Maar ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.
Zefanja 3:12
De Heere heeft verklaard dat Hij in het midden van Jeruzalem een geestelijk arm volk zal doen overblijven. Zijn zij dit van nature? O nee, ze zijn dat niet van nature. Ze zijn alleen door de Almachtige Zelf tot de diepste zielsarmoede gebracht. Van nature zijn zij rijk in eigen oog, zoals ook de gemeente van Laodicea zichzelf beschouwde. Het is het genadewerk in hun hart dat hen arm maakt; het is de ontdekkende hand van de Geest Gods in hun geweten die hen tot armoede en de ondergang brengt voor de genadetroon.
En we worden geestelijk rijk, niet door onze natuurlijke voorraad uit te breiden, maar door hem te verliezen. We worden vrij door naar de gevangenis te gaan. Onze schulden worden afbetaald door failliet te gaan. We worden de rijkdommen van Christus’ genade en medelijden deelachtig door neer te zinken in de diepten van de zielsbedelarij.
Gods volk is op twee manieren geestelijk arm. Ze zijn feitelijk arm en ze zijn arm van geest. Ze zijn feitelijk arm wat betreft goddelijke weldaden. Ze zijn arm aan geloof, zodat ze bij tijden niet in staat zijn ook maar het allerminste geloof te tonen. Ze zijn arm aan hoop, want vaak wordt hun tere scheepje door de golven van wanhoop geschud.
Ze zijn arm aan liefde, want ze voelen vaak geen sprankje genegenheid voor de Heere of Zijn volk. Ze zijn arm wat betreft hun geestelijke instelling, want ze kunnen hun gevoelens niet van de aarde omhoog naar de hemel brengen. Ze zijn arm aan vroomheid, want ze kunnen geen enkele zucht of uitroep naar God omhoog doen gaan. Ze zijn arm aan kracht, want ze kunnen geen weerstand bieden aan verleiding, en zijn niet in staat in hun ziel één enkele dierbare begeerte op te brengen, één enkel geestelijk gevoel.
Dus maakt feitelijke armoede hen geestelijk arm. En deze overtuiging van hun eigen armoede maakt hen arm van geest voor God. Ze kunnen niet tot Hem komen „rijk, en verrijkt geworden” (Openb. 3:17); hun uitroep is eerder: „Ik word mager, ik word mager, wee mij!” (Jes. 24:16).
Lezen: Zefanja 3:1-12
Aan de lezer…
Dat woord „arm” spreekt tot u, als u zich arm voelt aan geloof, arm aan hoop, arm aan liefde, zodat u geen enkele zucht naar boven kunt zenden en uw tere scheepje door de golven van wanhoop geschud wordt. Denk dan niet te haastig dat de Heere u verlaten heeft. Van nature waren wij allen rijk in eigen oog; het is de ontdekkende hand van Gods Geest in het geweten die een ziel zo arm maakt en haar neerlegt voor de genadetroon.
Juist zulk een ellendig en arm volk wil Hij in het midden doen overblijven, en van hen zegt Hij: „die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.” U wordt niet rijk door uw eigen voorraad te vergroten, maar door die te verliezen. Kunt u niet anders roepen dan: „Ik word mager, wee mij!”, wees dan niet bevreesd. Zulke bedelaars zijn het die de rijkdommen van Christus’ genade en medelijden deelachtig worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.
Zefanja 3:12
De Heere heeft gezegd dat Hij in het midden van Jeruzalem een geestelijk arm volk zal doen overblijven. Zijn zij dat van nature? O nee, van nature zijn ze dat niet. Alleen de Almachtige Zelf heeft hen tot de diepste zielsarmoede gebracht. Van nature zijn zij rijk in eigen oog, zoals ook de gemeente van Laodicea zichzelf zag. Het is het genadewerk in hun hart dat hen arm maakt; het is de ontdekkende hand van de Geest van God in hun geweten die hen in armoede en ondergang voor de genadetroon brengt.
En we worden geestelijk rijk, niet doordat onze natuurlijke voorraad groeit, maar doordat we hem verliezen. We worden vrij door naar de gevangenis te gaan. Onze schulden worden betaald doordat we failliet gaan. We krijgen deel aan de rijkdom van Christus’ genade en medelijden door weg te zinken in de diepten van de geestelijke bedelarij.
Gods volk is op twee manieren geestelijk arm. Ze zijn werkelijk arm, en ze zijn arm van geest. Ze zijn werkelijk arm aan goddelijke gaven. Ze zijn arm aan geloof, zodat ze soms niet in staat zijn ook maar het allerminste geloof te oefenen. Ze zijn arm aan hoop, want vaak wordt hun tere scheepje door de golven van wanhoop heen en weer geslingerd.
Ze zijn arm aan liefde, want vaak voelen ze geen sprankje genegenheid voor de Heere of Zijn volk. Ze zijn arm aan geestelijke gezindheid, want ze kunnen hun gevoelens niet van de aarde omhoog naar de hemel brengen. Ze zijn arm aan vroomheid, want ze kunnen geen enkele zucht of roep tot God laten opgaan. Ze zijn arm aan kracht, want ze kunnen de verleiding niet weerstaan, en ze zijn niet in staat in hun ziel één enkele dierbare begeerte op te wekken, één enkel geestelijk gevoel.
Zo maakt werkelijke armoede hen geestelijk arm. En de overtuiging van hun eigen armoede maakt hen arm van geest voor God. Ze kunnen niet tot Hem komen als „rijk, en verrijkt geworden” (Openb. 3:17); hun roep is eerder: „Ik word mager, ik word mager, wee mij!” (Jes. 24:16).
Lezen: Zefanja 3:1-12
Aan de lezer…
Dat woord „arm” spreekt tot u, als u zich arm voelt aan geloof, arm aan hoop, arm aan liefde, zodat u geen enkele zucht naar boven kunt zenden en uw tere scheepje door de golven van wanhoop heen en weer geslingerd wordt. Denk dan niet te snel dat de Heere u verlaten heeft. Van nature waren wij allen rijk in eigen oog; het is de ontdekkende hand van Gods Geest in het geweten die een ziel zo arm maakt en haar neerlegt voor de genadetroon.
Juist zo’n ellendig en arm volk wil Hij in het midden doen overblijven, en van hen zegt Hij: „die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.” U wordt niet rijk door uw eigen voorraad te vergroten, maar door die te verliezen. Kunt u niet anders roepen dan: „Ik word mager, wee mij!”, wees dan niet bang. Juist zulke bedelaars krijgen deel aan de rijkdom van Christus’ genade en medelijden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will also leave in the midst of thee an afflicted and poor people, and they shall trust in the Name of the LORD.
Zephaniah 3:12
The Lord has said that He will leave in the midst of Jerusalem a spiritually poor people. Are they so by nature? O no, by nature they are not. The Almighty Himself alone has brought them into the deepest soul-poverty. By nature they are rich in their own eyes, as the church of Laodicea also saw itself. It is the work of grace in their heart that makes them poor; it is the discovering hand of the Spirit of God in their conscience that brings them in poverty and ruin before the throne of grace.
And we become spiritually rich, not by our natural stock increasing, but by our losing it. We become free by going to prison. Our debts are paid by our becoming bankrupt. We come into the riches of Christ’s grace and compassion by sinking into the depths of spiritual beggary.
God’s people are spiritually poor in two ways. They are really poor, and they are poor in spirit. They are really poor in divine gifts. They are poor in faith, so that at times they are unable to exercise even the smallest measure of faith. They are poor in hope, for often their frail bark is tossed to and fro by the waves of despair.
They are poor in love, for often they feel not a spark of affection for the Lord or His people. They are poor in spiritual-mindedness, for they cannot raise their affections from earth to heaven. They are poor in religion, for they cannot send up a single sigh or cry to God. They are poor in strength, for they cannot resist temptation, and they are unable to raise up in their souls one single precious desire, one single spiritual feeling.
So real poverty makes them spiritually poor. And the conviction of their own poverty makes them poor in spirit before God. They cannot come to Him as “rich, and increased with goods” (Revelation 3:17); their cry is rather, “My leanness, my leanness, woe unto me!” (Isaiah 24:16).
Reading: Zephaniah 3:1-12
To the reader…
That word “poor” speaks to you if you feel poor in faith, poor in hope, poor in love, so that you cannot send up a single sigh, and your frail bark is tossed to and fro by the waves of despair. Do not think too quickly, then, that the Lord has forsaken you. By nature we were all rich in our own eyes; it is the discovering hand of God’s Spirit in the conscience that makes a soul so poor and lays it down before the throne of grace.
It is just such an afflicted and poor people that He will leave in the midst, and of them He says, “they shall trust in the Name of the LORD.” You do not become rich by enlarging your own stock, but by losing it. If you can cry nothing but, “My leanness, woe unto me!”, do not be afraid. It is just such beggars who come into the riches of Christ’s grace and compassion.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y dejaré en medio de ti un pueblo humilde y pobre, los cuales esperarán en el Nombre de Jehová.
Sofonías 3:12
El Señor ha dicho que dejará en medio de Jerusalén un pueblo espiritualmente pobre. ¿Lo son por naturaleza? ¡Oh no, por naturaleza no lo son! Solo el Todopoderoso mismo los ha llevado a la más profunda pobreza del alma. Por naturaleza son ricos a sus propios ojos, como también se veía a sí misma la iglesia de Laodicea. Es la obra de la gracia en su corazón la que los hace pobres; es la mano descubridora del Espíritu de Dios en su conciencia la que los trae en pobreza y ruina ante el trono de la gracia.
Y llegamos a ser espiritualmente ricos, no porque aumente nuestro caudal natural, sino porque lo perdemos. Llegamos a ser libres yendo a la cárcel. Nuestras deudas son pagadas al caer nosotros en bancarrota. Entramos en las riquezas de la gracia y compasión de Cristo hundiéndonos en las profundidades de la mendicidad espiritual.
El pueblo de Dios es espiritualmente pobre de dos maneras. Son realmente pobres, y son pobres en espíritu. Son realmente pobres en dones divinos. Son pobres en fe, de modo que a veces no pueden ejercer ni la más pequeña medida de fe. Son pobres en esperanza, porque a menudo su frágil barca es sacudida de un lado a otro por las olas de la desesperación.
Son pobres en amor, porque a menudo no sienten ni una chispa de afecto por el Señor ni por Su pueblo. Son pobres en espiritualidad de mente, porque no pueden elevar sus afectos de la tierra al cielo. Son pobres en religión, porque no pueden enviar a Dios ni un solo suspiro o clamor. Son pobres en fuerza, porque no pueden resistir la tentación, y son incapaces de suscitar en su alma un solo deseo precioso, un solo sentimiento espiritual.
Así la pobreza real los hace espiritualmente pobres. Y la convicción de su propia pobreza los hace pobres en espíritu ante Dios. No pueden venir a Él como “rico, y enriquecido” (Apocalipsis 3:17); su clamor es más bien: “¡Mi flaqueza, mi flaqueza, ay de mí!” (Isaías 24:16).
Lectura: Sofonías 3:1-12
Al lector…
Esa palabra “pobre” le habla a usted si se siente pobre en fe, pobre en esperanza, pobre en amor, de modo que no puede enviar ni un solo suspiro, y su frágil barca es sacudida de un lado a otro por las olas de la desesperación. No piense demasiado pronto, pues, que el Señor lo ha abandonado. Por naturaleza todos éramos ricos a nuestros propios ojos; es la mano descubridora del Espíritu de Dios en la conciencia la que hace tan pobre a un alma y la pone ante el trono de la gracia.
Es precisamente un pueblo así, humilde y pobre, el que Él dejará en medio, y de ellos dice: “esperarán en el Nombre de Jehová”. Usted no llega a ser rico aumentando su propio caudal, sino perdiéndolo. Si no puede clamar sino: “¡Mi flaqueza, ay de mí!”, no tema. Son precisamente tales mendigos los que entran en las riquezas de la gracia y compasión de Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl