3 september
Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des Heeren vernederd hebt, … zo heb Ik u ook verhoord.
2 Koningen 22:19
Die weekheid van het hart was een teken in Josia op hetwelk God, om zo te zeggen, Zijn vinger legde; het was een kennelijk teken ten goede, dat God uit alle andere uitkoos als een getuigenis te zijnen gunste. Het hart, door God met Zijn vinger aangeraakt, is week, daar die weekheid de vrucht is der aanraking van de hand des Heeren aan het geweten. Men moet het verschil tussen een natuurlijk geweten en een hart dat week is in de vreze Gods, daarin kennen, dat het natuurlijk geweten altijd achterdochtig en onzeker is; zoals de Heere zegt: „het zuigt de mug door en zwelgt een kemel in.”
Het geeft buitengewoon acht op zelfopgelegde strenge voorschriften en is zeer schroomvallig omtrent het verbreken van eigen regelen; en terwijl het een zonde zal begaan, welke een mens die de vreze des Heeren heeft, voor geen werelden zou willen bedrijven, zal het terugdeinzen voor onbelangrijke kleinigheden, waarvoor een opgeklaarde ziel niet de minste schroom zal hebben. Maar dit is een teken van een hart, week in de vreze Gods: het is in beweging als God de Heilige Geest erop werkt.
Het is gelijk het kompas van de zeeman, dat, eens door de magneetnaald aangeraakt, steeds naar het noorden draait; zij moge slingeren en achter- en voorwaarts trillen, maar toch zal zij naar de pool terugkeren, en eindelijk op het punt blijven staan waarvan zij tijdelijk verwijderd was. Zo mag het hart, wanneer het door de Heilige Geest is aangeraakt en in de vreze Gods week is geworden, voor enige tijd ter rechter- of ter linkerzijde afwijken, maar het beeft en dobbert tot het naar God wijst, als het enige en eeuwige middelpunt van zijn geluk en zaligheid.
Verlicht ons hart, dat duister is,
wil ons naar Uw getuigenis
doen vlieden alle kwade paân
en ijv’rig in Uw wegen gaan!
Morgenzang 5
Aan de lezer…
U die een hart hebt dat week geworden is in de vreze Gods, weet wat hier bedoeld wordt. Niet een geweten dat angstvallig let op zelfgemaakte regels en ondertussen de mug doorzuigt en de kemel inzwelgt, maar een hart dat de Heere met Zijn vinger heeft aangeraakt. U klaagt misschien dat het zo vaak ter rechter- of ter linkerzijde afwijkt, dat het slingert en trilt en geen rust vindt. Maar ziet: juist dat beven is een teken ten goede.
Een hart dat God heeft aangeraakt, kan niet blijvend rust vinden buiten Hem; het keert terug, zoals de naald naar de pool, tot het weer naar God wijst als het enige middelpunt van zijn geluk. Dat onrustige wenden naar Hem is niet uw werk, maar de vrucht van Zijn hand aan uw geweten. Vernedert u dan voor Zijn aangezicht, zoals Josia deed; Hij heeft gezegd dat Hij zulken verhoort.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des Heeren vernederd hebt, … zo heb Ik u ook verhoord.
2 Koningen 22:19
Die weekheid van het hart was een teken in Josia waarop God als het ware Zijn vinger legde. Het was een duidelijk teken ten goede, dat God uit alle andere uitkoos als een getuigenis in zijn voordeel. Het hart dat God met Zijn vinger heeft aangeraakt, is week, omdat die weekheid de vrucht is van de aanraking van het geweten door de hand van de Heere. Het verschil tussen een natuurlijk geweten en een hart dat week is in de vreze Gods, moet men hieraan herkennen: het natuurlijke geweten is altijd achterdochtig en onzeker. Zoals de Heere zegt: „het zuigt de mug door en zwelgt een kemel in.”
Het let buitengewoon nauw op zelfopgelegde strenge voorschriften en is zeer angstig om de eigen regels te overtreden. Het zal een zonde begaan die een mens met de vreze des Heeren voor geen wereld zou willen bedrijven, en tegelijk terugdeinzen voor onbelangrijke kleinigheden waarvoor een verlichte ziel niet de minste schroom zou hebben. Maar dit is een teken van een hart dat week is in de vreze Gods: het komt in beweging wanneer God de Heilige Geest erop werkt.
Het is als het kompas van de zeeman. Wanneer de naald eenmaal door de magneet is aangeraakt, draait zij steeds naar het noorden. Zij mag slingeren en heen en weer trillen, toch keert zij naar de pool terug en blijft zij ten slotte staan op het punt waarvan zij tijdelijk was afgeweken. Zo kan ook het hart, wanneer het door de Heilige Geest is aangeraakt en in de vreze Gods week is geworden, een tijdlang naar rechts of naar links afwijken. Maar het beeft en schommelt totdat het naar God wijst, het enige en eeuwige middelpunt van zijn geluk en zaligheid.
Verlicht ons hart, dat duister is,
wil ons naar Uw getuigenis
doen vlieden alle kwade paân
en ijv’rig in Uw wegen gaan!
Morgenzang 5
Aan de lezer…
U die een hart hebt dat week geworden is in de vreze Gods, weet wat hier bedoeld wordt. Niet een geweten dat angstvallig let op zelfgemaakte regels en ondertussen de mug doorzuigt en de kemel inzwelgt, maar een hart dat de Heere met Zijn vinger heeft aangeraakt. Misschien klaagt u dat het zo vaak naar rechts of naar links afwijkt, dat het slingert en trilt en geen rust vindt. Maar zie: juist dat beven is een teken ten goede.
Een hart dat God heeft aangeraakt, kan buiten Hem geen blijvende rust vinden. Het keert terug, zoals de naald naar de pool, totdat het weer naar God wijst als het enige middelpunt van zijn geluk. Dat onrustige zich wenden naar Hem is niet uw werk, maar de vrucht van Zijn hand aan uw geweten. Verneder u dan voor Zijn aangezicht, zoals Josia deed; Hij heeft gezegd dat Hij zulke mensen verhoort.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Because thine heart was tender, and thou hast humbled thyself before the LORD, when thou heardest what I spake against this place, and against the inhabitants thereof, that they should become a desolation and a curse, and hast rent thy clothes, and wept before Me; I also have heard thee, saith the LORD.
2 Kings 22:19
This tenderness of heart was a mark in Josiah, on which the Lord, so to speak, put His finger; it was a special token for good which God selected from all the rest, as a testimony in his favor. The heart is always tender which God has touched with His finger; this tenderness being the fruit of the impression of the Lord’s hand upon the conscience. You may know the difference between a natural conscience and a heart tender in God’s fear by this—that the natural conscience is always superstitious and uncertain; as the Lord says, it “strains out a gnat, and swallows a camel.” It is exceedingly observant of self-inflicted austerities, and very fearful of breaking through self-imposed rules; and while it will commit sin which a man who has the fear of God in his heart would not do for the world—it will stumble at mere unimportant trifles at which an enlightened soul would not feel the least scruple.
But here is the mark of a heart tender in God’s fear—it moves as God the Spirit works upon it. It is like the mariner’s compass, which having been once touched by the magnet, always turns toward the north; it may indeed oscillate and tremble backwards and forwards, but still it will return to the pole, and ultimately remain fixed at the point whence it was temporarily disturbed. So when the heart has been touched by the Spirit, and has been made tender in God’s fear, it may for a time waver to the right hand or to the left, but it is always trembling and fluctuating until it points towards God, as the only and eternal center of its happiness and holiness.
To the reader…
You whose heart has been made tender in the fear of God know what is meant here. Not a conscience that anxiously keeps self-made rules while it strains at a gnat and swallows a camel, but a heart the Lord has touched with His finger. Perhaps you complain that it so often turns aside to the right hand or to the left, that it wavers and trembles and finds no rest. But see: that very trembling is a token for good.
A heart that God has touched can find no lasting rest apart from Him. It returns, as the needle to the pole, until it points once more to God as the only centre of its happiness. That restless turning towards Him is not your own work, but the fruit of His hand upon your conscience. Humble yourself, then, before His face, as Josiah did; He has said that He hears such as these.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y tu corazón se enterneció, y te humillaste delante de Jehová, cuando oíste lo que yo he pronunciado contra este lugar y contra sus moradores, que vendrían á ser asolados y malditos, y rasgaste tus vestidos, y lloraste en mi presencia, también yo te he oído, dice Jehová.
2 Reyes 22:19
Esta ternura de corazón fue una marca en Josías sobre la cual el Señor, por así decirlo, puso Su dedo; fue una señal especial para bien que Dios escogió entre todas las demás como testimonio a su favor. El corazón que Dios ha tocado con Su dedo es siempre tierno; esta ternura es el fruto de la impresión de la mano del Señor sobre la conciencia. Puede usted conocer la diferencia entre una conciencia natural y un corazón tierno en el temor de Dios por esto: que la conciencia natural es siempre supersticiosa e incierta; como dice el Señor, “cuela el mosquito, y traga el camello.” Es sumamente observante de austeridades que ella misma se impone, y muy temerosa de quebrantar reglas que ella misma se ha puesto; y mientras comete pecados que un hombre que tiene el temor de Dios en su corazón no cometería por nada del mundo, tropieza en meras pequeñeces sin importancia ante las cuales un alma iluminada no sentiría el menor escrúpulo.
Pero he aquí la marca de un corazón tierno en el temor de Dios: se mueve según Dios el Espíritu obra sobre él. Es como la brújula del marinero, que, habiendo sido tocada una vez por el imán, se vuelve siempre hacia el norte; puede, en verdad, oscilar y temblar de un lado a otro, pero aun así volverá al polo, y al final quedará fija en el punto del cual fue momentáneamente apartada. Así, cuando el corazón ha sido tocado por el Espíritu y hecho tierno en el temor de Dios, puede por un tiempo vacilar a la derecha o a la izquierda, pero siempre está temblando y fluctuando hasta que apunta hacia Dios, como el único y eterno centro de su felicidad y santidad.
Al lector…
Usted, cuyo corazón ha sido hecho tierno en el temor de Dios, sabe lo que aquí se quiere decir. No una conciencia que guarda ansiosamente reglas inventadas por ella misma mientras cuela el mosquito y traga el camello, sino un corazón que el Señor ha tocado con Su dedo. Quizá se queja de que tan a menudo se desvía a la derecha o a la izquierda, de que vacila y tiembla y no halla reposo. Pero mire: precisamente ese temblor es una señal para bien.
Un corazón que Dios ha tocado no puede hallar reposo duradero fuera de Él. Vuelve, como la aguja al polo, hasta que apunta de nuevo hacia Dios como el único centro de su felicidad. Ese inquieto volverse hacia Él no es obra suya, sino fruto de Su mano sobre su conciencia. Humíllese, pues, delante de Su rostro, como lo hizo Josías; Él ha dicho que oye a los tales.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl