31 januari
Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in alle waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.
Johannes 16:13
Hij zal van Zichzelf niet spreken. Er is iets bijzonder welgevalligs in deze trek van de Heilige Geest, dat, als wij deze uitdrukking mogen gebruiken, Hij Zichzelf niet verheerlijkt op dezelfde rechtstreekse, eigen wijze zoals de Vader en de Zoon van Zichzelf spreken. Zo spreekt de Vader van Zichzelf door het gehele Woord, en de Zoon spreekt van Zichzelf in de Schrift volgens de Schrift; maar de Heilige Geest, ofschoon Hij spreekt in de Schrift – want door Zijn Goddelijke inspiratie werd zij geheel geschreven – spreekt nochtans niet van Zichzelf op een stellige, directe wijze. Ook wekt Hij ons op een duidelijke en persoonlijke wijze niet op om in Hem te geloven, Hem te vereren en te aanbidden. Maar Zijn bediening en werk is in onze consciëntie te getuigen en getuigenis af te leggen aan onze geest van de Vader en de Zoon beiden.
Dus als een Geest der aanneming stelt Hij de ziel in staat te roepen: „Abba, Vader!” en zo getuigt Hij van de Vader. En als een Geest der openbaring getuigt Hij alzo van de Zoon. Maar Hij maakt Zich op een persoonlijke wijze niet bekend, noch getuigt Hij van Zichzelf. Hoe zullen wij Hem dan kennen? Door ons Zijn werkingen, Zijn invloeden, Zijn onderwijzingen, Zijn vertroostingen, Zijn verzekeringen, Zijn vertederingen, Zijn vernederingen, Zijn bedauwingen, verwijdingen, openingen, bevrijdingen, versterkingen en kracht en bekwaamheid toe te brengen. Daarom zeide de Heere tot Zijn discipelen: „Want gij kent Hem, want Hij woont in u en zal in u blijven.”
Zo kennen wij Zijn inwoning door het licht dat Hij schenkt om onze bewijzen klaar en helder te doen zien; door het leven dat Hij in de ziel schenkt om onze kwijnende genaden te vernieuwen en te verlevendigen; door de onderwerping aan de souvereine wil van God, die Hij mededeelt onder moeiten en verdriet; door de vernedering die Hij schenkt onder de kastijdende roede; door het gezegend vertrouwen dat Hij ons niet zal laten verloren gaan; door de heilige vrijmoedigheid die Hij ons verleent tegenover de vijanden der waarheid; door de ijver die Hij in onze harten ontsteekt voor de waarheid, zo zij in Jezus is, en tot heerlijkheid Gods; door de gepaste woorden die Hij in gedachten legt in de verdediging van het Evangelie, en door de kracht die onze woorden vergezelt, die de vijand of tegenstander doet zwijgen of zelfs overtuigt. Ofschoon dus de gezegende Geest niet van Zichzelf spreekt, maakt Hij Zichzelf op een krachtige wijze bekend door Zijn inwonende kracht en genade.
O gezegende Leermeester, heilige Vertrooster, dierbare Voorspraak, hemelse Getuige, kom en neem Uw verblijf in ons hart; openbaar en ontdek aldaar Jezus, de hoop der heerlijkheid; stort daarin uit de liefde Gods en verleen Uw Goddelijk getuigenis van ons kindschap. Roep in onze ziel uit: „Abba, Vader!” Onderwijs, heilig en zegen ons en allen in wie Gij Uw werk van genade verheerlijkt hebt, opdat wij mogen „vervuld zijn met alle blijdschap en vrede in het geloof”, en wij mogen „overvloedig zijn in hoop door de kracht des Heiligen Geestes”.
Aan de lezer…
Vraagt u zich wel eens af of de Heilige Geest ooit in u gewerkt heeft? U hebt Hem niet over Zichzelf horen spreken, en misschien maakt u dat onzeker. Maar zo is juist Zijn wijze: Hij spreekt niet van Zichzelf, maar getuigt van de Vader en van de Zoon. Wij kennen Hem niet doordat Hij Zich aankondigt, maar door wat Hij doet: Zijn vertederingen, Zijn vernederingen, Zijn vertroostingen en Zijn versterkingen.
Is er dan in u ooit een roepen geweest: „Abba, Vader!”? Is Jezus u dierbaar geworden, al was het maar voor een ogenblik? Werd uw hart onder de roede gebogen, of uw kwijnende genade weer verlevendigd? Dat is Zijn werk, en Hij woont waar Hij zo werkt. Bid dan om Zijn bedauwingen en om Zijn getuigenis van uw kindschap, opdat u mag vervuld zijn met alle blijdschap en vrede in het geloof, en overvloedig in hoop door de kracht des Heiligen Geestes.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in alle waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.
Johannes 16:13
Hij zal van Zichzelf niet spreken. Er is iets bijzonder lieflijks in deze trek van de Heilige Geest, dat Hij Zichzelf, als wij deze uitdrukking mogen gebruiken, niet verheerlijkt op dezelfde rechtstreekse, eigen wijze als waarop de Vader en de Zoon over Zichzelf spreken. Zo spreekt de Vader over Zichzelf door het hele Woord heen, en de Zoon spreekt over Zichzelf in de Schrift, volgens de Schrift. Maar de Heilige Geest, hoewel Hij in de Schrift spreekt – want door Zijn Goddelijke inspiratie is zij geheel geschreven – spreekt toch niet op een stellige, directe wijze over Zichzelf. Ook spoort Hij ons niet op een duidelijke en persoonlijke wijze aan om in Hem te geloven, Hem te eren en te aanbidden. Maar Zijn bediening en werk is om in ons geweten te getuigen en aan onze geest getuigenis af te leggen van zowel de Vader als de Zoon.
Zo maakt Hij als de Geest der aanneming de ziel in staat te roepen: „Abba, Vader!”, en zo getuigt Hij van de Vader. En als de Geest der openbaring getuigt Hij zo van de Zoon. Maar Hij maakt Zich niet op een persoonlijke wijze bekend, en Hij getuigt niet van Zichzelf. Hoe zullen wij Hem dan kennen? Doordat Hij ons Zijn werkingen, Zijn invloeden, Zijn onderwijzingen, Zijn vertroostingen, Zijn verzekeringen, Zijn vertederingen, Zijn vernederingen, Zijn bedauwingen, verruimingen, openingen, bevrijdingen, versterkingen en kracht en bekwaamheid schenkt. Daarom zei de Heere tot Zijn discipelen: „Want gij kent Hem, want Hij woont in u en zal in u blijven.”
Zo kennen wij Zijn inwoning door het licht dat Hij schenkt om onze kenmerken helder en duidelijk te laten zien; door het leven dat Hij in de ziel schenkt om onze kwijnende genaden te vernieuwen en te verlevendigen; door de onderwerping aan de soevereine wil van God die Hij geeft onder moeite en verdriet; door de vernedering die Hij schenkt onder de kastijdende roede; door het gezegende vertrouwen dat Hij ons niet verloren zal laten gaan; door de heilige vrijmoedigheid die Hij ons geeft tegenover de vijanden van de waarheid; door de ijver die Hij in onze harten ontsteekt voor de waarheid zoals die in Jezus is, en voor de heerlijkheid van God; door de passende woorden die Hij ons in gedachten geeft bij de verdediging van het Evangelie, en door de kracht die onze woorden vergezelt, die de vijand of tegenstander doet zwijgen of zelfs overtuigt. Hoewel de gezegende Geest dus niet over Zichzelf spreekt, maakt Hij Zich op een krachtige wijze bekend door Zijn inwonende kracht en genade.
O gezegende Leermeester, heilige Trooster, dierbare Voorspraak, hemelse Getuige, kom en neem Uw verblijf in ons hart; openbaar en ontdek daar Jezus, de hoop der heerlijkheid; stort daarin de liefde van God uit en geef Uw Goddelijk getuigenis van ons kindschap. Roep in onze ziel uit: „Abba, Vader!” Onderwijs, heilig en zegen ons en allen in wie U Uw werk van genade verheerlijkt hebt, zodat wij „vervuld zijn met alle blijdschap en vrede in het geloof”, en wij „overvloedig zijn in hoop door de kracht des Heiligen Geestes”.
Aan de lezer…
Vraagt u zich wel eens af of de Heilige Geest ooit in u gewerkt heeft? U hebt Hem niet over Zichzelf horen spreken, en misschien maakt u dat onzeker. Maar zo is juist Zijn wijze: Hij spreekt niet over Zichzelf, maar getuigt van de Vader en van de Zoon. Wij kennen Hem niet doordat Hij Zich aankondigt, maar door wat Hij doet: Zijn vertederingen, Zijn vernederingen, Zijn vertroostingen en Zijn versterkingen.
Is er dan in u ooit een roepen geweest: „Abba, Vader!”? Is Jezus u dierbaar geworden, al was het maar voor een ogenblik? Werd uw hart onder de roede gebogen, of uw kwijnende genade weer verlevendigd? Dat is Zijn werk, en Hij woont waar Hij zo werkt. Bid dan om Zijn bedauwingen en om Zijn getuigenis van uw kindschap, zodat u vervuld mag zijn met alle blijdschap en vrede in het geloof, en overvloedig in hoop door de kracht van de Heilige Geest.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Howbeit when he, the Spirit of truth, is come, he will guide you into all truth: for he shall not speak of himself; but whatsoever he shall hear, that shall he speak: and he will shew you things to come.
John 16:13
“He shall not speak of Himself.” There is something peculiarly gracious in this feature of the Holy Spirit, that, if we may use the expression, He does not glorify Himself by speaking of Himself in the same direct, personal manner as the Father and the Son speak of Themselves. Thus the Father speaks of Himself all through the Word; and the Son speaks of Himself in Scripture after Scripture; but the Holy Spirit, though He speaks in the Scripture, for by His divine inspiration the whole was written, yet does not speak of Himself in a positive, direct manner, nor call upon us in a clear, personal way to believe in, worship, and adore Him.
But His office and work are to testify to our conscience and bear witness to our spirit of both the Father and the Son. Thus as a Spirit of adoption He enables the soul to cry, “Abba, Father,” and so testifies of the Father. As a Spirit of revelation He manifests to the soul the glorious Person of Christ, and thus testifies of the Son. But He does not in a personal manner manifest Himself, or testify of Himself.
How, then, do we know Him? By His operations, His influences, His teachings, His consolations, His sealings, His softenings, meltings, humblings, waterings, enlargings, openings, liberatings, strengthenings, and enablings. The Lord therefore said to His disciples, “But you know Him, for He dwells with you, and shall be in you.”
Thus we know His indwelling by the light He gives to see our evidences clear and bright; by the life which He diffuses into the soul, to renew and revive our drooping graces; by the submission which He imparts in affliction and tribulation to the sovereign will of God; by the meekness which He bestows under the chastening rod; by the gracious confidence which He will not allow us to cast away; by the holy boldness which He grants before the enemies of truth; by the zeal which He kindles in the heart for the truth as it is in Jesus, and for the glory of God; by the suitable words which He brings to the mind in defense of the gospel; and by the power which He gives to speak them forth with an authority which silences, if it does not convince, the adversary.
Thus, though the blessed Spirit does not speak of Himself, He makes Himself effectually known by His indwelling power and grace. O blessed Teacher, holy Comforter, gracious Intercessor, and heavenly Witness, come and take up your abode in our heart; there reveal and form Jesus, the hope of glory; there shed abroad the love of God; there bear your divine testimony to our sonship; there cry, “Abba, Father;” there teach and sanctify and bless, that we and all in whom you have wrought your work of grace may be “filled with all joy and peace in believing, that we may abound in hope, through the power of the Holy Spirit.”
To the reader…
Do you sometimes wonder whether the Holy Spirit has ever worked in you? You have not heard Him speak of Himself, and perhaps that makes you uncertain. But that is just His way: He does not speak of Himself, but testifies of the Father and of the Son. We do not know Him because He announces Himself, but by what He does: His softenings, His humblings, His consolations and His strengthenings.
Has there ever been a cry within you, “Abba, Father!”? Has Jesus become precious to you, even if only for a moment? Was your heart bowed under the rod, or were your drooping graces revived? That is His work, and He dwells where He works in this way. Pray, then, for His waterings and for His witness to your sonship, so that you may be filled with all joy and peace in believing, and abound in hope through the power of the Holy Ghost.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pero cuando viniere aquel Espíritu de verdad, Él os guiará a toda verdad; porque no hablará de Sí mismo, sino que hablará todo lo que oyere, y os hará saber las cosas que han de venir.
Juan 16:13
“No hablará de Sí mismo.” Hay algo particularmente lleno de gracia en este rasgo del Espíritu Santo: que, si se nos permite la expresión, Él no se glorifica a Sí mismo hablando de Sí de la misma manera directa y personal en que el Padre y el Hijo hablan de Sí mismos. Así, el Padre habla de Sí mismo a lo largo de toda la Palabra, y el Hijo habla de Sí mismo en una Escritura tras otra; pero el Espíritu Santo, aunque habla en la Escritura, pues toda ella fue escrita por Su divina inspiración, no habla de Sí mismo de un modo positivo y directo, ni nos llama de manera clara y personal a creer en Él, a adorarle y a reverenciarle.
Su oficio y Su obra son, más bien, testificar a nuestra conciencia y dar testimonio a nuestro espíritu tanto del Padre como del Hijo. Así, como Espíritu de adopción, capacita al alma para clamar: “Abba, Padre”, y de este modo testifica del Padre. Como Espíritu de revelación, manifiesta al alma la gloriosa Persona de Cristo, y así testifica del Hijo. Pero no se manifiesta a Sí mismo de manera personal, ni testifica de Sí mismo.
¿Cómo, entonces, le conocemos? Por Sus operaciones, Sus influencias, Sus enseñanzas, Sus consolaciones, Sus sellos, Sus ablandamientos, Sus derretimientos del corazón, Sus humillaciones, Sus riegos, Sus ensanchamientos, Sus aperturas, Sus liberaciones, Sus fortalecimientos y Sus capacitaciones. Por eso el Señor dijo a Sus discípulos: “Mas vosotros le conocéis; porque está con vosotros, y será en vosotros.”
Así conocemos que Él mora en nosotros por la luz que da para ver nuestras evidencias claras y brillantes; por la vida que difunde en el alma para renovar y reavivar nuestras gracias decaídas; por la sumisión a la voluntad soberana de Dios que imparte en la aflicción y la tribulación; por la mansedumbre que concede bajo la vara de la corrección; por la confianza llena de gracia que no nos permite desechar; por el santo denuedo que otorga delante de los enemigos de la verdad; por el celo que enciende en el corazón por la verdad tal como es en Jesús y por la gloria de Dios; por las palabras oportunas que trae a la mente en defensa del evangelio; y por el poder que da para pronunciarlas con una autoridad que hace callar al adversario, si no le convence.
Así, aunque el bendito Espíritu no habla de Sí mismo, se da a conocer eficazmente por Su poder y Su gracia que moran en nosotros. Oh bendito Maestro, santo Consolador, misericordioso Intercesor y celestial Testigo, ven y haz Tu morada en nuestro corazón; revela y forma allí a Jesús, la esperanza de gloria; derrama allí el amor de Dios; da allí Tu divino testimonio de nuestra filiación; clama allí: “Abba, Padre”; enseña, santifica y bendice allí, para que nosotros y todos aquellos en quienes has obrado Tu obra de gracia seamos llenos “de todo gozo y paz creyendo, para que abundemos en esperanza por la virtud del Espíritu Santo.”
Al lector…
¿Se pregunta usted a veces si el Espíritu Santo ha obrado alguna vez en usted? No le ha oído hablar de Sí mismo, y quizá eso le deja inseguro. Pero esa es precisamente Su manera de obrar: no habla de Sí mismo, sino que testifica del Padre y del Hijo. No le conocemos porque Él se anuncie a Sí mismo, sino por lo que hace: Sus ablandamientos, Sus humillaciones, Sus consolaciones y Sus fortalecimientos.
¿Ha habido alguna vez dentro de usted un clamor: “¡Abba, Padre!”? ¿Se le ha hecho precioso Jesús, aunque solo fuera por un momento? ¿Se inclinó su corazón bajo la vara, o fueron reavivadas sus gracias decaídas? Esa es Su obra, y Él mora donde obra de este modo. Ore, pues, por Sus riegos y por Su testimonio de su filiación, para que sea lleno de todo gozo y paz creyendo, y abunde en esperanza por la virtud del Espíritu Santo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl