27 juli
Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood, alzo ook de genade zoude heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.
Romeinen 5:21
Dit is de genade voor treurende heiligen, die zuchten en kermen onder een lichaam der zonde en des doods, dat God heeft gezegd, dat de genade niet alleen zoude heersen, maar dat zij moest heersen. Zo het aan ons ware overgelaten, konden wij ons evenmin van de overheersing der zonde bevrijden als de kinderen Israëls zich bevrijden konden van het Egyptische diensthuis. Maar zij zuchtten en kermden met reden over de dienstbaarheid, en hun gekrijt kwam op tot God. Hij gedacht aan Zijn verbond en zag de kinderen Israëls aan en bevrijdde hen (Exodus 2:23-25).
Zo had God besloten, om Zijns volks wil, dat de zonde hen niet eeuwig rampzalig zou maken; dat zij hen niet deed vallen van misdaad tot misdaad, tot zij hen eindelijk zou werpen in de poel van eeuwige ellende, maar dat de „genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven.” Maar zij moet zowel hier als hiernamaals heersen; want door haar heersen hier is haar eeuwige zegepraal verzekerd. Zij moet dus onze trotse harten vernederen en nooit ophouden haar schepter erover te zwaaien, totdat zij in hen een onbepaalde en onvoorwaardelijke zegepraal heeft verzekerd.
Dit nu is het wat elk waarachtig kind van God het ernstigst verlangt te gevoelen en te verwezenlijken. Hij verlangt Jezus te omhelzen en door Hem omhelsd te worden in de armen der liefde en der tederheid. Gelijk het lied zegt: „Maar nu, door vrije genade overwonnen, verlangt mijn geest naar Uw omhelzing.” Hij haat de zonde, ofschoon zij dag en uur en telkens in hem werkt en steeds zoekt haar vroegere heerschappij te herwinnen; hij verafschuwt de wrede tiran, die hem zijn laagste vuile werk deed verrichten, hem door duizend leugenachtige beloften misleidde, hem telkens en telkens weder onder gevangenschap bracht, en hem zonder de soevereine genade het eeuwig verderf zou hebben verzekerd. Door de schepter der barmhartigheid onderworpen, verlangt hij naar de heerschappij der genade over elk vermogen zijner ziel en elk lid zijns lichaams.
„O,” zegt hij, „laat de genade heersen en regeren in mijn boezem; laat zij niet gedogen dat enige zonde over mij heerse; laat zij elke onstuimige begeerte temmen en alle gedachten gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus!” Alzo ziet hij, die God waarlijk vreest, op de genade, en op de genade alleen, niet slechts om hem zalig te maken, maar om hem te heiligen; niet slechts om de zonde te vergeven, maar om haar te onderwerpen; niet slechts om hem een erfdeel onder de heiligen in het licht te verzekeren, maar om hem daartoe bekwaam te maken.
Laat nooit mijn vijands wens gelukken!
Roei z’ allen uit, die mij doen bukken,
om Uwe gunst, mij toegezegd.
Verdelg hen, die mijn ziel verdrukken,
want ik, o Heer, ik ben Uw knecht.
Ps. 143:12
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zucht en kermt onder een lichaam der zonde en des doods. Merkt u dag en uur dat de zonde in u werkt en haar vroegere heerschappij zoekt te herwinnen, en vreest u soms dat zij het van u winnen zal? U kunt u er evenmin zelf van bevrijden als Israël zich kon bevrijden uit het diensthuis van Egypte. Maar hun gekrijt kwam op tot God, en Hij gedacht aan Zijn verbond.
Hier is troost voor treurende heiligen: God heeft niet alleen gezegd dat de genade zou heersen, maar dat zij moet heersen, door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus. Haat u de wrede tiran die u zo vaak misleidde en gevangen nam, dan is dat reeds een teken dat de genade haar schepter over uw hart begint te zwaaien. Zij zal niet ophouden voordat zij volkomen heeft overwonnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood, alzo ook de genade zoude heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.
Romeinen 5:21
Dit is genade voor treurende heiligen, die zuchten en kermen onder een lichaam van de zonde en de dood: dat God gezegd heeft dat de genade niet alleen zou heersen, maar dat zij moest heersen. Als het aan ons was overgelaten, zouden we ons evenmin van de overheersing van de zonde kunnen bevrijden als de kinderen Israëls zich konden bevrijden uit het diensthuis van Egypte. Maar zij zuchtten en kermden, en niet zonder reden, over de dienstbaarheid, en hun gekrijt kwam op tot God. Hij gedacht aan Zijn verbond, zag de kinderen Israëls aan en bevrijdde hen (Exodus 2:23-25).
Zo had God omwille van Zijn volk besloten dat de zonde hen niet voor eeuwig rampzalig zou maken. Zij zou hen niet van misdaad tot misdaad laten vallen, totdat zij hen ten slotte in de poel van eeuwige ellende zou werpen. Nee, de „genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven.” Maar zij moet zowel hier als in de eeuwigheid heersen, want door haar heerschappij hier is haar eeuwige zegepraal verzekerd. Zij moet daarom ons trotse hart vernederen en nooit ophouden er haar scepter over te zwaaien, totdat zij daarin een volkomen en onvoorwaardelijke overwinning heeft behaald.
Dat is nu wat elk waar kind van God het vurigst verlangt te voelen en werkelijk te beleven. Het verlangt Jezus te omhelzen en door Hem omhelsd te worden in de armen van liefde en tederheid. Zoals het lied zegt: „Maar nu, door vrije genade overwonnen, verlangt mijn geest naar Uw omhelzing.” Het haat de zonde, ook al werkt die dag en uur en telkens weer in hem en zoekt zij steeds haar vroegere heerschappij terug te winnen. Hij verafschuwt de wrede tiran die hem zijn laagste, vuile werk liet doen, die hem met duizend leugenachtige beloften misleidde, die hem telkens en telkens weer in gevangenschap bracht, en die hem, zonder de soevereine genade, het eeuwige verderf zou hebben bezorgd. Nu hij door de scepter van de barmhartigheid is overwonnen, verlangt hij ernaar dat de genade heerst over elk vermogen van zijn ziel en elk lid van zijn lichaam.
„O,” zegt hij, „laat de genade heersen en regeren in mijn hart; laat zij niet toestaan dat enige zonde over mij heerst; laat zij elke ongebreidelde begeerte temmen en alle gedachten gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus!” Zo ziet wie God werkelijk vreest op de genade, en op de genade alleen: niet alleen om hem zalig te maken, maar ook om hem te heiligen; niet alleen om de zonde te vergeven, maar ook om haar te onderwerpen; niet alleen om hem een erfdeel te verzekeren onder de heiligen in het licht, maar ook om hem daartoe bekwaam te maken.
Laat nooit mijn vijands wens gelukken!
Roei z’ allen uit, die mij doen bukken,
om Uwe gunst, mij toegezegd.
Verdelg hen, die mijn ziel verdrukken,
want ik, o Heer, ik ben Uw knecht.
Ps. 143:12
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zucht en kermt onder een lichaam van de zonde en de dood. Merkt u dag en uur dat de zonde in u werkt en haar vroegere heerschappij probeert terug te winnen, en vreest u soms dat zij het van u zal winnen? U kunt uzelf er evenmin van bevrijden als Israël zich kon bevrijden uit het diensthuis van Egypte. Maar hun gekrijt kwam op tot God, en Hij gedacht aan Zijn verbond.
Hier is troost voor treurende heiligen: God heeft niet alleen gezegd dat de genade zou heersen, maar dat zij moet heersen, door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus. Haat u de wrede tiran die u zo vaak misleidde en gevangennam, dan is dat al een teken dat de genade haar scepter over uw hart begint te zwaaien. Zij zal niet ophouden voordat zij volkomen heeft overwonnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That as sin hath reigned unto death, even so might grace reign through righteousness unto eternal life by Jesus Christ our Lord.
Romans 5:21
This is the mercy for mourning saints who are sighing and groaning under a body of sin and death, that God has decreed that grace not only may reign, but that it must reign. Were it left to us, we could no more rescue ourselves from the dominion of sin than the children of Israel could deliver themselves from the house of Egyptian bondage. But they sighed and groaned by reason of the bondage, and their cry came up unto God. He had respect unto His covenant, and looked upon them and delivered them (Exodus 2:23-25). So God has determined on behalf of His people that sin shall not be their eternal ruin; that it shall not plunge them into crime after crime, until it casts them at last into the gulf of endless woe, but that grace “shall reign through righteousness unto eternal life.”
But it must reign here as well as hereafter, for by its reign here its eternal triumph is secured. It must then subdue our proud hearts, and never cease to sway its peaceful scepter over them until it has secured in them absolute and unconditional victory. Now this is what every sincere child of God most earnestly longs to feel and realize. He longs to embrace Jesus and be embraced by Him in the arms of love and affection. As the hymn says,
But now subdued by sovereign grace,
My spirit longs for Thy embrace.
He hates sin, though it daily, hourly, momently works in him, and is ever seeking to regain its former mastery; he abhors that cruel tyrant who set him to do his vilest drudgery, deceived and deluded him by a thousand lying promises, dragged him again and again into captivity, and but for sovereign grace would have sealed his eternal destruction. Subdued by the scepter of mercy, he longs for the dominion of grace over every faculty of his soul and every member of his body.
“O,” he says, “let grace reign and rule in my breast; let it not suffer any sin to have dominion over me; let it tame every unruly desire, and bring into captivity every thought to the obedience of Christ!” Thus, he who truly fears God looks to grace, and to grace only, not merely to save, but to sanctify; not only to pardon sin, but to subdue it; not only to secure him an inheritance among the saints in light, but to make him meet for it.
To the reader…
Here is a word for those who sigh and groan under a body of sin and death. Do you find, day by day and hour by hour, that sin is working in you and trying to regain its former mastery, and do you sometimes fear that it will get the better of you? You can no more set yourself free from it than Israel could free itself from the house of bondage in Egypt. But their cry came up unto God, and He remembered His covenant.
Here is comfort for mourning saints: God has not only said that grace might reign, but that it must reign, through righteousness unto eternal life, by Jesus Christ. If you hate the cruel tyrant that so often deceived you and took you captive, that is already a sign that grace is beginning to sway its sceptre over your heart. It will not cease until it has completely conquered.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que, de la manera que el pecado reinó para muerte, así también la gracia reine por la justicia para vida eterna por Jesucristo Señor nuestro.
Romanos 5:21
Esta es la misericordia para los santos que lloran, que suspiran y gimen bajo un cuerpo de pecado y de muerte: que Dios ha decretado que la gracia no solo pueda reinar, sino que tenga que reinar. Si se nos dejara a nosotros, no podríamos librarnos del dominio del pecado más de lo que los hijos de Israel podían librarse de la casa de servidumbre en Egipto. Pero ellos suspiraban y gemían a causa de la servidumbre, y su clamor subió a Dios. Él se acordó de Su pacto, los miró y los libró (Éxodo 2:23-25). Así ha determinado Dios a favor de Su pueblo que el pecado no será su ruina eterna; que no los precipitará de crimen en crimen hasta arrojarlos al fin en el abismo de la desdicha sin fin, sino que la gracia “reine por la justicia para vida eterna”.
Pero ha de reinar aquí tanto como en el más allá, porque por su reinado aquí queda asegurado su triunfo eterno. Ha de someter, pues, nuestros corazones orgullosos, y nunca dejar de extender sobre ellos su cetro pacífico hasta haber asegurado en ellos una victoria absoluta e incondicional. Ahora bien, esto es lo que todo hijo sincero de Dios anhela con más ardor sentir y experimentar. Anhela abrazar a Jesús y ser abrazado por Él en los brazos del amor y del afecto. Como dice el himno:
Mas ahora, sometido por la gracia soberana,
mi espíritu anhela Tu abrazo.
Aborrece el pecado, aunque este obra en él diariamente, a cada hora, a cada momento, y busca siempre recobrar su antiguo dominio; detesta a aquel tirano cruel que le puso a hacer sus trabajos más viles, le engañó y le embaucó con mil promesas mentirosas, le arrastró una y otra vez al cautiverio, y que, de no ser por la gracia soberana, habría sellado su destrucción eterna. Sometido por el cetro de la misericordia, anhela el dominio de la gracia sobre cada facultad de su alma y cada miembro de su cuerpo.
“Oh”, dice, “¡que la gracia reine y gobierne en mi pecho; que no permita que pecado alguno se enseñoree de mí; que dome todo deseo desordenado y lleve cautivo todo pensamiento a la obediencia de Cristo!” Así, el que verdaderamente teme a Dios mira a la gracia, y solo a la gracia, no meramente para salvar, sino para santificar; no solo para perdonar el pecado, sino para someterlo; no solo para asegurarle una herencia entre los santos en luz, sino para hacerle apto para ella.
Al lector…
He aquí una palabra para los que suspiran y gimen bajo un cuerpo de pecado y de muerte. ¿Encuentra usted, día tras día y hora tras hora, que el pecado obra en usted y procura recobrar su antiguo dominio, y teme a veces que acabará venciéndole? No puede librarse de él más de lo que Israel podía librarse de la casa de servidumbre en Egipto. Pero su clamor subió a Dios, y Él se acordó de Su pacto.
He aquí consuelo para los santos que lloran: Dios no solo ha dicho que la gracia pueda reinar, sino que tiene que reinar, por la justicia para vida eterna, por Jesucristo. Si aborrece al tirano cruel que tantas veces le engañó y le llevó cautivo, eso ya es una señal de que la gracia comienza a extender su cetro sobre su corazón. No cesará hasta haber vencido por completo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl