Wij hebben haar nodig om in de waarheid geleid te worden en met de geest des geloofs toegerust te worden, zodat wij in een gelovig hart opnemen wat de Heilige Geest in het ingegeven Woord heeft geopenbaard. Wij hebben haar nodig om bewaard te blijven voor ongewijde, aanmatigende bespiegeling op zulke heilige grond, en om met enige mate van heilige en hemelse wijsheid de verborgenheden van het koninkrijk van genade en heerlijkheid van onze opgestane en opgevaren Heere te ontvouwen. Die nood is er nu wij het deel van ons onderwerp naderen waarin wij Hem moeten beschouwen als gezeten aan de rechterhand van de Vader.
Wij hebben Hem uit de doden zien opstaan en omhoog zien varen. Ons laatste beeld van Hem was Zijn zegevierende intocht in de hoven van de hemel, of, zoals de Heilige Geest het uitdrukt: opgenomen in heerlijkheid (1 Timotheüs 3:16). Het onderwerp van deze overdenking is dus een beschouwing door het geloof van wat Jezus nu is aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte.
Maar voordat wij aan dit allergezegendste thema beginnen, is het misschien niet misplaatst een blik te werpen op deze heilige menselijke natuur in haar tegenwoordige staat van verhoging, majesteit en heerlijkheid. Het onderwerp van onze overdenkingen was immers „De heilige menselijke natuur van onze aanbiddelijke Verlosser”.
De verhoging van de menselijke natuur is een noodzakelijk maar allergezegendst gevolg van haar innige en onlosmakelijke vereniging met de goddelijke Persoon van de Zoon van God. De Schrift noemt haar het vlees en bloed van de kinderen (Hebreeën 2:14), waarmee zij onze hele menselijkheid bedoelt, lichaam en ziel. Deze verhoging is de grootste openbaring van de wijsheid, liefde en genade van de drie-enige Jehova die aan mensen of engelen kon worden gegeven.
In onze huidige tijdelijke staat zuchten wij in ons aardse huis van deze tent. Wij zijn van buiten omringd door ontelbare kwaden en van binnen belast met een lichaam van zonde en dood. Daarom kunnen wij alleen door het geloof vatten en verwerkelijken wat onze natuur nu is in vereniging met de Persoon van de Zoon van God.
Hetzelfde geldt voor wat zij hierna zal zijn op die grote dag. Dan zal Hij komen om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven. Dan zal Hij ons vernederd lichaam veranderen, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen (2 Tessalonicenzen 1:10; Filippenzen 3:21).
Voor sterfelijke ogen, als een voorwerp van tegenwoordig zien en voelen, is de menselijke natuur nu alleen te zien in haar verlaagde, onteerde staat. De oorspronkelijke schoonheid en heerlijkheid van de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, gingen volkomen verloren in de val van Adam. De zonde heeft lichaam en ziel verwoest. Het lichaam is vervuld met ziekte en pijn en de ziel met bezoedeling en verdorvenheid.
Dat ervaren wij dagelijks. Het meest drukkend en pijnlijk is het gif in ons eigen lichaam en onze eigen ziel, dat ons vaak doet zuchten onder de last. Maar wij zien ook met verdriet de pijn en ellende van anderen om ons heen. Wij zien voor onze ogen de gruwelijke afschuwelijkheden die als water door onze straten stromen.
Maar dat is nog niet alles. Slechts een oneindig klein deel van de tegenwoordige ellende en zonde van deze wereld heeft ons hart bezwaard of onze ogen en oren bereikt. Wij hebben niet gezien, en God geve dat wij het nooit zien, hoe de menselijke natuur, volledig losgelaten, kan zondigen en lijden.
Welke zonden zij in staat is te begaan, voelen wij in onszelf. In ons eigen hart liggen diep ingebed, worstelend om leven en groei, de levende zaden van elke vuile en verdoemelijke misdaad. Wat zij heeft gedaan, en wat zij in anderen die aan hun lusten zijn overgegeven nog altijd gretig, jubelend en meedogenloos doet, zien of lezen wij dagelijks.
Zelfs in dit beschaafde land komen voortdurend afschuwelijke misdaden aan het licht, als uit een bodemloze diepte waar de zonde altijd kookt en borrelt als in een laaiende ketel. Maar in dit tegenwoordige leven is de menselijke natuur nog niet wat zij hierna zal zijn bij de onwedergeborenen, net zomin als wat zij hierna zal zijn bij de wedergeborenen. Haar toekomstige vermogen tot zonde is niet te kennen aan de ongerechtigheden die zij nu aan het licht brengt. Dat is zoals de diepten van de zee niet te kennen zijn aan het zeewier dat op het strand is geworpen.
Neem alle onpeilbare diepten van uw eigen hart. Of kijk naar de verdorvenste ellendeling die door zonden van elke vorm en naam tot het laagste peil is verlaagd. Hij is tot over zijn nek in bloed en misdaad gedompeld en zo’n gezworen vijand van alle wetten, menselijke en goddelijke, dat hij, als hij op geen andere manier te pakken is, als een wild dier moet worden neergeschoten voor de veiligheid van het leven van de gemeenschap.
Als u de diepten van uw eigen hart hebt doorzocht, of in uw verbeelding de zwartste ellendeling hebt geschilderd die de strafschepen ooit hebben vastgehouden of die naar een strafkolonie is uitgebraakt, dan hebt u nog niet het miljoenste deel gezien of verbeeld van wat de menselijke natuur werkelijk is, gezonken en verlaagd door de val van Adam.
De huidige samenstelling van het menselijk lichaam, de beperkte vermogens van de geest, de wetten van de maatschappij, de beteugeling door Gods voorzienigheid en duizend andere zichtbare of onzichtbare remmen houden de menselijke natuur nu in zichzelf opgesloten, als een wild dier in een ijzeren kooi. Ook zal de aarde de volle uitbarsting van de woede van de zonde, vlammend in lichaam en ziel van de mens tot haar uiterste hoogte, nooit zien. Alleen de hel zal de menselijke natuur volledig openbaren en ontwikkelen, als brandend van de hevigste en onblusbare vijandschap en godslastering tegen God en het Lam.
Maar neem nu het tegenovergestelde. Wij hebben een glimp opgevangen van de menselijke natuur, verlaagd en onteerd, bezoedeld door de zonde en in brand gestoken door de hel. Zie nu de menselijke natuur rein en heilig, onbevlekt en ongevallen. Kijk vooral naar haar zoals zij is verhoogd boven engelen, overheden en machten in de heerlijke Persoon van Immanuël, God met ons. Daar zien wij de menselijkheid in innige persoonlijke en onlosmakelijke vereniging met de Godheid.
O, de diepte van de rijkdom, beide van de wijsheid en van de kennis van God! Hij liet de mens, gemaakt naar Zijn beeld, zo diep zinken. En in de Persoon van Zijn dierbare Zoon verhoogde Hij haar zo hoog, dat dezelfde natuur in de hel is en in de hemel. In de hel overtreft zij duivels in godslastering. In de hemel is zij verenigd met de Godheid.
Naar de menselijke natuur zoals zij zo verhoogd is, willen wij nu vooral kijken. Als wij de mens kort hebben aangeraakt zoals hij door de zonde is verlaagd en onteerd, dan hebben wij die sombere kleuren er slechts bij gezet als tegenstelling. Op een schilderij doen de donkere schaduwen de heldere lichten uitkomen. Zo laat juist de verlaging van de menselijke natuur door de zonde en haar ellendige gevolgen de overweldigende genade te meer in het licht treden die zich toont in haar heerlijke verhoging in de Persoon van de Zoon van God.
Deze gedachten lijken op het eerste gezicht misschien wat afdwalend en vreemd aan ons onderwerp. Met Gods zegen kunnen zij onze gedachten toch voorbereiden op het deel van ons hemelse thema dat wij nu proberen te betreden.
In onze voorgaande overdenkingen hebben wij de gezegende Heere zien opvaren. Wij hebben Zijn weg door het geloof gevolgd tot aan de poorten van de hemel. Wij hebben Zijn engelengeleide gezien, Zijn ontstelde vijanden aanschouwd en de jubelkreten van het hemelse heir gehoord dat Hem thuis verwelkomde. Nu moeten wij de PLAATS bezien waarheen Hij zo zegevierend opvoer, en het doel en de bedoeling van Zijn zegevierende intocht daar.
De PLAATS waarheen Hij opvoer is de hemel. Daarmee bedoelen wij de onmiddellijke woonplaats van God in al Zijn majesteit en heerlijkheid. Van de gezegende Heere wordt gezegd (Hebreeën 4:14) dat Hij „ingegaan” is, of liever, zoals het woord letterlijk betekent, door de hemelen doorgegaan is. Dat zijn de stoffelijke hemelen: zowel de aardse dampkring (Genesis 7:11; Deuteronomium 28:12; Job 38:29, 37) als de sterrenhemel (Psalm 8:4; Psalm 19:2). Hij is hoger dan de hemelen geworden, dat wil zeggen niet alleen werkelijk maar ook plaatselijk (Hebreeën 7:26).
Het is dus in de hemelen der hemelen (Psalm 148:4) of den derden hemel (2 Korinthe 12:2) dat de Heere opvoer toen Hij omhoog ging. Daarom wordt van Hem gezegd dat Hij gezeten is aan de rechter hand van den troon der Majesteit in de hemelen (Hebreeën 8:1).
Wij zullen onze gedachten nu vooral richten op de gezegende Heere in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God als de op de troon gezette Koning van Sion.
Vlak voordat de Heere opvoer, kwam Hij bij Zijn elf discipelen en sprak tot hen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. (Mattheüs 28:18). Vóór Zijn opstanding was Zijn staat er een van vernedering en lijden. Hij was een weinig minder dan de engelen geworden (Hebreeën 2:9), Hij heeft Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden zijnde tot den dood (Filippenzen 2:8). Hij was een Man van smarten, en verzocht in krankheid (Jesaja 53:3), ja, een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk (Psalm 22:7).
Maar toen Hij uit de doden opstond, was Zijn vernedering voorbij en begon Zijn heerlijkheid. Petrus zegt het zo: Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft (1 Petrus 1:21). Zijn opstanding was dus het begin van Zijn middelaarsregering. Zijn hemelvaart was het in bezit nemen ervan. Zo zei Hij het zelf tegen de twee discipelen onderweg naar Emmaüs: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? (Lukas 24:26).
Toen Hij in de heerlijkheid inging, nam Hij de troon van David in bezit, naar de belofte die over Hem aan de maagd Maria werd gedaan: Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn. (Lukas 1:32-33).
Hij werd toen de Zoon des Allerhoogsten genaamd, dat wil zeggen openlijk als Zoon van God uitgeroepen, bij en door Zijn opstanding. Want de Schrift zegt van Hem: Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden (Romeinen 1:4). En toen Hij omhoogging en gezet werd tot Zijn rechter hand in den hemel (Psalm 47:6; Psalm 68:19; Efeze 1:20), ontving Hij het koninkrijk. Dat gaf Hij te kennen in de gelijkenis van de edelman en zijn tien dienstknechten: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren. (Lukas 19:12).
Het „verre land” is de hemel. Het ontvangen „koninkrijk” is Zijn tegenwoordige middelaarsregering. Zijn terugkeer is Zijn wederkomst. Hij ontving het koninkrijk niet alleen als een koninkrijk van genade en heerlijkheid, maar ook als een koninkrijk van gezag en macht. Toen werd alles onder Zijn voeten gelegd en kreeg Hij alle macht in hemel en op aarde.
De universele macht, de geestelijke aard en de eeuwige duur van dit koninkrijk worden even helder als schoon ontvouwd in Psalm 72: Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen. (Psalm 72:4). Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen. In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij. En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde. De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken. (Psalm 72:6-9).
Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft. Hij zal den arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen. (Psalm 72:12-13). Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen. (Psalm 72:17).
Dat deze verhoging aan de rechterhand van God ten goede komt aan Zijn volk, en dat Hij het geestelijke, eeuwig levende Hoofd van Zijn gemeente zou zijn, ontvouwt de apostel op gezegende wijze.
Hij spreekt over de opstanding van Christus en zegt dat God Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel; Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult. (Efeze 1:20-23).
Mensen hebben helaas deze allergezegendste leer van het koningschap van Christus in diskrediet gebracht. Zoals de Schrift haar openbaart, is zij vol zoete troost voor de beproefde familie van God. Maar zij hebben haar vervleselijkt tot een toekomstig aards duizendjarig rijk. Ongetwijfeld zijn er in deze soevereine heerschappij van Jezus heerlijkheden die ooit vollediger geopenbaard zullen worden. Maar in het hele Nieuwe Testament wordt zij ons geloof voorgehouden als een voorwerp van onze tegenwoordige geestelijke bevinding.
Want als op de troon gezette Koning van Sion is Hij het Hoofd van Zijn lichaam, de gemeente. Als zodanig voorziet Hij haar uit Zijn eigen onuitputtelijke volheid. Hij is gestorven opdat wij nooit zouden sterven. Aan Hem, als uit de doden opgewekt, zijn wij gehuwd opdat wij Gode vruchten dragen zouden (Romeinen 7:4). Omdat Hij leeft, zullen wij ook leven: Ik leef, en gij zult leven (Johannes 14:19).
Aan Hem, als onze op de troon gezette Koning, geven wij de trouw van ons hart. Voor Zijn voeten liggen wij nederig neer als voor onze rechtmatige Soeverein. Wij smeken Hem, als de Bezitter van alle macht, onze ongerechtigheden te onderwerpen, onze weerspannige lusten te bedwingen en Zijn vredevolle scepter te laten heersen over elk vermogen van onze ziel.
Dat Hij zo zou heersen en regeren, en wel over alle vlees (Mattheüs 28:18; Johannes 17:2; 1 Korinthe 15:25-26; Hebreeën 2:8), was de belofte die Hem gedaan werd in Psalm 2. Het onderwerp daarvan is de verhoging van de Zoon van God als de gezalfde Koning van Sion. Deze verhoging van de Zoon van God in onze natuur gaf aanleiding tot wat in dezelfde psalm staat: Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? (Psalm 2:1). Met „het volk” is hier het Joodse volk bedoeld.
Die ijdelheid was dat zij door hun opstand en ongehoorzaamheid dachten te kunnen zeggen: Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. (Psalm 2:3). Aan die banden waren zij gebonden door Gods vast besluit, toen Hij zei: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid. (Psalm 2:6).
Deze verhoging van de Zoon van God in onze natuur, als uit het zaad van David, verkondigde Petrus in die Pinkstertoespraak die de Heilige Geest zo inspireerde en zo eerde: Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn. Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort. Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand. Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt. (Handelingen 2:32-36).
Hier wordt verklaard dat de Vader Jezus tot een Heere en Christus heeft gemaakt. Dat wil zeggen tot Koning en Priester. „Heere” als bekleed met soevereine en allerhoogste heerschappij, „Christus” als de gezalfde Hogepriester over het huis van God.
Deze verhoging van de Heere Jezus werd Hem gegeven als loon voor Zijn menswording, vernedering en lijdende gehoorzaamheid. De apostel zegt het zo mooi: En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders. (Filippenzen 2:8-11).
Deze verhoging waarmee God Hem zo uitermate verhoogd heeft, is tot Zijn eigen rechterhand. En de naam welke boven allen naam is, die Hij Hem gegeven heeft, is die van „Heere”. Zo kon Hij in onze natuur als Godmens heersen en regeren en allerhoogste heerschappij en soeverein gezag uitoefenen over wat in de hemel, op de aarde en onder de aarde is.
Het geheim van genade en heerlijkheid dat in deze verhoging van de Zoon van God ligt en erdoor openbaar wordt, is niet dat Hij heerst en regeert als één met de Vader en de Heilige Geest. Dat deed Hij als één met Hen in wezen, macht en heerlijkheid al vóór de grondlegging van de wereld. Het geheim is dat Hij heerst en regeert als Godmens, als de Zoon van God en toch de Zoon des mensen, als Davids Heere en toch Davids Zoon. Zie de volgende Schriftplaatsen: Mattheüs 22:42-45; Johannes 10:26-27; Handelingen 7:55-56; Romeinen 1:3-4; Romeinen 14:9; Efeze 1:20-23; Hebreeën 2:9.
Deze verhoging van Jezus op de troon van heerlijkheid werd afgebeeld door de heerlijke troon die Salomo voor zichzelf maakte en waarop hij in koninklijke staatsie zat: Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met dicht goud. Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen. En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, desgelijks is in geen koninkrijken gemaakt geweest. (1 Koningen 10:18-20).
Het was een grote troon, om de grootheid van zijn macht en heerschappij te tonen. Hij was elpenbenen, dat wil zeggen van ivoor, om reinheid en volmaaktheid aan te duiden. En hij was overtrokken met dicht goud, om kostbaarheid en waarde aan te duiden. Hij had zes trappen, om verhevenheid aan te duiden. En het hoofd van de troon was van achteren rond, om aan te duiden dat verleden en heden beide open lagen voor het oog. Wie erop zat, kon men niet ontgaan in zicht en macht, want doordat de troon rond was, kon hij zijn ogen en handen alle kanten op wenden.
Er waren leuningen aan beide zijden van de zitplaats, om de vastheid van de troon aan te duiden. En de twee leeuwen bij de leuningen en de twaalf leeuwen op de zes trappen duidden de macht en het gezag aan van Hem die erop zat. Want Hij is de Leeuw uit de stam van Juda (Openbaring 5:5; Genesis 49:9).
Deze kant van de verhoging van de Heere Jezus als de op de troon gezette Koning van Sion is een gezegend onderwerp van overdenking, als wij bedenken wat zij betekent voor de hulpeloze, weerloze toestand van de gemeente van God. Zij staat omgeven door vijanden, inwendige, uitwendige en helse, en allen zijn met dodelijke vijandschap tegen haar gewapend. Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven, zei de gezegende Heere (Mattheüs 10:16).
Wat zou er van de kudde geworden zijn, vooral in die vroege tijden toen de vervolging aan alle kanten woedde, als de Heere Jezus aan de rechterhand van de Vader de schaapskooi niet had bewaakt?
Nooit had de gemeente luider het lied van de bewarende macht kunnen zingen: Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel, Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden; Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak. Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn. Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn. (Psalm 124:1-5).
En ook nu, nu de sterke arm van de wet hen tegen uitwendig geweld beschermt, wat zou er van de heiligen van God worden als zij geen soevereine Beschermer hadden? Hij heerst en regeert immers in hun natuur, als hun Hoofd en Bruidegom, voor hen in de hemelse hoven. Wij zijn omringd door vijanden. Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Efeze 6:12). Het vlees en bloed is sterk in anderen, maar veel sterker en sluwer in onszelf.
Welke hoop of hulp kunnen wij dan hebben, behalve in dat alziende oog dat ziet, dat medelevende hart dat voelt en die almachtige hand die de voorwerpen van Zijn liefde bevrijdt uit alle strikken en listen? Die hand verijdelt alle plannen en voornemens van deze machtige, onverzoenlijke vijanden.
Ook als op de troon gezette Koning is Jezus het bijzondere voorwerp van ons geloof. Dagelijks en elk uur voelen wij de werking van machtige zonden, woedende lusten, krachtige verzoekingen en omringende kwaden. Tegen het geringste en zwakste daarvan hebben wij geen kracht. Maar als het oog des geloofs onze gezegende Heere aan de rechterhand van de Vader ziet, worden wij door de kracht van Zijn genade geleid om naar Hem op te zien, ons aan Hem vast te klampen en buiten onszelf hulp bij Hem te zoeken.
Beproevingen in de voorzienigheid, bedroefdheden in het gezin, ziekte en gebreken in het lichaam, kromme dingen in de gemeente, tegenstand en vervolging van de wereld. Een snood, ongelovig hart dat wij noch kunnen heiligen noch bedwingen. Een ruw en steil pad dat moeilijker wordt naarmate wij verder reizen. Twijfel, vrees en bange vermoedens in onze eigen boezem. Innerlijke misstappen en vallen, afdwalingen, zijsprongen en dagelijkse afvalligheid van het smalle pad. Jaloerse vijanden die op ons struikelen letten, terwijl geen oog medelijden heeft en geen arm helpt, behalve die van de Heere.
Hoe doen al deze vijanden en vrezen ons de behoefte voelen aan een op de troon gezette Koning, Hoofd en Bruidegom, Wiens teder hart zacht is in medelijden en Wiens machtige arm sterk is om te verlichten! De HEERE uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich. (Zefanja 3:17).
Het is ook goed te bedenken dat Jezus, als de verheven Koning van Sion, gaven genomen heeft om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God. Petrus legt hier de nadruk op in zijn toespraak op de gedenkwaardige Pinksterdag: Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort. (Handelingen 2:33).
Het was als onze op de troon gezette Koning dat Hij de gaven en genaden van de Heilige Geest, de beloofde Trooster, ontving en uitstortte. Dezelfde gezegende waarheid wordt door de apostel Paulus uitgesproken en ontvouwd: Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven. Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde? Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. (Efeze 4:8-10).
De apostel doelt hier op de profetische uitspraak in Psalm 68:19. Eén uitdrukking daarin is heel zoet en schoon, volgens wat in de kanttekening staat. Waar in de tekst onder de mensen staat, leest de kanttekening „in de mens”. Dat wil zeggen in Zijn menselijke natuur, waarin Hij als onze gezalfde Koning is verhoogd.
De gave van de Trooster hing, om zo te zeggen, af van de opstanding, hemelvaart en verhoging van Jezus: Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden. (Johannes 16:7).
Zo wordt van Hem gezegd dat Hij de Trooster zendt (Johannes 15:26). Dat doet Hij alleen krachtens Zijn verhoging en verheerlijking aan de rechterhand van God. De heilige Johannes zegt het zo: En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was. (Johannes 7:39).
Geen hart kan de zaligheid van deze gave bevatten en geen tong haar beschrijven, de gave van de Trooster. Hoe werkzaam is Zijn onderwijs! Hoe goddelijk Zijn werkingen! Hoe hemels Zijn invloeden! Hoe heilig Zijn zalvingen! Hoe zoet Zijn vertroostingen en toch hoe diep Zijn overtuigingen! Hoe ernstig Zijn roepen! Hoe vurig Zijn zuchten! Hoe onuitsprekelijk Zijn kreunen!
Wat zouden wij kunnen weten, voelen, zijn, hebben of doen zonder deze heilige en gezegende Trooster? Wat zouden wij kunnen denken of zeggen? Hoe zouden wij kunnen geloven, hopen of liefhebben? Hoe zouden wij berouw kunnen hebben, waken of bidden? Hoe zouden wij ons kunnen onderwerpen of lijden en hoe prediken, horen of schrijven? Hoe zouden wij kunnen leven? En bovenal, en als laatste: hoe zouden wij kunnen sterven?
Maar was Jezus niet verhoogd als Koning van Sion, dan zou deze uitstorting van de gaven en genaden van de gezegende Geest niet kunnen en niet zijn gebeurd. Het is omdat de Vader Hem macht heeft gegeven over alle vlees. Jezus bidt tot de Vader: Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve. Dit „eeuwige leven” is geestelijk leven, want het wezen en de zaligheid ervan bestaat hierin: dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt (Johannes 17:2-3).
Maar dit leven en deze zaligmakende kennis van de Vader en van de Zoon worden geschonken door de Geest. Jezus zendt Hem en Hij verheerlijkt Jezus door te komen om van Hem te getuigen. Want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen, zegt Jezus. Zo neemt de Geest het uit wat van Christus is en toont het aan Zijn volk (Johannes 16:14).
Zo wordt Jezus, verhoogd aan de rechterhand van de Vader, een genadig en heerlijk Hoofd dat leven en kracht meedeelt aan de mystieke leden van Zijn lichaam.
Dit werd van Hem geprofeteerd onder het beeld van Eljakim, de zoon van Hilkia: En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Mijn knecht, Eljakim, den zoon van Hilkia, roepen zal. En Ik zal hem met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal den inwoneren te Jeruzalem en den huize van Juda tot een vader zijn. En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen. En Ik zal hem als een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen tot een stoel der eer voor het huis zijns vaders. (Jesaja 22:20-23).
Dezelfde Heere verscheen op zo’n heerlijke wijze aan Johannes als het verheven Hoofd van de gemeente (Openbaring 1). Hij was nog steeds de Zoon des mensen (Openbaring 1:13) en Zijn aangezicht was als de zon die schijnt in haar kracht. En hoewel Hij eens dood was, leeft Hij in alle eeuwigheid, want Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid.
Ook zegt Hij: En Ik heb de sleutels der hel en des doods. Van Zichzelf zei Hij in Zijn boodschap aan de gemeente te Filadelfia: En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent. (Openbaring 3:7).
Het is goed voor ons om naar de gezegende Heere op te zien als onze op de troon gezette Koning. Niet alleen opdat Hij Zijn scepter over ons hart laat gaan, onze weerspannige wil beheerst en ons onderwerpt aan Zijn zachte macht, maar ook als Heere over al onze vijanden, uitwendige, inwendige en helse.
Eén punt moeten wij echter altijd bedenken, want het zal ons zeker geleerd worden als wij tot Zijn getrouwe onderdanen behoren. Hoe groot de voordelen en zegeningen ook zijn van zo’n Koning als onze genadige en heerlijke Soeverein, wij kunnen ze alleen waarlijk kennen en uit eigen bevinding ervaren als wij gebracht worden tot de gehoorzaamheid van het geloof.
Laten wij onszelf niet bedriegen door Zijn heerschappij alleen te zien en te erkennen terwijl ons hart gebrek heeft aan onderwerping aan Zijn scepter: Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is. (Mattheüs 7:21).
De Heilige Geest maakt in Psalm 18:45 onderscheid tussen de ware gehoorzaamheid van Christus’ „volk” (Psalm 18:44) en de „vreemden” voor God en godzaligheid: Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen. (Psalm 18:45). Maar dezelfde genade die het hart eerlijk maakt en het buigt in gewillige gehoorzaamheid aan Christus’ scepter, en dezelfde heilige zalving die door de liefde en het bloed van het kruis te openbaren de weerspannige wil verzoent en de verharde geest zacht en gedwee maakt, opent ook de ogen van het kind van God. Zij doet hem zien en zijn ziel voelen hoe dagelijks hij Jezus nodig heeft als zijn genadige Koning.
Zijn scepter wordt gevoeld als een scepter van genade en Zijn koninkrijk als een innerlijk koninkrijk (Lukas 17:21). Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht (1 Korinthe 4:20). Het is niet spijs en drank, dat wil zeggen niet wettische plichtsbetrachting en vleselijke gehoorzaamheid, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest (Romeinen 14:17).
Maar opdat dit gezegende koninkrijk met kracht in onze harten wordt opgericht, worden wij in beproevingen en verzoekingen geleid. Wij worden als het ware midden in een menigte vijanden gestoten, om zelf de werkelijkheid en zaligheid van zo’n koninkrijk en zo’n Koning te ondervinden. Elk kind van God is omringd door een menigte vijanden buiten en binnen. Als zij niet voor hem en door hem worden overwonnen, zullen zij hem zeker overwinnen.
In deze strijd is geen neutraliteit. Het is een strijd op leven en dood, voor zekere overwinning of zekere nederlaag. Alle beloften zijn gedaan aan Hem die overwint (Openbaring 3:12), en de allerheerlijkste van alle: Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon. (Openbaring 3:21).
Maar overwonnen worden is verloren gaan, voor eeuwig verloren, en omkomen onder Gods toorn. Hoe zullen wij dan overwinnen, behalve door het geloof in ons opgestane Hoofd? Door onze op de troon gezette Koning aan te roepen om onze strijd te strijden, Hij Die moet regeren totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd?
Als wij aan Jezus toebehoren en wandelen in gehoorzaamheid aan Zijn wil en woord, zullen wij zeker vele uitwendige vijanden hebben. Want allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden (2 Timotheüs 3:12). Maar laat ze maar. Zij kunnen ons niet werkelijk schaden, want wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede? (1 Petrus 3:13).
Veel talrijker en machtiger vijanden zijn er van binnen dan van buiten. Van hen kunnen wij met recht zeggen, zoals Juda van oudsher in het gezicht van het opgestelde leger: O, onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U. (2 Kronieken 20:12).
Goed is het wanneer wij in geloof en gebed naar de gezegende Heere kunnen opzien als ons opgestane Hoofd en onze op de troon gezette Koning. Vanuit een gelovig zien van Zijn overweldigende genade en almachtige kracht, die klaarstaat om te worden uitgestrekt ten onze behoeve, kunnen wij dan zeggen: maar onze ogen zijn op U. Als wij de macht van de zonde voelen, de tirannie van onze snode lusten en driften, en wat onze natuur kan doen als zij aan haar eigen wil en weg wordt overgelaten, hoe zoet en passend is dan de belofte: Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen (Micha 7:19).
Wanneer dan onze gezegende Jozua de gevangen koningen uit de spelonk brengt en door Zijn Geest en genade onze voeten op hun nekken zet (Jozua 10:24), dan wordt Hij ons dierbaar als onze gescepterde Koning. In die begunstigde ogenblikken kunnen wij waarlijk zeggen: HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams. (Jesaja 26:13).
„Heere”, zeggen wij, „onderwerp onze ongerechtigheden. Buig onze wil naar de Uwe. Heers en regeer over en in ons als onze Heere en God. Breng elke weerspannige gedachte gevangen onder de gehoorzaamheid van Christus. Kom in onze ziel met Uw liefde, bloed en genade. Maak ons gelijkvormig aan Uw beeld. Laat ons wandelen in Uw voetstappen en laat geen zonde heerschappij over ons hebben.”
Als wij zo onderworpen zijn door de scepter van Zijn alles overwinnende genade, kunnen wij nederig en berustend aan Zijn voeten liggen. Dan geven wij de gehoorzaamheid van een gelovig, liefhebbend hart en vertrouwen wij alles wat wij zijn en hebben toe aan Zijn heilige handen, als aan onze allergezegendste rechtmatige Soeverein. Dan ondervinden wij dat het tegenwoordige koningschap van Jezus aan de rechterhand van de Vader geen dorre leerstelling is en geen louter bespiegelend denkbeeld. Als het ontvangen wordt in een voelend, gelovig hart, is het een zaak van levende en dagelijkse bevinding.
Dit is het heersen van de genade (Romeinen 5:21). Het is de bouw van de geestelijke tempel, waarin geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd (1 Koningen 6:7). Hij wordt geruisloos voortgezet in gelovige harten door onze heerlijke Jozua.
Van Hem lezen wij: En spreek tot hem, zeggende: Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal des HEEREN tempel bouwen. Ja, Hij zal den tempel des HEEREN bouwen, en Hij zal het sieraad dragen, en Hij zal zitten, en heersen op Zijn troon; en Hij zal priester zijn op Zijn troon; en de raad des vredes zal tussen die Beiden wezen. (Zacharia 6:12-13).


