24 september
Zijn uitgang is bereid als de dageraad.
Hosea 6:3
Het is tot de levende ziel, wandelende in duisternis en niet in staat om God te vinden, dat deze tekst spreekt: „Zijn uitgang is bereid als de dageraad.” Er is een bestemde tijd voor de Heere om te verschijnen, en deze verschijning wordt liefelijk vergeleken bij de opkomst der zon. „Hebt gij de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38:12). Rijst niet dagelijks de zon op de minuut tevoren bepaald? Is zij ooit vóór haar tijd of ooit na haar tijd? Verhaastte of verlaatte de vrije wil van het schepsel het opgaan van de zon voor één enkele seconde?
Zo is het ook met de verschijning des Heeren tot zaligheid voor Zijn volk; de verschijning des Heeren in Zijn tegenwoordigheid en kracht; de verschijning des Heeren van de plaats waar Hij Zich een wijle tijds verborgen hield, totdat Hij met licht en leven in de ziel komt. Al Zijn heerlijke verschijningen zijn voorbereid, en het ogenblik is bepaald, gelijk de tijd van zonsopgang des morgens is vastgesteld. Maar wat is de natuurlijke omstandigheid eer de zon opgaat? Gaat niet middernacht vóór het dagen, en de duisternis vóór het licht? Is er niet, gelijk de psalmist daarvan spreekt, een wachten op de morgen? „Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen.”
Woelt niet de zieke op zijn legerplaats, wachtende op de morgen? Wacht niet de schipbreukeling, die op de rotsen gedreven is, angstvallig op de morgen, om te mogen weten of er nog hoop van redding is, of er ook een vriendelijk schip in het gezicht komt? En is de door de nacht overvallen reiziger, die de weg is kwijtgeraakt, niet wachtende op de morgen, dat de zon moge opgaan en hij zijn weg huiswaarts vinden moge? Maar met al hun wachten kunnen zij de zon niet gebieden dat zij opga; zij moeten wachten op de bepaalde tijd.
Evenzo is het met het verschijnen van de Zon der gerechtigheid: het verschijnen van Christus in het hart, de zoete openbaring van de Zoon van God met het verheffen van het licht van Zijn vriendelijk aangezicht. Het is bereid als de morgen, bepaald en vastgesteld in het hart van God, gelijk de zon opkomt in haar tijd. En die tijd wordt niet verhaast, evenmin als dit bij de zon plaatsheeft. Ja, het is voor ons even onmogelijk om de Heere in ons hart te brengen vóór de bestemde tijd, of Hem aldaar te houden wanneer Hij ingekomen is, als het voor ons onmogelijk is om Jozua na te doen en te zeggen: „Gij zon, sta stil te Gibeon; en gij maan, in het dal van Ajalon.”
Maar Zijn uitgang is bereid als de dageraad, en wanneer Hij uitgaat, dan gaat Hij uit, overwinnende en opdat Hij overwint, rijdende op het witte paard waarvan in de Openbaring gesproken wordt. Hij gaat uit om onze vijanden te overwinnen, om onze verzoekingen te overwinnen, om onze zielen te brengen aan Zijn voetbank, opdat Hij moge opgaan zoals de zon schijnt in haar kracht, om in ons hart te komen met genezing onder Zijn vleugelen.
Aan de lezer…
Hoe vaak is het niet nacht in uw ziel? Wandelt u in duisternis en kunt u God niet vinden, hoe u ook zoekt? Woelt u als de zieke op zijn legerplaats, of tuurt u als de schipbreukeling naar de horizon? U kunt de zon niet gebieden op te gaan, en evenmin kunt u de Heere in uw hart brengen vóór Zijn tijd. Dat is een harde les voor een ongeduldig hart, maar zij bevat ook een zoete troost.
Want Zijn uitgang is bereid. De tijd ligt vast in het hart van God, zo zeker als de dageraad op de nacht volgt. Middernacht gaat vóór het dagen, maar de morgen komt. Wacht dan op de Heere, meer dan de wachters op de morgen. Wanneer Hij uitgaat, dan gaat Hij uit overwinnende, en Hij zal tot u komen als de Zon der gerechtigheid, met genezing onder Zijn vleugelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zijn uitgang is bereid als de dageraad.
Hosea 6:3
Deze tekst spreekt tot de levende ziel die in duisternis wandelt en God niet kan vinden: „Zijn uitgang is bereid als de dageraad.” Er is een bestemde tijd waarop de Heere verschijnt, en die verschijning wordt op lieflijke wijze vergeleken met het opgaan van de zon. „Hebt gij de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38:12). Gaat de zon niet elke dag op, op de minuut die van tevoren bepaald is? Komt zij ooit vóór haar tijd of ooit na haar tijd? Heeft de vrije wil van het schepsel het opgaan van de zon ooit ook maar één seconde versneld of vertraagd?
Zo is het ook met de verschijning van de Heere tot zaligheid voor Zijn volk; de verschijning van de Heere in Zijn tegenwoordigheid en kracht; de verschijning van de Heere vanuit de plaats waar Hij Zich een tijdlang verborgen hield, totdat Hij met licht en leven in de ziel komt. Al Zijn heerlijke verschijningen zijn voorbereid, en het ogenblik is bepaald, zoals de tijd van de zonsopgang in de morgen vastligt. Maar hoe is het in de natuur voordat de zon opgaat? Gaat de middernacht niet vooraf aan het dagen, en de duisternis aan het licht? Is er niet, zoals de psalmist zegt, een wachten op de morgen? „Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen.”
Woelt de zieke niet op zijn bed, wachtend op de morgen? Wacht de schipbreukeling die op de rotsen is geslagen niet angstig op de morgen, om te weten of er nog hoop op redding is, of er misschien een vriendelijk schip in zicht komt? En wacht de reiziger die door de nacht is overvallen en de weg kwijt is, niet op de morgen, tot de zon opgaat en hij zijn weg naar huis kan vinden? Maar met al hun wachten kunnen zij de zon niet bevelen op te gaan; zij moeten wachten op de bepaalde tijd.
Zo is het ook met het verschijnen van de Zon der gerechtigheid: het verschijnen van Christus in het hart, de zoete openbaring van de Zoon van God wanneer Hij het licht van Zijn vriendelijk aangezicht doet opgaan. Het is bereid als de morgen, bepaald en vastgesteld in het hart van God, zoals de zon opkomt op haar tijd. En die tijd wordt niet versneld, net zo min als bij de zon. Ja, het is voor ons even onmogelijk om de Heere in ons hart te brengen vóór de bestemde tijd, of Hem daar vast te houden wanneer Hij binnengekomen is, als het voor ons onmogelijk is Jozua na te doen en te zeggen: „Gij zon, sta stil te Gibeon; en gij maan, in het dal van Ajalon.”
Maar Zijn uitgang is bereid als de dageraad, en wanneer Hij uitgaat, dan gaat Hij uit, overwinnende en opdat Hij overwinne, rijdend op het witte paard waarover in de Openbaring gesproken wordt. Hij gaat uit om onze vijanden te overwinnen, om onze verzoekingen te overwinnen, om onze zielen aan Zijn voetbank te brengen, zodat Hij kan opgaan zoals de zon in haar kracht schijnt, om in ons hart te komen met genezing onder Zijn vleugelen.
Aan de lezer…
Hoe vaak is het niet nacht in uw ziel? Wandelt u in duisternis en kunt u God niet vinden, hoe u ook zoekt? Woelt u als de zieke op zijn bed, of tuurt u als de schipbreukeling naar de horizon? U kunt de zon niet bevelen op te gaan, en evenmin kunt u de Heere in uw hart brengen vóór Zijn tijd. Dat is een harde les voor een ongeduldig hart, maar zij bevat ook een zoete troost.
Want Zijn uitgang is bereid. De tijd ligt vast in het hart van God, zo zeker als de dageraad op de nacht volgt. Middernacht gaat vooraf aan het dagen, maar de morgen komt. Wacht dan op de Heere, meer dan de wachters op de morgen. Wanneer Hij uitgaat, dan gaat Hij uit als overwinnaar, en Hij zal tot u komen als de Zon der gerechtigheid, met genezing onder Zijn vleugelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
His going forth is prepared as the morning.
Hosea 6:3
It is to the living soul walking in darkness, and unable to find God, that this text speaks—“His going forth is prepared as the morning.” There is an appointed time for the Lord to go forth and this is sweetly compared to the rising of the sun. Does not “the dayspring know his place?” (Job 38:12.) Does not the sun rise every day according to the appointed minute? Is he ever before his time, or ever after his time? Did the free will of the creature ever hurry or retard his rising for a single second?
Thus it is with the going forth of the Lord for the salvation of His people, the going forth of the Lord in the revelation of His presence and His power, the going forth of the Lord from the place where He has for a while hidden Himself, to come down with light and life into the soul. All His glorious goings forth are as much prepared, and the moment is as much appointed, as the time is fixed every morning for the sun to rise.
But what is the state of things naturally before the sun rises? Does not midnight precede the dawn, does not darkness come before light? And when it is midnight naturally, can we bid the sun arise and disperse the darkness? Is there not, as the Psalmist says, a waiting for the morning, naturally? “My soul waits for the Lord, more than those who watch for the morning.” Is not the invalid tossing on his restless couch, waiting for the morning? Is not the shipwrecked mariner driven on the rocks, waiting anxiously for the morning, to know what is his prospect of safety, what friendly sail may be in sight? Is not the man benighted on the hills waiting for the morning, that the sun may arise, and he find his way homeward? But with all their waiting they cannot bid the sun arise; they must wait until the appointed time.
So the going forth of the Sun of righteousness, the appearance of Christ in the heart, the sweet revelation of the Son of God, the lifting up of the light of His blessed countenance, is “prepared as the morning”—as fixed, as appointed in the mind of God as the morning to come in its season; but no more to be hurried than the sun is to be hurried up the sky. Aye, and it is as much an impossibility for us to bring the Lord into our souls before the appointed time, or keep Him there when He has come, as for us to play the part of Joshua, and say, “Sun, stand still upon Gibeon, and you, moon, in the valley of Ajalon.”
But “His going forth is prepared as the morning,” and when He goes forth, He goes forth “conquering and to conquer,” mounted on the white horse spoken of in Revelation. He goes forth to conquer our enemies, to overcome our temptations, to lay our souls at His footstool, to arise like the sun in his strength, and to come into the heart with healing in His wings.
To the reader…
How often is it night in your soul? Do you walk in darkness and cannot find God, however much you seek? Do you toss like the sick man on his bed, or strain your eyes like the shipwrecked sailor toward the horizon? You cannot command the sun to rise, nor can you bring the Lord into your heart before His time. That is a hard lesson for an impatient heart, but it also holds a sweet comfort.
For His going forth is prepared. The time is fixed in the heart of God, as surely as the dawn follows the night. Midnight comes before the dawn, but the morning comes. Wait, then, for the Lord, more than the watchmen wait for the morning. When He goes forth, He goes forth as a conqueror, and He will come to you as the Sun of righteousness, with healing in His wings.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como el alba está aparejada Su salida.
Oseas 6:3
Es al alma viviente que anda en tinieblas y no puede hallar a Dios a quien habla este texto: “Como el alba está aparejada Su salida”. Hay un tiempo señalado para que el Señor salga, y esto se compara dulcemente con la salida del sol. ¿No conoce “el alba su lugar”? (Job 38:12). ¿No sale el sol cada día según el minuto señalado? ¿Se adelanta alguna vez a su hora, o se retrasa alguna vez? ¿Ha logrado jamás el libre albedrío de la criatura apresurar o retardar su salida un solo segundo?
Así es con la salida del Señor para la salvación de Su pueblo, la salida del Señor en la revelación de Su presencia y Su poder, la salida del Señor del lugar donde por un tiempo se ha escondido, para descender con luz y vida al alma. Todas Sus gloriosas salidas están tan aparejadas, y el momento está tan señalado, como está fijada cada mañana la hora en que ha de salir el sol.
Pero ¿cuál es el estado de las cosas, en lo natural, antes de que salga el sol? ¿No precede la medianoche al alba, no vienen las tinieblas antes que la luz? Y cuando es medianoche en lo natural, ¿podemos mandar al sol que salga y disipe las tinieblas? ¿No hay, como dice el salmista, un esperar la mañana, en lo natural? “Mi alma espera a Jehová más que los centinelas a la mañana.” ¿No espera la mañana el enfermo que se revuelve en su lecho sin descanso? ¿No espera ansiosamente la mañana el marinero náufrago arrojado contra las rocas, para saber qué esperanza tiene de salvarse, qué vela amiga puede estar a la vista? ¿No espera la mañana el hombre sorprendido por la noche en los montes, para que salga el sol y halle el camino a casa? Pero con todo su esperar no pueden mandar al sol que salga; tienen que esperar hasta el tiempo señalado.
Así la salida del Sol de justicia, la aparición de Cristo en el corazón, la dulce revelación del Hijo de Dios, el alzar la luz de Su bendito rostro, está “aparejada como el alba”, tan fija, tan señalada en la mente de Dios como la mañana que viene a su tiempo; pero no se puede apresurar más de lo que se puede apresurar el sol en su subida por el cielo. Sí, y nos es tan imposible traer al Señor a nuestras almas antes del tiempo señalado, o retenerle allí cuando ha venido, como hacer el papel de Josué y decir: “Sol, detente en Gabaón; y tú, luna, en el valle de Ajalón”.
Pero “como el alba está aparejada Su salida”, y cuando Él sale, sale “victorioso, para que también venciese”, montado en el caballo blanco del que habla el Apocalipsis. Sale para vencer a nuestros enemigos, para dominar nuestras tentaciones, para postrar nuestras almas ante el estrado de Sus pies, para levantarse como el sol en su fuerza, y para venir al corazón trayendo salud en Sus alas.
Al lector…
¿Cuántas veces es de noche en su alma? ¿Anda usted en tinieblas y no puede hallar a Dios, por mucho que le busque? ¿Se revuelve como el enfermo en su lecho, o fuerza la vista como el marinero náufrago hacia el horizonte? Usted no puede mandar al sol que salga, ni puede traer al Señor a su corazón antes de Su tiempo. Es una lección dura para un corazón impaciente, pero encierra también un dulce consuelo.
Porque Su salida está aparejada. El tiempo está fijado en el corazón de Dios, tan ciertamente como el alba sigue a la noche. La medianoche viene antes que el alba, pero la mañana llega. Espere, pues, al Señor, más que los centinelas a la mañana. Cuando Él sale, sale como vencedor, y vendrá a usted como el Sol de justicia, trayendo salud en Sus alas.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl