28 juni
En Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:2
Wat is verzoening? Onder verzoening verstaan wij een offerande die de Heere aangenaam is; door welke God, of liever de eigenschappen Gods, verzoend worden; waardoor God Zijn gunst kan uitlaten, waardoor barmhartigheid, genade en vergeving kunnen medegedeeld worden. Welnu, de zonde, en de wet die de zonde veroordeelt, sluiten de gunst van God uit. Zij werden een beletsel tegenover de liefde Gods. Want God, als God, kan de zonde noch de zondaar liefhebben. De zonde des mensen en de heilige wet van God, als het afschrift van Zijn oneindige en eeuwige heiligheid, stoten, om zo te spreken, de gunst van God af.
Het was dan noodzakelijk dat de sluitboom zou worden weggenomen, opdat een kanaal mocht geopend worden waardoor genade, gunst en barmhartigheid van God tot de zondaar konden afvloeien. In één woord: dat de zonde mocht worden uitgewist en dat de wet genoeg gedaan en vervuld zou worden in al haar strenge eisen, en God, rechtvaardig zijnde en behoudende elk van Zijn rechtvaardige eigenschappen, geen van Zijn heilige volmaaktheden zou behoeven op te offeren, en evenwel zijn en blijven de Rechtvaardige, volkomen Rechtvaardige, en niettemin de Rechtvaardiger van degenen die in Jezus geloven. Maar hoe moest dit tot stand gebracht worden? Geen serafijn noch engel kon daartoe een weg hebben uitgedacht. Het lag van eeuwigheid opgesloten in de boezem van de drieënige God; en dit was, dat de eniggeboren Zoon van God, Die van alle eeuwigheid in de schoot des Vaders was, het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, een bloedend Lam worden zou: het Lam, geslacht van vóór de grondlegging der wereld. Dat Hij in vereniging met Zijn Goddelijk Persoon de menselijke natuur aannemen zou, het vlees en bloed der kinderen, zuiver, onbesmet en heilig; en die natuur, het lichaam hetwelk God voor Hem bereid had, tot een heilige offerande zou opofferen.
Toen Hij in de wereld kwam, begon Zijn opoffering reeds, en elke heilige gedachte, elk heilig woord en elke heilige handeling in het lijden en uitvoeren, die Zijn ziel doorkruiste, van Zijn lippen droop of verricht werd door de handen van de eniggeboren Zoon van God, was een deel van die offerande. Doch de grote voltooiing daarvan (inzonderheid de opoffering van het lichaam) was toen Hij aan het vervloekte hout genageld was en Zijn bloed vergoten werd tot wegneming van de zonde. Nu, dit is de verzoening, de verlossing, de offerande, de weg, de enige weg waardoor de zonde is verzoend, de weg, de enige weg waardoor de zonde vergeven is. Maar zal de gezegende offerande en verzoening tot ons overgaan, zodat haar waarde, haar kracht, werking en zegen in onze consciëntie mogen worden waargenomen, dan moet het in onze ziel gewerkt worden om het te kunnen omhelzen.
De enige zaligheid voor onze zielen is de verzoening, door Jezus teweeggebracht aan het kruis. Er is geen andere offerande voor de zonde buiten deze. Maar hoe kan deze in onze harten overgebracht worden? Hoe wordt de kracht van deze verzoenende offerande persoonlijk de onze? Het is door het geloof. Verklaart niet de Heilige Geest dit door de mond van de apostel? Hij zegt: „Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed.” Nu, dit is het keerpunt in de zaligheid der ziel. Dit is de voorname, beslissende zaak in des mensen consciëntie voor God.
Dit is de kaap die moet worden omgevaren door een ieder die zich begeeft op de zee der verlossing. Alvorens hij deze kaap kan omzeilen, wordt hij door stormen teruggedreven en door winden geschud; ook vreest hij menigmaal dat hij door de baren zal verslonden worden. Doch wanneer hij door het levend geloof in staat wordt gesteld deze kaap te omzeilen en te zien op de verzoening door het bloed des Lams, en gewaar te worden dat hart en ziel ernaar uitgaan en erop leunen, en hij een zekere, zoete rust en vrede geniet in het bloed der offerande, geofferd op Calvarië’s kruin, dan heeft hij „Kaap de Goede Hoop” omzeild en is hij vanuit de Atlantische Oceaan in de Stille Zuidzee gekomen, en begint hij in zijn consciëntie de gunst en genade van de Heere, de almachtige God, te smaken.
Aan de lezer…
Misschien bent u nog op zee, door stormen teruggedreven en door winden geschud, en vreest u menigmaal dat de baren u zullen verslinden. Ligt de zonde, en de wet die haar veroordeelt, als een sluitboom tussen u en de gunst van God? U behoeft dat niet te verbloemen. Geen engel kon een weg vinden, en u kunt die ook niet vinden; maar God heeft hem gevonden in Zijn eniggeboren Zoon, het Lam dat aan het vervloekte hout Zijn bloed vergoot.
Daar is de enige weg waardoor de zonde vergeven wordt. Zie dan op dat bloed, ook al is uw geloof zwak; vraag de Heere of Hij uw hart erop wil doen leunen. Wanneer Hij u dat geeft, zult u de kaap omzeilen en in stiller water komen, en de zoete rust smaken die in het bloed der offerande ligt. Hij is een verzoening voor onze zonden; laat die waarheid het anker van uw hoop zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:2
Wat is verzoening? Onder verzoening verstaan wij een offerande die de Heere aangenaam is; een offerande waardoor God, of liever de eigenschappen van God, verzoend worden; waardoor God Zijn gunst kan bewijzen, en waardoor barmhartigheid, genade en vergeving kunnen worden meegedeeld. Welnu, de zonde, en de wet die de zonde veroordeelt, sluiten de gunst van God uit. Zij werden een belemmering voor de liefde van God. Want God kan, als God, de zonde en de zondaar niet liefhebben. De zonde van de mens en de heilige wet van God, als het afschrift van Zijn oneindige en eeuwige heiligheid, stoten om zo te zeggen de gunst van God af.
Het was dus noodzakelijk dat de slagboom werd weggenomen, zodat er een kanaal geopend kon worden waardoor genade, gunst en barmhartigheid van God naar de zondaar konden toestromen. In één woord: de zonde moest worden uitgewist en de wet moest worden voldaan en vervuld in al haar strenge eisen. En God, Die rechtvaardig is en al Zijn rechtvaardige eigenschappen handhaaft, zou geen van Zijn heilige volmaaktheden hoeven op te offeren, en toch de Rechtvaardige zijn en blijven, de volkomen Rechtvaardige, en tegelijk de Rechtvaardigmaker van hen die in Jezus geloven. Maar hoe moest dat tot stand komen? Geen serafijn of engel had daar een weg voor kunnen bedenken. Het lag van eeuwigheid besloten in de boezem van de drie-enige God. En het was dit: dat de eniggeboren Zoon van God, Die van alle eeuwigheid in de schoot van de Vader was, het afschijnsel van Zijn heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid, een bloedend Lam zou worden: het Lam, geslacht van vóór de grondlegging der wereld. Hij zou in vereniging met Zijn Goddelijke Persoon de menselijke natuur aannemen, het vlees en bloed van de kinderen, zuiver, onbesmet en heilig, en die natuur, het lichaam dat God voor Hem bereid had, als een heilige offerande opofferen.
Toen Hij in de wereld kwam, begon Zijn offer al. Elke heilige gedachte, elk heilig woord en elke heilige daad in lijden en doen, die door de ziel van de eniggeboren Zoon van God ging, van Zijn lippen vloeide of door Zijn handen verricht werd, was een deel van die offerande. Maar de grote voltooiing ervan (vooral het offer van het lichaam) vond plaats toen Hij aan het vervloekte hout genageld was en Zijn bloed vergoten werd om de zonde weg te nemen. Dit nu is de verzoening, de verlossing, de offerande, de weg, de enige weg waardoor de zonde verzoend is, de weg, de enige weg waardoor de zonde vergeven is. Maar zal deze gezegende offerande en verzoening op ons overgaan, zodat haar waarde, haar kracht, werking en zegen in ons geweten worden ervaren, dan moet er in onze ziel gewerkt worden om haar te kunnen omhelzen.
De enige zaligheid voor onze ziel is de verzoening die Jezus aan het kruis tot stand bracht. Er is geen ander offer voor de zonde dan dit. Maar hoe kan dit in ons hart worden overgebracht? Hoe wordt de kracht van deze verzoenende offerande persoonlijk de onze? Door het geloof. Verklaart de Heilige Geest dat niet door de mond van de apostel? Hij zegt: „Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed.” Dit is het keerpunt in de zaligheid van de ziel. Dit is de voornaamste, beslissende zaak in het geweten van de mens voor God.
Dit is de kaap die ieder moet omvaren die zich op de zee van de verlossing begeeft. Voordat hij deze kaap kan ronden, wordt hij door stormen teruggedreven en door winden heen en weer geslingerd, en vaak vreest hij dat de golven hem zullen verslinden. Maar wanneer hij door het levend geloof in staat wordt gesteld deze kaap te ronden en te zien op de verzoening door het bloed van het Lam; wanneer hij merkt dat zijn hart en ziel ernaar uitgaan en erop leunen, en hij een zekere, zoete rust en vrede geniet in het bloed van de offerande die op de top van Golgotha geofferd is, dan heeft hij „Kaap de Goede Hoop” gerond. Dan is hij vanuit de Atlantische Oceaan in de Stille Zuidzee gekomen, en begint hij in zijn geweten de gunst en genade van de Heere, de almachtige God, te smaken.
Aan de lezer…
Misschien bent u nog op zee, door stormen teruggedreven en door winden heen en weer geslingerd, en vreest u vaak dat de golven u zullen verslinden. Ligt de zonde, en de wet die haar veroordeelt, als een slagboom tussen u en de gunst van God? U hoeft dat niet te verbloemen. Geen engel kon een weg vinden, en u kunt die ook niet vinden; maar God heeft hem gevonden in Zijn eniggeboren Zoon, het Lam dat aan het vervloekte hout Zijn bloed vergoot.
Daar ligt de enige weg waardoor de zonde vergeven wordt. Zie dan op dat bloed, ook al is uw geloof zwak, en vraag de Heere of Hij uw hart erop wil laten leunen. Wanneer Hij u dat geeft, zult u de kaap ronden en in stiller water komen, en de zoete rust smaken die in het bloed van de offerande ligt. Hij is een verzoening voor onze zonden; laat die waarheid het anker van uw hoop zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And He is the propitiation for our sins.
1 John 2:2
What is “propitiation?” By propitiation we are to understand, an atoning sacrifice acceptable to Jehovah; by which God, or rather the attributes of God are satisfied; whereby God can be favorable; whereby mercy, grace, and pardon can freely flow forth. Now sin, and the law condemning sin, barred out, barred back, the favor of God. They were the opposing obstacle to the love of God. For God cannot, as God, love sin and sinners; therefore, the sin of man, and the holy law of God, the copy of His infinite and eternal purity barred back, so to speak, the favor of God.
It was needful, then, that this barrier should be removed, that a channel might be provided, through which the grace, favor, and mercy of God might flow—in a word, that sin might be blotted out, and that the law might be accomplished and fulfilled in all its strict requirements, that God “might be just,” retaining every righteous attribute, not sacrificing one of His holy perfections—and yet, though just, perfectly just, “the justifier of him which believes in Jesus.”
But how was this to be effected? No seraph, no bright angel could ever have devised a way. It lay locked up in the bosom of the Three-One God from everlasting; and that was, that the only-begotten Son of God, Who lay in the bosom of the Father from all eternity, “the brightness of His glory, and the express image of His Person,” should become a bleeding Lamb, “the Lamb slain from before the foundation of the world;” that He should take into union with His own divine Person a human nature, “the flesh and blood of the children,” pure, spotless, and holy, and offer up that nature, that body which God prepared for Him, a holy sacrifice.
When He came into the world, the sacrifice began; and every holy thought, every holy word, and every holy action, in suffering and performing, that passed through the heart, dropped from the lips, or was performed by the hands of the only-begotten Son of God, when He was upon earth, was part of that sacrifice. But the grand consummation of it (the offering up of that body especially) was, when it was nailed to the accursed tree, and blood was shed to put away sin. Now, this is the atoning sacrifice, the redemption, the sacrifice, the way, the only way, whereby sin is expiated; the way, the only way, whereby sin is pardoned.
But in order that this blessed and atoning sacrifice may pass over to us; that its value, validity, efficacy, and blessedness may be felt in our consciences, there must be that wrought in our souls whereby it is embraced. The only salvation for our souls is the atoning sacrifice made by Jesus upon Calvary’s tree. There is no other sacrifice for sin but that. But how is that to pass into our hearts? How is the efficacy of this atoning sacrifice to be made personally ours? It is by faith. Does not the Holy Spirit declare this by the mouth of the Apostle? He says, “Whom God has set forth to be a propitiation through faith in His blood.”
Now, this is the turning point in the soul’s salvation. This is the grand point to have decided in a man’s conscience before God. When, by living faith, he is enabled to see the atoning sacrifice through the blood of the Lamb, to feel his very heart and soul going out after, and leaning upon, and feeling a measure of solid rest and peace in the blood of the sacrifice offered upon Calvary—then he begins to receive into his conscience a measure of the favor and grace of the Lord God Almighty.
To the reader…
Perhaps you are still at sea, driven back by storms and tossed to and fro by the winds, and you often fear that the waves will swallow you up. Do sin, and the law that condemns it, lie like a barrier between you and the favour of God? You need not gloss over that. No angel could find a way, and you cannot find one either; but God has found it in His only-begotten Son, the Lamb Who shed His blood on the accursed tree.
There lies the only way by which sin is pardoned. Look, then, to that blood, even if your faith is weak, and ask the Lord to let your heart lean upon it. When He gives you that, you will round the point and come into calmer water, and taste the sweet rest that lies in the blood of the sacrifice. He is the propitiation for our sins; let that truth be the anchor of your hope.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y él es la propiciación por nuestros pecados.
1 Juan 2:2
¿Qué es la “propiciación”? Por propiciación debemos entender un sacrificio expiatorio aceptable a Jehová, por el cual Dios, o más bien los atributos de Dios, quedan satisfechos; por el cual Dios puede ser favorable; por el cual la misericordia, la gracia y el perdón pueden fluir libremente. Ahora bien, el pecado, y la ley que condena el pecado, cerraban el paso, contenían el favor de Dios. Eran el obstáculo que se oponía al amor de Dios. Porque Dios, como Dios, no puede amar el pecado ni a los pecadores; por eso el pecado del hombre y la santa ley de Dios, copia de Su pureza infinita y eterna, contenían, por así decirlo, el favor de Dios.
Era necesario, pues, que esta barrera fuese quitada, que se proveyese un cauce por el cual pudiesen fluir la gracia, el favor y la misericordia de Dios; en una palabra, que el pecado fuese borrado, y que la ley fuese cumplida y satisfecha en todas sus estrictas exigencias, para que Dios “sea el justo”, conservando todo atributo justo, sin sacrificar ninguna de Sus santas perfecciones, y sin embargo, siendo justo, perfectamente justo, “el que justifica al que es de la fe de Jesús”.
Pero ¿cómo había de efectuarse esto? Ningún serafín, ningún ángel resplandeciente podría jamás haber ideado un camino. Estaba encerrado en el seno del Dios Trino desde la eternidad; y era este: que el unigénito Hijo de Dios, que estaba en el seno del Padre desde toda la eternidad, “el resplandor de su gloria, y la misma imagen de su sustancia”, llegara a ser un Cordero sangrante, “el Cordero, el cual fue muerto desde el principio del mundo”; que tomara en unión con Su propia Persona divina una naturaleza humana, la “carne y sangre” de los hijos, pura, sin mancha y santa, y ofreciera esa naturaleza, ese cuerpo que Dios Le preparó, como sacrificio santo.
Cuando vino al mundo, comenzó el sacrificio; y todo pensamiento santo, toda palabra santa y toda acción santa, en el padecer y en el obrar, que pasó por el corazón, salió de los labios o fue realizada por las manos del unigénito Hijo de Dios cuando estuvo en la tierra, fue parte de ese sacrificio. Pero su gran consumación (la ofrenda de aquel cuerpo especialmente) fue cuando fue clavado en el madero maldito y se derramó sangre para quitar el pecado. Ahora bien, este es el sacrificio expiatorio, la redención, el sacrificio, el camino, el único camino, por el cual el pecado es expiado; el camino, el único camino, por el cual el pecado es perdonado.
Pero para que este bendito sacrificio expiatorio pase a nosotros, para que su valor, validez, eficacia y bienaventuranza se sientan en nuestras conciencias, tiene que obrarse en nuestras almas aquello por lo cual es abrazado. La única salvación para nuestras almas es el sacrificio expiatorio hecho por Jesús en el madero del Calvario. No hay otro sacrificio por el pecado sino ese. Pero ¿cómo ha de pasar a nuestros corazones? ¿Cómo ha de hacerse personalmente nuestra la eficacia de este sacrificio expiatorio? Por la fe. ¿No lo declara así el Espíritu Santo por boca del apóstol? Dice: “Al cual Dios ha propuesto en propiciación por la fe en su sangre”.
Ahora bien, este es el punto decisivo en la salvación del alma. Este es el gran punto que ha de quedar decidido en la conciencia de un hombre delante de Dios. Cuando, por una fe viva, es capacitado para ver el sacrificio expiatorio por la sangre del Cordero, para sentir su mismo corazón y su alma salir en pos de ella, apoyarse en ella y sentir una medida de sólido reposo y paz en la sangre del sacrificio ofrecido en el Calvario, entonces comienza a recibir en su conciencia una medida del favor y de la gracia del Señor Dios Todopoderoso.
Al lector…
Quizás usted está todavía en alta mar, rechazado por las tormentas y zarandeado por los vientos, y teme a menudo que las olas le traguen. ¿Están el pecado, y la ley que lo condena, como una barrera entre usted y el favor de Dios? No tiene por qué disimularlo. Ningún ángel pudo hallar un camino, y usted tampoco puede hallarlo; pero Dios lo ha hallado en Su Hijo unigénito, el Cordero que derramó Su sangre en el madero maldito.
Allí está el único camino por el cual el pecado es perdonado. Mire, pues, a esa sangre, aunque su fe sea débil, y pida al Señor que deje que su corazón se apoye en ella. Cuando Él se lo conceda, doblará el cabo y entrará en aguas más tranquilas, y gustará el dulce reposo que hay en la sangre del sacrificio. Él es la propiciación por nuestros pecados; que esa verdad sea el ancla de su esperanza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl