9 september
Want Ik zal water gieten op de dorstige.
Jesaja 44:3
Dorst in geestelijke zin, als een gewaarwording der ziel, is voorzeker een kenteken van Goddelijk leven. Geestelijk beschouwd is het even onmogelijk dat een mens, dood in zonde, dorsten zal naar de levende God, als dat een dode op het kerkhof dorsten zal naar een teug koud water uit de bron. Ik weet het van mijzelf, dat dorsten naar God in mij geen plaats had vóórdat het de Heere behaagde mijn ziel op te wekken tot een geestelijk leven. Ik had van God gehoord door mijn gehoor; ik had Hem gezien in de schepping, in de sterrenhemel, in het loeien der baren, in de vruchten voortbrengende aarde; ik had van Hem gelezen in de Bijbel; ik had door opvoeding en overlevering gehoord dat Hij bestond, en mijn natuurlijk geweten fluisterde mij iets toe van Zijn heiligheid; maar wat aangaat een geestelijk dorsten, een ernstige begeerte om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven of Hem lief te hebben — zulk een ervaring of zulk een gevoel, kan ik voor mijzelf zeggen, woonde in mijn boezem niet.
Ik had de wereld te lief om naar Hem te zien Die ze gemaakt had, en mijzelf te warm en te innig om Hem te zoeken Die van mij zou vragen het kruisigen en afsterven van mijzelf. Een mens moet daarom — en hiervan ben ik ten volle verzekerd — tot God levend gemaakt worden door geestelijke wedergeboorte, vóórdat hij gevoelen kan wat hier figuurlijk genoemd wordt „dorst”, of iets kennen van hetgeen de Psalmdichter gevoelde, toen hij riep: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God” (Psalm 42:2, 3).
Waar God dan ook deze geestelijke dorst naar Hem in de ziel heeft doen ontstaan, zal Hij zeker aan dat verlangen voldoen; „de begeerte der rechtvaardigen zal God geven” (Spreuken 10:24). Zijn eigen nodiging is: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren” (Jesaja 55:1), en Jezus Zelf zegt met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke” (Johannes 7:37). Ja, Hij begon Zijn dienstwerk door zulk een zegenspraak: „Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.”
De Heer is God. Erkent, dat Hij
ons heeft gemaakt en geenszins wij —
tot schapen, die Hij voedt en weidt,
een volk tot Zijne dienst bereid.
Ps. 100:2
Aan de lezer…
Hoe goed is het wanneer een ziel naar God dorst! Niet naar wat kennis over Hem, die u door opvoeding en overlevering bezit, maar naar Hemzelf: om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven en Hem lief te hebben. Dorst u zo? Een dode op het kerkhof dorst niet naar een teug koud water. Brandt er dan zulk een verlangen in uw ziel, al gevoelt u weinig anders dan droogte, dan is dat zelf een kenteken van Goddelijk leven.
Vreest u dat uw dorst nooit gelest zal worden? Hoor dan de belofte: „Ik zal water gieten op de dorstige.” Waar God de dorst geeft, zal Hij zeker aan het verlangen voldoen. Hij nodigt Zelf: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren”, en Jezus roept met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke.” Ga dan met uw lege kruik tot Hem; zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Ik zal water gieten op de dorstige.
Jesaja 44:3
Dorst in geestelijke zin, als een gewaarwording van de ziel, is zeker een kenmerk van Goddelijk leven. Geestelijk gezien is het even onmogelijk dat een mens die dood is in de zonde naar de levende God dorst, als dat een dode op het kerkhof dorst naar een teug koud water uit de bron. Ik weet van mijzelf dat dorsten naar God in mij geen plaats had voordat het de Heere behaagde mijn ziel op te wekken tot geestelijk leven. Ik had over God gehoord met mijn oren. Ik had Hem gezien in de schepping, in de sterrenhemel, in het bruisen van de golven en in de aarde die vruchten voortbrengt. Ik had over Hem gelezen in de Bijbel. Ik had door opvoeding en overlevering gehoord dat Hij bestond, en mijn natuurlijk geweten fluisterde mij iets toe van Zijn heiligheid. Maar wat een geestelijk dorsten betreft, een ernstig verlangen om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven of Hem lief te hebben: zo’n ervaring of zo’n gevoel woonde, dat kan ik van mijzelf zeggen, niet in mijn hart.
Ik had de wereld te lief om op te zien naar Hem Die haar gemaakt had, en ik hield te warm en te innig van mijzelf om Hem te zoeken Die van mij het kruisigen en afsterven van mijzelf zou vragen. Daarom moet een mens, en daarvan ben ik volkomen overtuigd, door geestelijke wedergeboorte levend gemaakt worden voor God, voordat hij kan voelen wat hier figuurlijk „dorst” genoemd wordt. Pas dan kan hij iets kennen van wat de psalmdichter voelde toen hij riep: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God” (Psalm 42:2, 3).
Waar God deze geestelijke dorst naar Hem in de ziel heeft gewekt, zal Hij dat verlangen ook zeker vervullen: „de begeerte der rechtvaardigen zal God geven” (Spreuken 10:24). Zijn eigen uitnodiging luidt: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren” (Jesaja 55:1), en Jezus Zelf zegt met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke” (Johannes 7:37). Ja, Hij begon Zijn dienstwerk met zo’n zaligspreking: „Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.”
De Heer is God. Erkent, dat Hij
ons heeft gemaakt en geenszins wij —
tot schapen, die Hij voedt en weidt,
een volk tot Zijne dienst bereid.
Ps. 100:2
Aan de lezer…
Hoe goed is het wanneer een ziel naar God dorst! Niet naar wat kennis over Hem, die u door opvoeding en overlevering bezit, maar naar Hemzelf: om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven en Hem lief te hebben. Dorst u zo? Een dode op het kerkhof dorst niet naar een teug koud water. Brandt er dan zo’n verlangen in uw ziel, ook al voelt u weinig anders dan droogte, dan is dat zelf een kenmerk van Goddelijk leven.
Vreest u dat uw dorst nooit gelest zal worden? Hoor dan de belofte: „Ik zal water gieten op de dorstige.” Waar God de dorst geeft, zal Hij het verlangen zeker vervullen. Hij nodigt Zelf: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren”, en Jezus roept met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke.” Ga dan met uw lege kruik naar Hem; zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For I will pour water upon him that is thirsty.
Isaiah 44:3
Thirst, as a feeling of the soul, in a spiritual sense, is certainly indicative of divine life. It is as impossible, spiritually viewed, for a man dead in sin to thirst after a living God, as for a corpse in the graveyard to thirst after a draught of cold water from the well. I know for myself that such a feeling as thirsting after God had no place in my bosom until the Lord was pleased to quicken my soul into spiritual life. I had heard of God by the hearing of the ear.
I had seen Him in creation, in the starry sky, in the roaring sea, in the teeming earth; I had read of Him in the Bible; I had learned His existence by education and tradition; and I had some apprehensions of His holiness in my natural conscience; but as to any spiritual thirsting after Him, any earnest desire to fear Him, know Him, believe in Him, or love Him—no such experience or feeling, I can say for myself, ever dwelt in my bosom. I loved the world too dearly to look to Him Who made it, and my SELF too warmly and affectionately to seek Him Who would bid me crucify and mortify it.
A man, therefore, I am well convinced, must be made alive unto God by spiritual regeneration before he can experience any such sensation as is here conveyed by the figure “thirst,” or know anything of the Psalmist’s feelings when he cried, “As the deer pants after the water-brooks, so pants my soul after You, O God. My soul thirsts for God, for the living God” (Psalm 42:1, 2). Now wherever God has raised up in the soul this spiritual thirst after Himself, He certainly will answer that desire, “the desire of the righteous shall be granted” (Prov. 10:24).
His own invitation is, “Ho! every one that thirsts, come to the waters” (Isaiah 55:1); and Jesus Himself says with His own blessed lips, “If any man thirsts, let him come unto Me and drink” (John 7:37). No, He opened His ministry by pronouncing a blessing on such, “Blessed are they which do hunger and thirst after righteousness; for they shall be filled.”
To the reader…
How good it is when a soul thirsts after God! Not after some knowledge of Him that you have by upbringing and tradition, but after Himself: to fear Him, to know Him, to believe in Him, and to love Him. Do you thirst like that? A corpse in the graveyard does not thirst after a draught of cold water. If such a longing burns in your soul, even though you feel little else but dryness, that in itself is a mark of divine life.
Do you fear that your thirst will never be quenched? Then hear the promise: “I will pour water upon him that is thirsty.” Where God gives the thirst, He will surely fulfil the desire. He invites you Himself: “Ho, every one that thirsteth, come ye to the waters,” and Jesus cries with His own lips, “If any man thirst, let him come unto Me, and drink.” Go to Him, then, with your empty pitcher; blessed are they which do hunger and thirst after righteousness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque yo derramaré aguas sobre el secadal.
Isaías 44:3
La sed, como sentimiento del alma en sentido espiritual, es ciertamente indicio de vida divina. Es tan imposible, espiritualmente considerado, que un hombre muerto en el pecado tenga sed del Dios vivo, como que un cadáver en el cementerio tenga sed de un trago de agua fresca del pozo. Sé por mí mismo que un sentimiento como el de tener sed de Dios no tuvo lugar en mi pecho hasta que al Señor le plugo vivificar mi alma a la vida espiritual. De oídas había oído de Dios.
Le había visto en la creación, en el cielo estrellado, en el mar rugiente, en la tierra fecunda; había leído de Él en la Biblia; había aprendido Su existencia por educación y tradición; y tenía algunas nociones de Su santidad en mi conciencia natural; pero en cuanto a una sed espiritual de Él, a un deseo ferviente de temerle, conocerle, creer en Él o amarle, ninguna experiencia ni sentimiento así, puedo decir por mí mismo, habitó jamás en mi pecho. Amaba demasiado al mundo para mirar a Aquel que lo hizo, y amaba mi YO con demasiado calor y afecto para buscar a Aquel que me mandaría crucificarlo y mortificarlo.
Un hombre, por tanto, estoy bien convencido, tiene que ser vivificado para Dios por la regeneración espiritual antes de poder experimentar una sensación como la que aquí se expresa con la figura de la “sed”, o de saber algo de los sentimientos del salmista cuando clamaba: “Como el ciervo brama por las corrientes de las aguas, así clama por ti, oh Dios, el alma mía. Mi alma tiene sed de Dios, del Dios vivo” (Salmo 42:1, 2). Ahora bien, dondequiera que Dios ha levantado en el alma esta sed espiritual de Él mismo, ciertamente responderá a ese deseo: “á los justos les será dado lo que desean” (Pr. 10:24).
Su propia invitación es: “A todos los sedientos: Venid á las aguas” (Isaías 55:1); y Jesús mismo dice con Sus propios labios benditos: “Si alguno tiene sed, venga á mí y beba” (Juan 7:37). Más aún, abrió Su ministerio pronunciando una bendición sobre los tales: “Bienaventurados los que tienen hambre y sed de justicia: porque ellos serán hartos.”
Al lector…
¡Qué bueno es cuando un alma tiene sed de Dios! No de algún conocimiento de Él que usted tenga por educación y tradición, sino de Él mismo: temerle, conocerle, creer en Él y amarle. ¿Tiene usted sed así? Un cadáver en el cementerio no tiene sed de un trago de agua fresca. Si un anhelo así arde en su alma, aunque no sienta casi nada más que sequedad, eso mismo es una marca de vida divina.
¿Teme que su sed nunca será saciada? Entonces escuche la promesa: “Yo derramaré aguas sobre el secadal.” Donde Dios da la sed, ciertamente cumplirá el deseo. Él mismo le invita: “A todos los sedientos: Venid á las aguas”, y Jesús clama con Sus propios labios: “Si alguno tiene sed, venga á Mí y beba.” Vaya, pues, a Él con su cántaro vacío; bienaventurados los que tienen hambre y sed de justicia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl