7 januari
Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders de handen, tot God in de hemel.
Klaagliederen 3:41
Wanneer de Heere het gericht stellen zal naar het richtsnoer en de gerechtigheid naar het paslood, wanneer Hij de levend gemaakte zondaar doet klagen vanwege de verdiende kastijding om der zonde wil, en hem dus brengt om zijn wegen te onderzoeken en te doorzoeken, dan verwekt dit in de ziel van die zondaar de ernstige uitroep: „Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders onze handen.” Niet de handen zonder het hart, niet het louter buigen van de knie, niet slechts het tonen van een ernstig en voornaam gezicht, wat het gemakkelijke en gewone bedeksel is voor de huichelaar; niet slechts de vorm van het gebed, die meer en meer op de voorgrond treedt in deze dagen, maar een opheffen van het hart met de handen. Dit is het enige, ware gebed, als het hart zich uitstort voor de troon der genade en de Geest voor ons en in ons pleit met onuitsprekelijke zuchtingen. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid. Het verslagen hart en de verbroken geest, het inwendig verlangen der ziel om Hem, nadat Zijn tegenwoordigheid geproefd is, het zwaarmoedig zuchten en smartelijk wenen, zal door de Heere worden aangezien, terwijl Hij Zich afkeren zal van lippenwerk en vleselijke oefening.
Maar er is ook veel gelegen in de woorden „God in de hemel”. Deze uitdrukking stelt Hem voor als gezeten ver boven alle hemelen, in het licht, majesteit en onuitsprekelijke heerlijkheid, en niettemin zittende op Zijn troon van barmhartigheid en genade, om de ziel te zegenen die op Hem wacht, zijnde vol liefde en medelijden voor de arme en nooddruftige, die zijn hart, mitsgaders zijn hand, opheft. Hart en hand opheft, opdat hij moge ontvangen vergeving en vrede uit Jezus’ volheid, terwijl hij met onuitsprekelijke verlangens uitziet of de Heere Zelf hem genadig wil toelachen en liefde en gunst in zijn ziel wil doen instralen.
Deze opheffing van het hart — het enige ware en aangename gebed — kan niemand zichzelf geven. God, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil, kan alleen in ons werken „het willen en het werken naar Zijn welbehagen”. De natuur, met al haar krachtsinspanningen en al haar nagebootste godzaligheid, kan deze geestelijke offerande niet voortbrengen. Zij moge zich snijden met messen en uitroepen van de morgen tot de avond: „Baal, antwoord ons”, maar zij kan het heilig vuur van de hemel niet doen nederdalen. Zij kan de hand opheffen, maar niet het hart.
Reken erop dat in deze geestelijke omgang met de levende God, buiten het gezicht en buiten het bereik van de meest verfijnde hypocriet en zelfbedrieger, veel van de kracht der ware godzaligheid ligt. Deze opheffing van het hart, als geen oog ons ziet en geen oor ons hoort, in de dagelijkse verrichtingen des levens, in de eenzame kamer en op het bed te middernacht, misschien omringd door de wereld en toch in de geest ervan afgescheiden, is een geheim, alleen bekend aan het levende huisgezin van God.
Aan de lezer…
Hier wordt een vraag gesteld die dieper gaat dan het uiterlijk: het is gemakkelijk de handen te vouwen en de knie te buigen, maar hoe staat het met uw hart? Wellicht voelt u hoe koud en dor uw gebeden zijn, en schaamt u zich over het lippenwerk dat zo vaak opkomt. Wees daarover eerlijk voor de Heere. Een verbroken hart en een verslagen geest, een zucht en een traan in het verborgen, zal Hij niet verachten, al kan de natuur ze niet voortbrengen.
Want het opheffen van het hart kan niemand zichzelf geven; God moet het werken. Vraag Hem er dan om. Hij is God in de hemel, ver verheven in majesteit, en toch gezeten op een troon van genade, vol medelijden voor de arme en nooddruftige. In de eenzame kamer, op het bed te middernacht, te midden van de dagelijkse bezigheden: hef daar uw hart op tot Hem, en wacht of Hij u genadig wil toelachen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders de handen, tot God in de hemel.
Klaagliederen 3:41
Wanneer de Heere het recht stelt naar het richtsnoer en de gerechtigheid naar het paslood, wanneer Hij de levend gemaakte zondaar laat klagen over de verdiende kastijding vanwege de zonde, en hem zo ertoe brengt zijn wegen te onderzoeken en te doorzoeken, dan wekt dit in de ziel van die zondaar de ernstige uitroep: „Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders onze handen.” Niet de handen zonder het hart, niet alleen het buigen van de knie, niet alleen het tonen van een ernstig en deftig gezicht, wat de gemakkelijke en gewone dekmantel van de huichelaar is; niet alleen de vorm van het gebed, die in deze dagen steeds meer op de voorgrond treedt, maar een opheffen van het hart met de handen. Dat is het enige ware gebed: wanneer het hart zich uitstort voor de troon van de genade en de Geest voor ons en in ons pleit met onuitsprekelijke zuchtingen. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid. Het verslagen hart en de verbroken geest, het innerlijk verlangen van de ziel naar Hem nadat Zijn tegenwoordigheid geproefd is, het bedroefde zuchten en smartelijke wenen, zal de Heere aanzien, terwijl Hij Zich zal afkeren van lippenwerk en vleselijke oefening.
Maar er ligt ook veel in de woorden „God in de hemel”. Deze uitdrukking stelt Hem voor als gezeten ver boven alle hemelen, in licht, majesteit en onuitsprekelijke heerlijkheid, en toch zittend op Zijn troon van barmhartigheid en genade om de ziel te zegenen die op Hem wacht. Hij is vol liefde en medelijden voor de arme en nooddruftige die zijn hart, en ook zijn hand, opheft. Hij heft hart en hand op om vergeving en vrede te ontvangen uit de volheid van Jezus, terwijl hij met onuitsprekelijke verlangens uitziet of de Heere Zelf hem genadig wil toelachen en liefde en gunst in zijn ziel wil laten stralen.
Deze opheffing van het hart — het enige ware en aangename gebed — kan niemand zichzelf geven. Alleen God, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil, kan in ons werken „het willen en het werken naar Zijn welbehagen”. De natuur, met al haar krachtsinspanningen en al haar nagebootste godzaligheid, kan dit geestelijk offer niet voortbrengen. Zij mag zich snijden met messen en van de morgen tot de avond uitroepen: „Baal, antwoord ons”, maar zij kan het heilige vuur niet uit de hemel laten neerdalen. Zij kan de hand opheffen, maar niet het hart.
Reken erop dat in deze geestelijke omgang met de levende God, buiten het zicht en buiten het bereik van de meest verfijnde huichelaar en zelfbedrieger, veel van de kracht van de ware godzaligheid ligt. Deze opheffing van het hart wanneer geen oog ons ziet en geen oor ons hoort, bij de dagelijkse bezigheden van het leven, in de eenzame kamer en op bed te middernacht, misschien omringd door de wereld en toch in de geest ervan afgezonderd, is een geheim dat alleen bekend is aan het levende huisgezin van God.
Aan de lezer…
Hier wordt een vraag gesteld die dieper gaat dan het uiterlijk: het is gemakkelijk de handen te vouwen en de knie te buigen, maar hoe staat het met uw hart? Misschien voelt u hoe koud en dor uw gebeden zijn, en schaamt u zich over het lippenwerk dat zo vaak opkomt. Wees daarover eerlijk voor de Heere. Een verbroken hart en een verslagen geest, een zucht en een traan in het verborgen, zal Hij niet verachten, al kan de natuur ze niet voortbrengen.
Want het opheffen van het hart kan niemand zichzelf geven; God moet het werken. Vraag Hem er dan om. Hij is God in de hemel, hoog verheven in majesteit, en toch gezeten op een troon van genade, vol medelijden voor de arme en nooddruftige. In de eenzame kamer, op bed te middernacht, te midden van de dagelijkse bezigheden: hef daar uw hart op tot Hem, en wacht of Hij u genadig wil toelachen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Let us lift up our heart with our hands unto God in the heavens.
Lamentations 3:41
When the Lord lays judgment to the line, and righteousness to the plummet, when He makes the living man complain on account of deserved chastisement for his sins, and thus brings him to search and try his ways, He raises up an earnest cry in his soul. “Let us lift up our heart with our hands,” and not the hands without the heart; not the mere bended knee; not the mere grave and solemn countenance, that easiest and most frequent cover of hypocrisy; not the mere form of prayer, that increasing idol of the day—but the lifting up of the heart with the hand.
This is the only true prayer, when the heart is poured out before the throne of grace, the Spirit interceding for us and within us with groanings that cannot be uttered. “God is a Spirit; and they that worship Him must worship Him in spirit and in truth.” The contrite heart and broken spirit, the inward panting of the soul after His manifested presence, the heaving sigh and penitential tear will be regarded by Him, when He will turn away from mere lip-service and bodily exercise.
But there is much also implied in the words, “God in the heavens.” This expression represents Him as seated far above all heavens, enthroned in light, majesty, and glory unspeakable; and yet sitting on His throne of mercy and grace to bless the soul that waits upon Him, full of love and compassion for the poor and needy one that lifts up his heart together with the hand, that he may receive pardon and peace out of Jesus’ fullness, and pants with unutterable longings that the Lord Himself would graciously smile and beam love and favor into his soul.
This lifting up of the heart—the only true and acceptable prayer—no man can create in himself. God, Who works all things after the counsel of His own will, can alone work in us thus “to will and to do of His own good pleasure.” Nature cannot, with all her efforts, and all her counterfeit imitations of vital godliness, accomplish this spiritual sacrifice. She may cut her flesh with lancets, and cry, “Baal, hear us,” from morning until evening, but she cannot bring down the holy fire from heaven. She can lift the hand, but she cannot lift up the heart.
Depend upon it that in this spiritual communion with the living God, out of the sight and out of the reach of the most refined hypocrite and self-deceiver, much of the power of vital godliness lies. This lifting up of the heart when no eye sees and no ear hears, in the daily and often hourly transactions of life, in the lonely chamber, and on the midnight bed, surrounded perhaps by the world, and yet in spirit separate from it, is a secret known only to the living family of God.
To the reader…
Here a question is asked that goes deeper than the outward appearance: it is easy to fold the hands and bend the knee, but how is it with your heart? Perhaps you feel how cold and dry your prayers are, and you are ashamed of the lip-service that so often rises up. Be honest about this before the Lord. A broken heart and a contrite spirit, a sigh and a tear in secret, He will not despise, though nature cannot bring them forth.
For no one can give himself the lifting up of the heart; God must work it. Ask Him for it, then. He is God in the heavens, high and exalted in majesty, and yet seated on a throne of grace, full of compassion for the poor and needy. In the lonely chamber, on your bed at midnight, in the midst of your daily tasks: lift up your heart to Him there, and wait to see whether He will graciously smile upon you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Levantemos nuestros corazones con las manos a Dios en los cielos.
Lamentaciones 3:41
Cuando el Señor ajusta el juicio a cordel y la justicia a nivel, cuando hace que el hombre viviente se queje a causa del merecido castigo de sus pecados, y así le lleva a escudriñar y examinar sus caminos, despierta en su alma un clamor ferviente. “Levantemos nuestros corazones con las manos”, y no las manos sin el corazón; no la mera rodilla doblada; no el mero semblante grave y solemne, esa cubierta de la hipocresía, la más fácil y la más frecuente; no la mera forma de oración, ese ídolo creciente de nuestros días, sino el levantar el corazón con la mano.
Esta es la única oración verdadera: cuando el corazón se derrama ante el trono de la gracia, intercediendo el Espíritu por nosotros y dentro de nosotros con gemidos indecibles. “Dios es Espíritu; y los que Le adoran, en espíritu y en verdad es necesario que adoren.” El corazón contrito y el espíritu quebrantado, el anhelo interior del alma por Su presencia manifiesta, el suspiro profundo y la lágrima de arrepentimiento serán atendidos por Él, cuando se aparte del mero servicio de labios y del ejercicio corporal.
Pero también hay mucho implícito en las palabras “Dios en los cielos”. Esta expresión Le presenta sentado muy por encima de todos los cielos, entronizado en luz, majestad y gloria inefable; y sin embargo sentado en Su trono de misericordia y gracia para bendecir al alma que espera en Él, lleno de amor y compasión por el pobre y necesitado que levanta su corazón junto con la mano para recibir perdón y paz de la plenitud de Jesús, y que anhela con ansias indecibles que el Señor mismo le sonría con gracia y haga resplandecer amor y favor en su alma.
Este levantar el corazón, la única oración verdadera y aceptable, nadie puede crearlo en sí mismo. Solo Dios, que hace todas las cosas según el consejo de Su voluntad, puede producir así en nosotros “el querer como el hacer, por Su buena voluntad”. La naturaleza no puede, con todos sus esfuerzos y todas sus imitaciones falsificadas de la piedad vital, ofrecer este sacrificio espiritual. Puede sajarse la carne con lancetas y clamar: “¡Baal, respóndenos!” desde la mañana hasta la tarde, pero no puede hacer descender el fuego santo del cielo. Puede levantar la mano, pero no puede levantar el corazón.
Tenga por cierto que en esta comunión espiritual con el Dios vivo, fuera de la vista y fuera del alcance del hipócrita más refinado y del que se engaña a sí mismo, reside mucho del poder de la piedad vital. Este levantar el corazón cuando ningún ojo ve y ningún oído oye, en los quehaceres diarios y a menudo de cada hora de la vida, en el aposento solitario y en el lecho a medianoche, rodeado quizá por el mundo y sin embargo separado de él en espíritu, es un secreto que solo conoce la familia viviente de Dios.
Al lector…
Aquí se hace una pregunta que va más hondo que la apariencia exterior: es fácil juntar las manos y doblar la rodilla, pero ¿cómo está su corazón? Quizá siente lo frías y secas que son sus oraciones, y se avergüenza del servicio de labios que tantas veces brota. Sea sincero en esto delante del Señor. Un corazón quebrantado y un espíritu contrito, un suspiro y una lágrima en secreto, Él no los despreciará, aunque la naturaleza no pueda producirlos.
Porque nadie puede darse a sí mismo el levantar del corazón; Dios tiene que obrarlo. Pídaselo, pues. Él es Dios en los cielos, alto y exaltado en majestad, y sin embargo sentado en un trono de gracia, lleno de compasión por el pobre y necesitado. En el aposento solitario, en su lecho a medianoche, en medio de sus tareas diarias: levante allí su corazón a Él, y espere a ver si Él le sonríe con gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl