5 maart
En welke zij de uitnemende grootheid Zijner kracht aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt.
Efeze 1:19-20
De mens moet door een alvermogende kracht uit de slaap des doods wakker geschud worden. Het is zomaar geen rukje of een zachte aanraking aan zijn kleed, een lichte trek aan zijn mouw, die hem uit zijn zonden zal doen opstaan. Hij moet eruit getrokken worden, zoals iemand uit zijn bed getrokken wordt als het huis in brand staat, of uit het water getrokken wordt als hij voor de laatste maal zal ondergaan. Laat ons niet menen dat het werk der genade in het hart een licht, oppervlakkig werk is. Er is inderdaad een almachtig werk der genade in een zondaarshart nodig om hem van de ondergang te bevrijden.
Derhalve zien wij altijd het werk der genade zich openbaren door een geestelijk gezicht van onze ellendige staat voor God. Doch dit alleen is niet genoegzaam om ons tot een waar discipel van Jezus te maken. Het is een voorafgaand, een zeer noodzakelijk voorafgaand werk tot het aanschouwen van de Koning in Zijn schoonheid. Maar het is niet hetzelfde als te zien en te geloven in de Zoon van God tot het eeuwige leven. Wij moeten iets meer hebben dan enige overtuiging van zonden of enig besef van onze verloren en gevallen staat.
Wij moeten door het geloof een gezicht hebben van de gezegende Heere, meer of minder in onze ziel geopenbaard door de Heilige Geest, Wiens werk het is uit de dingen van Christus te nemen en deze aan het hart te openbaren. Om namelijk te zien: Zijn gepastheid, Zijn genade, Zijn heerlijkheid, Zijn arbeid, Zijn bloed, Zijn gehoorzaamheid; deze te zien door het oog des geloofs en voor onszelf als goddelijke en gezegende werkelijkheden, juist gepast in ons geval en onze staat; zodat deze juist de zaken zijn die wij nodig hebben om ons te redden van de toekomende toorn, en dat wij, in zoverre wij er belang bij hebben, gered worden van de vloeden des verderfs.
Overal waar dit geloofsgezicht van Christus aan de ziel geschonken is, schept en onderhoudt het een geloof, door de liefde werkzaam. Overal waar door het geloof een zien op Jezus is, daar openbaart Hij Zichzelf in zekere mate als dierbaar aan de ziel; en liefde is de zoete vrucht daarvan, want wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Wanneer wij de Heere gaan liefhebben, dan verwekt deze liefde een zoete vereniging en gemeenschap met Hem. Wanneer Hij dan Zijn beminnelijk aangezicht vertoont en meer en meer iets van Zijn schoonheid en vriendelijkheid ontdekt, geeft het Hem een plaats in onze warmste, tederste genegenheden, en dan komt Hij en neemt woning in de ziel en heerst daar als de rechtmatige Heerser.
De volgende dingen zijn derhalve allernoodzakelijkst tot het ware discipelschap: eerst een geestelijk gevoel van onze verloren en gevallen staat; dan een kennis van Christus door een genadige ontdekking van Zijn gepastheid, schoonheid en bereidwilligheid; en ten derde een geloof in Hem, dat door de liefde werkt en het hart reinigt, de wereld overwint en ons bevrijdt van dood en hel.
Aan de lezer…
Soms hebt u wellicht gemeend dat het werk der genade een licht en oppervlakkig werk is, een zachte trek aan de mouw. Wie ooit zijn ellendige staat voor God gezien heeft, weet beter. Er is een almachtige kracht nodig, dezelfde kracht waarmee God Christus uit de doden heeft opgewekt, om een zondaar uit de slaap des doods te trekken. Maar die overtuiging van zonde is nog niet het einde; het is de weg tot iets meer.
U hebt een gezicht des geloofs op Christus nodig: Zijn gepastheid, Zijn bloed, Zijn gehoorzaamheid en Zijn schoonheid, door de Heilige Geest aan uw hart geopenbaard. Ziet u nog maar weinig van Hem? Vraag dan dat de Geest uit het Zijne neemt en het u toont. Waar Jezus dierbaar wordt, daar volgt de liefde, want wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En welke zij de uitnemende grootheid Zijner kracht aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt.
Efeze 1:19-20
De mens moet door een alvermogende kracht uit de slaap van de dood wakker geschud worden. Het is niet zomaar een rukje of een zachte aanraking van zijn kleed, een lichte trek aan zijn mouw, die hem uit zijn zonden zal doen opstaan. Hij moet eruit getrokken worden, zoals iemand uit zijn bed getrokken wordt als het huis in brand staat, of uit het water getrokken wordt als hij voor de laatste keer zal ondergaan. Laten we niet denken dat het werk van de genade in het hart een licht, oppervlakkig werk is. Er is inderdaad een almachtig werk van de genade in het hart van een zondaar nodig om hem van de ondergang te bevrijden.
Daarom zien we dat het werk van de genade zich altijd openbaart in een geestelijk zien van onze ellendige staat voor God. Maar dit alleen is niet genoeg om ons tot een waar discipel van Jezus te maken. Het is een voorbereidend, een zeer noodzakelijk voorbereidend werk voor het aanschouwen van de Koning in Zijn schoonheid. Maar het is niet hetzelfde als het zien van en geloven in de Zoon van God tot het eeuwige leven. Wij moeten iets meer hebben dan enige overtuiging van zonde of enig besef van onze verloren en gevallen staat.
Wij moeten door het geloof de gezegende Heere zien, in meerdere of mindere mate aan onze ziel geopenbaard door de Heilige Geest, Wiens werk het is uit de dingen van Christus te nemen en die aan het hart te openbaren. Namelijk om te zien: Zijn gepastheid, Zijn genade, Zijn heerlijkheid, Zijn arbeid, Zijn bloed, Zijn gehoorzaamheid; om die met het oog van het geloof te zien, en voor onszelf, als goddelijke en gezegende werkelijkheden, precies passend bij ons geval en onze staat. Zo zien wij dat dit juist de dingen zijn die wij nodig hebben om gered te worden van de toekomende toorn, en dat wij, voor zover wij er deel aan hebben, gered worden van de vloeden van het verderf.
Overal waar dit zien van Christus door het geloof aan de ziel geschonken wordt, schept en onderhoudt het een geloof dat door de liefde werkt. Overal waar er door het geloof een zien op Jezus is, daar openbaart Hij Zichzelf in zekere mate als dierbaar aan de ziel. En liefde is daarvan de zoete vrucht, want wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Wanneer wij de Heere gaan liefhebben, dan brengt die liefde een zoete vereniging en gemeenschap met Hem voort. Wanneer Hij dan Zijn beminnelijk aangezicht toont en steeds meer van Zijn schoonheid en vriendelijkheid laat zien, krijgt Hij een plaats in onze warmste, tederste genegenheden; dan komt Hij en neemt woning in de ziel en heerst daar als de rechtmatige Heerser.
De volgende dingen zijn daarom volstrekt noodzakelijk voor het ware discipelschap: eerst een geestelijk besef van onze verloren en gevallen staat; dan een kennis van Christus door een genadige ontdekking van Zijn gepastheid, schoonheid en bereidwilligheid; en ten derde een geloof in Hem dat door de liefde werkt en het hart reinigt, de wereld overwint en ons bevrijdt van dood en hel.
Aan de lezer…
Soms hebt u misschien gedacht dat het werk van de genade een licht en oppervlakkig werk is, een zachte trek aan de mouw. Wie ooit zijn ellendige staat voor God gezien heeft, weet beter. Er is een almachtige kracht nodig, dezelfde kracht waarmee God Christus uit de doden heeft opgewekt, om een zondaar uit de slaap van de dood te trekken. Maar die overtuiging van zonde is nog niet het einde; het is de weg naar iets meer.
U hebt het oog van het geloof op Christus nodig: Zijn gepastheid, Zijn bloed, Zijn gehoorzaamheid en Zijn schoonheid, door de Heilige Geest aan uw hart geopenbaard. Ziet u nog maar weinig van Hem? Vraag dan of de Geest uit het Zijne neemt en het u laat zien. Waar Jezus dierbaar wordt, daar volgt de liefde, want wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And what is the exceeding greatness of His power to us-ward who believe, according to the working of His mighty power, which He wrought in Christ, when He raised Him from the dead.”
Ephesians 1:19-20
Man needs to be roused by a mighty and effectual power out of his state of sleep and death. It is not a little pull, a gentle snatch at his coat, a slight tug of his sleeve, which will pull him out of his sins. He must be snatched from them as a person would be snatched out of bed when the house is on fire, or pulled out of a river when sinking for the last time. Let us never think that the work of grace upon the heart is a slight or superficial one. Indeed, there needs a mighty work of grace upon a sinner’s heart to deliver him from his destructions.
We always, therefore, find the work of grace to begin by a spiritual sight and sense of our ruined condition before God. But this alone will not suffice to make us true-hearted disciples of Jesus. It is a preparation, a most needful preparation for a sight of the King in His beauty, but it is not the same thing as to see and believe in the Son of God unto eternal life. We must have something far beyond any convictions of sin or any sense of our lost and ruined condition.
We must have by faith a view of the blessed Lord more or less manifested to our souls by that Holy Spirit Whose office it is to take of the things of Christ and to reveal them to the heart so as to see His suitability, His grace, His glory, His work, His blood, His obedience; and to so see these divine and blessed realities by the eye of faith, as to know and feel for ourselves that they are exactly adapted to our case and state; that they are the very things we require to save us from the wrath to come; and that so far as we have a saving interest in them we are saved from the floods of destruction.
Wherever this believing sight of Christ is given to the soul, it creates and maintains a faith that works by love. Thus wherever there is a view of Jesus by the eye of faith, wherever He manifests and makes Himself in any measure precious to the soul, love is the certain fruit of it; for we love Him because He first loved us, and, when we begin to love the Lord, love gives us a binding tie which creates union and communion with Him. As, then, He unveils His lovely face, and discovers more and more of His beauty and blessedness, it gives Him a firm place in the heart’s warmest, tenderest affections, and then He comes and takes up His abode in the soul and rules there as its rightful Lord.
The following things therefore are indispensably necessary to true discipleship; first, a spiritual sense of our lost, ruined condition; then a knowledge of Christ by a gracious discovery of His suitability, beauty, and blessedness; and thirdly, a faith in Him that works by love and purifies the heart, overcomes the world, and delivers from death and hell.
To the reader…
At times you may have thought that the work of grace is a light and shallow work, a gentle tug at the sleeve. Whoever has once seen his wretched state before God knows better. An almighty power is needed, the same power by which God raised Christ from the dead, to pull a sinner out of the sleep of death. But that conviction of sin is not yet the end; it is the way to something more.
You need the eye of faith fixed on Christ: His suitability, His blood, His obedience and His beauty, revealed to your heart by the Holy Spirit. Do you still see but little of Him? Then ask that the Spirit may take of the things of Christ and show them to you. Where Jesus becomes precious, love follows, for we love Him because He first loved us.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y cuál aquella supereminente grandeza de Su poder para con nosotros los que creemos, por la operación de la potencia de Su fortaleza, la cual obró en Cristo, resucitándole de los muertos.”
Efesios 1:19-20
El hombre necesita ser despertado de su estado de sueño y de muerte por un poder grande y eficaz. No es un pequeño tirón, un suave jalón de su abrigo, un leve tirón de su manga, lo que le sacará de sus pecados. Ha de ser arrebatado de ellos como se arrebataría a una persona de la cama cuando la casa está en llamas, o como se la sacaría de un río cuando se hunde por última vez. No pensemos nunca que la obra de la gracia en el corazón es una obra leve o superficial. En verdad, se necesita una obra poderosa de la gracia en el corazón de un pecador para librarle de sus ruinas.
Por eso hallamos siempre que la obra de la gracia comienza por una vista y un sentir espiritual de nuestra condición arruinada delante de Dios. Pero esto solo no bastará para hacernos verdaderos discípulos de Jesús, de corazón sincero. Es una preparación, una preparación sumamente necesaria para ver al Rey en Su hermosura, pero no es lo mismo que ver al Hijo de Dios y creer en Él para vida eterna. Hemos de tener algo que vaya mucho más allá de cualquier convicción de pecado o de cualquier sentir de nuestra condición perdida y arruinada.
Hemos de tener por la fe una vista del bendito Señor, manifestado más o menos a nuestra alma por ese Espíritu Santo cuyo oficio es tomar de lo de Cristo y revelarlo al corazón, de modo que veamos Su idoneidad, Su gracia, Su gloria, Su obra, Su sangre, Su obediencia; y ver de tal manera estas realidades divinas y benditas con el ojo de la fe, que sepamos y sintamos por nosotros mismos que están exactamente adaptadas a nuestro caso y estado; que son precisamente las cosas que necesitamos para ser salvados de la ira venidera; y que, en la medida en que tenemos una parte salvadora en ellas, somos salvados de las inundaciones de la perdición.
Dondequiera que se da al alma esta vista creyente de Cristo, crea y mantiene una fe que obra por el amor. Así, dondequiera que hay una vista de Jesús con el ojo de la fe, dondequiera que Él se manifiesta y se hace en alguna medida precioso al alma, el amor es su fruto seguro; pues Le amamos porque Él nos amó primero, y cuando empezamos a amar al Señor, el amor nos da un lazo que crea unión y comunión con Él. Así, pues, a medida que Él descubre Su rostro amable y revela más y más de Su hermosura y bienaventuranza, esto Le da un lugar firme en los afectos más cálidos y tiernos del corazón, y entonces Él viene y hace Su morada en el alma y reina allí como su legítimo Señor.
Las cosas siguientes son, por tanto, indispensablemente necesarias para el verdadero discipulado: primero, un sentir espiritual de nuestra condición perdida y arruinada; luego, un conocimiento de Cristo por un descubrimiento lleno de gracia de Su idoneidad, hermosura y bienaventuranza; y en tercer lugar, una fe en Él que obra por el amor y purifica el corazón, vence al mundo y libra de la muerte y del infierno.
Al lector…
A veces quizá haya pensado usted que la obra de la gracia es una obra ligera y superficial, un suave tirón de la manga. Quien una vez ha visto su miserable estado delante de Dios sabe que no es así. Se necesita un poder omnipotente, el mismo poder con que Dios resucitó a Cristo de los muertos, para sacar a un pecador del sueño de la muerte. Pero esa convicción de pecado no es todavía el fin; es el camino hacia algo más.
Usted necesita el ojo de la fe fijo en Cristo: Su idoneidad, Su sangre, Su obediencia y Su hermosura, revelados a su corazón por el Espíritu Santo. ¿Ve todavía poco de Él? Entonces pida que el Espíritu tome de lo de Cristo y se lo muestre. Donde Jesús se hace precioso, sigue el amor, pues Le amamos porque Él nos amó primero.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl