Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 5 dagen geleden
Joseph Charles Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Vandaag

3 min. lezen

Want Ik zal water gieten op de dorstige.
Jesaja 44:3

Dorst in geestelijke zin, als een gewaarwording van de ziel, is zeker een kenmerk van Goddelijk leven. Geestelijk gezien is het even onmogelijk dat een mens die dood is in de zonde naar de levende God dorst, als dat een dode op het kerkhof dorst naar een teug koud water uit de bron. Ik weet van mijzelf dat dorsten naar God in mij geen plaats had voordat het de Heere behaagde mijn ziel op te wekken tot geestelijk leven. Ik had over God gehoord met mijn oren. Ik had Hem gezien in de schepping, in de sterrenhemel, in het bruisen van de golven en in de aarde die vruchten voortbrengt. Ik had over Hem gelezen in de Bijbel. Ik had door opvoeding en overlevering gehoord dat Hij bestond, en mijn natuurlijk geweten fluisterde mij iets toe van Zijn heiligheid. Maar wat een geestelijk dorsten betreft, een ernstig verlangen om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven of Hem lief te hebben: zo’n ervaring of zo’n gevoel woonde, dat kan ik van mijzelf zeggen, niet in mijn hart.

Ik had de wereld te lief om op te zien naar Hem Die haar gemaakt had, en ik hield te warm en te innig van mijzelf om Hem te zoeken Die van mij het kruisigen en afsterven van mijzelf zou vragen. Daarom moet een mens, en daarvan ben ik volkomen overtuigd, door geestelijke wedergeboorte levend gemaakt worden voor God, voordat hij kan voelen wat hier figuurlijk „dorst” genoemd wordt. Pas dan kan hij iets kennen van wat de psalmdichter voelde toen hij riep: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God” (Psalm 42:2, 3).

Waar God deze geestelijke dorst naar Hem in de ziel heeft gewekt, zal Hij dat verlangen ook zeker vervullen: „de begeerte der rechtvaardigen zal God geven” (Spreuken 10:24). Zijn eigen uitnodiging luidt: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren” (Jesaja 55:1), en Jezus Zelf zegt met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke” (Johannes 7:37). Ja, Hij begon Zijn dienstwerk met zo’n zaligspreking: „Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.”

De Heer is God. Erkent, dat Hij
ons heeft gemaakt en geenszins wij —
tot schapen, die Hij voedt en weidt,
een volk tot Zijne dienst bereid.

Ps. 100:2

Aan de lezer…

Hoe goed is het wanneer een ziel naar God dorst! Niet naar wat kennis over Hem, die u door opvoeding en overlevering bezit, maar naar Hemzelf: om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven en Hem lief te hebben. Dorst u zo? Een dode op het kerkhof dorst niet naar een teug koud water. Brandt er dan zo’n verlangen in uw ziel, ook al voelt u weinig anders dan droogte, dan is dat zelf een kenmerk van Goddelijk leven.

Vreest u dat uw dorst nooit gelest zal worden? Hoor dan de belofte: „Ik zal water gieten op de dorstige.” Waar God de dorst geeft, zal Hij het verlangen zeker vervullen. Hij nodigt Zelf: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren”, en Jezus roept met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke.” Ga dan met uw lege kruik naar Hem; zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl