29 april
Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. Laat ons onze wegen onderzoeken, en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot de Heere.
Klaagliederen 3:39, 40
Ik houd mij vast overtuigd, dat er duizenden professoren zijn, die gedurende de gehele loop van hun godsdienstige arbeid niet geweten hebben, wat het is „hun wegen te hebben onderzocht”; in de weegschalen der Goddelijke rechtvaardigheid gewogen te zijn, of terneer geslagen en in hun eigen gevoel veroordeeld te hebben gestaan voor God als de hartdoorzoekende Jehovah. Voor zulk een beproevende smeltkroes, voor zulk een onfeilbare toetssteen zijn zij altijd teruggedeinsd. En waarom? Omdat zij inwendig bewust zijn, dat hun godsdienst geen gestreng en nauwkeurig onderzoek kan doorstaan.
Gelijk een bedriegelijk winkelier zijn klanten in een donkere hoek van zijn winkel lokt, om niet ontdekt te worden, als hij zijn voddige, opgemaakte goederen voor hen uitspreidt, zo ook schuwen zij het licht, die zich inwendig bewust zijn, dat hun godsdienst geen hemelse oorsprong heeft. Het is zoals de Heere zegt: „Een iegelijk, die het boze doet, haat het licht, noch komt tot het licht, opdat zijn daden niet zouden afgekeurd worden; maar hij, die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn daden openbaar mogen worden, dat zij door God zijn gewrocht.”
Zo gij er nu geen kennis aan hebt, dat uw wegen van tijd tot tijd worden onderzocht en doorzocht, of er komt bitterheid in u op onder een bevindelijke, hartonderzoekende prediking, die voor u dat doorzoeken wilde instellen, dan is er voorzeker een vuile plaats in u, iets dat gij niet aan het licht durft brengen. De kaars des Heeren heeft de schuilhoeken van uw hart niet doorzocht; ook hebt gij niet met David gebeden: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of er bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg.”
Wil toch Uw knecht, door schuld verslagen,
o Heer, niet voor Uw vierschaar dagen,
want niemand zal in dat gericht,
daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen,
rechtvaardig zijn voor Uw gezicht!
Ps. 143:2
Aan de lezer…
Wanneer uw wegen onderzocht worden, durft u dat dan aan? Het is een ernstige vraag, en zij is niet bedoeld om u te kwellen, maar om u eerlijk te maken. Er is een godsdienst die het licht schuwt, zoals de bedriegelijke winkelier zijn waren in een donkere hoek uitstalt. En wordt er iets bitters in u wakker wanneer het Woord uw hart doorzoekt, sta dan stil en vraag u af waarom.
Wie de waarheid doet, komt tot het licht. Dat betekent niet dat hij er zonder schuld voor staat; integendeel, hij leert zich te veroordelen voor de hartdoorzoekende God. Maar juist daar opent zich de weg terug: laat ons onze wegen onderzoeken en wederkeren tot de Heere. Vrees dan de kaars des Heeren niet, al ontdekt zij vuile plaatsen. Bid met David: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart.” Wie zo bidt, mag ook de rest van die bede uitspreken: leid mij op de eeuwige weg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. Laat ons onze wegen onderzoeken, en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot de Heere.
Klaagliederen 3:39, 40
Ik ben er vast van overtuigd dat er duizenden belijders zijn die gedurende de hele loop van hun godsdienstige leven niet geweten hebben wat het is om „hun wegen te onderzoeken”: gewogen te worden in de weegschaal van de Goddelijke rechtvaardigheid, of terneergeslagen en in hun eigen gevoel veroordeeld te staan voor God als de hartdoorzoekende Jehovah. Voor zo’n beproevende smeltkroes, voor zo’n onfeilbare toetssteen zijn zij altijd teruggedeinsd. En waarom? Omdat zij zich vanbinnen bewust zijn dat hun godsdienst geen streng en nauwkeurig onderzoek kan doorstaan.
Zoals een bedrieglijke winkelier zijn klanten naar een donkere hoek van zijn winkel lokt, om niet ontdekt te worden wanneer hij zijn waardeloze, opgepoetste waren voor hen uitstalt, zo schuwen ook zij het licht die zich vanbinnen bewust zijn dat hun godsdienst geen hemelse oorsprong heeft. Het is zoals de Heere zegt: „Een iegelijk, die het boze doet, haat het licht, noch komt tot het licht, opdat zijn daden niet zouden afgekeurd worden; maar hij, die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn daden openbaar mogen worden, dat zij door God zijn gewrocht.”
Als u er nu geen kennis aan hebt dat uw wegen van tijd tot tijd onderzocht en doorzocht worden, of als er bitterheid in u opkomt onder een bevindelijke, hartonderzoekende prediking die dat doorzoeken bij u zou willen teweegbrengen, dan is er zeker een vuile plek in u, iets wat u niet aan het licht durft te brengen. De kaars van de Heere heeft de schuilhoeken van uw hart niet doorzocht, en u hebt ook niet met David gebeden: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of er bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg.”
Wil toch Uw knecht, door schuld verslagen,
o Heer, niet voor Uw vierschaar dagen,
want niemand zal in dat gericht,
daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen,
rechtvaardig zijn voor Uw gezicht!
Ps. 143:2
Aan de lezer…
Wanneer uw wegen onderzocht worden, durft u dat dan aan? Het is een ernstige vraag, en zij is niet bedoeld om u te kwellen, maar om u eerlijk te maken. Er is een godsdienst die het licht schuwt, zoals de bedrieglijke winkelier zijn waren in een donkere hoek uitstalt. En wordt er iets bitters in u wakker wanneer het Woord uw hart doorzoekt, sta dan stil en vraag u af waarom.
Wie de waarheid doet, komt tot het licht. Dat betekent niet dat hij er zonder schuld staat; integendeel, hij leert zichzelf te veroordelen voor de hartdoorzoekende God. Maar juist daar opent zich de weg terug: laat ons onze wegen onderzoeken en wederkeren tot de Heere. Vrees dan de kaars van de Heere niet, ook al ontdekt zij vuile plekken. Bid met David: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart.” Wie zo bidt, mag ook de rest van die bede uitspreken: leid mij op de eeuwige weg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore doth a living man complain, a man for the punishment of his sins? Let us search and try our ways, and turn again to the LORD.
Lamentations 3:39-40
I believe in my conscience there are thousands of professors who have never known in the whole course of their religious profession what it is to have “examined and tested their ways;” to have been put into the balances and weighed in the scales of divine justice; or to have stood cast down and condemned in their own feelings before God as the heart-searching Jehovah. From such a trying test, from such an unerring touchstone they have ever shrunk. And why? Because they have an inward consciousness that their religion will not bear a strict and scrutinizing examination.
Like the deceitful tradesman, who allures his customers into a dark corner of his shop, in order to elude detection when he spreads his flimsy, made-up goods before them, so those who have an inward consciousness that their religion is not of heavenly origin, shun the light. As the Lord says, “Every one that does evil hates the light, neither comes to the light, lest his deeds should be reproved; but he that does truth comes to the light, that his deeds may be made manifest that they are wrought in God.”
Now if you know nothing of having from time to time your ways searched and tested by God’s Word, or if you rise up with bitterness against an experimental, heart-searching ministry that would test them for you, it shows that there is some rotten spot in you—something that you dare not bring to the light. The candle of the Lord has not searched the hidden secrets of your heart; nor have you cried with David, “Search me, O God, and know my heart; try me, and know my thoughts. And see if there be any wicked way in me, and lead me in the way everlasting.”
To the reader…
When your ways are searched, do you dare to face it? It is a serious question, and it is not meant to torment you, but to make you honest. There is a religion that shuns the light, as the deceitful tradesman spreads out his wares in a dark corner. And if something bitter wakes up in you when the Word searches your heart, then stop and ask yourself why.
He that doeth truth cometh to the light. That does not mean that he stands there without guilt; on the contrary, he learns to condemn himself before the heart-searching God. But it is precisely there that the way back opens: let us search and try our ways, and turn again to the LORD. So do not fear the candle of the Lord, even if it uncovers unclean spots. Pray with David, “Search me, O God, and know my heart.” Whoever prays like that may also speak the rest of that prayer: lead me in the way everlasting.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Por qué murmura el hombre viviente, el hombre en su pecado? Escudriñemos nuestros caminos, y busquemos, y volvámonos a Jehová.
Lamentaciones 3:39-40
Creo en mi conciencia que hay miles de profesantes que nunca han sabido, en todo el curso de su profesión religiosa, lo que es haber “escudriñado y buscado sus caminos”; haber sido puestos en la balanza y pesados en los platillos de la justicia divina; o haber estado abatidos y condenados en su propio sentir delante de Dios como el Jehová que escudriña los corazones. De una prueba tan severa, de una piedra de toque tan infalible, siempre han retrocedido. ¿Y por qué? Porque tienen una conciencia interior de que su religión no soportará un examen estricto y minucioso.
Como el comerciante engañoso que atrae a sus clientes a un rincón oscuro de su tienda para no ser descubierto cuando extiende ante ellos sus géneros endebles y de apariencia, así los que tienen una conciencia interior de que su religión no es de origen celestial huyen de la luz. Como dice el Señor: “Todo aquel que hace lo malo, aborrece la luz y no viene a la luz, porque sus obras no sean redargüidas. Mas el que obra verdad, viene a la luz, para que sus obras sean manifestadas que son hechas en Dios”.
Ahora bien, si usted no sabe nada de que sus caminos sean de tiempo en tiempo escudriñados y probados por la Palabra de Dios, o si se levanta con amargura contra un ministerio experimental que escudriña el corazón y que quisiera probarlos por usted, eso muestra que hay en usted algún punto podrido, algo que no se atreve a sacar a la luz. La candela del Señor no ha escudriñado los secretos escondidos de su corazón; ni ha clamado usted con David: “Examíname, oh Dios, y conoce mi corazón: pruébame y reconoce mis pensamientos: y ve si hay en mí camino de perversidad, y guíame en el camino eterno”.
Al lector…
Cuando sus caminos son escudriñados, ¿se atreve usted a afrontarlo? Es una pregunta seria, y no tiene el propósito de atormentarle, sino de hacerle sincero. Hay una religión que huye de la luz, como el comerciante engañoso extiende sus géneros en un rincón oscuro. Y si algo amargo despierta en usted cuando la Palabra escudriña su corazón, deténgase y pregúntese por qué.
El que obra verdad viene a la luz. Eso no significa que esté allí sin culpa; al contrario, aprende a condenarse a sí mismo delante del Dios que escudriña los corazones. Pero es precisamente allí donde se abre el camino de regreso: escudriñemos nuestros caminos, y busquemos, y volvámonos a Jehová. No tema, pues, la candela del Señor, aunque descubra manchas impuras. Ore con David: “Examíname, oh Dios, y conoce mi corazón”. Quien ora así puede también decir el resto de esa oración: guíame en el camino eterno.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl