5 april
En de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in het huis; de zoon blijft er eeuwiglijk.
Johannes 8:35
Het is het onherroepelijk voorrecht van een zoon, dat hij nooit uit het huis wordt geworpen; dat de vereniging tussen vader of moeder en het kind nooit kan verbroken worden. Dit is een zoete vertroosting voor de kerk Gods, dat de zoon eeuwiglijk in het huis blijft, dat hij zal regeren met Christus tot in alle eeuwigheid. Hoe menigmaal wordt een kind van God geschud of hij er wel voor eeuwig in zal blijven, of hij niet zal komen tot het verlies zijner ziel, of er niet een verzoeking op hem af zal komen waarbij het openbaar zal komen dat hij niet anders is dan een bedrieger en een bedrogene. Doch de Heere Zelf zegt: „De zoon blijft er eeuwiglijk.” Laat hem slechts zuigeling zijn, of maar de eerste beginselen des levens in zijn ziel hebben, hij blijft er eeuwiglijk. Hij heeft hetzelfde aandeel in de toegenegenheden des Vaders, is een mede-erfgenaam met Christus, en heeft een recht tot dezelfde erfenis als degenen die een hoger stand beleven, of die zijn ouders zijn wat hun leeftijd betreft.
Maar somtijds kan de zoon wel eens de bepalingen van zijns Vaders huis moede worden. God is een wijs Vader, zowel als een vriendelijk Vader. Hij zal Zijn kinderen met de tederste toegenegenheid behandelen, maar Hij zal het nooit gedogen als zij zich schuldig maken aan oneerbiedigheid jegens Hem. Somtijds worden de zonen verdrietig in huns Vaders huis. Zij worden als de jongste zoon in de gelijkenis, toen hij zijn vader vroeg om het deel des goeds dat hem toekwam; en dit gekregen hebbende, ging hij weg in een vergelegen land, ver van zijns vaders huis, van onder zijns vaders dak, levende overdadiglijk. Dit is de plaats waar velen van Gods kinderen terechtkomen.
Waar de ziel zich niet waarlijk verlevendigd vindt onder de bediening van het Evangelie, denkt zij dat er iets niet in orde is; altijd iets verdrietigs. En het ijdel, afgodisch hart denkt dat er enige genoegens in de wereld te genieten zijn, die onder het dak zijns Vaders niet te vinden zijn. Derhalve onttrekt hij zich geleidelijk aan zijns Vaders huis, zoekt zich enige genoegens te verschaffen uit de dingen van de tijd en het zinnelijke, richt zich enige afgod op en buigt er zich voor neder. Niettegenstaande dit alles blijft de zoon er eeuwiglijk. De Vader van al Zijn volk in Christus onterft Zijn beminde kinderen niet. En ofschoon aardse ouders hun kinderen kunnen onterven, Gods kinderen wordt de erfenis nooit ontzegd.
Een echte Israëliet die in armoede geraakt was en zich verkocht had aan een vreemdeling, moest zijn vrijheid wedergegeven worden in het jubeljaar (Lev. 25:47, 54), en hij moest wederkeren tot zijn eigen huis en erfenis. Zo zal ook de zoon die zijns Vaders huis verlaten heeft en zich verkocht heeft om de zonde na te wandelen en zich te stellen onder die wrede werkmeester, wanneer het jubeljaar komt en de zilveren trompet geblazen wordt, zijn boeien en ketenen afschudden, het livrei der dienstbaarheid afwerpen en tot zijns Vaders huis wederkeren, en hij zal met vreugde onder Zijn dak ontvangen worden. O, wat een ontmoeting! De schuldvergevende Vader en het ongehoorzaam kind. De Vader wegsmeltende in tranen van liefde; de zoon smeltende in tranen van berouw.
Wat dan ook onze omzwerving des harten zij en onze afkerigheid der ziel, hoe zeer wij ons ook mogen van God afkeren, voor zover wij zonen zijn, zullen wij eeuwig in het huis blijven en een onbevlekkelijke, onverwelkelijke erfenis bezitten die niet kan tenietgedaan worden. Zij is in de hemelen weggelegd voor degenen die in de kracht Gods bewaard worden door het geloof tot de zaligheid. En het zal onze zaligheid zijn hier beneden in het huis te blijven, als leden van het huisgezin, zonder daarvan te scheiden, totdat wij zullen komen tot het huisgezin daarboven, tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, wier namen zijn in het boek des levens.
Aan de lezer…
Vreest u soms, waarde lezer, dat u er op een dag uitgeworpen zult worden? Dat er een verzoeking op u af zal komen die openbaar maakt dat u slechts een bedrieger en een bedrogene bent? Hoor dan wat de Heere Zelf zegt: „De zoon blijft er eeuwiglijk.” Hij zegt dat niet alleen van de sterke en ervarene, maar ook van de zuigeling die nog maar de eerste beginselen des levens in zijn ziel heeft.
En bent u afgedwaald, hebt u in een vergelegen land genoegens gezocht die onder het dak uws Vaders niet te vinden waren, en u voor een afgod nedergebogen? Dat is bitter, en de Vader gedoogt geen oneerbiedigheid. Maar Hij onterft Zijn beminde kinderen niet. Wanneer de zilveren trompet van het jubeljaar klinkt, mag ook u uw ketenen afschudden en wederkeren. Dan zal Hij, wegsmeltende in tranen van liefde, het ongehoorzame kind met vreugde onder Zijn dak ontvangen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in het huis; de zoon blijft er eeuwiglijk.
Johannes 8:35
Het is het onherroepelijke voorrecht van een zoon dat hij nooit uit het huis wordt geworpen, en dat de band tussen vader of moeder en het kind nooit kan worden verbroken. Dit is een zoete troost voor de kerk van God: de zoon blijft eeuwig in het huis en zal met Christus regeren tot in alle eeuwigheid. Hoe vaak wordt een kind van God heen en weer geschud door de vraag of hij er wel voor eeuwig in zal blijven, of hij zijn ziel niet zal verliezen, of er geen verzoeking op hem af zal komen waardoor openbaar wordt dat hij niets anders is dan een bedrieger en een bedrogene. Maar de Heere Zelf zegt: „De zoon blijft er eeuwiglijk.” Al is hij nog maar een zuigeling, al heeft hij nog maar de eerste beginselen van het leven in zijn ziel, hij blijft er eeuwig.
Hij heeft hetzelfde aandeel in de genegenheid van de Vader, is mede-erfgenaam met Christus en heeft recht op dezelfde erfenis als zij die een hogere staat beleven of die naar leeftijd zijn ouders zijn. Maar soms kan de zoon de regels van het huis van zijn Vader moe worden. God is een wijze Vader, en ook een vriendelijke Vader. Hij zal Zijn kinderen met de tederste genegenheid behandelen, maar Hij zal het nooit toelaten wanneer zij zich schuldig maken aan oneerbiedigheid tegenover Hem.
Soms worden de zonen ontevreden in het huis van hun Vader. Zij worden als de jongste zoon in de gelijkenis, die zijn vader vroeg om het deel van het goed dat hem toekwam. Toen hij dat gekregen had, trok hij weg naar een ver land, ver van het huis van zijn vader, weg onder het dak van zijn vader, en leefde daar overdadig. Dit is de plaats waar veel kinderen van God terechtkomen.
Wanneer de ziel zich onder de bediening van het Evangelie niet werkelijk verlevendigd voelt, denkt zij dat er iets niet in orde is; er is altijd wel iets wat haar mishaagt. En het ijdele, afgodische hart denkt dat er in de wereld genoegens te genieten zijn die onder het dak van de Vader niet te vinden zijn. Daarom trekt hij zich geleidelijk terug uit het huis van zijn Vader, probeert hij zich genoegens te verschaffen uit de dingen van de tijd en van de zinnen, richt hij een afgod op en buigt hij zich daarvoor neer. Ondanks dit alles blijft de zoon er eeuwig. De Vader van al Zijn volk in Christus onterft Zijn geliefde kinderen niet. En hoewel aardse ouders hun kinderen kunnen onterven, wordt Gods kinderen de erfenis nooit ontzegd.
Een echte Israëliet die in armoede was geraakt en zich aan een vreemdeling had verkocht, moest in het jubeljaar zijn vrijheid terugkrijgen (Lev. 25:47, 54) en terugkeren naar zijn eigen huis en erfenis. Zo zal ook de zoon die het huis van zijn Vader verlaten heeft, zich verkocht heeft om de zonde na te lopen en zich onder die wrede slavendrijver heeft gesteld, wanneer het jubeljaar komt en de zilveren trompet wordt geblazen, zijn boeien en ketenen afschudden. Hij zal het livrei van de dienstbaarheid afwerpen en naar het huis van zijn Vader terugkeren, en hij zal met vreugde onder Zijn dak worden ontvangen. O, wat een ontmoeting! De Vader Die de schuld vergeeft, en het ongehoorzame kind. De Vader smelt weg in tranen van liefde; de zoon smelt in tranen van berouw.
Hoe ons hart ook mag afzwerven en onze ziel zich ook mag afkeren, hoezeer wij ons ook van God mogen afwenden: voor zover wij zonen zijn, zullen wij eeuwig in het huis blijven en een onbevlekkelijke, onverwelkelijke erfenis bezitten, die niet teniet kan worden gedaan. Zij is in de hemelen weggelegd voor hen die in de kracht van God bewaard worden door het geloof tot de zaligheid. En het zal onze zaligheid zijn om hier beneden als leden van het huisgezin in het huis te blijven, zonder ervan te scheiden, totdat wij komen bij het huisgezin daarboven, bij de algemene vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, wier namen in het boek des levens staan.
Aan de lezer…
Vreest u soms dat u er op een dag uitgeworpen zult worden? Dat er een verzoeking op u af zal komen die openbaar maakt dat u slechts een bedrieger en een bedrogene bent? Hoor dan wat de Heere Zelf zegt: „De zoon blijft er eeuwiglijk.” Hij zegt dat niet alleen van de sterke en ervaren gelovige, maar ook van de zuigeling die nog maar de eerste beginselen van het leven in zijn ziel heeft.
En bent u afgedwaald, hebt u in een ver land genoegens gezocht die onder het dak van uw Vader niet te vinden waren, en hebt u zich voor een afgod neergebogen? Dat is bitter, en de Vader duldt geen oneerbiedigheid. Maar Hij onterft Zijn geliefde kinderen niet. Wanneer de zilveren trompet van het jubeljaar klinkt, mag ook u uw ketenen afschudden en terugkeren. Dan zal Hij, wegsmeltend in tranen van liefde, het ongehoorzame kind met vreugde onder Zijn dak ontvangen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And the servant abideth not in the house for ever: but the Son abideth ever.”
John 8:35
It is the irreversible blessing of a son, that he is never to be turned out of the house, that the union between the Parent and the child can never be broken, but that he is to reign with Christ through the ages of one everlasting day. This is a sweet consolation to God’s family that “the son abides forever.” How often is a child of God exercised, whether he shall abide forever, whether he may not draw back to perdition, whether some temptation may not overtake him whereby it shall be made manifest that he is nothing but a deceiver and deceived!
But the Lord Himself says, “the son abides forever;” let him be but a babe, let him have but the first beginning of spiritual life in his soul, he “abides forever;” he has the same interest in the affections of the Father, is a fellow-heir with Christ, and has a title to the same inheritance as those who are of longer standing, and those who are his elders in age.
But sometimes the son may get tired of the restraint of his Father’s house. God is a wise Parent as well as a kind one. He will treat His children with the most tender kindness and intimacy, but He will never allow them to be guilty of disrespect towards Him. Sometimes, then, the sons get weary of their Father’s house; they are like the younger son in the parable, when he asked his father to give him his portion, and when he had gotten it, he went away into a far country, away from his father’s house, from under his father’s roof, and wasted it in riotous living. This is where many of God’s children get.
There is a restraint in God’s house, where the soul is not really blessed with the personal and present enjoyment of gospel truth, and restraint being ever irksome, the vain, idolatrous heart thinks it can derive some pleasure from the world which is not to be found under the roof of the Father. And, therefore, he gradually withdraws his steps from his Father’s house, seeks to derive some pleasure from the things of time and sense, erects some idol, and falls down to worship it.
But notwithstanding all this, “the son abides forever.” The Father of all His people in Christ does not disinherit His dear children; and though earthly parents may disinherit theirs, God’s family are never cast out of the inheritance. The true-born Israelite who had waxed poor and sold himself unto the stranger was to obtain his freedom in the year of jubilee (Leviticus 25:47, 54), and to return to his own house and his own estate. So the son who has departed from his Father’s house, and sold himself under sin, and become a slave to that cruel taskmaster, when the year of jubilee comes, the year of restoration, and the silver trumpet is blown, shakes off his shackles and fetters, casts aside the livery of servitude, returns to his Father’s house, and is received with joy beneath his Father’s roof. O what a meeting! The forgiving Parent, and the disobedient child! The Father dissolved in tears of affection; the child dissolved in tears of contrition!
Whatever, then, be our wanderings of heart, alienation of affection, and backsliding of soul; however we may depart from God, so far as we are sons, we shall “abide in the house forever,” and possess an “inheritance incorruptible and undefiled, and that fades not away, reserved in heaven for those that are kept by the power of God through faith unto salvation.” And it will be our mercy to abide in the house below as members of the family, without departing from it, until reunited to the family above, “the general assembly and church of the firstborn, whose names are written in heaven.”
To the reader…
Do you sometimes fear that one day you will be cast out? That a temptation will come upon you that will make it plain that you are only a deceiver and deceived? Then hear what the Lord Himself says: “The Son abideth ever.” He does not say this only of the strong and experienced believer, but also of the babe who has only the first beginnings of life in his soul.
And have you wandered away, have you sought pleasures in a far country that were not to be found under your Father’s roof, and have you bowed down before an idol? That is bitter, and the Father does not tolerate disrespect. But He does not disinherit His beloved children. When the silver trumpet of the jubilee sounds, you too may shake off your chains and return. Then He, melting in tears of love, will receive the disobedient child with joy beneath His roof.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y el siervo no queda en casa para siempre: el Hijo queda para siempre.
Juan 8:35
Es la bendición irrevocable de un hijo que nunca ha de ser echado de la casa, que la unión entre el Padre y el hijo nunca puede romperse, sino que ha de reinar con Cristo por las edades de un día eterno. Es un dulce consuelo para la familia de Dios que “el hijo queda para siempre”. ¡Cuántas veces es ejercitado un hijo de Dios preguntándose si quedará para siempre, si no retrocederá para perdición, si no le sobrevendrá alguna tentación por la cual se ponga de manifiesto que no es más que un engañador y un engañado!
Pero el Señor mismo dice: “El hijo queda para siempre”; aunque no sea más que un niño, aunque no tenga más que el primer comienzo de la vida espiritual en su alma, “queda para siempre”; tiene la misma parte en los afectos del Padre, es coheredero con Cristo, y tiene derecho a la misma herencia que aquellos que llevan más tiempo y que son mayores que él en edad.
Pero a veces el hijo puede cansarse de la sujeción de la casa de su Padre. Dios es un Padre sabio a la vez que bondadoso. Tratará a Sus hijos con la más tierna bondad e intimidad, pero nunca les permitirá ser culpables de irreverencia hacia Él. A veces, pues, los hijos se cansan de la casa de su Padre; son como el hijo menor de la parábola, cuando pidió a su padre que le diera su parte, y cuando la hubo recibido, se fue a una provincia apartada, lejos de la casa de su padre, de debajo del techo de su padre, y la desperdició viviendo perdidamente. A esto llegan muchos de los hijos de Dios.
Hay una sujeción en la casa de Dios, cuando el alma no está realmente bendecida con el goce personal y presente de la verdad del evangelio; y como la sujeción siempre es fastidiosa, el corazón vano e idólatra piensa que puede sacar del mundo algún placer que no se halla bajo el techo del Padre. Y, por lo tanto, va retirando poco a poco sus pasos de la casa de su Padre, procura sacar algún placer de las cosas del tiempo y de los sentidos, levanta algún ídolo y se postra a adorarlo.
Pero a pesar de todo esto, “el hijo queda para siempre”. El Padre de todo Su pueblo en Cristo no deshereda a Sus amados hijos; y aunque los padres terrenales puedan desheredar a los suyos, la familia de Dios nunca es echada fuera de la herencia. El israelita de nacimiento que se había empobrecido y se había vendido al extranjero había de obtener su libertad en el año del jubileo (Levítico 25:47, 54), y volver a su propia casa y a su propia heredad. Así el hijo que se ha apartado de la casa de su Padre, y se ha vendido al pecado, y se ha hecho esclavo de aquel cruel capataz, cuando llega el año del jubileo, el año de la restitución, y suena la trompeta de plata, sacude sus grillos y cadenas, echa a un lado la librea de la servidumbre, vuelve a la casa de su Padre, y es recibido con gozo bajo el techo de su Padre. ¡Oh, qué encuentro! ¡El Padre perdonador y el hijo desobediente! ¡El Padre deshecho en lágrimas de afecto; el hijo deshecho en lágrimas de contrición!
Sean cuales fueren, pues, los extravíos de nuestro corazón, el alejamiento de nuestros afectos y la rebeldía de nuestra alma; por mucho que nos apartemos de Dios, en cuanto somos hijos, “quedaremos en la casa para siempre”, y poseeremos “una herencia incorruptible, y que no puede contaminarse, ni marchitarse, reservada en los cielos” para los que “son guardados en la virtud de Dios por fe, para alcanzar la salud”. Y será nuestra misericordia permanecer en la casa de aquí abajo como miembros de la familia, sin apartarnos de ella, hasta ser reunidos con la familia de arriba, “la congregación de los primogénitos que están alistados en los cielos”.
Al lector…
¿Teme usted a veces que un día será echado fuera? ¿Que vendrá sobre usted una tentación que pondrá de manifiesto que no es más que un engañador y un engañado? Oiga entonces lo que el Señor mismo dice: “El Hijo queda para siempre.” No lo dice solo del creyente fuerte y experimentado, sino también del niño que tiene apenas los primeros comienzos de vida en su alma.
¿Y se ha extraviado usted, ha buscado en una provincia apartada placeres que no se hallaban bajo el techo de su Padre, y se ha postrado ante un ídolo? Eso es amargo, y el Padre no tolera la irreverencia. Pero Él no deshereda a Sus amados hijos. Cuando suene la trompeta de plata del jubileo, también usted podrá sacudirse sus cadenas y volver. Entonces Él, deshecho en lágrimas de amor, recibirá con gozo al hijo desobediente bajo Su techo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl