9 februari
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Hoe menigmaal schijnen wij zonder enige ware godsdienst of zonder enige genieting van ware troost te zijn. Hoe vaak zijn onze bevindingen verduisterd en bewolkt en is onze geest bedekt met grote duisternis. Hoe dikwijls verbergt de Heere Zijn aangezicht voor ons, zodat wij Hem niet aanschouwen, noch enige toegang tot Hem vinden kunnen; en hoe menigmaal wordt de grond waarop wij dachten te staan, onder onze voeten weggenomen, zodat wij geen genoegzame standplaats vinden. Welk een moeilijk pad is dit om te bewandelen; maar hoe profijtelijk!
Wanneer wij dan tot armoede en bedelarij geraken, leren wij de waarde kennen van Christus’ heerlijke rijkdommen. Hoe geringer gedachten wij hebben van ons eigen hart, en hoe bedriegelijker en goddelozer wij het vinden, des te meer zetten wij ons vertrouwen op Zijn getrouwheid; en hoe zwarter wij zijn in eigen achting, hoe schoner en aangenamer schijnt Hij ons toe. Wanneer wij zinken, staat Hij op; wanneer wij zwak worden, brengt Hij Zijn sterkte toe; komen wij in gevaar, Hij brengt uitredding. Komen wij in verzoeking, Hij verbreekt de strik; en als wij in de duisternis zijn opgesloten, dan laat Hij het licht Zijns aanschijns lichten.
Welnu, door in deze weg geleid te worden en te wandelen in deze paden, komen wij eerst recht te weten wie Jezus is, en zien en ontwaren wij hoe gepast en dierbaar zulk een Zaligmaker is voor onze behoeftige zielen. Zijn wij behoeftig, Hij bezit alle rijkdom; zijn wij hongerig, Hij is het Brood des levens; zijn wij dorstig, Hij zegt: „Zo iemand dorst, hij kome tot Mij en drinke.” Zijn wij naakt, Hij heeft klederen om weg te schenken; zijn wij dwazen, Hij heeft wijsheid om mede te delen; zijn wij verloren, dan spreekt Hij: „Zie op Mij en word behouden.”
Het is er ver vandaan dat onze ellende ons zou uitsluiten van Gods barmhartigheid. Hij is daartoe het enige „Nodige”. Het is er ver vandaan dat onze schuld ons zou uitsluiten van Zijn vergeving; Hij alleen kan ze ons schenken. Het is er ver vandaan dat onze hulpeloosheid onze zielen zou doen ten onder gaan, want zij is de noodwendige voorbereidster voor de openbaring van Zijn kracht in onze zwakheid. Wij kunnen onze eigen wonden en zweren niet helen; en dit is de reden waarom Hij Zijn krachtige arm openbaart. Het is daarom, terwijl er geen zaligheid in onszelf is, noch in enig schepsel, dat Hij zegt: „Wendt u naar Mij toe, want Ik ben God en niemand meer.”
Aan de lezer…
Misschien is de grond waarop u dacht te staan onder uw voeten weggenomen. U zoekt de Heere, maar Hij verbergt Zijn aangezicht; uw bevindingen zijn bewolkt, en u voelt u arm als een bedelaar. Het is een moeilijk pad, en niemand kiest het graag. Maar het is ook een profijtelijk pad, want juist daar leert u wie Jezus is en hoe dierbaar zulk een Zaligmaker is voor een behoeftige ziel.
Bent u hongerig? Hij is het Brood des levens. Bent u naakt? Hij heeft klederen om weg te schenken. Bent u verloren? Hij spreekt: „Zie op Mij en word behouden.” Uw ellende sluit u niet buiten van Zijn barmhartigheid, en uw hulpeloosheid is geen reden om ten onder te gaan; zij is de voorbereiding voor de openbaring van Zijn kracht in uw zwakheid. Daar er geen zaligheid in uzelf is, noch in enig schepsel, roept Hij u toe: „Wendt u naar Mij toe, want Ik ben God en niemand meer.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Hoe vaak lijkt het alsof wij zonder enige ware godsdienst zijn, of zonder enig genieten van ware troost. Hoe vaak zijn onze bevindingen verduisterd en bewolkt, en is onze geest met grote duisternis bedekt. Hoe vaak verbergt de Heere Zijn aangezicht voor ons, zodat wij Hem niet zien en geen toegang tot Hem kunnen vinden. En hoe vaak wordt de grond waarop wij dachten te staan onder onze voeten weggenomen, zodat wij geen vaste plaats meer vinden om te staan. Wat een moeilijk pad is dit om te gaan; maar hoe nuttig!
Wanneer wij dan in armoede en bedelarij terechtkomen, leren wij de waarde kennen van de heerlijke rijkdommen van Christus. Hoe geringer wij denken over ons eigen hart, en hoe bedrieglijker en goddelozer wij het bevinden, des te meer stellen wij ons vertrouwen op Zijn trouw. En hoe zwarter wij zijn in eigen ogen, hoe schoner en lieflijker Hij ons toeschijnt. Wanneer wij zinken, staat Hij op; wanneer wij zwak worden, geeft Hij Zijn kracht; komen wij in gevaar, dan brengt Hij uitredding. Komen wij in verzoeking, dan verbreekt Hij de strik; en als wij in de duisternis zijn opgesloten, dan laat Hij het licht van Zijn aangezicht schijnen.
Welnu, door op deze weg geleid te worden en op deze paden te wandelen, leren wij pas goed wie Jezus is. Dan zien en ervaren wij hoe passend en dierbaar zo’n Zaligmaker is voor onze behoeftige zielen. Zijn wij behoeftig, Hij bezit alle rijkdom; zijn wij hongerig, Hij is het Brood des levens; zijn wij dorstig, Hij zegt: „Zo iemand dorst, hij kome tot Mij en drinke.” Zijn wij naakt, Hij heeft kleren om weg te schenken; zijn wij dwazen, Hij heeft wijsheid om uit te delen; zijn wij verloren, dan spreekt Hij: „Zie op Mij en word behouden.”
Het is er ver vandaan dat onze ellende ons zou uitsluiten van Gods barmhartigheid. Hij is daarvoor het enige „Nodige”. Het is er ver vandaan dat onze schuld ons zou uitsluiten van Zijn vergeving; Hij alleen kan die schenken. Het is er ver vandaan dat onze hulpeloosheid onze zielen ten onder zou doen gaan, want zij is de noodzakelijke voorbereiding voor de openbaring van Zijn kracht in onze zwakheid. Wij kunnen onze eigen wonden en zweren niet genezen; en daarom openbaart Hij Zijn krachtige arm. Juist omdat er geen zaligheid is in onszelf of in enig schepsel, zegt Hij: „Wendt u naar Mij toe, want Ik ben God en niemand meer.”
Aan de lezer…
Misschien is de grond waarop u dacht te staan onder uw voeten weggenomen. U zoekt de Heere, maar Hij verbergt Zijn aangezicht; uw bevindingen zijn bewolkt, en u voelt u arm als een bedelaar. Het is een moeilijk pad, en niemand kiest het graag. Maar het is ook een nuttig pad, want juist daar leert u wie Jezus is en hoe dierbaar zo’n Zaligmaker is voor een behoeftige ziel.
Bent u hongerig? Hij is het Brood des levens. Bent u naakt? Hij heeft kleren om weg te schenken. Bent u verloren? Hij spreekt: „Zie op Mij en word behouden.” Uw ellende sluit u niet buiten Zijn barmhartigheid, en uw hulpeloosheid is geen reden om ten onder te gaan; zij is de voorbereiding voor de openbaring van Zijn kracht in uw zwakheid. Omdat er geen zaligheid is in uzelf of in enig schepsel, roept Hij u toe: „Wendt u naar Mij toe, want Ik ben God en niemand meer.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look unto me, and be ye saved, all the ends of the earth: for I am God, and there is none else.
Isaiah 45:22
How often we seem not to have any real religion, or enjoy any solid comfort! How often are our evidences obscured and beclouded, and our minds covered with deep darkness! How often does the Lord hide Himself, so that we cannot behold Him, nor get near to Him; and how often the ground on which we thought we stood is cut from under our feet, and we have no firm standing! What a painful path is this to walk in, but how profitable!
When we are reduced to poverty and beggary, we learn to value Christ’s glorious riches; the worse opinion we have of our own heart, and the more deceitful and desperately wicked that we find it, the more we put our trust in His faithfulness. The more black we are in our own esteem, the more beautiful and lovely does He appear in our eyes. As we sink, Jesus rises. As we become feeble, He puts forth His strength. As we come into danger, He brings deliverance; as we get into temptation, He breaks the snare. As we are shut up in darkness and obscurity, He causes the light of His countenance to shine.
Now it is by being led in this way, and walking in these paths, that we come rightly to know Who Jesus is, and to see and feel how suitable and precious such a Savior is to our undone souls. We are needy, He has in Himself all riches; we are hungry, He is the Bread of life; we are thirsty, He says, “If any man thirst, let him come unto Me, and drink;” we are naked, and He has clothing to bestow; we are fools, and He has wisdom to grant; we are lost, and He speaks, “Look unto Me, and be saved.”
Thus, so far from our misery shutting us out from God’s mercy, it is the only requisite for it; so far from our guilt excluding His pardon, it is the only thing needful for it; so far from our helplessness ruining our souls, it is the needful preparation for the manifestation of His power in our weakness; we cannot heal our own wounds and sores; that is the very reason why He should stretch forth His arm. It is because there is no salvation in ourselves, or in any other creature, that He says, “Look unto Me, for I am God, and there is none else.”
To the reader…
Perhaps the ground on which you thought you stood has been taken from under your feet. You seek the Lord, but He hides His face; your evidences are clouded, and you feel as poor as a beggar. It is a hard path, and no one chooses it gladly. But it is also a profitable path, for it is just there that you learn Who Jesus is and how precious such a Saviour is to a needy soul.
Are you hungry? He is the Bread of life. Are you naked? He has clothing to bestow. Are you lost? He says, “Look unto Me, and be ye saved.” Your misery does not shut you out from His mercy, and your helplessness is no reason to perish; it is the preparation for the manifestation of His power in your weakness. Because there is no salvation in yourself or in any creature, He calls to you, “Look unto Me, for I am God, and there is none else.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra: porque Yo soy Dios, y no hay más.
Isaías 45:22
¡Cuántas veces parece que no tenemos ninguna religión verdadera, ni gozamos de ningún consuelo sólido! ¡Cuántas veces nuestras evidencias están oscurecidas y nubladas, y nuestra mente cubierta de densas tinieblas! ¡Cuántas veces el Señor se esconde, de modo que no podemos contemplarle ni acercarnos a Él; y cuántas veces el suelo sobre el que creíamos estar firmes es cortado bajo nuestros pies, y no tenemos dónde afirmarnos! ¡Qué senda tan dolorosa para andar, pero cuán provechosa!
Cuando somos reducidos a la pobreza y a la mendicidad, aprendemos a valorar las gloriosas riquezas de Cristo; cuanto peor opinión tenemos de nuestro propio corazón, y cuanto más engañoso y perverso lo hallamos, tanto más ponemos nuestra confianza en Su fidelidad. Cuanto más negros somos a nuestros propios ojos, tanto más hermoso y amable nos parece Él. Cuando nosotros nos hundimos, Jesús se levanta. Cuando nos debilitamos, Él despliega Su fortaleza. Cuando caemos en peligro, Él trae liberación; cuando entramos en tentación, Él rompe el lazo. Cuando estamos encerrados en tinieblas y oscuridad, Él hace resplandecer la luz de Su rostro.
Pues bien, es siendo conducidos de este modo y andando por estas sendas como llegamos a conocer debidamente Quién es Jesús, y a ver y sentir cuán apropiado y precioso es tal Salvador para nuestras almas perdidas. Somos necesitados, y Él tiene en Sí mismo todas las riquezas; tenemos hambre, y Él es el Pan de vida; tenemos sed, y Él dice: “Si alguno tiene sed, venga a Mí y beba”; estamos desnudos, y Él tiene vestido que dar; somos necios, y Él tiene sabiduría que conceder; estamos perdidos, y Él dice: “Mirad a Mí, y sed salvos.”
Así, lejos de que nuestra miseria nos excluya de la misericordia de Dios, es el único requisito para ella; lejos de que nuestra culpa impida Su perdón, es lo único necesario para él; lejos de que nuestra impotencia arruine nuestras almas, es la preparación necesaria para la manifestación de Su poder en nuestra debilidad; no podemos sanar nuestras propias heridas y llagas, y esa es precisamente la razón por la que Él ha de extender Su brazo. Es porque no hay salvación en nosotros mismos ni en ninguna otra criatura por lo que Él dice: “Mirad a Mí, porque Yo soy Dios, y no hay más.”
Al lector…
Quizá el suelo sobre el que creía estar firme le ha sido quitado de debajo de los pies. Busca usted al Señor, pero Él esconde Su rostro; sus evidencias están nubladas, y se siente tan pobre como un mendigo. Es una senda dura, y nadie la escoge con gusto. Pero es también una senda provechosa, porque es precisamente allí donde aprende Quién es Jesús y cuán precioso es tal Salvador para un alma necesitada.
¿Tiene hambre? Él es el Pan de vida. ¿Está desnudo? Él tiene vestido que dar. ¿Está perdido? Él dice: “Mirad a Mí, y sed salvos.” Su miseria no le excluye de Su misericordia, y su impotencia no es razón para perecer; es la preparación para la manifestación de Su poder en su debilidad. Porque no hay salvación en usted mismo ni en ninguna criatura, Él le llama: “Mirad a Mí, porque Yo soy Dios, y no hay más.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl