30 november
Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja zij zal niet zijn, totdat Hij kome, Die daartoe recht heeft, en Die Ik dat geven zal.
Ezechiël 21:27
Er moet dan Iemand komen Die daartoe recht heeft. Er is een Koning Die recht heeft op de troon en op de troon Zijner onderdanen; een recht op al wat zij zijn en op alles wat zij hebben. Maar vanwaar heeft Hij dit recht verkregen? „Totdat Hij komt, Die daartoe recht heeft.” Het is dan Zijn recht, eerst door schenking en gift; de Vader heeft aan de Zoon al de uitverkorenen gegeven. „Zie hier Ik, en de kinderen, die Gij Mij gegeven hebt.” „Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Dus voor zover wij Zijne zijn, heeft Jezus een recht op onze personen; en in dit recht op onze personen heeft Hij door dezelfde oorspronkelijke schenking van God de Vader een recht op onze harten en genegenheden.
Maar Hij heeft een ander recht, en dat is door koping en verlossing. Hij heeft Zijn volk verlost door Zijn eigen bloed. Hij heeft Zijn leven voor hen afgelegd en hen dus gekocht, en alzo een recht op hen gevestigd door de volle en volkomen prijs die Hij Zelf voor hen heeft opgebracht aan het kruis. Dit tweevoudige recht oefent Hij telkens wanneer Hij een plechtige vordering doet op eenieder van Zijn volk, die Hij gekocht heeft. En deze vordering doet Hij wanneer de gezegende Geest in de ziel komt om haar te arresteren en te grijpen als een vat der barmhartigheid en haar brengt aan Zijn voeten, opdat Hij als Koning en Heere in haar genegenheden gekroond worde.
Want men dient in acht te nemen dat het bezit van het hart, met al deszelfs genegenheden, Zijn recht is, en dat Hij Zijn eer aan geen ander geven zal. Hij wil Zijn eigendom niet in andere handen zien; het is Hem niet genoeg dat Hij alleen een recht heeft op de personen van Zijn beminde volk: Hij moet hun harten hebben. En in het oefenen van Zijn recht op hun genegenheden beoogt Hij als de Allerhoogste te regeren, duldt Hij geen mededinger en staat Hij geen medewerking toe, in welke vorm dan ook, maar wil Hij als Koning en Heere daar erkend worden.
Maar waar is de ziel vóór Hij inkomt met kracht, in liefelijkheid, in schoonheid, in dierbaarheid? Wat en waar is zij? Een ruïne! En niemand kende ooit veel van de dierbaarheid van Christus, wiens ziel in de gewaarwording niet een puinhoop was en bij wie het eigen ik niet omvergestoten is geworden. Neen, niemand kan ooit vurig verlangen dat de Heere van leven en heerlijkheid zijn hart met Zijn zaligheid zal bezoeken, zal inkomen met de kracht Zijner opstanding, in de heerlijkheid van Zijn gerechtigheid, in de dierbaarheid van Zijn tegenwoordigheid; niemand kan geestelijk verlangen, zuchten, roepen, smeken, bidden en vragen om de openbaring van Christus aan zijn ziel, die niet een ellendige puinhoop voor God geworden is, en in wie niet het eigen ik in zoverre ten onder gegaan is dat het één grote puinhoop voor God geworden is, of zover is afgebroken dat de macht des mensen niet één steen op zijn plaats kan zetten om het vorige gebouw weer te kunnen oprichten.
Aan de lezer…
Ziet u in uw ziel niets anders dan een ruïne? Is uw eigen ik zo omvergestoten dat u geen steen meer op zijn plaats kunt zetten om het oude gebouw weer op te richten? Dat is bitter, en het voelt als verlies. Maar juist zulk een puinhoop is de plaats waar de Koning wil inkomen, met de kracht Zijner opstanding en de dierbaarheid van Zijn tegenwoordigheid.
Hij heeft recht op u: de Vader heeft u Hem gegeven, en Hij heeft u gekocht met Zijn eigen bloed. Hij is niet tevreden met uw persoon alleen; Hij wil uw hart, en Hij duldt daar geen mededinger. Laat dan uw zuchten en roepen om Zijn openbaring niet ophouden. Die het recht heeft, zal komen, en Hij zal als Koning en Heere in uw genegenheden gekroond worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja zij zal niet zijn, totdat Hij kome, Die daartoe recht heeft, en Die Ik dat geven zal.
Ezechiël 21:27
Er moet dus Iemand komen Die daartoe recht heeft. Er is een Koning Die recht heeft op de troon en op de troon van Zijn onderdanen; recht op alles wat zij zijn en op alles wat zij hebben. Maar waar heeft Hij dit recht vandaan? „Totdat Hij komt, Die daartoe recht heeft.” Het is dus Zijn recht, ten eerste door schenking en gave: de Vader heeft alle uitverkorenen aan de Zoon gegeven. „Zie hier Ik, en de kinderen, die Gij Mij gegeven hebt.” „Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Voor zover wij de Zijnen zijn, heeft Jezus dus recht op onze personen; en met dit recht op onze personen heeft Hij, door dezelfde oorspronkelijke schenking van God de Vader, ook recht op ons hart en onze genegenheden.
Maar Hij heeft nog een ander recht, en dat is door koop en verlossing. Hij heeft Zijn volk verlost door Zijn eigen bloed. Hij heeft Zijn leven voor hen afgelegd en hen zo gekocht, en daarmee recht op hen verkregen door de volle en volkomen prijs die Hij Zelf aan het kruis voor hen heeft betaald. Dit tweevoudige recht oefent Hij uit telkens wanneer Hij plechtig aanspraak maakt op ieder van Zijn volk dat Hij gekocht heeft. En die aanspraak maakt Hij wanneer de gezegende Geest in de ziel komt om haar aan te houden en te grijpen als een vat van barmhartigheid, en haar aan Zijn voeten brengt, zodat Hij als Koning en Heere in haar genegenheden gekroond wordt.
Want men moet bedenken dat het bezit van het hart, met al zijn genegenheden, Zijn recht is, en dat Hij Zijn eer aan geen ander zal geven. Hij wil Zijn eigendom niet in andere handen zien. Het is Hem niet genoeg alleen recht te hebben op de personen van Zijn geliefde volk: Hij moet hun hart hebben. En wanneer Hij Zijn recht op hun genegenheden uitoefent, wil Hij daar als de Allerhoogste regeren. Hij duldt geen mededinger en staat geen medewerking toe, in welke vorm dan ook, maar wil daar als Koning en Heere erkend worden.
Maar waar is de ziel voordat Hij binnenkomt met kracht, in lieflijkheid, in schoonheid, in dierbaarheid? Wat en waar is zij? Een ruïne! En niemand heeft ooit veel geweten van de dierbaarheid van Christus wiens ziel naar zijn gevoel geen puinhoop was en bij wie het eigen ik niet was omvergeworpen. Nee, niemand kan ooit vurig verlangen dat de Heere van leven en heerlijkheid zijn hart zal bezoeken met Zijn zaligheid, zal binnenkomen met de kracht van Zijn opstanding, in de heerlijkheid van Zijn gerechtigheid, in de dierbaarheid van Zijn tegenwoordigheid. Niemand kan geestelijk verlangen, zuchten, roepen, smeken, bidden en vragen om de openbaring van Christus aan zijn ziel, die niet voor God een ellendige puinhoop geworden is, en in wie het eigen ik niet zo ten onder gegaan is dat het één grote puinhoop voor God geworden is, of zo ver is afgebroken dat geen mensenmacht ook maar één steen op zijn plaats kan zetten om het vroegere gebouw weer op te richten.
Aan de lezer…
Ziet u in uw ziel niets anders dan een ruïne? Is uw eigen ik zo omvergeworpen dat u geen steen meer op zijn plaats kunt zetten om het oude gebouw weer op te richten? Dat is bitter, en het voelt als verlies. Maar juist zo’n puinhoop is de plaats waar de Koning wil binnenkomen, met de kracht van Zijn opstanding en de dierbaarheid van Zijn tegenwoordigheid.
Hij heeft recht op u: de Vader heeft u aan Hem gegeven, en Hij heeft u gekocht met Zijn eigen bloed. Hij is niet tevreden met uw persoon alleen; Hij wil uw hart, en Hij duldt daar geen mededinger. Laat dan uw zuchten en roepen om Zijn openbaring niet ophouden. Hij Die het recht heeft, zal komen, en Hij zal als Koning en Heere in uw genegenheden gekroond worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“I will overturn, overturn, overturn, it: and it shall be no more, until he come whose right it is; and I will give it him.”
Ezekiel 21:27
There is one then to come, “whose right it is;” there is a King Who has a right to the throne, and to the allegiance of His subjects; a right to all that they are and to all that they have. But whence has He gained this right? “Until He comes whose right it is.” It is His right then, first, by original donation and gift, the Father having given to the Son all the elect. “Here am I,” says Jesus, “and the children that You have given Me.” “All that the Father gives Me shall come to Me.” Then, so far as we are His, Jesus has a right to our persons; and in having a right to our persons, He has, by the same original donation of God the Father, a right to our hearts and affections.
But He has another right, and that is by purchase and redemption, He having redeemed His people with His own blood, having laid down His life for them, and thus bought and purchased them, and so established a right to them by the full and complete price which He Himself paid down upon the cross for them. This twofold right He exercises every time that He lays a solemn claim to any one of the people whom He has purchased. And this claim He lays when the blessed Spirit comes into the soul to arrest and apprehend a vessel of mercy, and bring it to His feet, that He may be enthroned as King and Lord in its affections.
For be it remembered, that the possession of the heart with all its affections is His right; and “His glory He will not give to another;” His property He will not allow to pass into other hands; He is not satisfied with merely having a right to the persons of His dear people, He must have their hearts; and in exercising His right to their affections, He will reign and rule supreme, allowing no rival, admitting no co-operation with SELF in any shape or form, but He Himself to be established as King and Lord there.
Then where is the soul before He comes into it in power, in sweetness, in beauty, in preciousness? What and where is it? A heap of ruins. And no man ever knew much of the preciousness of Christ, whose soul was not a heap of ruins, and in whom self had not been overturned and cast to the ground. No; no man ever ardently panted that the Lord of life and glory should visit his heart with His salvation, should come in the power of His resurrection, in the glory of His righteousness, in the preciousness of His presence; no man ever spiritually desired, sighed, cried, groaned, sued, and begged for the manifestation of Christ to his soul, who was not a ruined wretch before God, and in whom self had not been overturned so as to be a desolate heap, so overthrown that all the power of man could not put any one stone in its place, or rebuild the former edifice.
To the reader…
Do you see nothing in your soul but a ruin? Has your own self been so overturned that you cannot put a single stone back in its place to raise the old building again? That is bitter, and it feels like loss. But just such a heap of ruins is the place where the King wants to come in, with the power of His resurrection and the preciousness of His presence.
He has a right to you: the Father has given you to Him, and He has bought you with His own blood. He is not satisfied with your person alone; He wants your heart, and He tolerates no rival there. So do not let your sighs and cries for His manifestation cease. He Whose right it is will come, and He will be crowned as King and Lord in your affections.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Del revés, del revés, del revés la tornaré; y no será esta más, hasta que venga Aquel cuyo es el derecho, y yo se lo entregaré.”
Ezequiel 21:27
Hay, pues, Uno que ha de venir, “cuyo es el derecho”; hay un Rey que tiene derecho al trono y a la lealtad de Sus súbditos; derecho a todo lo que ellos son y a todo lo que tienen. ¿Pero de dónde le viene este derecho? “Hasta que venga Aquel cuyo es el derecho.” Es Su derecho, pues, en primer lugar, por donación y dádiva original, habiendo dado el Padre al Hijo a todos los escogidos. “He aquí yo”, dice Jesús, “y los hijos que me dio Dios.” “Todo lo que el Padre me da, vendrá a Mí.” Así pues, en cuanto somos Suyos, Jesús tiene derecho a nuestras personas; y al tener derecho a nuestras personas, tiene, por la misma donación original de Dios Padre, derecho a nuestros corazones y afectos.
Pero tiene otro derecho, y es por compra y redención, habiendo redimido a Su pueblo con Su propia sangre, habiendo puesto Su vida por ellos, y así comprándolos y adquiriéndolos, y estableciendo de este modo un derecho sobre ellos por el precio pleno y completo que Él mismo pagó por ellos en la cruz. Este doble derecho lo ejerce cada vez que hace valer solemnemente Su reclamo sobre alguno del pueblo que ha comprado. Y este reclamo lo hace valer cuando el bendito Espíritu entra en el alma para detener y prender a un vaso de misericordia, y traerlo a Sus pies, para que Él sea entronizado como Rey y Señor en sus afectos.
Porque recuérdese que la posesión del corazón con todos sus afectos es derecho Suyo; y “a otro no dará Su gloria”; no permitirá que Su propiedad pase a otras manos; no se contenta con tener meramente derecho a las personas de Su amado pueblo: tiene que tener sus corazones; y al ejercer Su derecho sobre sus afectos, reinará y gobernará supremo, sin permitir rival alguno, sin admitir cooperación alguna con el YO en ninguna forma o manera, sino que Él mismo ha de ser establecido allí como Rey y Señor.
¿Dónde está, pues, el alma antes de que Él entre en ella con poder, con dulzura, con hermosura, con preciosidad? ¿Qué es y dónde está? Un montón de ruinas. Y ningún hombre conoció jamás mucho de la preciosidad de Cristo cuya alma no fuera un montón de ruinas, y en quien el yo no hubiera sido trastornado y echado por tierra. No; ningún hombre anheló jamás ardientemente que el Señor de vida y de gloria visitara su corazón con Su salvación, que viniera en el poder de Su resurrección, en la gloria de Su justicia, en la preciosidad de Su presencia; ningún hombre deseó, suspiró, clamó, gimió, suplicó y rogó jamás espiritualmente por la manifestación de Cristo a su alma, que no fuera un miserable arruinado delante de Dios, y en quien el yo no hubiera sido trastornado hasta quedar hecho un montón desolado, tan derribado que todo el poder del hombre no podría poner ni una sola piedra en su lugar ni reedificar el antiguo edificio.
Al lector…
¿No ve usted en su alma nada más que una ruina? ¿Ha sido su propio yo tan trastornado que no puede volver a poner ni una sola piedra en su lugar para levantar de nuevo el antiguo edificio? Eso es amargo, y se siente como una pérdida. Pero precisamente un montón de ruinas así es el lugar donde el Rey quiere entrar, con el poder de Su resurrección y la preciosidad de Su presencia.
Él tiene derecho a usted: el Padre le ha dado a usted a Él, y Él le ha comprado con Su propia sangre. No se contenta solo con su persona; quiere su corazón, y allí no tolera rival. No deje, pues, que cesen sus suspiros y clamores por Su manifestación. Aquel cuyo es el derecho vendrá, y será coronado como Rey y Señor en sus afectos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl