Onze gezegende Heere zei over Zichzelf: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort (Johannes 12:24). Met dit beeld van het tarwegraan wees de Heere op Zijn dood en opstanding en op de vrucht die daaruit zou voortkomen. Met hetzelfde beeld zegt de apostel: Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil (1 Korinthe 15:38).
Om Gods eeuwige voornemens uit te voeren en Zijn dierbare Zoon te verheerlijken was het dus nodig dat Hij een lichaam aannam. De Vader had dat voor Hem uitgekozen en toebereid. Hij zou worden verheven tot koninklijke waardigheid en macht. Dat gebeurde niet alleen als Zoon van God maar als Mensenzoon, of liever als Zoon van God en Mensenzoon in één Persoon. In deze verborgenheid, de zeer gezegende vereniging van Godheid en mensheid in één heerlijke Persoon, liggen grenzeloze schatten van genade en heerlijkheid verborgen.
Om Koning te zijn is Hij mens geworden. Pilatus vroeg: Zijt Gij dan een Koning? en Jezus antwoordde: Gij zegt (dat wil zeggen: naar waarheid) dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren (Johannes 18:37). De weg naar het koningschap, naar een troon die zou blijven zolang de hemel bestaat, liep door de schoot van de maagd. De eeuwige Zoon van God moest in de tijd mens worden om als Godmens te kunnen regeren tot in alle eeuwigheid. Hij moest op aarde komen opdat Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven zou worden (Mattheüs 28:18).
Hij moest lager worden gemaakt dan de laagste om hoger te kunnen worden dan de hoogste. Hij moest dienen om te kunnen heersen. Hij moest de voeten van Zijn discipelen wassen opdat een kroon van heerlijkheid op Zijn hoofd gezet zou worden. Hij moest de gestalte van een dienstknecht aannemen. Daarom heeft God Hem, naar het woord van de apostel, uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; zodat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn (Filippenzen 2:7-10).
Door de ongehoorzaamheid en overtreding van de mens, geschapen naar het beeld van God als Zijn vertegenwoordiger op aarde, is Gods lagere schepping geschonden en ontsierd. De zonde, de verwoester, drong het paradijs binnen. Met de zonde kwam de dood. Met de dood verspreidden wanorde, wrak en verwoesting zich wijd en zijd over dit eens zo schone gebied dat God Zelf zeer goed had genoemd. Zo is de aarde een ware Akeldama geworden, een bloedakker.
Hoe oneervol zou het geweest zijn voor de eeuwig levende God als Satan zo had mogen zegevieren! Zou het niet de roem van de duivelen en de verbazing van de engelen zijn geweest dat de aartsvijand uit de hel als het ware met zijn sluwheid de hele wijsheid van de Alwetende te slim af was geweest? En dat hij met zijn macht de hele kracht van de Almachtige had verslagen? Verwoesten is, zoals wij allen weten, gemakkelijker dan scheppen.
Een kind kan per ongeluk of uit onbezonnenheid in een ogenblik een onbetaalbare vaas breken. Een waanzinnige kan de opgehoopte rijkdom van eeuwen in brand steken. Een laaghartige moordenaar kan met één steek een leven nemen dat voor een heel volk kostbaar was. Maar als verwoesten zoveel gemakkelijker is dan scheppen, hoeveel moeilijker is het dan om het verwoeste te herstellen! Welke vaardige hand zal de verbrijzelde vaas herstellen? Welke kunst kan ons de kostbare handschriften teruggeven, de antieke camees, de beelden van een Phidias, de schilderijen van een Rafaël? Welke prometheïsche kunde kan het leven van de vermoorde staatsman vernieuwen?
Hier schiet de kunde van de mens tekort. Hier lijkt de spottende duivel te zegevieren en nieuwe kracht te verzamelen voor dat helse werk waaraan hij zijn naam ontleent: Abaddon, de verwoester (Openbaring 9:11, kanttekening). Maar waar de mens wankelt in wanhoop en Satan juicht in triomf, schitteren de wijsheid van de Alwijze, de macht van de Almachtige en de genade van de Algenadige met oneindige glans voor de ogen van alle geschapen verstanden.
Over de mens triomfeerde Satan door list en helse sluwheid. Maar door de mens, door juist die natuur die hij volledig wilde vernietigen, zal hij worden verijdeld, verslagen en overladen met schaamte en eeuwige verachting. Hij mocht de ellendige mens binden in de keten van de zonde totdat het ijzer in zijn ziel drong. Maar door een mens zullen eeuwige ketenen om hem worden gelegd tot het oordeel van de grote dag. Als Apollyon, de verwoester, zal hij het beeld van God in de mens verwoesten. Maar door een mens zal dat beeld worden hersteld. En niet alleen dat: het zal worden verheven tot een heerlijkheid, een helderheid en een glans die het door de oorspronkelijke schepping nooit had kunnen bereiken.
Hoogmoed en nijd zetten Satan aan tot het beramen van zijn dodelijke daad. Zij werden aangewakkerd door wanhopige boosaardigheid tegen God en mens: de menselijke natuur, bij de schepping lager dan die van de engelen, zou verheven worden tot de gunst waaruit hij zelf was gevallen. Hij wilde die natuur ruïneren en vernietigen. Het beeld van God mocht niet op aarde schijnen. Hij wilde het schenden en ontsieren.
Juist de natuur waarin dat beeld gedrukt was, wilde hij bezoedelen met zijn eigen helse gebroed.
Hij wilde haar vernederen tot in de diepste hel en vullen met beestachtigheid en vuil, bloed en misdaad. Zij moest zo diep zinken, dieper dan de dieren, dat God een afkeer zou krijgen van het werk van Zijn eigen handen. In dit helse plan mocht hij, in de ondoorgrondelijke wijsheid van God, zover slagen dat hij de wereld maakte tot wat wij nu zien: een afschuwelijk wrak en puin. Als een reusachtig kadaver ligt zij te rotten en te zinderen in haar eigen bederf. Alleen de brandende vlammen van de hel lijken nog de plaats waarheen zij kan worden verbannen, weg van het gezicht en de tegenwoordigheid van een God Die te rein van ogen is om het kwade te aanschouwen en Die het onrecht niet kan aanzien.
Maar o, de diepten van de eeuwige wijsheid en de overstijgende genade! Juist toen de springvloed van de ongerechtigheid zijn hoogste stand had bereikt en de hele wereld als door de wateren van een tweede zondvloed overspoeld leek met het kwade, kwam de Zoon van God in het vlees. Hij kwam in dit door de tijd getekende toneel van zonde en wee. Hij kwam in deze verwoeste wereld en, wat veel erger was, te midden van deze verlaagde en verlopen mensen die wilde dieren waren geworden. Uit de schoot van de Vader kwam de Zoon van Zijn liefde voort om de verwoeste plaatsen te herstellen, de verwoestingen van vele geslachten.
Op deze door de zonde geslagen aarde, deze woonplaats van ellende en misdaad, rustten de voeten van de Zoon van God in onze natuur. Dit dal van tranen doorliep Hij met heilige schreden, in de wereld maar niet van de wereld, een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Naar de oude belofte is het gebeurd: wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou (Galaten 4:4-5).
In die heilige mensheid stond de eeuwige Zoon van de Vader in de bres en herstelde Hij de breuk.
Het was echt vlees en bloed, het vlees en bloed van de kinderen, maar niet gevallen zoals het hunne. Het was heilig en rein. Hij nam een heilig deel van die natuur, die zonde en Satan hadden bezoedeld, op in de eenheid met Zijn eigen goddelijke Persoon. Daarin gehoorzaamde Hij de wet en onderging Hij de vloek. Hij bracht Zijn heilig lichaam en Zijn heilige ziel als offer voor de zonde en legde het leven neer dat Hij daartoe had aangenomen. Zijn onvergankelijk lichaam wekte Hij op uit het graf en nam het mee naar de hoven van de zaligheid, om daar te gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte.
O de wijsheid en de macht van God! O de ondoorgrondelijke diepten van barmhartigheid en genade! O de onnaspeurlijke schatten van goedheid en liefde! O de zich openende vergezichten van eeuwige heerlijkheid! Satan verijdeld! De zonde uitgewist! Het beeld van God hersteld! De menselijke natuur verheven tot onvoorstelbare waardigheid door haar persoonlijke vereniging met de goddelijke Persoon van de Zoon van God! De gevallen gemeente gewassen, gerechtvaardigd, geheiligd en verheerlijkt met alle heerlijkheid van haar Hoofd en Man!
En een eeuwige opbrengst van heerlijkheid is gebracht aan de drie-enige Jehova. Aan God de Vader voor Zijn eeuwige voornemens van wijsheid en liefde. Aan God de Zoon voor Zijn onuitsprekelijke neerbuiging in het werk van de verlossing. Aan God de Heilige Geest, omdat Hij de heilige mensheid van Jezus gevormd heeft en de uitverkorenen van God heiligt om Zijn genade te kennen, aan Zijn beeld gelijkvormig te worden en deel te hebben aan Zijn heerlijkheid.
Maar meegesleept door de genade en heerlijkheid van een zo kostbaar onderwerp zijn wij onze stof eigenlijk vooruitgelopen. Wij wilden het verband aantonen tussen de menswording en de dood van Jezus en Zijn verheffing tot koninklijke waardigheid. Tot nu toe hebben wij dus laten zien dat in de grenzeloze diepten van de wijsheid van God Zijn dierbare Zoon vlees aannam om als onze grote Hogepriester de zonde weg te doen door het offer van Zichzelf. Maar dezelfde grenzeloze wijsheid en genade die het offer voorzag, verzekerde Hem van een kroon als Zijn loon. Dat was een deel van de vreugde, die Hem voorgesteld was, waarvoor Hij het kruis heeft verdragen, en schande veracht.
De dood was niet alleen nodig als onderdeel, als hoofdonderdeel, van het offer dat Hij als Priester bracht. Hij was ook een vereiste voor de heerlijkheid waarmee Hij als Koning gekroond zou worden. In feite moesten al Zijn drie ambten, als Profeet, Priester en Koning, door Zijn lijden en sterven worden gedragen en groot gemaakt. Wat een voorbeeld van zachtmoedigheid en martelaarschap zien wij in de stervende Profeet! Wat een lessen over lijden en het geduldig verdragen van de diepste pijn en schande! Wat een kostbaar bloed in een stervende Priester, wat een genade in een stervende Koning! Dat laatste straalde zo helder dat de stervende misdadiger Hem als Koning erkende en smeekte om een aandeel in Zijn koninkrijk.
Maar er was nog een andere reden waarom de weg naar de troon door het dal van de schaduw des doods liep. Onze gezegende Heere moest de dood vernietigen en wie de macht over de dood had, de duivel. Dat kon alleen door den dood (Hebreeën 2:14).
Door de zonde was de dood in de wereld gekomen en nauwelijks was hij binnen of hij zette zijn troon op aarde op. Want hij heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen (dat wil zeggen de kleine kinderen) die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam (Romeinen 5:14). Die overtreding was een vrijwillige daad van ongehoorzaamheid. Maar overweldigd door hun erfzonde waren de kinderen onder de macht en het gezag van de gruwelijke koning van de verschrikkingen gevallen.
De scepter moest hem dus uit de hand worden gewrongen. Maar volgens de eeuwige beschikkingen van de oneindige wijsheid kon dat alleen doordat de Zoon van God Zich onderwierp aan het sterven. Daarom nam Hij een natuur aan die kon sterven. Zij was in zichzelf niet sterfelijk maar in staat te sterven door een vrijwillige daad. Niemand nam Hem Zijn leven af. De Heere van het leven kon niet van het leven worden beroofd door schepselen aan wie Hij Zelf adem had gegeven. Maar Hij kon het leven dat Hij had aangenomen neerleggen door Zich vrijwillig te onderwerpen aan de heerschappij van de dood.
Zo kon Hij de dood de scepter uit de greep rukken en hem verbreken en tenietdoen. Met dezelfde daad van verdienstelijke gehoorzaamheid brak Hij de heerschappij van Satan, die het geweld des doods had. Satan joeg met de dood de kinderen van God voortdurend schrik aan en hield hen door die angst in wrede slavernij.
Het verdient onze volle aandacht en biddende overweging om met het oog van het geloof te zien hoe wijsheid en macht schitteren in de weg waarop de alwijze God Zijn dierbare Zoon heeft gezonden om de werken des duivels te vernietigen, of zoals het woord in de grondtekst luidt, los te maken (1 Johannes 3:8). Satan had als het ware een verward kluwen gesponnen toen hij de koorden van de zonde om het hart van de mens wierp. Deze verwarde en strak aangetrokken knoop kon niet worden doorgehakt met het zwaard van almachtige kracht. Hij moest door oneindige wijsheid en geduld over zijn hele lengte worden ontward.
Het werk dat Satan had gedaan, moest ongedaan worden gemaakt. Ongehoorzaamheid moest worden hersteld door gehoorzaamheid, de vrijwillige gehoorzaamheid van de Zoon van God en daarom van oneindige waarde. Zonde moest worden verzoend door een offer, het offer van de natuur die gezondigd had, in eenheid met de Persoon van de Zoon van God en daarom ontlenend aan Hem een onuitsprekelijke kracht. De dood moest worden vernietigd doordat de eeuwig levende Zoon van God Zich onderwierp aan het sterven. De wet moest groot gemaakt worden doordat Hij haar hield Die door Zijn goddelijke Persoon boven de wet staat.
De Wetgever moest de Wetvervuller zijn. Hij Die de eeuwig Gezegende is, moest een vloek worden gemaakt. En de Heilige Israëls, Die geen zonde gekend heeft, moest zonde voor ons gemaakt worden, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Korinthe 5:21). Wie zal Mij doornen en distels in de strijd tegenover stellen? vraagt de Heere. Ik zou er dwars doorheen gaan, is Zijn antwoord (Jesaja 27:4). Zo ging onze gezegende Heere dwars door de doornen en distels die tegen Hem in de strijd waren gesteld. Hij ging volledig door alles heen wat Hij op Zich had genomen. En door erdoorheen te gaan ontwarde Hij het werk van Satan.
Laten wij dit duidelijker uitleggen, want het is een punt vol waarheid en zegen. Zo ging Hij door de verzoeking heen, helemaal doorheen, want Hij in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest (Hebreeën 4:15). Door elke mogelijke verzoeking heen te gaan die ons kan bestormen, doorliep Hij als het ware de hele laan van de verzoeking van begin tot eind. Zo ging Hij door de hele wet heen en bewees haar een volmaakte gehoorzaamheid in elke eis van onfeilbare liefde tot God en tot Zijn naaste. Zo ging Hij door het hele lijden heen, want Hij was een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Hij onderging elke denkbare vorm van lijden die te verenigen was met een heilige natuur.
En in zekere zin ging Hij door de hele zonde heen. Niet als persoonlijk overtreder, want Hij was volkomen heilig naar lichaam en ziel, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. Maar door toerekening voelde Hij het gewicht, het leed en de last van alle zonden van Zijn uitverkoren volk. Zo ging Hij ook door de hele toorn van God heen, want Hij dronk de beker van Gods gramschap tegen de zonde tot op de bodem leeg. Wij kunnen deze dingen maar even aanstippen. Maar zij zijn van de diepste betekenis en kunnen met Gods hulp en zegen een thema zijn voor zeer vruchtbare overdenking. Zij omvatten immers het hele werk dat de Vader Hem te doen gaf.
Terwijl Hij zo overal doorheen ging en daardoor de werken van de duivel ongedaan maakte, is het goed te bedenken en als het ware voor ogen te hebben dat de gezegende Heere dit alles doorging in Zijn Persoon als Godmens, die uit twee naturen bestaat. Zo ging Zijn heilige mensheid, in eenheid met Zijn Godheid, door de wet, de verzoeking, het lijden en de dood. De menselijke natuur smaakte dit alles in zijn uiterste hevigheid. Maar de goddelijke natuur schraagde, verhief en veredelde elke gedachte, elk woord en elke daad van het lijden en de gehoorzaamheid van de heilige mensheid. Zij gaf daaraan onuitsprekelijke waarde, verdienste en geldigheid. Er was immers maar één Persoon, hoewel met twee naturen, en daarom waren alle daden persoonlijke daden.
Kijk ter illustratie naar de werking van onze eigen ziel en ons lichaam. Die zijn onderscheiden maar worden, verenigd in één persoon, als één beschouwd. Zo drukte Zijn Godheid, in eenheid met Zijn gehoorzamende en lijdende mensheid, bij elke volgende stap van Zijn weg het stempel van alle waarde en geldigheid van de Godheid op elke beweging. Als dit moeilijk te begrijpen is, of althans te beseffen (want wie kan het begrijpen?), denk dan terug aan ons beeld. Is de geest van een kunstenaar niet in zijn werk gedrukt? Drukt onze ziel zich niet uit door ons lichaam? Zo drukte de Godheid waarde en geldigheid op alle daden van de mensheid van de Verlosser.
Hiernaar wordt fraai verwezen in Psalm 45, in de beschrijving van de bruidskleren van de gemeente als koningin: Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel. In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden (Psalm 45:14-15). Het goud moest in haar kleding worden geweven en de kleding moest van borduurwerk zijn. Dat wijst erop dat haar mantel van rechtvaardigmakende gerechtigheid als het ware werd gemaakt als borduurwerk, steek voor steek. En toch was elke draad met goud geborduurd.
Hier hebben wij de draad van de mensheid in eenheid met het goud van de Godheid, en toch zo nauw verenigd dat de draad maar één is. Bij gouddraad zit de schoonheid, de waarde, in het goud. Maar hoe nauw is de vereniging! Goud alleen kan niet tot borduurwerk worden gemaakt. Zo kan de Godheid niet lijden, bloeden of sterven. De mensheid kan dat wel, in eenheid met haar. Het is deze vereniging van Godheid met mensheid die het werk van de verlossende liefde zo onuitsprekelijk heerlijk en zo verdienstelijk krachtig maakte. Zoals Hart zegt: De almachtige God zuchtte menselijke adem.
Het is inderdaad een verborgenheid. Maar de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees. O heerlijke verborgenheid!
De hoogste hemelen schieten hierbij tekort; het is dieper dan de wijde afgrond; het is meer dan het denken ooit kan bevatten, de hoop kan verwachten of het geloof kan geloven.
Maar wat of waar zou de verlossing zijn geweest als de Godheid niet aan elke gedachte, elk woord en elke daad van de gehoorzame, lijdende mensheid waarde en geldigheid had gegeven? Onze gezegende Heere ging dus door de dood heen. Schijnbaar overwonnen, maar in werkelijkheid overwinnaar. Schijnbaar door Satan ten val gebracht, maar in werkelijkheid zijn overweldiger. Schijnbaar met schande bedekt, maar alleen om met heerlijkheid en eer gekroond te worden. Schijnbaar onder de vloek van God, maar in werkelijkheid de vloek dragend opdat Hij een zegen zou worden.
Als dienstknecht was Hij gehoorzaam tot de dood, want kruisiging was de straf voor slaven. Maar Hij onderging die opdat Hij juist in die natuur die daar leed, bloedde en stierf, verhoogd zou worden tot een troon van onsterfelijke heerlijkheid.
Zo lag Hij ook in het graf. Zoals Hij door te sterven de dood zijn angel kon ontnemen, zo kon Hij door het graf het graf van zijn overwinning beroven. Maar de dood kon de Heere van het leven niet vasthouden. Het graf kon de hand niet boeien die de sleutels van de hel hield. Zo predikte de apostel en zo gelooft het geloof: Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden (Handelingen 2:24).
Hij streed, Hij won, en aan Hem als overwinnaar werd de kroon gegeven: Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon (Openbaring 3:21).
Maar de vraag kan rijzen: wanneer, op welk bepaald tijdstip, trad de gezegende Heere in Zijn koninklijk ambt? Wij hebben al aangetoond dat er bij Zijn andere ambten een begin van intreding was vóór het volledig aanvaarden ervan. Zo trad Hij als Priester bij Zijn besnijdenis in beginsel in het priesterlijk ambt. Als Profeet trad Hij in beginsel in Zijn profetisch ambt toen Hij als kind in de tempel te midden van de leraars zat en hen hoorde en vragen stelde. Maar Hij trad pas volledig in het profetisch ambt na Zijn doop. In het priesterlijk ambt trad Hij pas volledig in toen Hij Zichzelf wijdde in het gebed dat in Johannes 17 is opgetekend.
Op dezelfde wijze trad Hij bij Zijn geboorte in beginsel in Zijn koninklijk ambt, want Hij was de geboren Koning der Joden (Mattheüs 2:2). Maar Hij aanvaardde het pas in werkelijkheid na Zijn opstanding, want toen werd Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven (Mattheüs 28:18). Vooral toen Hij omhoog ging en aan de rechterhand van de Vader ging zitten, werd de scepter van koninklijke waardigheid en macht in Zijn hand gelegd.
In Psalm 24 vinden wij een schone beschrijving van Sions gezalfde Koning die de hoven van de zaligheid binnengaat, als Hij als overwinnaar terugkeert van de strijd tegen zonde, dood en hel: Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga! Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd. Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga! Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Toen heeft God Hem uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is (Filippenzen 2:9).
Wij leggen onze lezers onze gedachten en overdenkingen voor over het koninklijk ambt van de Heere Jezus Christus. Tot nu toe hebben wij geprobeerd twee hoofdkenmerken van de bijzondere aard van dat ambt na te sporen. Zij zijn nog inleidend, maar naar wij vertrouwen in volle overeenstemming met het woord der waarheid. Wij hebben aangetoond: 1. Het eeuwige voornemen van God de Vader om Zijn dierbare Zoon te verheerlijken en Hem aan Zijn rechterhand te verhogen als Heere en Koning. En 2. De uitvoering van dit voornemen in de menswording, de dood, de opstanding, de hemelvaart en de verheerlijking van onze aanbiddelijke Verlosser.
Het punt waar wij nogal abrupt ophielden, was het precieze tijdstip waarop de gezegende Heere in de volle uitoefening van deze koninklijke waardigheid en macht intrad. Wij maakten, zoals onze lezers zich ongetwijfeld herinneren, onderscheid tussen het beginsgewijs en het volledig aanvaarden van Zijn koninklijk gezag. En wij toonden uit Zijn eigen woorden tot de discipelen aan dat Hem alle macht in hemel en op aarde pas gegeven werd na Zijn opstanding, vlak voor Zijn hemelvaart en verheerlijking. Tot dat moment was Hij, hoewel Zijn Zoon, de Knecht van de Vader. Zachtmoedig deed Hij Zijn wil en volbracht Hij het werk dat Hij Hem te doen had gegeven (Jesaja 42:1; Jesaja 49:3; Johannes 17:4; Hebreeën 10:7).
Zelfs te midden van Zijn discipelen was Hij in de dagen van Zijn vlees als een die dient (Lukas 22:27). En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises (Filippenzen 2:8). Toen was Hij een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Hij verborg Zijn aangezicht niet voor smaadheden en speeksel (Jesaja 50:6). Uit Zijn mond ging toen nog geen tweesnijdend scherp zwaard (Openbaring 1:16) maar gebeden en smekingen met sterke roeping en tranen (Hebreeën 5:7).
Zijn gelaat was toen, zoals de evangelische profeet het in een visioen zag, verdorven meer dan van iemand (Jesaja 52:14). Zijn aangezicht was immers nog niet, zoals de geliefde discipel het op het eiland Patmos zag, gelijk de zon schijnt in haar kracht (Openbaring 1:16). Over Zijn kleed werd toen het lot geworpen (Mattheüs 27:35), want daarop was nog niet geschreven: Koning der koningen, en Heere der heren (Openbaring 19:16). De kus die Zijn heilige wang raakte, was die van een lage verrader (Mattheüs 26:49) en niet die van liefdevolle, trouwe, onderdanige gehoorzaamheid (1 Samuël 10:1; Psalm 2:12).
De doornenkroon drukte toen op Zijn voorhoofd en niet de diadeem van heerlijkheid. Een riet werd in Zijn rechterhand gegeven en geen scepter. En de knie die voor Hem boog, was niet die dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn maar de knie van spot en hoon (Mattheüs 27:29; Filippenzen 2:10).
Toch was er een vreugde die Hem voorgesteld was. Dat was de vreugde dat Hij zou worden gezet tot Zijn rechter hand in den hemel, Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende.
Het was de vreugde dat Hij de arbeid van Zijn ziel zou zien en dat God alle dingen Zijn voeten onderworpen zou hebben en Hem der Gemeente gegeven zou hebben tot een Hoofd boven alle dingen (Efeze 1:20-22). Maar toen Hij verheven was tot de troon van heerlijkheid, werd de belofte vervuld: De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. De HEERE zal de scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden (Psalm 110:1-2).
Deze tegenwoordige koninklijke macht wordt in het woord der waarheid verborgen voorgesteld door Zijn zitten op de berg Sion. Want dat is de stad des groten Konings (Psalm 48:2) en als zodanig was het een voorafbeelding van de koninklijke waardigheid en macht van Jezus. Als Zijn verborgen koninklijke verblijfplaats werd Sion de volkomenheid der schoonheid, want God was er blinkende verschenen. Daaruit zendt Hij nu de roede of scepter van Zijn sterkte (Psalm 50:2; Psalm 110:2).
De bijzondere heerlijkheid en zaligheid van deze verheffing van Jezus is dat zij in onze natuur plaatsvindt. Als één met de Vader en de Heilige Geest was Hij altijd Koning. Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem (Kolossenzen 1:16-17).
Wie alle dingen geschapen heeft, moet de Koning van alle dingen zijn. Wie vóór alle dingen is, moet als hun rechtmatige Soeverein over alle dingen heersen. Wie dagelijks alle schepping bijeenhoudt, moet wel altijd Zijn beschermende scepter over haar zwaaien. Maar dit is niet de koninklijke waardigheid die Jezus nu draagt, en ook niet de bijzondere scepter die de Vader in Zijn handen heeft gelegd. De bijzondere heerlijkheid van Zijn koninklijk ambt is dat de scepter wordt gehouden door menselijke handen, door juist die handen waar de spijkers van het kruis doorheen zijn gedreven.
Ja, juist die gehate Nazarener, tegen wie de koningen der aarde zich opstelden en de vorsten samen beraadslaagden (Psalm 2:2). Juist die verafschuwde Jezus, tegen wie de razende menigte in haar bittere vijandschap riep: Kruis Hem, kruis Hem! Die verachte onder de mensen en verworpene van het volk, die zij in hun rechterlijke blindheid hielden voor geplaagd, van God geslagen en verdrukt. Juist die Man van smarten, die Zijn ziel uitgestort heeft in den dood en met de overtreders is geteld geweest, zit nu op Zijn troon van glorie. Hij regeert met soevereine macht en moet regeren totdat Hij alle heerschappij, en alle macht en kracht teniet heeft gedaan.
Deze verheffing tot de rechterhand van de macht was het beloofde loon van Zijn vernedering, lijden en sterven (Filippenzen 2:9-11; Hebreeën 12:2; Openbaring 3:21). Maar omdat wij nog gelegenheid zullen hebben om dieper op dit onderwerp in te gaan voordat wij onze Overdenkingen afsluiten, gaan wij nu over naar ons volgende punt.


