Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Rijkdommen van Philpot — deel 5 (vervolg): Een raadsel voor mijzelf

Een verzameling korte stukken van Philpot over het diepe verderf van het hart, de strijd tegen de zonde en de soevereine genade die alleen kan redden. Het gaat over beproeving, bevinding, het medelijden van Christus en de wereld van leugens.

Ik ben er inderdaad nog ver van verwijderd om te weten wat ik zou willen weten of te zijn wat ik zou willen zijn. Ik ben vaak een raadsel voor mijzelf. Ik zie en voel niet meer genade dan de meest vleselijke ellendeling die geen belijdenis doet. En toch ken ik innerlijke beteugelingen en tegenhoudingen. Ik heb ademtochten en verzuchtingen waarvan zulke mensen volgens mij niets weten.

Ik voel dagelijks en soms elk uur zoveel kwaad in mijn hart werken. Ik zie in alle richtingen zoveel strikken en vallen voor mijn voeten gespannen. Mijn verwondering is dan ook niet dat sommigen vallen maar dat er iemand blijft staan! Ja, ik ben ervan overtuigd dat allen zouden vallen zonder de eeuwige liefde en de almachtige kracht — bewaard door Gods kracht door het geloof tot de zaligheid. Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn!

Ik voel mijn onwetendheid in goddelijke zaken

Ik zie zoveel zonde in mijn ellendige gevallen natuur en voel zo sterk mijn zwakheid tegenover de verzoeking. Tegelijk zie ik wat een afschuwelijke en verschrikkelijke zaak de zonde is. Daarom word ik van tijd tot tijd gedrongen de Heere ernstig aan te roepen mij te ondersteunen zodat ik behouden zal zijn!

Ik voel mijn onwetendheid in goddelijke zaken. Hoe duister is mijn verstand wanneer de gezegende Geest het niet verlicht! Hoe onmachtig ben ik om een deel van Gods Woord te beseffen — om mij met één enkele waarheid te voeden of de zoetheid van één enkele belofte te proeven. Zo voel ik mij gedreven om op te zien naar goddelijk onderwijs en te vragen dat de Heere Zelf Zijn gezegende waarheid aan mijn ziel bekend zal maken.

Voortdurend achtervolgt het mij

Mijn eigen boze hart is min of meer mijn dagelijkse last. Het belemmert mij in alles wat ik voor de Heere zou willen denken, zeggen of doen. Op de een of andere manier achtervolgt de zonde mij voortdurend. Ik ervaar de waarheid van wat Paulus zegt: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. Maar hierdoor leer ik de verzoening op prijs te stellen die Jezus heeft aangebracht door Zijn eigen dierbare bloed voor mijn zonde te vergieten.

Een kind van God kan nooit rusten in de kennis van de zonde. Het kan niet rusten in een geestelijke ontdekking van de ziekte. Nee! Het moet bevindelijk kennismaken met het geneesmiddel — het bloed van Jezus dat reinigt van alle zonde. Zoete woorden wanneer wij iets van hun waarheid bevindelijk voelen. ‘Alle zonde’ is een zeer veelomvattend woord.

De afschuwelijke overvloed van ongerechtigheid in onze vleselijke gezindheid — de ijdele verbeeldingen, bezoedelende gedachten, aanmatigende bewegingen en gemene begeerten — wat kan ons geweten reinigen van het vuil, de schuld en de macht van deze dagelijkse gruwelen? Alleen het dierbare bloed van Christus — het Lam zonder gebrek en zonder vlek!

Zacht fluisterend tot u

Mijn waarde vriend, ik voelde mij bewogen u enkele regels te schrijven. Niet alleen om met u mee te leven in uw ziekte maar ook om mijn genegenheid voor u uit te spreken. Ik ben oprecht blij dat de gezegende Heere bij u is geweest en uw ziel heeft gezegend met een smeltend besef van Zijn barmhartigheid en liefde. Als u het met het oog van het levende geloof kunt bezien dan ziet u dat uw huidige toestand van pijn en lichamelijk lijden duizendmaal te verkiezen is boven alles wat de wereldlingen begeren! Immers de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.

Het is onnoemelijk veel beter te lijden en Jezus in het lijden te hebben dan alle eer, genot en rijkdom te bezitten die Satan kan aanbieden of de wereld kan schenken. Maar wij kiezen onze beproevingen niet vrijwillig. De Heere zorgt ervoor ze voor ons te kiezen en zij passen precies bij onze toestand en omstandigheden. U zou er niet voor gekozen hebben uw been en arm te breken. Maar het was ongetwijfeld goed voor u dat ze gebroken werden — anders waren ze het niet geweest.

In dit lijden ligt geen vloek en geen wraakzuchtige straf. Het is veeleer de stem van een goedertieren Vader die u zachtjes toefluistert: Mijn zoon! geef mij uw hart! Moge de Heere uw bed opmaken in uw ziekte en uw ziel zoet overschaduwen met Zijn liefde die alle kennis te boven gaat.

Almachtige maar zachte vingers

Ik merk dat ware godsdienst iets heel anders is dan ik ooit dacht. Er was een tijd dat ik in alle schijnbare oprechtheid naar mijn geestelijkheid en hemelse gezindheid keek als bewijs van mijn zaligheid, in plaats van een arme, behoeftige smekeling en hongerende bedelaar te zijn die om een woord of een glimlach van de Heere Zelf vraagt. Het leek meer alsof mijn geestelijkheid mij naar Christus zou brengen dan dat mijn ellendige armoede en naaktheid de geschiktheid waren om Christus tot mij neer te brengen. Maar al deze afgoden zijn in puin gevallen!

Ik ben nu in die toestand dat Immanuël alle heerlijkheid moet hebben. Hij buigt Zich neer om een verloren ellendeling te redden, te zegenen en te leren. Zo iemand heeft geen geestelijkheid, geen vroomheid, geen godsdienst en niets heiligs of hemels in zichzelf. Het voornaamste verlangen van zo iemand is — als hij het kan uitspreken — alleen de lijdzame klei te zijn in de handen van de goddelijke Pottenbakker. Zo iemand wil voelen hoe de almachtige maar zachte vingers hem vormen tot een vat ter eer dat geschikt is voor het gebruik van de Meester!

Meer dan overvloedige genade

waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest (Romeinen 5:20)

Ik ben er zeker van dat alleen meer dan overvloedige, overwinnende, overschaduwende en overweldigende genade mij zal onderwerpen aan de voeten van Jezus en mijn afgoden zal slachten! Niets past bij mijn ziel dan soevereine, almachtige en meer dan overvloedige genade. Ik ben geen gewone zondaar en moet dus geen gewone genade hebben!

Strikken van de dood

De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods (Spreuken 14:27)

Strikken van de dood omringen ons pad en belagen het. Sommige komen uit de wereld, sommige van Satan en sommige van het volk van God — maar verreweg de meeste van onszelf! De vreze des HEEREN is een springader des levens en zij ontdekt en onthult deze verborgen strikken. Doordat zij als een levende bron in het hart opwelt brengt zij de ziel in de tegenwoordigheid van God. Zo wordt kracht, wijsheid en genade meegedeeld om de strikken te ontvluchten voordat wij erin gevallen zijn of onze voeten eruit te bevrijden wanneer wij ongelukkig verstrikt zijn geraakt. Wat een wonderlijk geneesmiddel!

Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest (Psalm 103:3)

Wat een hoop vuil en dwaasheid, blindheid en onwetendheid, bedrog en huichelarij, vleselijkheid, zinnelijkheid en duivelsheid zijn wij! Geneigd tot alles wat slecht is — volkomen afkerig van alles wat goed is — belust op de zonde — haters van heiligheid, hemelse gezindheid en geestelijkheid — wat een aardse ellendelingen, schuldige monsters en afschuwelijke schepselen zijn wij!

En als onze gedachten soms in geloof en liefde naar boven getrokken worden en wij hijgen naar de levende God — hoe snel, hoe bijna onmiddellijk vallen wij dan weer terug in ons aardse zelf! Daaruit kunnen wij onmogelijk opstaan totdat de gezegende Geest ons er weer uit optilt. Wat een aanvallen van ongeloof, schuddingen van ongelovigheid, koortsen van wellust en plagen van onverschilligheid! Wat een tering van geloof, hoop, liefde en ijver — ja, wat een menigte van ziekten woont in onze arme ziel!

Welnu, de ziel moet er dus vele hebben. Ik neig ertoe te denken dat er enige overeenkomst is tussen lichaam en ziel in hun ziekten. Naar ik meen zou een schriftuurlijke en geestelijke parallel tussen beide te trekken zijn. Sommige heb ik hierboven aangestipt. Blindheid, doofheid, stomheid, verlamming en melaatsheid zijn schriftuurlijke vergelijkingen.

Maar ze laten allemaal een tweevoudige genezing toe — dat wonderlijke geneesmiddel dat Johannes uit de doorstoken zijde van de Verlosser zag vloeien: bloed en water. Het ene om te genezen en het andere om te wassen — het ene om te verzoenen en het andere om te reinigen. Rechtvaardiging door bloed en heiligmaking door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes.

Een levende godsdienst

Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen (Mattheüs 7:19)

Een godsdienst die niets voor iemands ziel doet is waardeloos. En een godsdienst die zich nooit in iemands leven openbaart is even waardeloos. Op beide staat de dood gestempeld. Wil godsdienst iets waard zijn dan moet zij een levende godsdienst zijn. Zij moet voortkomen uit een genadewerk in het hart en leven aan de ziel meedelen. Zij moet invloed uitoefenen waar zij ook bestaat en in wie zij ook woont. Want waar geestelijk leven in iemands ziel opborrelt moet het zich in zijn woorden en daden openbaren!

Als er geen liefde voor de zonde was

Als er geen liefde voor de zonde was zou de zonde geen macht hebben. De zonde komt niet met sterke hand, grijpt ons niet bij de keel en zegt: „Gehoorzaam mij!” Maar de zonde sluipt ongemerkt ons hart binnen — grijpt onze vleselijke gezindheid vast — dringt zich in onze gemene neigingen — en verstrikt ons zo!

Die afschuwelijke monsters

Misschien dacht u, toen de Heere u wilde redden, dat u gelukkig van de aarde naar de hemel zou wandelen. Net als de kinderen van Israël zag u uw vijanden dood op het strand liggen. U dacht en droomde nauwelijks aan de woestijn die voor u lag. Maar na enige tijd begon de zonde, die dood scheen te zijn, weer op te leven — te begeren — te verlangen — te werken — haar doelen te zoeken!

Eén ding heeft velen vaak gekweld en verward: alle geestelijke zegeningen die zij hebben ervaren en genoten hebben geen verandering gebracht in hun vleselijke gezindheid. Dat is een diep geheim. Ik mag het wel het ‘geheim der ongerechtigheid’ noemen — dat de vleselijke gezindheid, de oude mens, geen enkele verandering ondergaat!

Hij kan bedwongen zijn en zich terugtrekken in een donkere schuilhoek — want het menselijk hart zit vol holen en grotten — en in die holen zitten afschuwelijke monsters! Deze afschuwelijke monsters trekken zich terug in het daglicht. Het menselijk hart is zeer diep. Die grotten en holen liggen zo uit het zicht dat wij niet weten wat die monsters uitvoeren. Maar daar zijn ze en zij kruipen tevoorschijn wanneer de nacht valt!

Al onze daden als zuigeling

Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons (Romeinen 5:10)

Zie in welke toestand het volk van God verkeert. Welk woord gebruikt Paulus om hun toestand van nature aan te duiden? VIJANDEN! Vijanden van wie? Van die grote, heerlijke en eeuwig levende God in Wie zij leven, bewegen en zijn. Van de God van hemel en aarde Die hen in het bestaan riep en van Wie zij afhankelijk zijn voor elke ademtocht. In wat een vreselijke toestand moeten zij verkeren om ‘vijanden’ te zijn van zo’n God!

Vijanden! Vijanden van God, Die hen met één frons tot stof kon verpletteren — Die hen met één blik in de hel kon werpen — Die hen in Zijn rechtvaardige toorn kon vertrappen zoals ik een hulpeloze worm onder mijn voeten zou vertrappen! Zij zijn als vijanden van God geboren. Zoals een pad als pad geboren wordt en een adder als adder, zo wordt de mens als vijand van God geboren. Wij zijn in zonde ontvangen en in ongerechtigheid gevormd — en daarom komen wij als vijanden van God ter wereld.

Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet. Onze natuur is wezenlijke, op zichzelf staande, onverzoenlijke vijandschap tegen God. Zij haat Hem, haat Zijn wegen en haat alles wat God is en op God lijkt. O, wat een vreselijke toestand! Niet alleen als vijanden geboren te worden maar ook als vijanden op te groeien — door en door geweven te zijn in vijandschap tegen God — vol vijandschap — elke zenuw — elke vezel — elke kracht — elk beginsel — elk vermogen — elke hartstocht — in vijandschap met God — strijdend tegen de Allerhoogste!

Wij dwalen en spreken leugens vanaf de moederschoot. Al onze daden als zuigeling, als kind, in de jeugd en op volwassen leeftijd zijn daden van vermetele vijandschap tegen God. Zij tonen allemaal de vijandschap van het menselijk hart tegen de gezegende Jehova. O, hoe diep moet de mens in vijandschap gedrenkt zijn wanneer hij door geboorte, natuur en gedrag volkomen vervreemd is van het leven van God!

Dat elke vezel van onze natuur doordrenkt is van vijandschap tegen God — dat ons vleselijke hart in heel zijn samenstelling, tot in zijn bloed, één ongetemperde massa van vijandschap tegen God is — o, het is een vreselijke gedachte! Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons.

Iets geheimzinnigs

Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U (Lukas 10:21)

Ware godsdienst is iets geheimzinnigs. Deze verborgen, geheimzinnige godsdienst is uitsluitend het werk van God aan de ziel. Wij hebben niet meer en niet minder dan wat het Hem behaagt ons mee te delen. Maar als wij de aard van deze geheimzinnige en toch enige ware godsdienst bekijken dan blijkt zij vooral uit twee takken te bestaan. Het zijn kennis van de zonde en kennis van de zaligheid — bevinding van onszelf en bevinding van Christus — kennismaking met de hel en kennismaking met de hemel.

Hoe gevarieerd, diep of veelzijdig onze bevinding ook is — voor zover zij van God is zal zij grotendeels samen te vatten zijn in de kennis van deze twee onderscheiden zaken.

Van deze twee heeft God gezegd dat zij beide even onnaspeurlijk zijn. Over het menselijk hart legt God deze getuigenis af: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? De Heere daagt ons hier uit. Hij verklaart dat de boosheid en arglistigheid van het menselijk hart zo diep zijn dat niemand ze tot op de bodem kan kennen en dat niemand dat doet.

En over de liefde van Christus — het uiterste, de som en de kern van de andere tak van de levende godzaligheid — verklaart de Heere eveneens dat zij onnaspeurlijk is. Paulus bad dat de gemeente van Efeze de liefde van Christus zou kennen die de kennis te boven gaat. Hij spreekt ook van den onnaspeurlijken rijkdom van Christus. Zoals wij geen lijn hebben die diep genoeg is om de bodem van de menselijke verdorvenheid te peilen, zo hebben wij geen lijn die hoog genoeg is om de top van de liefde van Christus te bereiken! Zo moet al onze kennis van onszelf en al onze kennis van Christus uit de aard van de zaak gebrekkig zijn.

Wij zijn als kinderen die spijbelen!

Onze Verlosser in tijd van benauwdheid! (Jeremia 14:8)

Meestal hebben wij een Zaligmaker alleen nodig in tijd van benauwdheid. Wij kunnen heel goed zonder God wanneer wij op ons gemak zijn — gezond — voorspoedig — en de vleselijke gezindheid de overhand heeft. Het is een droevige en vreselijke gedachte dat wij zo vaak zonder God kunnen. Wij leven zonder Hem, denken zonder Hem, handelen zonder Hem, spreken zonder Hem, wandelen zonder Hem en werken zonder Hem — alsof er geen God was. Dit alles kunnen wij wanneer het eigen ik, de zonde en de wereld de overhand hebben in ons hart en onze gedachten.

Maar wanneer kunnen wij niet zonder God leven? Wanneer onze ziel in ‘benauwdheid’ komt. En daarom is de Heere als het ware genoodzaakt benauwdheid te zenden om ons naar huis te geselen! Wij zijn als kinderen die spijbelen! Daar speelt een kind op straat dat spijbelt. Het gaat om met elke vuile kameraad en vergeet alles over thuis. Het denkt niet aan zijn moeder die zich zorgen om hem maakt en aan zijn vader die vol bezorgdheid is. Vader en moeder moeten dan gaan en hem naar huis geselen!

Zo ziet de Heere ons, Zijn kinderen die spijbelen, van huis wegdwalen — omgaan met elke dwaze ijdelheid — en alles vergeten wat wij belijden te kennen. Hij moet met Zijn roede komen en ons naar huis geselen — en dat doet Hij door benauwdheid te zenden! Wanneer wij in ‘benauwdheid’ komen denken wij eraan dat er een God is. Wij denken weer aan de Heere. Wij hebben Hem nodig om ons te helpen. Hij moet onmiddellijk komen of wij zinken! Wij zeggen: ‘Heere, kom! Kom nu! Ik kan niet zonder U — mijn ziel is in benauwdheid — mijn gemoed is bedrukt — Heere, U moet komen — kom, Heere, en spreek een woord tot mijn ziel!’

Wat brengt nu al deze kreten en verlangens, ademtochten en uitingen tot de Heere? Wel, de Heere die de roede neemt, ons ermee slaat en ons geselt met enige ‘benauwdheid’. Dat kan lijden in het gezin zijn, ziekte in het lichaam, beproevingen in de omstandigheden, tucht in de ziel of striemen van het geweten. Zo brengt de Heere ons door allerlei ‘benauwdheden’ ertoe te roepen en te zuchten en onze behoefte aan Hem als Zaligmaker te voelen.

En Hij is zo goedertieren en medelijdend. Hij neemt het niet kwalijk dat wij Hem alleen gebruiken wanneer wij Hem nodig hebben. Ieder ander zou het kwalijk nemen. Ik zou u niet als vriend willen hebben als u alleen bij mij kwam wanneer u mij nodig had. Uw vriendschap zou mij weinig zeggen als u haar alleen waardeerde om wat u van mij kon krijgen. Toch zijn wij zulke lage, opstandige ellendelingen dat wij de Heere soms zo behandelen. Wij behandelen Hem zoals wij ons zouden schamen onze aardse vrienden te behandelen. Wij komen alleen tot Hem als wij iets van Hem kunnen krijgen, vluchten alleen naar Hem als wij niet zonder Hem kunnen en bezoeken Hem alleen als wij in nood zijn.

Wanneer de wereld lacht, alles voorspoedig is en binnenin alles aangenaam en gerieflijk is — dan lijkt het (zulke ellendelingen zijn wij) alsof wij zonder de Heere kunnen. Maar wanneer ‘benauwdheid’ komt dan maakt de Heere ons vaak voelen dat niemand dan Hij onze ziel goed kan doen. Hem moeten wij nu hebben — zonder Hem kunnen wij nu niet — Hij moet nu redden en nu zegenen — want niemand kan helpen dan Hij alleen!

Wat een ellendig mens ben ik!

Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:24)

Wat veroorzaakt moedeloosheid in de ziel van een behouden zondaar? Is het niet dat hij zoveel in zichzelf vindt dat volkomen tegen God en godzaligheid indruist? Als er geen innerlijk overspel was — geen heimelijke afgoderijen — geen duisternis van gemoed — geen doodsheid van ziel — geen hardheid van hart — geen verzoekende duivel — geen verlokkende wereld — geen lichaam van zonde en dood — dan zou u de moedeloosheid niet als een vloed over u voelen komen.

Maar dit veroorzaakt moedeloosheid in een levende ziel: in zichzelf zoveel te vinden dat tegenover het werk van God in het hart staat. Zoveel dat het volkomen tegendeel is van wat hij wil zijn en van wat volgens hem elke christen zou moeten zijn. Zodra de kwaden van zijn gevallen natuur zich openbaren begint de moedeloosheid te werken. Het kan niet anders.

Als ik geen zondig hart had — geen ongeloof — geen ongelovigheid — geen innerlijk overspel — geen innerlijke afgoderij — geen hoogmoed — geen huichelarij — geen hebzucht — geen krachtige begeerten — geen kokende verdorvenheden — geen kwellende vijand — geen verlokkende wereld — geen boos hart — waarom zou ik dan moedeloos zijn? Maar het is omdat er zoveel tegenstand tegen de levende godzaligheid in zijn hart is. Het is omdat er zoveel in hem is waarvan hij weet en voelt dat het tegen de genade en het werk van de genade indruist. Dat slaat hem neer.

De grote neiging van het vleselijke mensenhart

In onze natuurlijke staat zijn wij allen slaven van het eigen ik. Het eigen ik in zijn verschillende vormen — trots, wellustig, gierig, eigengerecht — het eigen ik in de een of andere gedaante is de afgod voor wie alle vleselijke knieën buigen. Het is de meester die alle vleselijke harten dienen. In onze natuurlijke staat zijn wij allen slaven van de wereld.

Wat de wereld voorhoudt, daar houden wij van. Waar de wereld mee komt, daar vermaken wij ons in. De wereld behagen — een zo groot mogelijk deel van haar goederen verwerven — er ruim voor onszelf en onze kinderen in voorzien — er een achtenswaardige positie in verkrijgen en behouden — dat is de grote neiging van het vleselijke mensenhart.

Wanneer zij tot in hun diepste wezen melaats zijn

Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u (1 Petrus 1:4)

Het door elke storm heen brengen van de uitverkorenen, het voor eeuwig plaatsen van alle vrijgekochten voor de troon van de Almachtige, bevrijding van elke verzoeking, ontkoming aan elke strik en volkomen verlossing van elke vijand — dit alles is de erfgenamen van de belofte in het woord van de waarheid verzekerd. Hoe nodig is het voor het volk van de Heere deze belofte van ‘behoud tot het einde’ te ervaren!

Dat geldt wanneer zij ontdekken wat voor harten zij hebben en hoe voortdurend zij van de Heere afwijken. Wanneer zij zien waarmee zij van binnen en van buiten te strijden hebben. Wanneer zij weten dat een altijd waakzame vijand onophoudelijk probeert hun ziel te verstrikken of aan te vallen. Wanneer zij de diepte van het verderf van de natuur overzien en de verborgen kwaden van hun hart worden ontleed door het scherpe snijmes van de Geest. Wanneer zij tot in hun diepste wezen melaats zijn en weten dat zij geen kracht en geen sterkte hebben om zichzelf voor vallen te bewaren!

Hoe zoet, hoe dierbaar en hoe passend is het dan te geloven dat zij in het boek des levens geschreven zijn. Dat hun namen in de handen van Jezus gegraveerd zijn en op de schouder van Jezus gedragen worden. Dat Hij hen tot het einde zal bewaren en door elke storm heen thuis zal brengen!

Uw tijdelijke beproevingen zijn inbegrepen

En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Romeinen 8:28)

Deze belofte omvat zowel zaken van de voorzienigheid als geestelijke zaken. Als alle dingen u ten goede moeten meewerken dan zijn uw tijdelijke beproevingen inbegrepen in die ‘alle dingen’. Elke lichamelijke ziekte — elk gezinsverdriet — alles wat ons in de voorzienigheid beproeft — alles wat bitter is en ons vlees snijdt — is in deze veelomvattende belofte inbegrepen, evenals alles wat geestelijk en genadig is.

Ontbloot mijn ziel niet

Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet (Psalm 141:8)

Ik ben ervan overtuigd dat de Heere al Zijn volk op deze plaats brengt. Zij moeten weten dat zij geestelijk niets hebben dan wat Hij hun geeft, niets voelen dan wat Hij in hen werkt en niets zijn dan wat Hij hen maakt. Zij moeten volkomen losgemaakt worden van het schepsel. De arm van de eigengerechtigheid moet gebroken worden en de afgod van de vleselijke wijsheid van de troon gestoten!

Verborgen goddelijke mededelingen

Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet (Psalm 141:8)

Voordat wij zaligmakend in Jezus kunnen geloven moeten wij grondig van het schepsel gespeend zijn en afgesneden van een arm van vlees. Onze eigen gerechtigheid moet voor onze ogen in duizend splinters zijn gesmakt. Onze wijsheid moet volslagen dwaasheid zijn geworden en onze kracht volslagen zwakheid. Wij moeten de ellende van onze vroegere afgoderijen hebben gevoeld en hebben getreurd over onze voortdurende en onophoudelijke afval. En wij moeten in de Heere alles hebben gezien wat de genegenheden en verlangens van onze ziel kan aantrekken.

Zo moet er ook, voordat er vertrouwen op de Heere kan zijn, een verborgen goddelijke mededeling van Hem uitgaan. Als er dus vertrouwen op de Heere is dan zal de ziel niet alleen naar Hem uitgaan. Diezelfde Heere zal ook in de ziel neerdalen en haar in staat stellen op Hem te vertrouwen.

Er zullen ook beproevingen zijn en beloften in die beproevingen — verzoekingen en verlossingen uit die verzoekingen — verdrukkingen en vertroostingen die bij die verdrukkingen passen — ellenden en barmhartigheden die bij die ellenden passen. Als deze dingen door goddelijke kracht in het hart gewerkt en in het geweten gebracht zijn dan is er kracht om op God te vertrouwen. Die kracht deelt Hij alleen mee aan hen die Zijn aangezicht waarlijk en ernstig zoeken.

Aarden vaten

Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten (2 Korinthe 4:7)

Ieder mens is op zijn best slechts van de aarde — aards. De mens is geschapen uit het stof van de aarde. Zijn lichaam zal daarom altijd de sporen van die lemen oorsprong dragen. Sommige vaten zijn inderdaad groter dan andere. Zij zijn, zo zou het lijken, gemaakt van betere of in elk geval zorgvuldiger bewerkte en gekneede klei. Ze zijn misschien mooier van vorm, meer versierd en opgesmukt en bestemd voor eervoller gebruik. Want als wij de ene mens met de andere vergelijken zoals de wereld hen ziet, dan is de een misschien slechts een bloempot die nauwelijks een cent waard is en de ander een kostbare vaas die duizenden waard is.

Rang en titels, eer en waardigheid, rijkdom, geleerdheid en opleiding kunnen sommigen sieren. Onwetendheid, armoede en lompen vernederen anderen. Toch zijn allen uit dezelfde kleiput genomen. Allen zijn op dezelfde pottenbakkersschijf gevormd en in dezelfde oven gebakken en allen komen uiteindelijk op hetzelfde einde uit! Hoe broos zijn deze lichamen van ons! Hoe gemakkelijk kan ons aarden vat in stukken breken en slechts een stuk levenloze klei worden!

De vruchten van een godzalig leven

Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen (Mattheüs 7:20)

Eerlijkheid en rechtschapenheid in alle zakelijke handelingen — eenvoud, oprechtheid en betrouwbaarheid in woord en daad — het blijk dat ons een kracht is gegeven om goede echtgenoten, goede echtgenotes, goede kinderen, goede werknemers en goede meesters te zijn: dit alles zijn bewijzen van ware zaligheid. Een tirannieke echtgenoot — een mopperende, ontevreden echtgenote — een liefdeloze vader — een weerspannige zoon — een harde meester — een bedrieglijke werknemer — mensen die inconsequent wandelen en door hun woorden en daden smaad brengen over de waarheid van God — welk recht hebben zij zich kinderen van God te noemen?

Waar de waarheid en kracht van zaligmakende godsdienst komen, daar hoort ook de vrucht van een godzalig leven bij. Zodra goddelijk leven in de ziel is geplant begint het op te borrelen en te ontspringen en zo zijn bestaan te openbaren. Wanneer goddelijk leven wordt meegedeeld begint het zich onmiddellijk te openbaren. Het is als een bron in een veld of uit een heuvelhelling die als het ware vanzelf naar buiten breekt en niet tegengehouden of opgesloten kan worden door er uw voet op te zetten.

Het is verbazingwekkend welke verandering in de ziel ontstaat door de mededeling van goddelijk leven. Het is werkelijk zoals de profeet zegt: in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis. Dat is het woestijnhart van de mens — dat verschroeide land van de ziel — dat dorre en dorstige land waarin geen voedsel en geen water is — die woonplaats van draken waar elke slang opgerold in zijn hol ligt. Maar zelfs daar spreekt de stem van de Heere: Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten.

Hoe zacht, hoe teder, hoe eenvoudig en oprecht, hoe vol leven en gevoel, hoe ernstig gericht op God en hoe grondig veranderd ten opzichte van haar vroegere vleselijkheid en wereldsgezindheid is de ziel die door wederbarende genade voor God levend is gemaakt!

De gevaarlijkste en ergste plaatsen

Een van de gevaarlijkste en ergste plaatsen waar een kind van God in kan vallen is wanneer wij onze eerste liefde verlaten. Ons hart wordt koud en dood voor de dingen van God. De zonde leeft weer op en begint opnieuw haar afschuwelijke macht te tonen. De wereld trekt en lokt. Onze voeten raken verstrikt in de strikken die Satan spant. En tot onze schaamte en droefheid dwalen wij van de Heere af — wij verlaten de bron van levend water en houwen bakken uit, gebroken bakken, die geen water houden.

Maar de Heere zal Zijn volk hier niet laten. Na enige tijd gaan wij de ellendige gevolgen zien en voelen van het niet teder en gewetensvol wandelen en het niet consequent handelen naar onze heilige belijdenis. Schuld valt op ons geweten. De Heere onttrekt het licht van Zijn aangezicht en er komt veel gebondenheid over onze geest. Nu gaan wij zien dat het een uitermate kwade en bittere zaak is tegen de Heere te zondigen!

Het medelijden van Christus

Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden (Hebreeën 4:15)

Allen die God vrezen hebben nu een Hogepriester Die met onze zwakheden bewogen wordt en daarom met ons kan meeleven in onze verzoekingen en verdrukkingen. Jezus heeft persoonlijk kennisgemaakt met elke beproeving, verzoeking en vorm van lijden die een van de Zijnen kan doormaken. Zo kan Hij gevoelig met hen meeleven omdat Hij ze Zelf persoonlijk heeft ervaren. Hij zit in hemelse zaligheid met een mensenhart — teder, liefdevol, gevoelig — en leeft mee omdat Hij Zelf elke fase van het lijden heeft doorgemaakt. Hij heeft elke beproeving gekend, aan elke verzoeking blootgestaan en persoonlijke ervaring gehad met alles wat Zijn levende gezin kan overkomen.

Dit is een geheimzinnig onderwerp. Ik beweer niet het te begrijpen of te kunnen uitleggen. Maar ik aanvaard het op de getuigenis van Gods Woord en zie er een grote zaligheid in — mijnen van genade, schatten van bemoediging, een rijke bron van goddelijke troost! Als u en ik in een beproeving verkeren dan is er voor ons een meelevende Hogepriester aan de rechterhand van de Vader. De weduwe, de wees, de arme, de behoeftige, de bedrukte en de geoefende — wat hun leed ook is — er is een barmhartige en getrouwe Hogepriester Die met hen en voor hen kan voelen. Zijn teder, liefdevol en liefhebbend hart is week van meeleven met wat zij hier beneden lijden.

Dit te geloven en in beproeving, lijden en oefening te gaan naar een tedere, meelevende, liefhebbende Hogepriester en zo Zijn medelijden jegens ons te beseffen — wat een kracht en steun geeft dat! Voelen wij de last van de zonde? Hij heeft haar gevoeld. Roepen wij onder het besef van schuld? Hij heeft haar gevoeld. Hij had inderdaad geen persoonlijke schuld, maar Hij voelde alle schuld die wij kunnen voelen — door toerekening. Fronst de wereld? Zij fronste tegen Hem. Vervolgen mensen u? Zij vervolgden Hem. Wordt u onderdrukt? Ook Hij werd onderdrukt.

Wordt u bespot, uitgelachen, geminacht en beledigd? Ook Hij heeft dit alles doorstaan. Verbergt God Zijn aangezicht? Is uw ziel in duisternis? Bent u vol angst? Hij heeft dit alles doorgemaakt. Dit maakte Hem meelevend, teerhartig, liefdevol, vriendelijk en genegen. Maar o, wat een meelevende Hogepriester is er in de hoven daarboven voor arme zondaren hier beneden! Wij mogen Hem al onze zorgen vertellen. De heimelijke zonden die u in uw eigen boezem moet opgesloten houden, de pijnlijke verzoekingen waarmee u geoefend wordt, de verschillende dingen die diep in uw geweten snijden en die u niemand in het oor kunt fluisteren — alles ligt open voor deze meelevende Hogepriester. Alles mag worden uitgespreid voor die troon van de genade waarop Hij eeuwig zit!

Een vraag die diep belangstelling wekt

Een vraag die diep belangstelling wekt en vaak pijnlijk bezighoudt — elk waar kind van God — is hoe het leven van God in zijn boezem wordt onderhouden. Als hij deel heeft aan de genade van God dan wil hij weten hoe die genade in levende oefening gehouden kan worden. Zo kan hij door elke beproeving, verzoeking en verdrukking heen worden gebracht en uiteindelijk veilig in de heerlijkheid aankomen.

De liefde voor en aanbidding van afgoden

De liefde voor en aanbidding van afgoden is zowel oorzaak als gevolg van alle afval. Nu kan niets dan een meer geestelijke aanbidding de aanbidding van een afgod van de troon stoten. En niets dan een sterkere liefde kan de liefde voor een afgod overweldigen. Want wij moeten iets liefhebben — en als wij de Heere Jezus niet liefhebben dan zullen wij een afgod van onszelf liefhebben.

U bent een afgodendienaar geweest. U hebt afgoden opgericht, misschien wel vele, in de binnenkamers vol beeldwerk. U bent gevangen in een verborgen strik die Satan heeft gezet. U bent in de geest van de wereld geraakt. Uw vrouw, kinderen, zaken en beroep zijn verstrikkingen geworden. Deze en andere huisafgoden hebben uw hart van God afgetrokken en u bent in een zeer koude, dorre toestand gevallen. Wees eerlijk tegenover uw eigen geweten en zeg of het zo is of niet. Leg uw binnenste geest naakt bloot voor God. Bent u niet in een koude, afvallige toestand geraakt? Heeft niet hoogmoed, hebzucht of wereldsgezindheid u droevig in haar greep gekregen?

Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen (Jeremia 3:22)

Als een mens door God werd verlaten

Zo wanhopig boos is het hart van de mens en zo vastbesloten zijn vulling aan het kwade te hebben dat hij, als een mens door God werd verlaten, het ene ogenblik zou zondigen en het volgende in de hel springen!

Met bittere smart en een klaaglijke kreet

Wij kijken naar deze zonde en naar die zonde. Wij denken terug aan deze en gene misstap of val. En soms zeggen wij met bittere smart en een klaaglijke kreet: „O, had ik die zonde maar nooit bedreven! O, was ik maar nooit in deze of gene richting losgebroken! O, hadden mijn lust en mijn trots mij maar nooit overmeesterd! Of mijn hebzucht, mijn driftige aard, mijn dwaze lichtzinnigheid, mijn onachtzaamheid en vleselijkheid op dat moment! O, had ik dat dwaze woord maar nooit gesproken en dat droevige ding nooit gedaan! Was ik maar nooit in die strik van het vlees gevallen! O, was ik maar nooit verstrikt geraakt in die vreselijke val van de duivel!”

Het kruis is de enige plaats waar een schuldige zondaar een vergevende God kan ontmoeten. Daar worden al zijn zonden vergeven en al zijn ongerechtigheden, zo groot, zo zwart en zo verzwaard, kwijtgescholden.

het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Johannes 1:7)

Zeeën van bloed en liefde!

Welke diepten van doodsangst kostte het Jezus ons te verlossen uit de bodemloze put! Door welke zeeën van bloed en liefde moest Hij waden! Welke strijd met Satan! Welke verbergingen van het aangezicht van Zijn Vader! Welk een gewicht van onuitsprekelijk wee! Welke onbeschrijflijke druk van toegerekende zonde! En toch heeft Hij dit alles geleden toen Hij onze zonden in Zijn eigen lichaam droeg op het hout!

De som en inhoud van alle levende godzaligheid

Een belijdenis van godsdienst zonder een ware bevindelijke kennis van Christus is slechts bedrog of waan. Er is een stevige werkelijkheid en blijvende zelfstandigheid in het goddelijke onderwijs en de genadige werking van de gezegende Geest in het hart. ‘Bezit en genieten’ — persoonlijk bezit en geestelijk, bevindelijk genieten — van de genade van onze Heere Jezus Christus, van de liefde van God en van de gemeenschap van de Heilige Geest is het bijzondere voorrecht en de hoogste zaligheid van de kinderen van God. Dit is ook de ziel van alle ware godsdienst en de som en inhoud van alle levende godzaligheid.

Ik wil in mijn eigen ziel niets weten dan wat God mij uit de Schriften door Zijn gezegende Geest wil leren. Zo kan ik Christus bevatten, stevig vastgrijpen, innerlijk tot mij nemen, zalig beseffen en bevindelijk genieten!

De bergtop van de hoogmoed

Als een christen ooit op de bergtop van de hoogmoed komt, zal God hem zeker in het ‘dal van de nederigheid’ brengen. Wij bidden om nederig, leerzaam en afhankelijk te zijn — om meer te kennen van de genade, de Geest en de tegenwoordigheid van Christus — om meer gemeenschap en omgang met Hem te hebben — meer aan Zijn beeld en voorbeeld gelijkvormig te zijn — meer in Zijn voetstappen te wandelen — meer te kennen en te doen wat in Zijn ogen welgevallig is. Maar deze verlangens kunnen wij niet vervuld krijgen dan door beproeving en verdrukking. Want juist in die beproevingen en verdrukkingen openbaart Christus Zich en maakt Hij Zich bekend en dierbaar.

Een onuitputtelijke schatkamer van beproevingen

Wees ervan verzekerd dat u juist die beproeving hebt die het best past bij uw bijzondere geval en toestand. Soms denkt u dat u elke beproeving zou kunnen dragen behalve die welke u is opgelegd. Maar reken erop dat God uit de verscheidenheid van beproevingen juist die beproeving heeft uitgekozen die het best past bij uw toestand en omstandigheden. Hij heeft als het ware een onuitputtelijke schatkamer van beproevingen — alle gereed voor gebruik. En daaruit heeft Hij die bijzondere beproeving genomen die het best bij u past.

Hij heeft dat juk uitgekozen dat het nauwst om uw nek zal sluiten. Hij heeft die last op uw schouders gelegd die het meest tot uw bestwil en Zijn eer is en die u zult dragen, al draagt u haar tot aan de poorten des doods!

Een wereld van bedrog en valsheid

Wij leven in een wereld vol leugens! De reden hiervoor is niet ver te zoeken. Satan is haar god en vorst — en hij is een leugenaar en de vader van de leugen! De tegenwoordige wereld staat met toelating van God onder de heerschappij en macht van Satan. Zij draagt het stempel dat hij erop gedrukt heeft en waardoor hij haar tot een wereld van bedrog en valsheid heeft gemaakt. Wijzelf dwaalden zodra wij geboren waren en spraken leugens. In leugens groeiden wij op. In leugens leefden wij. En zonder Zijn genade zouden wij in leugens gestorven zijn — als belijders of als goddelozen — want er zijn duizenden van beide die leven en sterven met een leugen in hun rechterhand!

Wie in een wereld van leugens leeft hoort en ziet er weinig anders dan valse woorden, valse daden, valse leerstellingen en valse belijdenissen. Wij leven omringd door een atmosfeer van valsheid. Als er enige waarheid in de wereld is of enige waarheid in ons hart, onze lippen of ons leven, dan moet die waarheid van God komen. Want Hij is de God van de waarheid zoals Satan de vader van de leugen is.

Totdat God de Geest met goddelijke kracht in uw ziel wilde werken, leefde u in leugens en hield u van leugens. Uw godsdienst, als u er een had, was een leugenachtige godsdienst — want er was geen waarheid in, geen werkelijkheid, geen kracht. Want zolang onze ogen niet geestelijk geopend zijn zien wij noch onze naaktheid noch onze lompen. Wij kennen de waarheid niet en geven er ook niet om haar te kennen. Als arme, zelfbedrogen schepselen zou u hebben geleefd en als zodanig zou u gestorven zijn — ware het niet voor de soevereine, onderscheidende en meer dan overvloedige genade van God. Die rukte u als een vuurbrand uit het vuur dat was aangestoken door de vonken van uw eigen vuur!

Niets dan soevereine genade

Naarmate de Heere onze ogen wil openen zullen wij meer zien wat genade is — hoe zuiver, hoe vrij en hoe soeverein. Wij zullen onze zonden zo groot zien dat niets dan vrije genade ze kan vergeven. Onze afvalligheden zijn zo verzwaard dat niets dan vrije genade ze kan genezen. Onze harten zijn zo hard dat niets dan vrije genade ze kan zacht maken. Ons pad is zo ruw dat niets dan vrije genade ons erover heen kan helpen. En onze dood is zo vreselijk dat niets dan de genade van God zijn angel kan wegnemen en ons zelfs in zijn armen ‘Overwinning!’ kan doen uitroepen. Wij zullen vinden dat niets dan soevereine genade ons heilig of gelukkig kan maken voor tijd en eeuwigheid.

Er is een uitgaan van het ongedeelde verlangen van de ziel naar de Heere Jezus Christus, opdat Zijn genade steeds in ons moge vloeien. Opdat zij alle twijfel en vrees verdrijft en alle banden en boeien in stukken breekt. Opdat zij ons vervult met liefde en nederigheid en ons gelijkvormig maakt aan Zijn lijdend beeld. Opdat zij in ons elke vrucht voortbrengt die tot Zijn lof zal strekken, bij ons is in leven en sterven en ons veilig in de eeuwigheid aan land brengt!

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!