6 maart
Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij.
Romeinen 4:16
Wij lezen in het bijzonder, dat het geloof een gave Gods is. Het is de grote hoofdgenade in de ziel. Het is het voornaamste rad, dat alle andere raderen in het hart doet draaien. Het is het oog, het oor, de hand van de nieuwe mens der genade. Alleen voor zover wij geloof hebben en de Heere het geloof in oefening doet zijn, voor zó ver hebben wij ook een waar, geestelijk gevoel.
Maar wat doet mij het geloof of de gave des geloofs zo hoog achten? Het is de kennis van het smartelijk in het ongeloof zijn en de werking daarvan in de ziel. Is dit niet heel natuurlijk? Wat doet mij de gezondheid zo op prijs stellen? Is het niet dat ik een zwak, ziekelijk lichaam heb? Wat doet mij de rust zo waarderen? Vermoeidheid. Wanneer stel ik het gemak zo op prijs? Wanneer ik pijn heb. Wat doet mij het voedsel zo hoog schatten? Het is de honger. En waarom waardeer ik een kop koud water? Het is omdat ik dorst heb.
Door deze omstandigheden ken ik niet alleen de waarde daarvan, maar ik geniet ook de zegen, wanneer ik ze mag ontvangen en zij medegedeeld worden. Evenzo is het in het geestelijke als in het natuurlijke. Wat weet ik van het geloof af, wanneer ik het geloof niet in oefening ken, en zo ik niet dagelijks min of meer de werking van het ongeloof, van trouweloosheid, van vragen van het verdorven verstand en van het zaad van mijn ongelovig hart moest waarnemen? Wanneer de ziel op en neer geworpen wordt (en menigmaal wordt zij op deze zee van het ongeloof geslingerd), dan leert zij de haven des geloofs waarderen. En wanneer de Heere naar Zijn barmhartigheid een weinig geloof aan de ziel mededeelt en het geloof zich begint te verwezenlijken, zich bewust wordt en zich voedt met de waarheid, zo zij in Jezus is, dan kennen wij wat het geloof is door het bezit ervan.
Wat een genade is het, dat de Heere de gave des geloofs kan schenken. Hier zijn arme zielen, die zwoegen, tobben, werken, steunen, zuchten, verdrukt door het ongeloof, die geweldige reus in het hart, die zijn duizenden en tienduizenden verslagen heeft. Wat zinken onze zielen somtijds diep weg onder dit vreselijke ongeloof! Maar ook, wat waarderen wij het geloof te meer als het invloeit!
Al de nederdrukkingen door het ongeloof doen het geloof te hoger opklimmen, en al die droefgeestigheden doen de veranderingen des te dierbaarder zijn. Gelijk het op en neer geworpen worden van de zeeman op zee, met al de gevaren en verdrietelijkheden van de reis, de kalme haven zo genoeglijk doet zijn, zo wordt de heilige kalmte van het levend geloof in de ziel des te dierbaarder, naarmate de baren van het ongeloof zich in de ziel hebben doen gelden.
Aan de lezer…
Lezer, wordt u op en neer geworpen op de zee van het ongeloof? Zwoegt en zucht u onder die geweldige reus in het hart, die al zovelen heeft neergeslagen? Schaam u niet om het eerlijk te zeggen. Zoals de dorstige de waarde van een kop koud water kent en de vermoeide de rust leert waarderen, zo leert juist de ziel die het ongeloof kent, het geloof hoogachten.
Het geloof is een gave Gods, niet iets dat u in uzelf kunt opwekken. „Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij.” Dat is uw troost: de zaligheid hangt niet aan de kracht van uw geloof, maar aan de genade van Hem Die het geeft. Roep dan tot Hem om een weinig geloof. Wanneer Hij het schenkt, zult u de stille haven des te dierbaarder vinden na de storm.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij.
Romeinen 4:16
Wij lezen in het bijzonder dat het geloof een gave van God is. Het is de grote hoofdgenade in de ziel. Het is het voornaamste rad, dat alle andere raderen in het hart doet draaien. Het is het oog, het oor en de hand van de nieuwe mens van de genade. Alleen voor zover wij geloof hebben en de Heere het geloof in oefening brengt, hebben wij ook een waar, geestelijk gevoel.
Maar wat maakt dat ik het geloof, de gave van het geloof, zo hoog acht? Het is de kennis van de smart van het ongeloof en van de werking daarvan in de ziel. Is dat niet heel natuurlijk? Wat maakt dat ik de gezondheid zo op prijs stel? Is het niet dat ik een zwak, ziekelijk lichaam heb? Wat doet mij de rust zo waarderen? Vermoeidheid. Wanneer stel ik gemak zo op prijs? Wanneer ik pijn heb. Wat doet mij het voedsel zo hoog schatten? Het is de honger. En waarom waardeer ik een kop koud water? Omdat ik dorst heb.
Door deze omstandigheden ken ik niet alleen de waarde ervan, maar geniet ik ook de zegen wanneer ik ze mag ontvangen en ze mij gegeven worden. Zo is het in het geestelijke net als in het natuurlijke. Wat zou ik van het geloof weten als ik het geloof niet in oefening kende, en als ik niet dagelijks in meerdere of mindere mate de werking van het ongeloof moest opmerken: van trouweloosheid, van de vragen van het verdorven verstand en van het zaad van mijn ongelovig hart? Wanneer de ziel op en neer geworpen wordt (en vaak wordt zij op deze zee van het ongeloof heen en weer geslingerd), dan leert zij de haven van het geloof waarderen. En wanneer de Heere in Zijn barmhartigheid de ziel een weinig geloof geeft, en het geloof werkelijkheid begint te worden, zich bewust wordt en zich voedt met de waarheid zoals die in Jezus is, dan weten wij wat het geloof is doordat wij het bezitten.
Wat een genade is het dat de Heere de gave van het geloof kan schenken. Hier zijn arme zielen die zwoegen, tobben, werken, steunen en zuchten, verdrukt door het ongeloof, die geweldige reus in het hart, die zijn duizenden en tienduizenden verslagen heeft. Wat zinken onze zielen soms diep weg onder dit vreselijke ongeloof! Maar ook: wat waarderen wij het geloof des te meer als het binnenstroomt!
Al het neergedrukt worden door het ongeloof doet het geloof des te hoger opklimmen, en al die somberheid maakt de veranderingen des te dierbaarder. Zoals het op en neer geworpen worden van de zeeman op zee, met alle gevaren en ellende van de reis, de kalme haven zo aangenaam maakt, zo wordt de heilige kalmte van het levend geloof in de ziel des te dierbaarder, naarmate de golven van het ongeloof zich in de ziel hebben laten gelden.
Aan de lezer…
Lezer, wordt u op en neer geworpen op de zee van het ongeloof? Zwoegt en zucht u onder die geweldige reus in het hart, die al zovelen heeft neergeslagen? Schaam u niet om het eerlijk te zeggen. Zoals de dorstige de waarde van een kop koud water kent en de vermoeide de rust leert waarderen, zo leert juist de ziel die het ongeloof kent, het geloof hoogachten.
Het geloof is een gave van God, niet iets dat u in uzelf kunt opwekken. „Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij.” Dat is uw troost: de zaligheid hangt niet aan de kracht van uw geloof, maar aan de genade van Hem Die het geeft. Roep dan tot Hem om een weinig geloof. Wanneer Hij het schenkt, zult u de stille haven na de storm des te dierbaarder vinden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Therefore it is of faith, that it might be by grace.”
Romans 4:16
Of faith we read expressly that “it is the gift of God.” This is the grand master-grace of the soul; it is the grand wheel which moves every other wheel in the heart; it is the eye, the ear, the hand of the new man of grace. Only so far as we have faith, and the Lord draws out this faith in exercise, have we any true spiritual feeling. But what makes me prize the gift of faith? It is knowing so much and so painfully the indwelling and inworking of unbelief.
Is not this the case naturally? What makes me prize health? It is having a poor, weakly body. What makes me prize rest? Fatigue. What makes me prize ease? It is pain. What makes me prize food? It is hunger. What makes me prize the cup of cold water? It is thirst. By these feelings, I not only know the reality by the lack of it, but also enjoy the blessing when communicated.
It is just so spiritually, as naturally. What can I know of faith, except I am exercised (and exercised I am more or less daily) by the workings of unbelief, infidelity, questionings of the reasoning mind, and all the spawn of an unbelieving heart? As the soul is tossed up and down, (and often, it is tossed up and down on this sea of unbelief,) it learns to prize the harbor of faith. And when the Lord mercifully communicates a little faith to the soul, and faith begins to realize, feel, experience, and feed upon the truth as it is in Jesus, then we know what faith is by the possession of it.
What a mercy it is that the Lord has the gift of faith to bestow! Here are poor souls toiling, troubling, laboring, groaning, sighing, oppressed with unbelief—that great giant in the heart, who has slain his thousands and tens of thousands. How our souls sometimes sink down under this wretched unbelief! But how we prize the faith all the more when it comes! How all the sinkings make the risings higher, and all the sadness makes the change more blessed! As the tossings to and fro of the sailor upon the sea, with all the perils and sufferings of the voyage, make the calm harbor so pleasant; so all the tossings up and down of unbelief endears the holy calm of living faith to the soul.
To the reader…
Dear reader, are you being tossed up and down on the sea of unbelief? Do you toil and sigh under that great giant in the heart, who has already struck down so many? Do not be ashamed to say so honestly. Just as the thirsty know the worth of a cup of cold water and the weary learn to value rest, so it is the very soul that knows unbelief that learns to prize faith.
Faith is a gift of God, not something you can stir up in yourself. “Therefore it is of faith, that it might be by grace.” That is your comfort: salvation does not hang on the strength of your faith, but on the grace of Him Who gives it. Cry to Him, then, for a little faith. When He grants it, you will find the quiet harbor after the storm all the more precious.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Por tanto es por la fe, para que sea por gracia.”
Romanos 4:16
De la fe leemos expresamente que “es don de Dios”. Esta es la gran gracia maestra del alma; es la gran rueda que mueve todas las demás ruedas en el corazón; es el ojo, el oído, la mano del nuevo hombre de la gracia. Solo en la medida en que tenemos fe, y el Señor saca esta fe a ejercicio, tenemos algún verdadero sentir espiritual. Pero ¿qué me hace apreciar el don de la fe? El conocer tanto y tan dolorosamente la morada y la obra interior de la incredulidad.
¿No es así en lo natural? ¿Qué me hace apreciar la salud? El tener un cuerpo pobre y débil. ¿Qué me hace apreciar el descanso? El cansancio. ¿Qué me hace apreciar el alivio? El dolor. ¿Qué me hace apreciar el alimento? El hambre. ¿Qué me hace apreciar el vaso de agua fría? La sed. Por estos sentimientos no solo conozco la realidad por la falta de ella, sino que también disfruto la bendición cuando se me comunica.
Así es en lo espiritual, igual que en lo natural. ¿Qué puedo saber de la fe si no soy ejercitado (y ejercitado lo soy, más o menos, a diario) por las obras de la incredulidad, de la infidelidad, de los cuestionamientos de la mente razonadora y de toda la cría de un corazón incrédulo? A medida que el alma es zarandeada de un lado a otro (y a menudo es zarandeada de un lado a otro en este mar de incredulidad), aprende a apreciar el puerto de la fe. Y cuando el Señor comunica misericordiosamente un poco de fe al alma, y la fe comienza a hacer real, sentir, experimentar y alimentarse de la verdad tal como es en Jesús, entonces sabemos lo que es la fe por poseerla.
¡Qué misericordia es que el Señor tenga el don de la fe para otorgarlo! He aquí pobres almas que se afanan, se inquietan, trabajan, gimen, suspiran, oprimidas por la incredulidad, ese gran gigante del corazón que ha matado a sus miles y a sus diez miles. ¡Cómo se hunde a veces nuestra alma bajo esta miserable incredulidad! ¡Pero cuánto más apreciamos la fe cuando viene! ¡Cómo todos los hundimientos hacen más altas las subidas, y toda la tristeza hace más bendito el cambio! Así como los vaivenes del marinero en el mar, con todos los peligros y padecimientos del viaje, hacen tan agradable el puerto tranquilo, así todos los vaivenes de la incredulidad hacen querida al alma la santa calma de la fe viva.
Al lector…
Querido lector, ¿es usted zarandeado de un lado a otro en el mar de la incredulidad? ¿Se afana y suspira bajo ese gran gigante del corazón, que ya ha derribado a tantos? No se avergüence de decirlo con sinceridad. Así como el sediento conoce el valor de un vaso de agua fría y el cansado aprende a estimar el descanso, así es precisamente el alma que conoce la incredulidad la que aprende a apreciar la fe.
La fe es un don de Dios, no algo que usted pueda despertar en sí mismo. “Por tanto es por la fe, para que sea por gracia.” Ese es su consuelo: la salvación no depende de la fuerza de su fe, sino de la gracia de Aquel que la da. Clame, pues, a Él por un poco de fe. Cuando Él la conceda, hallará el puerto tranquilo después de la tormenta tanto más precioso.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl