Het geloof blijft naar de verzoening kijken — het geloof kijkt niet zozeer naar de zonde als naar de verlossing van de zonde, naar de weg waarlangs de zonde wordt vergeven, overwonnen en bedwongen.
De waarheid zal u vrijmaken!
En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. (Johannes 8:32)
Voor een geestelijk gezind mens is het een zoete en zichzelf belonende taak — als men het al een taak kan noemen — het Woord te onderzoeken als naar verborgen schatten. Geen zoetere en betere bezigheid kan hart en handen vervullen.
Men doet het in een geest van gebed en overpeinzing, in afzondering van de wereld, in heilige vrees en met het verlangen Gods wil te kennen en te doen, in nederigheid, eenvoud en godvruchtige oprechtheid. Men zoekt binnen te dringen in die hemelse verborgenheden die in de Schriften zijn opgeslagen — en dat niet om het hoofd met begrippen te vullen, maar om de ziel te voeden met het brood van het leven.
De waarheid, ontvangen in de liefde en de kracht ervan … onderricht en bevestigt het oordeel. Zij verzacht en doet het hart smelten, verwarmt de genegenheden en trekt ze omhoog. Zij maakt het geweten levend en teder en houdt het zo. Zij is het voedsel van het geloof, de kracht van de hoop en de drijfveer van de liefde.
De waarheid kennen is gezegend vrijgemaakt worden … vrij van dwaling; vrij van de snode ketterijen die overal overvloedig zijn; vrij van aanmatiging; vrij van eigengerechtigheid; vrij van de vloek en de slavernij van de wet; vrij van de veroordeling van een schuldig geweten; vrij van een slaafse vrees voor het oordeel van mensen; vrij van de minachting van de wereld; vrij van de spot van wereldse belijders; vrij van het volgen van een menigte tot het kwade; vrij van de omgang met hen die de naam hebben dat zij leven maar dood zijn.
En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. (Johannes 8:32)
De zonde kan op geen andere wijze worden bedwongen.
hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God (Galaten 2:20)
Er is geen andere weg om ooit overwinning te behalen op onze aanklevende zonden dan door geestelijk ondergedompeld te worden in de dood en het leven van Christus. Als wij enerzijds een lijdende Christus voor ogen krijgen en zo worden ondergedompeld in Zijn lijden en sterven, dan zal dat gevoel, zolang het duurt, de macht van de zonde bedwingen.
Of als wij anderzijds een gelovig zicht krijgen op een opgestane Christus en voorraden van genade ontvangen uit Zijn volheid, dan tilt dat ons boven de heerschappij van de zonde uit.
Als de zonde krachtig in ons werkt, hebben wij een van deze twee dingen nodig om haar te bedwingen.
Wanneer er een zicht is op het lijden en de smarten, de doodsstrijd en het sterven van de Zoon van God, dan komt er kracht in de ziel neer in haar strijd tegen de zonde. Die geeft haar een mate van heilig verzet en bedwingende kracht ertegen.
Zo ook: wanneer de genade en liefde van Christus binnenkomen, tilt dat de ziel op uit de liefde en de macht van de zonde in een zuiverder en heiliger dampkring. De zonde kan op geen andere wijze worden bedwongen.
U moet ofwel worden ondergedompeld in het lijden en sterven van Christus — ofwel in de opstanding en het leven van Christus. Een zicht op Hem als lijdende God — of een blik op Hem als opgestane Jezus — moet verbonden zijn met elke geslaagde poging om de overwinning te behalen over zonde, dood, hel en graf.
U kunt strijden, geloften afleggen en berouw hebben — en waar komt dat op neer? U zakt dieper en dieper in de zonde dan tevoren. Hoogmoed, lust en hebzucht komen als een vloed binnen — en u wordt overspoeld en meegesleurd bijna voordat u het weet!
Maar als u een zicht krijgt op een lijdende Christus of op een opgestane Christus — als u iets proeft van Zijn stervende liefde, een druppel van Zijn verzoenend bloed of enige openbaring van Zijn schoonheid en zaligheid — dan komt er uit die geestelijke onderdompeling in Zijn dood of Zijn leven een bedwingende kracht voort. Die geeft een overwinning over verzoeking en zonde die niets anders kan of zal geven.
Toch geloof ik dat wij vaak vele jaren nodig hebben om dit goddelijke geheim te leren. Wij proberen ons te bekeren en te beteren en het lukt niet. Tot wij ten slotte door goddelijk onderwijs een weinig leren van wat de apostel bedoelde toen hij zei: hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God. En wanneer wij in dit leven van geloof kunnen komen — dit verborgen leven — dan zijn onze genegenheden gericht op de dingen die boven zijn.
Het heeft geen zin aan het werk te gaan met ‘wettische inspanningen’ — zij storten u slechts dieper in de sloot. U moet Christus door de kracht van God in uw ziel krijgen — en dan zal Hij met Zijn glimlach, bloed, liefde en tegenwoordigheid elke innerlijke vijand bedwingen.
Twee soorten berouw
Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood. (2 Korinthe 7:10)
Er zijn twee soorten berouw die zorgvuldig van elkaar onderscheiden moeten worden, hoewel zij maar al te vaak met elkaar verward worden: evangelisch berouw en wettisch berouw.
Kain, Ezau, Saul, Achab en Judas hadden allen berouw — maar hun berouw was de wroeging van het natuurlijke geweten, niet de godvruchtige droefheid van een gebroken hart en een verslagen geest. Zij beefden voor God als voor een toornende Rechter — maar werden niet tot berouw gesmolten voor Hem als voor een vergevende Vader. Zij haatten hun zonden niet en verlieten ze niet — zij hadden de heiligheid niet lief en zochten haar niet.
Kain ging weg uit de tegenwoordigheid van de Heere. Ezau smeedde plannen om Jakob te doden. Saul raadpleegde de waarzegster van Endor. Achab zette de oprechte Micha in de gevangenis. En Judas verhing zichzelf.
Hoe anders is, vergeleken met dit gedwongen en valse berouw van een verworpene, het berouw van een kind van God — dat ware berouw over de zonde, die godvruchtige droefheid, dat heilige treuren dat voortvloeit uit de genadige werkingen van de Geest.
Dit berouw komt niet voort uit een besef van Gods toorn in een verbroken wet — maar uit Zijn barmhartigheid in een gezegend evangelie. Het komt voort uit een gelovig zien van het lijden van Christus in de hof en aan het kruis, uit een openbaring van vergevende liefde.
Het gaat altijd gepaard met zelfverafschuwing en zelfwalging, met diepe en onvoorwaardelijke belijdenis van zonde en het verlaten ervan. Het gaat gepaard met zeer hartelijke, oprechte en ernstige smekingen om voor alle kwaad bewaard te worden en met een heilig verlangen om te leven tot lof en eer van God.
Hebben wij niets aan Christus te geven?
Ja! Onze zonden, onze smarten, onze lasten, onze beproevingen en bovenal de zaligheid en de heiliging van onze zielen.
En wat heeft Hij ons te geven? Wat? Wel … alles wat de moeite waard is, alles wat een ogenblik van angstig denken waard is, alles voor tijd en eeuwigheid!
Nadat u een korte tijd hebt geleden
Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden (1 Petrus 5:10)
Er is geen goddelijke bevestiging, geen geestelijke kracht, geen hechte vestiging — behalve door lijden. Maar nadat de ziel heeft geleden en Gods tuchtigende hand heeft gevoeld, is het gevolg … dat zij wordt vervolmaakt, bevestigd, versterkt en gevestigd.
Door lijden wordt een mens gevestigd in een ernstige overtuiging van het karakter van Jehova, zoals dat in de Schrift is geopenbaard en in zekere mate bevindelijk in zijn geweten openbaar wordt gemaakt. Hij wordt gevestigd in de zekerheid van wat Paulus schrijft: dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Hij is vast overtuigd dat alles gebeurt naar Gods eeuwig voornemen en dat alles strekt tot het goede van de gemeente en tot Gods eeuwige eer.
Zijn ziel wordt ook gevestigd in een diepe overtuiging van de ellende, de armzaligheid en de leegte van het schepsel. Hij is ervan overtuigd dat de wereld slechts een schaduw is en dat de dingen van tijd en zinnen slechts bellen zijn die uiteenspatten op het moment dat men ze grijpt.
Hij is ervan overtuigd dat van alle dingen de zonde het meest te vrezen is en de gunst van God boven alle dingen het meest te begeren. Niets is werkelijk de moeite waard om te kennen behalve Jezus Christus, en Dien gekruisigd. Alle dingen gaan voorbij — en hijzelf wordt snel meegevoerd op de stroom van het leven naar de grenzeloze oceaan van de eeuwigheid.
Zo wordt hij gevestigd in de kennis van de waarheid en blijft zijn ziel voor anker liggen. Hij ziet op naar de Heere om hem hier te bewaren en hem in vrede en veiligheid thuis te brengen in zijn eeuwige woning.
In dit toneel van verwarring en verstrooiing
En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. (Romeinen 8:26)
wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort. Hoe vaak vinden en voelen wij dat dit in ons geval zo is … Duisternis bedekt ons gemoed. Onwetendheid doordringt onze ziel. Ongeloof kwelt onze geest. Schuld benauwt ons geweten.
Een menigte kwade verbeeldingen, of dwaze of nog ergere afdwalingen, verstrooit onze gedachten. Satan werpt dik en snel zijn vurige pijlen. Een dichte wolk hangt over de genadetroon. De ongelovigheid fluistert haar snode ingevingen. Te midden van dit hele gepeupel heersen zulke verwarring en slavernij dat woorden ijdele adem lijken en gebed tot de God van de hemel slechts lege spot.
In dit toneel van verwarring en verstrooiing, wanneer alles op een schipbreuk lijkt uit te lopen — hoe vriendelijk, hoe genadig is het van de gezegende Geest om als het ware de arme, verwarde heilige te hulp te komen en hem te leren hoe hij bidden moet en wat hij bidden moet.
Daarom wordt gezegd dat Hij onze zwakheden mede te hulp komt, want deze kwaden waarover wij spraken zijn geen opzettelijke, bewuste zonden maar ellendige zwakheden van het vlees.
Hij helpt dan onze zwakheden — door de macht en de overhand van het ongeloof te bedwingen — door in het gemoed een plechtige stilte te gebieden — door Satan en zijn vurige pijlen te bestraffen en te verjagen — door de ziel met een eerbiedig besef van de macht en tegenwoordigheid van God met ontzag te vervullen.
Hij doet dat ook door Jezus ons voor ogen te stellen als de Middelaar aan de rechterhand van de Vader — door het geloof op te wekken en uit te trekken op Zijn Persoon en werk, bloed en gerechtigheid — en bovenal door Zelf voor ons en in ons te bidden met onuitsprekelijke zuchtingen.
Zijn eigen plage en zijn eigen smarte
Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, of van al Uw volk Israel geschieden zal, als zij erkennen, een ieder zijn plage en zijn smarte, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal; Hoor Gij dan uit den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen. (2 Kronieken 6:29-30)
De man voor wie Salomo bidt is hij die zijn plage en zijn smarte kent en voelt, pijnlijk voelt — wiens hart hem waarlijk een verdriet is — wiens zonden hem waarlijk benauwen.
Hoe pijnlijk is deze plaag vaak! Hoe loopt zij dag en nacht! Hoe vol etterig vocht! Hoe deinst zij terug voor de onderzoekende hand!
De meeste leden van het gezin van de Heere hebben een ‘plaag’ — ieder een tere plek — iets wat misschien alleen hij zelf en God kennen — de oorzaak van zijn grootste verdriet. Het kan … een heimelijke misstap zijn die hij heeft begaan, een zonde die hij heeft bedreven, een woord dat hij heeft gesproken of een kwaad dat hij heeft gedaan.
Hij is verstrikt geraakt, in de val gelokt en neergeworpen — en dat is zijn verdriet en zijn plaag die hij voelt, en soms diep voor God.
Voor zo iemand bidt Salomo: Hoor Gij dan uit den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen. Ja — God alleen kent het hart — Hij kent het volkomen — en ziet tot op de bodem ervan.
Wat zijn wij, wanneer wij geen beproevingen hebben?
De Heere heeft het pad van smart bepaald waarop de verlosten moeten wandelen. Waarom? Eén doel is hen van de wereld te spenen — een ander doel is hen de zwakheid van het schepsel te tonen — een derde doel is hen de vrijheid en de levenskracht van echte godsvrucht te laten voelen, geopenbaard in de bevinding van hun ziel.
Wat zijn wij, wanneer wij geen beproevingen hebben? Lichtzinnig, oppervlakkig, wereldsgezind, vleselijk, onbezonnen.
Wij kunnen over de dingen van God praten — maar zij staan op afstand. Er zijn … geen ernstige gevoelens en smeltende aandoeningen, geen werkelijke gebrokenheid en echte verslagenheid, geen wenen aan de goddelijke voeten en geen omhelzen van Christus in de armen van de genegenheid.
Wat kan een mens hier brengen? Een paar droge begrippen die in zijn brein heen en weer zweven? Dat zal nooit het leven en de kracht van levende godsvrucht in iemands hart brengen. Het moet geschieden doordat hij ‘uit bevinding vertrouwd is geraakt met moeite’.
Wanneer hij op het pad van de verdrukking wordt geleid, begint hij daarnaar te verlangen. En in Gods eigen tijd en op Gods eigen wijze begint hij de zoetheid van levende godsvrucht in zich op te nemen, geopenbaard in zijn hart door de kracht van God.
Wanneer de ellende een mens neerbuigt, ledigt zij hem van al zijn hoge gedachten en legt zij hem laag in zijn eigen ogen.
Geestelijke armoede
Zalig zijn de armen van geest (Mattheüs 5:3)
Geestelijke armoede is een ellendig gevoel van zielsleegte voor God — een innerlijk wegzinkend gevoel dat er in ons hart niets geestelijk goeds is, niets wat ons kan bevrijden van de rechtvaardig verdiende toorn van God of ons kan redden van de diepste hel.
Arm van geest zijn is dus deze ellendige leegte van geest hebben, deze naaktheid en armoede van de ziel voor God.
Wie nooit heeft geweten wat het is om voor de Heere te kermen met uitbarstingen van het hart als een nooddruftige, naakte ellendeling — wie nooit zijn ellendige armoede en leegte heeft gevoeld voor de ogen van een hartenonderzoekende God — heeft nog niet ervaren wat het is geestelijk arm te zijn.
Verzadiging!
haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen (Psalm 132:15)
Wat een zoetheid ligt er in het woord ‘verzadigen’!
De wereld kan het kind van God niet verzadigen. Hebben wij niet geprobeerd — sommigen van ons misschien vele jaren — enige bevrediging uit haar te halen?
Maar kan een echtgenote of echtgenoot ons verzadigen? Kunnen kinderen of verwanten ons verzadigen? Kan alles wat de wereld goed of groot noemt ons verzadigen? Kunnen de genoegens van de zonde ons verzadigen?
Is er niet in alles een knagende leegte? Oogsten wij niet ontevredenheid en teleurstelling uit alles wat van het schepsel en van het vlees is? Vinden wij niet dat er weinig anders dan smart te oogsten valt uit alles in deze wereld? Er valt weinig anders uit de wereld te halen dan … teleurstelling, ontevredenheid en ijdelheid en kwelling des geestes.
De arme ziel kijkt rond over de wereld en het schepsel — over alle bezigheden, vermaken en betrekkingen van het leven — en vindt alles één droevige oogst. Zo oogst zij niets dan smart, verlegenheid en ontevredenheid.
Wanneer een mens hier wordt gebracht — om bevrediging te verlangen, iets om hem gelukkig te maken en de knagende leegte te vullen, iets om gebroken beenderen, bloedende wonden en melaatse zweren te verbinden — wel, dan kan het zijn dat hij alles heeft bekeken. Hij heeft gekeken naar leerstellingen, meningen, begrippen en bespiegelingen, naar vormen, riten en ceremoniën in de godsdienst. Hij heeft gekeken naar de wereld met al haar bekoringen en naar het zelf met al zijn wisselende werkingen.
In dat alles heeft hij niets gevonden dan bitterheid van geest, kwelling en moeite en zo zinkt hij neer als een ellendeling. Wanneer de Heere dan iets van het brood van het leven voor hem opent, vindt hij een bevrediging die hij nooit uit enige andere hoek had kunnen krijgen.
En dat is de reden waarom de Heere Zijn volk zo verdrukt. Daarom dragen sommigen zulke zwakke, lijdende lichamen met zich mee, hebben sommigen zoveel familieverdriet en zijn anderen zo diep in armoede ondergedompeld. Daarom hebben anderen zulke opstandige kinderen en worden weer anderen zo beproefd met geestelijke smarten dat zij nauwelijks weten wat het einde zal zijn.
Het is alles voor één doel — om hen ellendig te maken buiten Christus — onbevredigd behalve met evangeliespijs — om hen zo ellendig en onbehaaglijk te maken dat God alleen hen gelukkig kan maken en alleen troost kan spreken tot hun verontruste gemoed.
De godsdienst van een dode belijder …
Hoe anders is de godsdienst van een kind van God dan de godsdienst van een dode belijder!
De godsdienst van een dode belijder … begint in het zelf en eindigt in het zelf. Zij begint in zijn eigen wijsheid en eindigt in zijn eigen dwaasheid. Zij begint in zijn eigen kracht en eindigt in zijn eigen zwakheid. Zij begint in zijn eigen gerechtigheid en eindigt in zijn eigen verdoemenis!
Er is in hem nooit een uitgaan van de ziel naar God, geen heimelijke omgang met de Heere.
Maar het kind van God is vaak flauw, moe en uitgeput door vele moeilijkheden, lasten en smarten. Toch kan het nooit tevreden zijn behalve in een levende vereniging en gemeenschap met de Heere van het leven en de heerlijkheid.
Alles wat daarbij achterblijft, laat hem leeg.
Alle dingen van tijd en zinnen laten een kind van God onbevredigd. Niets dan een levende vereniging en gemeenschap met de Heere van het leven — om … Zijn tegenwoordigheid te voelen, Zijn liefde te proeven, Zijn gunst te genieten, Zijn heerlijkheid te zien — niets dan dit zal ooit de verlangens van vrijgekochte en wedergeboren zielen bevredigen. Dit geeft de Heere Zijn volk graag.
Hebben wij niet op duizend dingen geleund?
Zie, gij vertrouwt op dien gebrokenen rietstaf, op Egypte; op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren (Jesaja 36:6)
Hebben wij niet op duizend dingen geleund? En wat zijn zij gebleken? Gebroken rieten die in onze handen zijn gedrongen en ons hebben doorboord … onze eigen kracht en voornemens, de wereld en de kerk, zondaars en heiligen, vrienden en vijanden — zijn zij niet allemaal in meerdere of mindere mate gebroken rieten gebleken? Hoe meer wij op hen hebben geleund, als een man die op een zwaard leunt, hoe meer zij onze zielen hebben doorboord.
De Heere Zelf moet ons spenen … van de wereld, van vrienden, van vijanden, van onszelf, om ons te brengen tot leunen op Hem Zelf. Elke steun zal Hij vroeg of laat wegnemen, opdat wij geheel en uitsluitend leunen op Zijn Persoon, liefde, bloed en gerechtigheid.
Arme, kniezende, neerslachtige schepsels
De meesten van ons zijn zo geboeid door … de ketenen van tijd en zinnen en door de zorgen van het leven en het dagelijkse werk. De zwakheid van ons aardse lichaam, de verstrooiende eisen van een gezin en de ellendige vleselijkheid en zinnelijkheid van onze gevallen natuur houden ons gebonden. Daardoor leiden wij op zijn best een armzalig, voortslepend, stervend leven.
Velen van ons zijn arme, kniezende, neerslachtige schepsels.
Wij hebben … allerlei beproevingen en verdrukkingen, een dagelijks kruis en de voortdurende plaag van een boos hart.
Wij kennen onszelf genoeg om te weten dat er in het ZELF noch hulp noch hoop is. Wij verwachten nooit een gladder pad of een beter, wijzer, heiliger hart. Zoals dan … de vermoeide mens rust zoekt, de hongerige voedsel, de dorstige drank en de zieke gezondheid, zo strekken wij ons hart en onze armen uit om de Heere Jezus Christus te omhelzen en gevoelig vereniging en gemeenschap met Hem te ervaren.
Hij ontdekt ons het kwaad en de ellende van de zonde, opdat wij vergeving zoeken in Zijn bloedende wonden en doorboorde zijde.
Hij maakt ons onze naaktheid en schaamte bekend, en daarmee onze blootstelling aan Gods toorn, opdat wij ons verbergen onder Zijn rechtvaardigmakend kleed.
Hij doet gal en alsem in de uitgelezen dranken van de wereld, opdat wij geen zoetheid hebben dan in en van Hem.
Geen enkel gezicht behalve dit
Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout (1 Petrus 2:24)
Wij smeken de Heere soms ons … een gebroken hart, een verslagen geest, een teder geweten en een nederig gemoed te geven.
Maar alleen een gelovig zien van wat de genadige Verlosser aan het kruis heeft verduurd, toen Hij onze zonden in Zijn eigen lichaam droeg met al hun gewicht en druk en met al Gods toorn die erop rustte, kan werkelijk een hard en stenen hart doen smelten en breken.
Geen gezicht behalve dit kan de zonde als hatelijk doen voelen. Geen ander kan tranen van godvruchtige droefheid uit de ogen persen en snikken van oprecht berouw uit de borst. Geen ander kan de diepste, nederigste belijdenissen voor God voortbrengen over wat voor verschrikkelijke zondaars en snode afvalligen wij zijn geweest voor de ogen van Zijn oneindige Reinheid, Majesteit en Heiligheid.
O, welke hoop is er voor onze schuldige zielen? Welke toevlucht tegen de zo rechtvaardig verdiende toorn van God? Welke schuilplaats tegen de vloek van een vurige wet — behalve in het kruis van Jezus?
O, een zicht op Hem, geopenbaard voor de ogen van ons verlichte verstand, terwijl Hij onze zonden draagt in Zijn eigen lichaam op het hout!
Het doordringende licht van de Geest
Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. (2 Korinthe 4:6)
Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen. (1 Johannes 2:20)
Het enige zaligmakende licht is het licht van God dat in de ziel schijnt en ons laat zien en kennen den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.
Een mens kan het helderste licht in zijn oordeel hebben en toch nooit het doordringende licht van de Geest hebben dat overtuiging in zijn ziel teweegbrengt. Hij kan de gezondste kennis van de leer van de genade hebben en het harmonische heilsplan zien — en toch nooit door goddelijk onderwijs een heilig God hebben gezien. Hij kan nooit hebben gevoeld hoe de geestelijkheid van Gods rechtvaardige wet hem als overtreder veroordeelt.
Als wij dit doordringende licht van de Geest niet hebben, zullen wij zeker op een dwaalspoor raken. Wij zullen … verstrikt raken in een of andere dwaling, ons storten in een of andere ketterij of een of andere leer van duivelen indrinken. Wij zullen een of andere vreselijke begoocheling in ons opnemen of in een vreselijke zonde vallen en ons geloof voor eeuwig schipbreuk zien lijden.
Een vals licht kan ons alleen doen stranden op de klippen van aanmatiging of wanhoop. Maar het licht van het goddelijke leven in de ziel gaat vergezeld van alle genaden van de Geest. Het is … het licht van de heerlijkheid van God, het licht van het aangezicht van Jezus en het licht van het onderwijs van de Geest, en daarom een onfeilbare gids en bewaker. En deze onfeilbare loods zal de ziel aan wie hij gegeven is veilig leiden naar de haven van eindeloze rust en vrede.


