Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 5 dagen geleden
Joseph Charles Philpot Bevindelijke geschriften & prediking

365 dagen met Philpot

28 september

Zie mij aan

Vandaag

3 min. lezen

Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132

Ik denk dat ik eerlijk kan zeggen dat deze woorden wel duizenden keren over mijn lippen zijn gekomen: „Zie mij aan.” Zelden kniel ik in gebed neer voor de Heere der heerscharen zonder te zeggen: „Zie mij aan.” Wat zeggen die woorden veel! Het is alsof de ziel wenste dat de Heere niet aan hem voorbij zou gaan, hem Zijn aandacht niet onwaardig zou achten en hem de toegang tot Zijn aanwezigheid niet zou ontzeggen, maar met medelijden, liefde en ontferming naar hem zou kijken. Maar dit verlangen, dat de Heere „hem aanziet”, ging samen met een duidelijk besef van zijn hulpeloosheid, zondigheid en onwaardigheid.

Het was alsof David, met nederigheid bekleed, aan de voetbank van de genade lag. Hij besefte zijn zonden, voelde de innerlijke verachtelijkheid van zijn hart en achtte zichzelf onwaardig de geringste glimlach van Gods aangezicht of het zachtste gefluister van Gods liefde te ontvangen. Maar toch moest hij wel zien dat de Heere een volk had dat Zijn Naam beminde; ja, hij voelde zelf iets van diezelfde liefde. Misschien genoot hij niet de volle verzekering ervan. Misschien was zijn hart diep bedroefd en gekweld. Angsten en twijfels gingen door hem heen, maar toch voelde hij midden in dit alles een tedere genegenheid uitgaan naar de Naam van de Heere, die zijn ziel dierbaar was. Hij voelde dat hij vrij toegang kon krijgen tot Zijn heilige aanwezigheid, en zijn hart was gesmolten van liefde en tederheid voor de Naam van God. „Uw Naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief” (Hoogl. 1:3).

Maar met deze verborgen en heilige liefde voor de Naam van de Heere was een diep besef van zijn eigen onwaardigheid vermengd. Die twee gevoelens gaan altijd samen. Ver van mijn hart, en ver van het uwe, u die Gods Naam vreest, is dat schaamteloze, aanmatigende vertrouwen dat Gods genade opeist. Het is niet vermengd met enige godsvrucht in het hart van een zondaar, en niet met het besef van onwaardigheid, zwakheid en verdorvenheid dat altijd in een wedergeboren hart leeft. Nee, u kunt ervan verzekerd zijn dat overal waar werkelijk liefde tot de Naam van Jezus is, daar altijd het diepste besef van onze eigen onwaardigheid mee vermengd is.

Lezen: Psalm 69:1-17

Aan de lezer…

Kent u dat? Die korte bede: „Zie mij aan.” Misschien komt zij vaak over uw lippen, terwijl u zich tegelijk zo onwaardig voelt dat u nauwelijks durft te hopen op de geringste glimlach van Gods aangezicht. U voelt de verachtelijkheid van uw hart, en angsten en twijfels gaan door u heen. Laat dat besef van onwaardigheid u niet doen denken dat u buiten Zijn volk staat.

Want vraag uzelf af: is Zijn Naam u dierbaar? Gaat er, midden in al uw zorgen, een tedere genegenheid uit naar de Naam van de Heere Jezus, als naar een olie die uitgestort wordt? Dan zijn die twee, de liefde tot Zijn Naam en het diepe besef van eigen onwaardigheid, niet met elkaar in strijd; zij gaan altijd samen in een wedergeboren hart. Te vrezen is het schaamteloze, aanmatigende vertrouwen, niet de arme, verootmoedigde ziel die aan de voetbank van de genade ligt en blijft roepen: „Zie mij aan.”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl