3 december
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.
1 Johannes 1:9
„Hij is getrouw en rechtvaardig.” O, wat een woord is dit! Er is naar mijn gedachte nauwelijks een tweede woord in de Bijbel als dit, zo groot, zo heerlijk, zo vertroostend. „Hij is getrouw en rechtvaardig.” Rechtvaardig, zegt gij? Wel, ik weet dat Gods barmhartigheid en Gods genade de zondaren kan vergeven; maar hoe kan God rechtvaardig zijn en de overtredingen vergeven? Eist Gods rechtvaardigheid niet de straf der zonden?
Gaan niet vanwege Zijn gerechtigheid Gods eeuwige bliksemstralen uit tegen de ziel die Zijn heilige wet overtreedt? Hoe kan het waar zijn, dat God rechtvaardig kan zijn en toch de zondaar kan vergeven die zijn zonden belijdt? Maar het is waar, goddelijk, heilig en eeuwig waar. En daarin ligt die grote verborgenheid der verlossing door het bloed en de gehoorzaamheid van Gods Zoon opgesloten. Het ligt opgesloten in dit ene woord: „rechtvaardig.”
„Maar hoe?” kan er gevraagd worden. Op deze wijze. De Heere des levens werd een Borg en Plaatsvervanger voor degenen die de Vader Hem gegeven had. Hij kwam voor hen in hun plaats. Hij onderging de straf die zij schuldig waren. Voor hen vervulde Hij de gehele wet door Zijn doen en lijden. Voor hen bloedde Hij, voor hen stierf Hij. Voor hen herrees Hij uit de dood, en voor hen voer Hij op aan ’s Vaders rechterhand.
En nu eist de gerechtigheid des zondaars vergiffenis en treedt op met haar rechtvaardige verdediging. En zie nu het verschil. De barmhartigheid verzoekt, de rechtvaardigheid eist. De barmhartigheid zegt: Ik vraag het als een gunstbewijs. De barmhartigheid, als een der eigenschappen van God, blikt met medelijden op de treurende misdadiger. Maar de gerechtigheid zegt: Het is zijn recht; het behoort hem toe; het is het zijne, omdat de Verlosser zijn schuld heeft voldaan, omdat de Borg in zijn plaats gestaan heeft, omdat de Zaligmaker de wet voor hem heeft gehoorzaamd, die hij in eigen persoon niet kon gehoorzamen.
Zodat, wanneer wij deze gezegende en dierbare waarheid kunnen overnemen, dat God aan hen die hun zonden belijden getrouw is, en niet alleen getrouw, maar ook rechtvaardig om hun hun zonden te vergeven, hoe zien wij dan uit de boezem van Jehova een volle, vrije, onherroepelijke vergiffenis uitgaan van alle overtredingen, en inzonderheid van die overtredingen die de zondaar aan Zijn voeten belijdt!
Aan de lezer…
U die uw zonden niet meer durft te belijden, omdat u meent dat de rechtvaardigheid van God tegen u moet getuigen, ziet misschien in uw geweten de bliksemstralen van Zijn heilige wet en houdt alleen nog een zwakke hoop op Zijn barmhartigheid over. Kom dan met al uw schuld aan Zijn voeten. U behoeft niet alleen te pleiten op medelijden; er is een Borg Die in de plaats van de schuldige stond, de straf onderging en de wet volkomen vervulde.
Daarom is God niet alleen getrouw, maar ook rechtvaardig om de belijdende zondaar te vergeven. De barmhartigheid verzoekt, maar de gerechtigheid eist, omdat de schuld betaald is. Wat een vaste grond voor een bevende ziel! Belijd dan, niets verbergend, en zie uit de boezem van Jehova een volle, vrije en onherroepelijke vergiffenis tot u uitgaan, juist over die zonden die u aan Zijn voeten neerlegt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.
1 Johannes 1:9
„Hij is getrouw en rechtvaardig.” O, wat een woord is dit! Naar mijn gedachte is er in de Bijbel nauwelijks een tweede woord als dit, zo groot, zo heerlijk, zo vertroostend. „Hij is getrouw en rechtvaardig.” Rechtvaardig, zegt u? Wel, ik weet dat Gods barmhartigheid en Gods genade zondaren kunnen vergeven; maar hoe kan God rechtvaardig zijn en toch de overtredingen vergeven? Eist Gods rechtvaardigheid niet de straf op de zonden?
Gaan Gods eeuwige bliksemstralen niet juist vanwege Zijn gerechtigheid uit tegen de ziel die Zijn heilige wet overtreedt? Hoe kan het waar zijn dat God rechtvaardig kan zijn en toch de zondaar kan vergeven die zijn zonden belijdt? Maar het is waar, goddelijk, heilig en eeuwig waar. En daarin ligt de grote verborgenheid van de verlossing door het bloed en de gehoorzaamheid van Gods Zoon besloten. Het ligt besloten in dit ene woord: „rechtvaardig.”
„Maar hoe dan?” kan iemand vragen. Zo: de Heere van het leven werd Borg en Plaatsvervanger voor hen die de Vader Hem gegeven had. Hij kwam in hun plaats. Hij onderging de straf die zij verschuldigd waren. Voor hen vervulde Hij de hele wet door Zijn doen en lijden. Voor hen bloedde Hij, voor hen stierf Hij. Voor hen stond Hij op uit de dood, en voor hen voer Hij op naar de rechterhand van de Vader.
En nu eist de gerechtigheid vergeving voor de zondaar en treedt zij op met haar rechtvaardige verdediging. Zie nu het verschil. De barmhartigheid verzoekt, de rechtvaardigheid eist. De barmhartigheid zegt: Ik vraag het als een gunst. De barmhartigheid, als een van de eigenschappen van God, ziet met medelijden neer op de treurende misdadiger. Maar de gerechtigheid zegt: Het is zijn recht; het komt hem toe; het is van hem, omdat de Verlosser zijn schuld heeft voldaan, omdat de Borg in zijn plaats heeft gestaan, omdat de Zaligmaker voor hem de wet heeft gehoorzaamd die hij zelf niet kon gehoorzamen.
Wanneer wij deze gezegende en dierbare waarheid dan kunnen aannemen, dat God getrouw is voor hen die hun zonden belijden, en niet alleen getrouw maar ook rechtvaardig om hun hun zonden te vergeven, hoe zien wij dan uit de boezem van Jehova een volle, vrije en onherroepelijke vergeving uitgaan van alle overtredingen, en vooral van de overtredingen die de zondaar aan Zijn voeten belijdt!
Aan de lezer…
U die uw zonden niet meer durft te belijden, omdat u meent dat de rechtvaardigheid van God tegen u moet getuigen, ziet misschien in uw geweten de bliksemstralen van Zijn heilige wet en houdt alleen nog een zwakke hoop op Zijn barmhartigheid over. Kom dan met al uw schuld aan Zijn voeten. U hoeft niet alleen een beroep te doen op Zijn medelijden; er is een Borg Die in de plaats van de schuldige stond, de straf onderging en de wet volkomen vervulde.
Daarom is God niet alleen getrouw, maar ook rechtvaardig om de zondaar die belijdt te vergeven. De barmhartigheid verzoekt, maar de gerechtigheid eist, omdat de schuld betaald is. Wat een vaste grond voor een bevende ziel! Belijd dan, zonder iets te verbergen, en zie uit de boezem van Jehova een volle, vrije en onherroepelijke vergeving naar u toe komen, juist over de zonden die u aan Zijn voeten neerlegt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“If we confess our sins, he is faithful and just to forgive us our sins, and to cleanse us from all unrighteousness.”
1 John 1:9
“He is faithful and JUST.” Oh, what a word is that! There is scarcely to my mind such a word in the Bible as that; so great, so glorious, so comforting—“He is faithful and just.” “Just?” say you, “why I know that God’s mercy and God’s grace can pardon sinners; but how can God be just, and pardon transgressors? Does not God’s justice demand the punishment of sin? Does not God’s justice blaze forth in eternal lightnings against the soul that transgresses His holy law? How, then, can it be true, that God can be just, and yet forgive a confessing sinner?”
But it is true, divinely true, blessedly, eternally true. And in it is locked up that grand mystery of redemption by the blood and obedience of God’s co-equal Son. It is locked up in this one word—“just.” “But how?” it may be asked. In this way. The Lord of life and glory became a security and substitute for those whom His Father gave to Him. He entered into their place and stead. He endured the punishment that was due to them. For them He fulfilled the whole law by His doings and by His sufferings. For them He bled, and for them He died. For them He rose again, and for them ascended up to the right hand of the Father.
And now justice demands the sinner’s pardon, and puts in its righteous plea. And see the difference. Mercy begs, justice demands—mercy says, “I ask it as a boon;” mercy, as a part of God’s character, looks down with pity and compassion on the mourning criminal; but justice says, “It is his due; it is his right; it belongs to him; it is his because the Redeemer has discharged his debt, because the Surety has stood in his place, because the Savior has obeyed that law for him which he could not obey in his own person.”
So that when we can receive this blessed and glorious truth, that to those who confess their sins, “God is faithful,” and not merely “faithful,” but also “just to forgive them their sins,” how it draws out of the bosom of Jehovah a full, free, and irrevocable pardon of all transgressions, and especially of those transgressions that the sinner confesses at His footstool!
To the reader…
You who no longer dare to confess your sins, because you think the justice of God must testify against you, perhaps see in your conscience the lightnings of His holy law and have only a faint hope in His mercy left. Then come with all your guilt to His feet. You do not need to appeal only to His pity; there is a Surety Who stood in the place of the guilty, bore the punishment and perfectly fulfilled the law.
That is why God is not only faithful, but also just to forgive the sinner who confesses. Mercy asks, but justice demands, because the debt has been paid. What firm ground for a trembling soul! Confess, then, without hiding anything, and see a full, free and irrevocable pardon come to you out of the bosom of Jehovah, for the very sins you lay down at His feet.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Si confesamos nuestros pecados, Él es fiel y justo para que nos perdone nuestros pecados, y nos limpie de toda maldad.”
1 Juan 1:9
“Él es fiel y JUSTO.” ¡Oh, qué palabra es esa! A mi parecer apenas hay en la Biblia una palabra como esa; tan grande, tan gloriosa, tan consoladora: “Él es fiel y justo.” “¿Justo?”, dice usted; “yo sé que la misericordia de Dios y la gracia de Dios pueden perdonar a los pecadores; pero ¿cómo puede Dios ser justo y perdonar a los transgresores? ¿No exige la justicia de Dios el castigo del pecado? ¿No resplandece la justicia de Dios en relámpagos eternos contra el alma que transgrede Su santa ley? ¿Cómo puede ser verdad, entonces, que Dios pueda ser justo y, sin embargo, perdonar a un pecador que confiesa?”
Pero es verdad, divinamente verdad, bendita y eternamente verdad. Y en ello está encerrado aquel gran misterio de la redención por la sangre y la obediencia del Hijo de Dios, igual a Él. Está encerrado en esta sola palabra: “justo”. “¿Pero cómo?”, se puede preguntar. De esta manera. El Señor de vida y de gloria se hizo fiador y sustituto de aquellos que Su Padre le dio. Entró en su lugar y en su puesto. Soportó el castigo que les era debido. Por ellos cumplió toda la ley con Sus obras y con Sus sufrimientos. Por ellos sangró, y por ellos murió. Por ellos resucitó, y por ellos subió a la diestra del Padre.
Y ahora la justicia exige el perdón del pecador, y presenta su justo alegato. Y vea la diferencia. La misericordia ruega, la justicia exige; la misericordia dice: “Lo pido como un favor”; la misericordia, como parte del carácter de Dios, mira con piedad y compasión al criminal que se lamenta; pero la justicia dice: “Le es debido; es su derecho; le pertenece; es suyo porque el Redentor ha saldado su deuda, porque el Fiador ha estado en su lugar, porque el Salvador ha obedecido por él aquella ley que él no podía obedecer en su propia persona.”
De modo que, cuando podemos recibir esta bendita y gloriosa verdad, de que para con los que confiesan sus pecados “Dios es fiel”, y no meramente “fiel”, sino también “justo para que les perdone sus pecados”, ¡cómo extrae del seno de Jehová un perdón pleno, gratuito e irrevocable de todas las transgresiones, y especialmente de aquellas transgresiones que el pecador confiesa al estrado de Sus pies!
Al lector…
Usted que ya no se atreve a confesar sus pecados, porque piensa que la justicia de Dios tiene que testificar contra usted, quizá ve en su conciencia los relámpagos de Su santa ley y solo le queda una débil esperanza en Su misericordia. Venga entonces con toda su culpa a Sus pies. No necesita apelar solo a Su compasión; hay un Fiador que se puso en el lugar de los culpables, llevó el castigo y cumplió perfectamente la ley.
Por eso Dios no solo es fiel, sino también justo para perdonar al pecador que confiesa. La misericordia pide, pero la justicia exige, porque la deuda ha sido pagada. ¡Qué terreno firme para un alma temblorosa! Confiese, pues, sin ocultar nada, y vea venir a usted del seno de Jehová un perdón pleno, gratuito e irrevocable, precisamente por los pecados que usted deposita a Sus pies.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl