledge of these errors and evils we should see that John’s testimony was particularly directed against them. We should see why he was specially led in his gospel to testify so plainly to the Deity and eternal Sonship of Jesus, truths which these heretics denied; and to preserve so carefully the exact discourses of the blessed Lord, in which he asserted his essential oneness with the Father as the Son of God, and yet the reality of his flesh and blood as the Son of man. So in his Epistles, and especially in the first and longest of them, we should see how in every verse he denounces some vile error or declares some important truth. Well may we say that upon it are inscribed, as with a ray of light, these three conspicuous features: truth, holiness, and love. How, for instance, he testifies for the truth by setting before us the essential Deity, the eternal Sonship, and the propitiation made for sin by our blessed Lord! How he treats of his advocacy with the Father, as Jesus Christ the righteous, and assures us that his blood cleanseth from all sin! How he denounces error with most trenchant pen, cutting off those who hold it as men devoid of the grace of God, and bidding us take heed of them, and not even receive them into our houses or bid them God speed! And is not holiness the very breath of the epistle? How he tells us that he who is blessed with a good hope through grace of seeing Jesus as he is purifies himself even as He is pure. (1 John 3:3.) How he warns us against loving the world or the things that are in the world. (1 John 2:15.) How he seeks to lead us up to have “fellowship with the Father and his Son Jesus Christ” (1 John 1:3); declares that “he who saith he abideth in him ought himself also so to walk even as he walked;” and lays it down as a practical test of the new birth: “If ye know that he is righteous, ye know that every one that doeth righteousness is born of him.” (1 John 2:29.) Nor need I say with what a glorious flood of heavenly love this epistle is bathed. The love of God in Christ to us in sending his Son to be the propitiation for our sins; the love of Christ in laying down his life for us; the love which we should have to him and to each other – is not this divine and heavenly love in its mountain and its streams, in its communication and in its claims, in its living fruits and practical effects, the very animating breath of the whole epistle? The love of God, softening and melting his heart, seems to have touched his pen as with a double measure of holy force and fire, so that we may almost say, if truth be the body, and holiness the soul, love is the spirit of this blessed epistle.
Without further introduction, I shall at once approach our text; and I think we may see in it four distinguishing features:
– First, the wondrous love of God: “Behold, what manner of love the Father hath bestowed upon us.” – Secondly, the amazing blessings and privileges of God’s people: “that we should be called the sons of God.” – Thirdly, the gross ignorance of the world: “therefore the world knoweth us not.” – Fourthly, the explanation of the mystery: because it knew him not.”
I. – Our text commences with a “Behold.” Let us not pass by this; for is it not as if John would summon us to behold a wondrous sight? Is it not as if he would call up our sleeping graces and animate every faculty of our renewed mind, to gaze upon the stupendous miracle which he sets before our eyes? “Behold, what manner of love!” This call upon us to come and look seems to remind us of the various appearances of God in the Old Testament, when he suddenly and unexpectedly manifested himself as a God of love or power; as, for instance, when he appeared to Abraham in a vision of the night with those gracious words: “Fear not, Abram: I am thy shield and exceeding great reward.” (Gen. 15:1.) It may also remind us of the wondrous appearance of the Lord to Moses when he was keeping the flock of Jethro, his father-in-law, in the desert, when “the angel of the Lord appeared unto him in a flame of fire out of the midst of a bush;” and as he drew near to behold the marvellous sight, God spake to him out of the burning bush – wondrous type of the ever-blazing Deity of our gracious Lord, and yet of his pure, unconsumed humanity in the most intimate union with it! This call of “Behold” seems to remind us also of Ezekiel, when sitting “amongst the captives by the river of Chebar, on a sudden the heavens were opened and he saw visions of God.” (Ezek. 1:1.) May it not also call to our mind the vision of Isaiah, when he saw “the Lord sitting upon a throne high and lifted up, and his train filled the temple?” (Isa. 6:1), or of Daniel, solitary and mourning by the river Hiddekel, when lifting up his eyes “he looked and beheld a certain man clothed in linen, whose loins were girded with fine gold of Uphaz?” (Dan. 10:5.) It may also serve to remind us of John himself when in the Isle of Patmos he heard a great voice, and turned and saw one like unto the Son of Man in the midst of the seven golden candlesticks. (Rev. 1:10, 13.) As all these appearances were unexpected displays of the Lord in his grace and in his glory, so when holy John says in our text “Behold,” it is as if he would rouse up our sleeping graces and bid us behold with eyes of faith and affection a stupendous sight not less marvellous than these appearances of God in the days of old.
Now what is this stupendous sight which John bids us here behold? “What manner of love the Father hath bestowed upon us.” It is not merely what love, but what “manner” of love. Thus he would bid us contemplate the love of God under that particular form and in that peculiar manner in which God has revealed and made it known to the sons of men. In pursuance, then, of this godly counsel, I think we may contemplate this love under these three points of view: – 1, In its nature; 2, In its manifestation; 3, And in its communication.
i. Look, then, first, at the love of God in its nature – what it is in itself, as a pure Fountain, distinct from its streams and effects; and I think we shall see certain peculiar features stamped upon it as such, enabling us to say, “Behold what manner of love.”
1. First, it was self-originating. Love, if we have any to the Lord and to his people, is God’s gift and grace; it does not dwell naturally in our hearts, but its source and spring are from above; but love in the bosom of God dwells in him as one of his glorious, underived perfections. It gushes, therefore, freely out of his bosom, as a river springs out of a mountain side, without any call from earth, without any invitation from man. Whence come three of our noblest rivers – the Rhine, the Rhone, and the Danube? All spring from the bosom of the same mighty Alps, a few leagues only from each other, whence they flow each in its own direction to gladden and fertilise every land to which they come. So the love of God to his people gushes forth from his own bosom unsought, unasked, undeserved, but carrying a blessing wherever it flows.
2. It was also eternal. No change can take place in the mind of God. No new plans, no fresh purposes, no unthought-of schemes can enter the mind of him who is One eternal NOW – the great self-existent I AM. His love, therefore, like himself, must be equally eternal. It had no beginning, as he had no beginning; and it will have no end, as he had no end. Well may we pause before so stupendous a sight, as Moses at the burning bush, and gather up every faculty of our soul to listen to the words with solemn admiration which he spoke by his prophet: “The Lord hath appeared of old unto me, saying, Yea, I have loved thee with an everlasting love: therefore with loving-kindness have I drawn thee.” (Jer. 31:3.) If, then, you are asked, Why is God’s love eternal? all you can answer is, Because it is the love of God who is eternal. And if you are farther asked, “How do you know that God has from all eternity loved you?” all you can reply is, “Because with loving kindness he has drawn me.” This is the solution to the question whether in doctrine or experience; we can give no other.
3. But being eternal it must be infinite, for God is infinite; and as he is love in name and nature, his love must be the same as all his other gracious and glorious perfections, all of which like himself are infinite. But what a wondrous mercy it is for the Church of God that his love is thus infinite. To see this point more plainly, look at two other perfections of God in their infinity – his wisdom and his power. First look at his wisdom, and see how it is displayed on every side in creation. See in what infinite wisdom the Lord has ordained and arranged everything in the visible creation, adapting each part to the other with all the perfection and finish of an exquisite machine. The sun moving in its daily orbit; the moon walking in her midnight brightness; the succession of seasons; the multiplicity of animals upon the face of the earth; each one of them a miracle in its formation, propagation, and provision – what proofs before our eyes do all these daily wonders afford us of the infinite wisdom of God. And do they not also give us equal proofs of his infinite power? If, then, his wisdom and his power are thus shown to be infinite, is it not equally true of his love? Now the peculiar blessedness of this love as being infinite is that as such it includes all the saints of God in one universal embrace. It is like his wisdom and his power in nature. In creation, there is nothing too great and nothing too small to display the infinite wisdom and power of God. There is as much wisdom and power in the creation of the trunk of a bee as of the trunk of an elephant; in the making of the sting of a wasp as of the claw of a tiger; in the formation of the eye to see the light of the sun as in the formation of the sun to give light to the eye. Now what is true in creation is true in grace; what is true of God’s wisdom and power is true of his love. Do but apply this. You may think yourself too insignificant a creature or too sinful a wretch for God’s love to embrace. But as his love is infinite, it embraces with equal strength all the elect of Christ; and if you are so blessed and favoured as to be amongst the number of those whom God from all eternity has loved, his love reaches down to you who are less than the least of all saints as much as his wisdom and his power to the smallest of his creatures.
4. But being infinite, this love is also inexhaustible; and this is another blessed object of contemplation in looking at “the manner” of God’s love. We should soon have drained it dry were it not an inexhaustible fountain. Look at the millions of God’s redeemed family, whether glorified spirits in heaven or still sojourning upon earth, or still to be born in the process of time. How inexhaustibly the love of God has been flowing forth for ages to every one of those countless millions. As an emblem of this inexhaustible love, look at the sun; think of the ages for which it has shone unexhausted and inexhaustible; consider the millions and millions of beams which it has cast upon the earth; the thousands of crops which it has ripened, the millions of fruit it has brought to perfection; and yet it shines still. It shines to day as it shone 6,000 years ago; and it will not cease to shine till he who made it what it is bids it cease to be. So with the love of God: it has shone into the hearts of millions; it has been the spring of all their happiness and the source of all their fruitfulness; their joy in life, their support in death, their bliss in eternity. Their sins have not worn it out, nor their backslidings exhausted it; for its very nature is to be unexhausted, inexhaustible.
5. It is, therefore, unchangeable. God does not love to day and hate to morrow. His own words are: “I am the Lord, I change not; therefore ye sons of Jacob are not consumed.” (Mal. 3:6.) It is most contrary to the revelation which God has given of himself in the Scripture as “resting in his love” (Zep. 3:17); as “being of one mind and none can turn him” (Job. 23:13); as “one with whom is no variableness, neither shadow of turning” (James 1:17): to think that after he has once fixed his love upon any of his people, he should repent of that love and take it away from them as being unworthy of it. “The gifts and calling of God,” we are expressly told, “are without repentance” (Rom. 11:29); that is, God never repents of the gifts of his love and grace, and the calling which is the fruit of them. Did not the Lord know from all eternity what his people would be? Did he not know that, as Moses said to the children of Israel, they would be “a stiff-necked people,” provoking him continually to his face? And yet he says of them: “If heavens above can be measured, and the foundations of the earth searched out beneath, I will also cast off all the seed of Israel for all that they have done, saith the Lord.” (Jer. 31:37.) The immutability of his love is the foundation of all our hope; for we well know if our sins and backslidings could turn this love away we soon sink to rise no more. But this is the consolation of the family of God, that his love is as immutable as his own eternal essence. Thus far then have I endeavoured to describe the nature of God’s love; but O, how weakly and imperfectly have I set it forth!
ii. I now, then, pass on to consider the two other peculiar features of this love, viz., its manifestation and its communication; and I think I shall do this best by coming at once to the second branch of my subject in which they more conspicuously appear:
II. – The amazing blessings and privileges of God’s people in being called the sons of God.
i. God loved his people from all eternity, but he loved them only in Christ. This must ever be borne in mind, or we shall make sad mistakes in this important matter. If God loved you, it is not because he saw anything in you to love. He does not only love you as the mere creature of his hand, for that you share in common with your fellow men; for you must bear in mind that there is a love which God bears to the creatures of his hand distinct from his love in grace. We therefore read: “He loveth the stranger in giving him food and raiment.” (Deut. 10:18.) But the love which he has to your soul, whereby he means to make you a partaker of his eternal glory, is not the love which he has to you as the creature of his hand, but the love he has to you as a member of the mystical body of Christ. This is what I mean by the love of God in its manifestation. The apostle therefore says: “In this was manifested the love of God toward us, because that God sent his only begotten Son into the world that we might live through him. Herein is love, not that we loved God, but that he loved us, and sent his Son to be the propitiation for our sins.” If, therefore, sometimes you stand astonished at the love of God, or have ever been incredulous that the love of God should be fixed upon you, as feeling your utter insignificany as well as miserable sinfulness and vileness, you must consider why it is that God has loved you or any other of the human race: it is in his dear Son. It is in his Son that he chose the Church; in his Son that he blessed her with all spiritual blessings; in his Son that he accepted her as without spot or blemish, for she is “accepted in the Beloved.” Is not this the clear, indubitable language of the apostle? “Blessed be the God and Father of our Lord Jesus Christ, who hath blessed us with all spiritual blessings in heavenly places in Christ: according as he hath chosen us in him before the foundation of the world, that we should be holy and without blame before him in love: to the praise of the glory of his grace, wherein he hath made us accepted in the beloved.” (Eph. 1:3, 4, 6.) The Church never was separated in the mind of God from her covenant Head, for she is “his body, the fullness of him that filleth all in all.” (Eph. 1:23.) The love, therefore, which God has to his dear Son reaches and is extended unto all the members of his mystical body. This is blessedly intimated in the intercessory prayer of our Lord: “I in them, and thou in me, that they may be made perfect in one; and that the world may know that thou hast sent me, and hast loved them, as thou hast loved me” (John 17:23); and again: “And I have declared unto them thy name, and will declare it: that the love wherewith thou hast loved me may be in them, and I in them.” (John 17:26.) The apostle, therefore, says, “But God, who is rich in mercy, for his great love wherewith he loved us, even when we were dead in sins, hath quickened us together with Christ, (by grace ye are saved;) and hath raised us up together, and made us sit together in heavenly places in Christ Jesus: that in the ages to come he might show the exceeding riches of his grace in his kindness toward us through Christ Jesus.” (Eph. 2:4, 5, 6, 7.) Is God “rich in mercy?” It is “in Christ Jesus.” Is the love wherewith he loved us great? It is so only in Christ Jesus. When we were dead in sins, did he quicken us? It was “together with Christ.” Did he raise us up together and make us sit together in heavenly places? It is “in Christ Jesus.” Will he show “in the ages to come the exceeding riches of his grace?” It will be “in his kindness toward us through Christ Jesus.” Christ, then, in his Person and work is the manifestation of the love of God – the consecrated channel through which it flows, and by which it is bounded.
Now this brings us to a very important feature in the love of God as thus manifested in the Person and work of his dear Son, which is redemption. This is a point which it deeply concerns us experimentally and savingly to know, for it meets us in our lost ruined condition as sinners; and it is as being in this case that the love of God is specially manifested. You know that in Adam we all sinned and fell from our native purity and innocency. The image of God in which we were created was utterly defaced; we became alienated from the life of God, and sank down before him dead in trespasses and sins. There was a need, therefore, of redemption from this state of alienation and death, guilt and condemnation, and all the other dreadful consequences of the Adam fall. Here love was so singularly manifested. The fall did not forfeit sonship, but it forfeited the image of God; it did not blot the names of the elect out of the Book of Life, but it blotted them all over with the mud and mire of sin; it did not destroy the union which the people of God had with Christ their covenant Head, but it sank the members of his mystical body into a pit of sin and misery, out of which nothing but the incarnation of the Son of God and the propitiation he made by his blood-shedding and death could lift them out. It did not remove or impair the love of God towards the Church of Christ, for that was antecedent to the fall, but it made redemption necessary for its manifestation. It enhanced it, made it more signal and glorious, and displayed in all its lustre the nature of that love which is as strong as death, which many waters of sin could not quench nor all the floods of evil drown. Whatever God was to man, whatever man was to God, sin had come in and separated between them. Sin is so dreadful an evil; it is so loathsome to the eyes of infinite Purity, such an insult to his divine Majesty, such treason to his authority, such a violation of his justice, that whatever the love of God might be to man it could not flow down to him whilst this barrier stood in the way. It must then be removed, or God and man be ever separate. But none could remove this barrier except God’s dear Son, and he only by his mediation and death. Hence the necessity and nature of redemption by the blood-shedding of Jesus. To us, then, as sinners there is no manifestation of the love of God but in the Person and work of his dear Son, for in him there is redemption, and in no other. The apostle therefore says: “In whom we have redemption through his blood, the forgiveness of sins, according to the riches of his grace.” (Eph. 1:7.) But what is the result of this work of redeeming blood? That by it poor guilty sinners obtain the pardon of all their sins; and their sins being pardoned and put away, they obtain access unto God. They are thus reconciled and brought near to their heavenly Father; for sin being removed by the sacrifice and blood-shedding of Christ, there is now no longer a barrier between God and them. Now to obtain a sense of this pardon in his own soul every child of God is made to sigh and cry mightily with prayers and supplications before the throne of grace. He is thus taught the value and blessedness of atoning blood; and as the sufferings, blood-shedding, and death of the Lord Jesus are more and more revealed to his heart, the more simply and unreservedly does he look to the blood of the Lamb to purge his conscience from dead works to serve the living God. Thus the very weight of sin on his conscience makes him enter all the more feelingly and experimentally into the nature of redemption; and it becomes more opened to his view that by his precious blood-shedding and death Jesus redeemed unto God all who believe in his name, put away their sins, and for ever blotted them out. He sees that he silenced the curse of the law by himself being made a curse for us; that he appeased the anger of God due to our transgressions, and fully satisfied the claims of justice, which otherwise would have dragged us to her awful bar, and hurled us for our offences into a deserved hell. A sight and sense of our danger much open the ear to receive instruction; and thus as the work of redemption is more plainly discovered to our spiritual view, and faith is raised up and drawn forth to believe more personally and experimentally what is thus revealed, we get clearer, more abiding, and soul-transforming views of the love of God in Christ. Despair on the one side and self-righteousness on the other get a deadly wound from a believing sight of the cross; and the soul rejoices in a crucified Christ with trembling. Well may John then say: “Behold what manner of love the Father hath bestowed upon us.” How wondrous in its nature; how gracious in its manifestation; how blessed in its communication. This last is the point to which we are now come, and which I shall attempt to open.
ii. Whatever be the nature of the love of God, in all its self-originating, infinite, inexhaustible, and immutable character; or whatever grace there is in its manifestation in the Person and work of his dear Son, it is only by its communication to our soul that we come to any personal experience of it. It is therefore with this as with all other precious truths of the gospel. Though they are all contained in the Person and work of the Son of God; though they are most blessed realities as unfolded in the word of his grace, there must be a communication of them to our souls that we may believe them, feel their power, and walk in the sweet enjoyment of them.
1. Here, then, we are at once brought to the first work of the Holy Ghost upon the heart in regeneration, to make us sons of God by a new and spiritual birth. “Behold, what manner of love the Father hath bestowed upon us.” This is the love of God in its first communication, for it is bestowed upon us as an act of sovereign grace to make and manifest us to be the sons of God. And do we not see all the three Persons of the Godhead in the manner of this love? In the manner of its nature, we see the Father; in the manner of its manifestation, we see the Son; in the manner of its communication, we see the Holy Ghost; and each and all of these three Persons of the Godhead engaged in the bestowing of this love on the members of the mystical body of Jesus. But the work of the Holy Ghost upon the heart, in regeneration, is to manifest us sons of God by making us partakers of a new birth.
2. But this is not enough. There must be the spirit of adoption, breathed into our soul by the same Holy Spirit, before we can claim the sweet relationship, for we are sons before we know it, before we feel, or believe, or enjoy it. As the apostle says, “Because ye are sons, God hath sent forth the Spirit of his Son into your hearts, crying, Abba, Father.” (Gal. 4:6.) This is the Spirit’s witness: “The Spirit itself beareth witness with our spirit, that we are the children of God.” (Rom. 8:16.) This, therefore, is the greatest and most blessed communication of the love of God, for it is then shed abroad in the heart by the Holy Ghost. It is what few enjoy in its full communication, and they only at special seasons; but some measure of it is necessary before we can see our sonship clearly, or believe in our heart that God is our Father.
iii. But the contemplation of this love in its nature, manifestation, and communication may, with the Lord’s help and blessing, lead us more clearly to see the amazing blessings and privileges which God has conferred upon his people in bestowing upon them this love. John calls upon us to admire it: “Behold, what manner of love;” as if he would hold it up for our special view and spiritual contemplation, that we might be engaged thereby to meditate more deeply upon it, and seek for a more believing and experimental reception of its beauty and blessedness into our inmost spirit. What, then, are some of these amazing blessings and privileges?
1. The first and the foundation of the whole is to be “called the sons of God.” “Called” but by whom? By man? That will little profit us: for many have called themselves and called others sons of God whom the Lord never authorised, whose claim and whose call he never ratified. Some through presumption, and others through ignorance, lay their claim upon God as their Father whom he will never own as his children, but rather say, “Depart from me; I never knew you.” But if God call you his son then “all things are yours, for ye are Christ’s, and Christ is God’s.” Look then next at some of these blessings and privileges of sonship thus bestowed.
2. If you are a son, you are a pardoned son. Christ has borne your sins in his own body on the tree. He has washed you in the fountain of his precious blood, obeyed the law which you have broken, wrought out a robe of righteousness which is freely imputed to you, and in which you stand complete before God.
3. As another blessing and privilege of a son of God, he has access to his Father’s house. The child, you know, as one of his privileges, enjoys a free entry into his father’s house; he does not knock at the door as a stranger, but opens the latch as one of the family. He knows he is welcome there, and that his parents miss him if he does not fill up his place in the house among the other children. So it is with the child of God: he has free access to his Father’s house. He does not stand outside as a stranger, or come in as an occasional and not always acceptable visitor, but enters in with the familiarity of a child. But what mean I by his “Father’s house?” Do I mean merely what is so commonly called “the house of God” – the place where prayer is wont to be made, the tabernacles below where he sometimes manifests his presence and his power? This is indeed a privilege, and should be a highly valued one; but the house which I mean is the inner sanctuary of the Lord’s presence – that sacred spot of which David speaks: “he that dwelleth in the secret place of the Most High shall abide under the shadow of the Almighty” (Psa. 91:1); that habitation of which Moses wrote: “Lord, thou hast been our dwelling place in all generations” (Psa. 90:1); that holy and heavenly abode which the Lord promised by the prophet: “I will be to them a little sanctuary in the countries where they shall come.” (Ezek. 11:16.) Access to God in our troubles, a refuge in his bosom from every storm – this is the special privilege of a child. To such he speaks in those gracious words: “Come, my people, enter thou into thy chambers, and shut thy doors about thee: hide thyself as it were for a little moment, until the indignation be overpast.” (Isai. 26:20.)
4. The son has also a seat at the Father’s table. Whatever the food be, be it little or much, be it dainty or homely, the child has a place at his father’s board. So it is with these sons of God. God has richly supplied his table with every gospel delicacy: there is bread made from the very finest of the wheat – “the living bread which came down from heaven, that a man may eat thereof and not die;” there is honey out of the rock; there is the choicest and sweetest milk to feed the babe; there is strong meat to nourish the man. There is not a single delicacy that can tempt the feeblest appetite, nor the most solid food that can gratify the most insatiable hunger, which God has not spread upon his heavenly table. The sweet promises, the encouraging invitations, the glorious truths, the holy precepts, the solemn ordinances, and, what crowns all, gives life to all, and is the sum and substance of all – the flesh and blood of his dear Son, are the provisions with which God has abundantly blessed Zion. And he who has spread the banquet says, “Come eat of my bread and drink of the wine which I have mingled.” (Prov. 9:5.) Nay, Jesus himself proclaims from the head of the table, “Eat, O friends; drink, yea, drink abundantly, O beloved.” The child comes as a child; he finds the table spread for him without his care or forethought, without his labour or expense. O how sweet it is when in this childlike spirit we can sit down and eat of heavenly food; when without fear, bondage, or unbelief; without darkness, barrenness and death, we can take up the word of life, and, mixing faith with what we read, sometimes drink the milk, sometimes eat the solid meat, sometimes take a sip of gospel wine, or taste of the honey out of the rock. This spiritual appetite for spiritual food; this sitting under the shadow of Jesus with great delight, and finding his fruit sweet to our taste (Song. 2:3), is a sure testimony of our adoption into the family of God.
5. Another privilege of a son is to be an heir. “And if children then heirs – heirs of God, and joint heirs with Christ.” Our sonship does not end with this life, but abides for ever and ever. This indeed is the peculiar blessedness of being a child of God, that death, which puts a final extinguisher on all the hopes and happiness of the children of men, gives him the fulfilment of all his hopes and the consummation of all his happiness; for it places him in possession of “an inheritance incorruptible and undefiled, and that fadeth not away, reserved in heaven for those who are kept by the power of God through faith unto salvation.” (1 Pet.1:4, 5.) In this life we have sometimes sips and tastes of sonship, feeble indeed and interrupted, so that it is with us as Mr. Hart speaks:
“Though thou here receive but little,
Scarce enough
For the proof
Of thy proper title;”
yet are they so far pledges of an inheritance to come. But this life is only an introduction to a better. In this life we are but children, heirs indeed, but heirs in their minority; but in the life to come, if indeed we are what we profess to be, sons and daughters of the Lord Almighty, we shall be put into full possession of the eternal inheritance. And what is this? Nothing less than God himself. “Heirs of God,” says the apostle. For as the Lord said to Abraham, “I am thy shield and exceeding great reward;” as he said to the Levites, “I am their inheritance,” so God himself is the inheritance of his people; yes, he himself in all his glorious perfections. All the love of God, the goodness of God, the holiness of God, all his happiness, bliss, and blessedness, all his might, majesty, and glory, as shining forth in the Person of his dear Son in all the blaze of one eternal, unclouded day – this is the saint’s inheritance. Let us not then be weary in well doing; nor faint and tire in running the race set before us, with this prize in view; but press on by faith and prayer to win this eternal and glorious crown.
6. But I must add one more privilege of sonship, and that is obedience. If we are children of God, sons and daughters of the Lord Almighty, it is our privilege to be obedient to the will of our heavenly Father; and that from the heart. It is one of our richest mercies and noblest privileges to render to him, not eye service, the miserable bondage of the slave, but that free obedience which is due to him as Parent from a child. You know the difference between the cheerful obedience of an affectionate daughter or a dutiful son, and the forced obedience of a wretched drudge. One is spontaneous, hearty, affectionate, free, and is accepted as such; the other is extorted by fear, or given with an eye to the wages. Obedience to the precepts of the gospel, doing the will of God from the heart, living to his honour and glory, walking daily in the fear of the Lord, loving his people and seeking their good, and manifesting the power of vital godliness by a meek, quiet, holy life and conversation, are so many blessed marks and evidences of an adoption into the family of God.
7. A daily cross, a path of trial and tribulation, a chastening rod for going astray, a furnace of affliction, purging away the dross and tin, and its fruits, as producing true humility of mind, brokenness of heart, contrition of spirit, and tenderness of conscience, with much self-loathing and self-abhorrence, godly sorrow for sin, and earnest desires for close and holy communion with God – these are other privileges of sonship, not indeed much prized or coveted by the professors of our day, but blessed marks of a heavenly birth.
In looking at these privileges and comparing your experience with them, you will probably find some to encourage and others to discourage you. We would not be deceived; we would be honest to God and to our own consciences; and as we cannot take to ourselves what the Lord does not give, and our evidences are often obscured or out of sight, the seasons are many when we cannot rise up into the sweet enjoyment of our adoption into the living family.
III. – But I pass on to the third point which I proposed for our consideration, the gross ignorance of the world as to who or what these sons of God are: “Therefore the world knoweth us not.”
What is meant by “the world” here? All who are not partakers of the grace of God, all who are in their natural state of unregeneracy and death. Some of these belong to the openly profane, others to the professing world. But it is true of each of these worlds that the real character and condition, the state and standing, the joys and sorrows, mercies and miseries, trials and deliverances, hopes and fears, afflictions and consolations of the sons of God are entirely hidden from their eyes. But we shall see this more clearly by entering a little more fully into what is thus hidden from the world’s knowledge and observation.
1. It does not know that they are sons of God. It does not know what manner of love God has bestowed on them that they should be called his sons. It believes that God loves all men alike – that any one can be a child of God who will; that God offers himself as a Father to all without any exception, and that those who like to embrace this offer become his children at once. They have no idea that God bestows his love upon any particular persons, and calls them his sons. Nothing more moves their indignation than that a few poor, ignorant, despised people should dare to believe and call themselves the sons of God; as if such a favour peculiarly belonged to them, and to them only. How can therefore the world know them if it begin with denying their heavenly sonship?
2. It does not know their blessings. Being ignorant of spiritual things, having no apprehension or comprehension of divine realities, it cannot and therefore does not know those rich, those peculiar blessings with which God has blessed his people in heavenly paces in Christ Jesus. (Eph. 1:3.) It knows not, for instance, what it is to be blessed with a sense of God’s presence, with a manifestation of his love, with a revelation of his mercy, with a discovery of the Person and work, grace and glory of his dear Son. Nor has it any acquaintance with those special favours that the Lord’s people are so earnestly coveting, if they are not in present enjoyment of them. It knows nothing of the breathing of a living soul after God’s presence; of its panting after him as the heart panteth after the water-brooks; of its longings to see his power and glory, so as it has seen him in the sanctuary. And as it knows nothing of spiritual prayer and supplication, so it knows nothing of gracious answers. It knows nothing therefore of the joys of pardoned sin; of the shedding abroad of the love of God in the heart by the Holy Ghost; of a deliverance from the curse of the law, the guilt and sting of sin, and the fear of death. It knows nothing of the sweet opening up of the Scriptures of truth with power to the soul; of the application of the promises to the wearied spirit; of access to God in secret supplication through his dear Son; or, in a time of special trial and temptation, obtaining a testimony that the request is heard and registered, and will in due time be granted. It knows nothing of any softening, melting, or moving of the heart under the preached word; of any entrance by faith into the glorious mysteries of the gospel, so as to experience their transforming efficacy, and feel their subduing, sanctifying power and influence. These blessings, and many others – in fact, all the spiritual blessings wherewith God has blessed his people, the world knows not; therefore it knows us not.
3. Nor does the world know the motives and feelings which guide and actuate the sons of God. It views them as a set of gloomy, morose, melancholy beings, whose tempers are soured by false and exaggerated views of religion; who have pored over the thoughts of hell and heaven till some have frightened themselves into despair, and others have puffed up their vain minds with an imaginary conceit of their being especial favourites of the Almighty. “They are really,” it says, “no better than other folks, if so good; but they have such contracted minds, are so obstinate and bigoted with their poor, narrow, prejudiced views, that wherever they come they bring disturbance and confusion.” But why this harsh judgment? Because it knows nothing of the spiritual feelings which actuate the child of grace, making him act so differently from the world which thus condemns him; such as the fear of God in his heart, “as a fountain of life, to depart from the snares of death;” such as the holy reverence that he feels towards the name of the Most High, as deeply impressed upon his spirit; such as the dread of offending the Majesty of heaven by indulging in pleasures which the world calls harmless, but which he knows from the testimony of the word and from his own experience to be fraught with peril to the soul. It knows nothing of what it is to worship God in spirit and in truth; and therefore cannot understand why we separate ourselves from all false worship, and will not mingle spiritual service with natural devotion, or join hand in hand with those who serve God with their lips and Satan with their lives. It cannot understand our sight and sense of the exceeding sinfulness of sin, and that is the reason why we will not run riot with them in the same course of ungodliness. It does not know with what a solemn weight eternal things rest upon our minds; and that that is the cause why we cannot join with them in pursuing so eagerly the things of the world, and living for time as they do, instead of living for eternity. Being unable to enter into the spiritual motives and gracious feelings which actuate a living soul and the movements of divine life continually stirring in a Christian breast, they naturally judge us from their own point of view, and condemn what they cannot understand. You may place two men upon a mountain top, with a vast and beautiful view before them. One man, dull and prosaic, without one spark of taste for beauty of scenery, resembles a Frenchman of whom I have read, who, when crossing the Alps, shut his eyes and sat shuddering in the carriage, for he could not bear to look upon those dreadful precipices and horrid icy peaks which rose in their silent majesty all around him. O no; he would sooner have been shut up in a miserable cafe in Paris than have had all this glorious mountain scenery before his eyes. How impossible for him to understand the feelings of his fellow traveller, some romantic Englishman, who is scarcely able to breathe for very delight and ecstasy. In a similar way, worldly men can no more understand why we can take pleasure in hearing a long sermon, or reading the word of God, or being upon our knees in secret prayer, or feeling holy delight in the service of the Almighty, than this poor Frenchman could understand the beauty of the Alps, or that any one could take a delight in looking at lake and mountain, wild gorge or rushing waterfall, which made him shiver all over. You may place a horse and a man upon the same hill; whilst the man would be looking at the woods and fields and streams, or, if a Christian man, engaged in prayer and supplication to his divine Maker, the horse would be feeding upon the grass at his feet. So if men cannot enter into the divine feelings of the saints of God, need we wonder that they despise and condemn what they know not? The horse, if it could reason, would say, “What a fool my master is! How he is staring and gaping about! Why does he not sit down and open his basket of provisions, for I know he has it with him, for I carried it, and feed as I do?” So the worldling says, “These poor stupid people, how they are spending their time in going to chapel, and reading the Bible in their gloomy, melancholy way. Religion is all very well; and we ought all to be religious before we die; but they make so much of it. Why don’t they enjoy more of life? Why don’t they amuse themselves more with its innocent, harmless pleasures; be more gay, cheerful, and companionable, and take more interest in those things which so interest us?” The reason why the world thus wonders at us is because it knows us not, and therefore cannot understand that we have sublimer feelings, nobler pleasures, and more substantial delights than ever entered the soul of a worldling.
IV. – But we now come to the explanation of the mystery. We need not wonder at the gross ignorance of the world, and that it knows us not, for our text declares, “it knew him not.”
The word “him” evidently points to the Lord Jesus Christ; for when he was in the world, the world knew him not. But we may take the word as applicable also to the Father, for the Father is spoken of in the text: “Behold, what manner of love the Father hath bestowed upon us.” What does the world know of the God and Father of our Lord Jesus Christ? Has it any fear of his great and glorious name? Has it any faith in him? any love to him? any desire to please him? any dread of displeasing him? Has it any knowledge of the justice of God in condemning, any acquaintance with his mercy in forgiving iniquity, transgression, and sin? We know, from the testimony of Scripture and from daily observation, that whilst men are dead in sin, with a vail of unbelief spread over their heart, they do not, indeed cannot, know God; for to know him is a new Covenant blessing: “They shall all know me, from the least of them unto the greatest of them” (Jer. 31:34); and it is also eternal life, for “This is life eternal, that they might know thee, the only true God.” (John 17:3.) They may indeed “profess that they know God; but in works they deny him, being abominable and disobedient, and unto every good work reprobate.” (Titus 1:16.) Need we wonder, then, that it knows us not, if it knows him not?
Neither did the world know the blessed Lord when he sojourned here below as the very image of the Father. “He came unto his own, and his own received him not.” They despised his word; they rejected his message; and hated both him and the Father who sent him. They crowned his brow with a crown of thorns, they struck him and buffeted him, and did not spare to spit in his face; they took him beyond the precincts of Jerusalem to the common and abhorred place of execution, and there they nailed him as a malefactor to the accursed tree. And why? Because they knew him not. As the apostle says: “Which none of the princes of this world knew: for had they known it they would not have crucified the Lord of glory.” (1 Cor. 2:8.) If that, then, was the way in which the world treated God’s only begotten Son when he came into it; if the only reception which it gave to the Lord of life and glory was to put him out of the way as an abhorred malefactor, need we wonder if the world that knew him not knows us not? If we are followers of Christ and believers in the Son of God; if we have his mind and image, walk in his footsteps, and are made like unto him by regenerating grace, need we wonder if the world is as ignorant of us as it was of him? Are we to be known and our Master unknown? Are we to be honoured and our Lord despised? Are we to be applauded and our King contemned? Are we to be loved and our Redeemer abhorred? Is the world to treat us better than it treated Christ? But you will say, “This is taking high ground.” It is; but can we take lower if we take any at all? We are either children of God, or we are not. If we are, the world knows us not; if we are not, the world knows us and all about us. Some of you, with all your profession, are in that spot. The world knows you; for you are one with it in walk and spirit. It knows, therefore, all about you. Your inward character is not concealed from its keen, observing eyes. The world knows ungodliness, but it does not know godliness; it knows superstition, but, not worshipping God in the spirit; it knows unbelief, but not faith; despondency, but not a good hope through grace; worldly pleasures, but not rejoicing in Christ Jesus; self-confidence, but not having no confidence in the flesh. It knows the love of sin, but not the love of holiness; the fear which hath torment, but not the love which casts it out; the stings and lashes of a guilty conscience, but not the blood of sprinkling to cleanse and heal it. The world, then, will see all through you if you are imbued with its spirit; but if you have the Spirit of Christ, it knoweth you not because it knew him not. Nay, the more you are conformed to the image of Christ, the more you manifest your sonship by your obedience, the more separated you are from the world, the less will it understand you. If we kept closer to the Lord and walked more in holy obedience to the precepts of the gospel, we should be more misunderstood than even we now are. It is our worldly conformity that makes the world so well to understand many of our movements and actions. But if our movements were more according to the mind of Christ; if we walked more as the Lord walked here below, we should leave the world in greater ignorance of us than we leave it now; for the hidden springs of our life would be more out of its sight, our testimony against it more decided, and our separation from it more complete.
I have laid before you this morning the wondrous love of God. Have you ever felt it? I have brought before you the peculiar blessings and privileges of the sons of God. Have you ever enjoyed them? I have shown you why the world knows them not. Do you feel that you have in your bosom something the world knows not, but which separates you in heart and spirit from it? And I have brought before you the solution of the mystery, and that it is because the world knows neither the Father nor the Son. Do you feel that you have that knowledge of the only true God and of Jesus Christ whom he hath sent, which is eternal life? May he, if it be his sacred will, give us to know more of his stupendous love; to feel more our interest therein; may he warm our hearts more with his dissolving beams, and bring our life more under its constraining efficacy!