24 juli
Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden). En heeft ons mede opgewekt.
Efeze 2:4, 5, 6
Achttienhonderd jaren zijn voorbijgegaan sedert het lichaam van Christus levend gemaakt werd in het graf; maar de geestelijke vrucht van die levendmaking komt tot alle uitverkorenen en zal zich uitstrekken tot aan het einde der eeuwen. Nu, uit kracht van deze levendmaking doet het leven zijn intrede in de ziel wanneer de Heilige Geest aan Zijn voornemen gevolg gaat geven. U heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart. Met de levendmaking komen levende indrukken, als overtuiging van zonde, een schuldige consciëntie, de vreze Gods, een verslagen hart, de geest des gebeds, berouw; in één woord: dit is het eerste werk der genade in de ziel.
Gelijk er in het lichaam van Christus, toen het door de Heilige Geest levend gemaakt werd, levensbewegingen waren eer het lichaam het graf verliet, zo zijn er levensbewegingen in de ziel van een kind van God door de levendmakende bewerkingen van God de Heilige Geest, vóór zij wordt opgewekt. Zij is in het leven gebracht, en uit kracht van die levendmaking ziet, gevoelt, vreest, roept en bidt zij, en ziet zij uit naar genade. Elk vermogen van het vernieuwde gemoed van de zondaar is levend en open voor de dingen van God. Nooit zullen wij bidden, leren, horen en de zekerheid der eeuwige dingen beseffen, dan alleen wanneer het de Heere behaagt ons door Zijn Geest in het geestelijke leven te brengen.
Maar dan is er nog geen opstanding; de levendmaking gaat vooraf. Maar gelijk, toen de adem des Heiligen Geestes, om zo te spreken, het lichaam van Christus, zoals het in het graf lag, levend maakte, dit slechts een voorbereiding was voor de opstanding van dat dode lichaam uit het graf, evenzo zijn de levendmakende bewerkingen van God de Heilige Geest in het hart van een kind van God slechts voorbereidselen voor de opwekking met Christus. Christus’ lichaam bleef niet in het graf, ofschoon het daarin reeds levend was. Zo is het ook met diegenen die God levend gemaakt heeft, en die nog liggen in het graf der zonde, ellende en ongerechtigheid, en niettemin zuchten, klagen en bedelen om genade: ook zij zullen gewisselijk worden uitgebracht.
Christus’ lichaam werd daar niet gelaten toen het levend gemaakt was; ook zal niemand van u die levend gemaakt zijt, gelaten worden in uw zonde en ellende, in uw veroordeling en schuld. Hetzelfde Goddelijke werk dat u in het geestelijke leven stelde, zal u uit deze staat van onrust en benauwdheid halen en met Christus doen opstaan, gelijk het geschiedde met Zijn lichaam toen Hij uit het graf uitging.
Wanneer nu de kracht Gods in de ziel wordt uitgeoefend; wanneer de barmhartigheid het hart bereikt; wanneer Christus geopenbaard en Zijn Woord toegepast wordt, en de ziel uitkomt uit het donkere graf waarin zij gelegen heeft, gelijk Lazarus, gebonden met grafdoeken, en nochtans levend; wanneer alzo de deur der hoop geopend wordt, en de ziel opgewekt wordt tot geloof, hoop en liefde, dan is zij „met Christus mede opgewekt”.
De opstanding van Christus was niet alleen het grote getuigenis dat God Hem gaf als Zijn lieve Zoon, want Hij is „krachtiglijk bewezen te zijn de Zone Gods, door de opstanding uit de doden”; maar Hij is ook „opgewekt om onze rechtvaardigmaking”, en wij zijn in Hem opgestaan, indien wij in Zijn Naam geloven. Al de uitverkorenen Gods zijn met Hem opgestaan, want zij zijn „leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.” Toen Hij stierf, stierven zij; toen Hij opstond, stonden zij op. En gelijk zij in de Persoon van de Zoon van God opstonden toen Hij zegepralend uit het graf verrees, zo wekt de Heilige Geest hen op, wanneer Hij de weldaden en zegeningen van Zijn dood en opstanding aan hart en consciëntie toepast, en brengt Hij hen uit het donkere graf in het open licht van een heerlijke Evangeliedag. En dit is „met Christus mede opgewekt” te zijn.
Aan de lezer…
Arme zondaar, ligt u nog als in het graf der zonde en ellende, en vraagt u zich af of er ooit een opstanding voor u komen zal? Let dan op wat er in u leeft. Zucht u, klaagt u, bedelt u om genade? Vreest u God, en is uw hart verslagen over de zonde? Een dode doet dat niet. Dat zijn de levensbewegingen die de Heilige Geest werkt, vóór de ziel wordt opgewekt.
Christus’ lichaam bleef niet in het graf, ofschoon het daarin reeds levend was; en niemand die levend gemaakt is, zal gelaten worden in zijn veroordeling en schuld. God, Die rijk is in barmhartigheid, voltooit wat Hij begon. Hetzelfde werk dat u levend maakte, zal u ook uit deze staat van onrust en benauwdheid halen. Uit genade bent u zalig geworden, en uit genade zult u met Christus opstaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden). En heeft ons mede opgewekt.
Efeze 2:4, 5, 6
Achttienhonderd jaar zijn voorbijgegaan sinds het lichaam van Christus in het graf levend gemaakt werd; maar de geestelijke vrucht van die levendmaking komt tot alle uitverkorenen en zal zich uitstrekken tot het einde van de eeuwen. Krachtens deze levendmaking doet het leven zijn intrede in de ziel wanneer de Heilige Geest Zijn voornemen gaat uitvoeren. U heeft Hij mede levend gemaakt, toen u dood was. Met de levendmaking komen levende indrukken, zoals overtuiging van zonde, een schuldig geweten, de vreze Gods, een verslagen hart, de geest van het gebed en berouw. In één woord: dit is het eerste werk van de genade in de ziel.
Toen het lichaam van Christus door de Heilige Geest levend gemaakt werd, waren er levensbewegingen voordat het lichaam het graf verliet. Zo zijn er ook levensbewegingen in de ziel van een kind van God door de levendmakende werkingen van God de Heilige Geest, voordat zij wordt opgewekt. Zij is tot leven gebracht, en krachtens die levendmaking ziet, voelt, vreest, roept en bidt zij, en ziet zij uit naar genade. Elk vermogen van het vernieuwde gemoed van de zondaar is levend en open voor de dingen van God. Nooit zullen wij bidden, leren, horen en de zekerheid van de eeuwige dingen beseffen, behalve wanneer het de Heere behaagt ons door Zijn Geest tot het geestelijk leven te brengen.
Maar dan is er nog geen opstanding; de levendmaking gaat eraan vooraf. Toen de adem van de Heilige Geest, om zo te zeggen, het lichaam van Christus levend maakte terwijl het in het graf lag, was dat alleen een voorbereiding op de opstanding van dat dode lichaam uit het graf. Zo zijn ook de levendmakende werkingen van God de Heilige Geest in het hart van een kind van God alleen voorbereidingen op de opwekking met Christus. Het lichaam van Christus bleef niet in het graf, ook al was het daarin al levend. Zo is het ook met hen die God levend gemaakt heeft en die nog in het graf van zonde, ellende en ongerechtigheid liggen, maar toch zuchten, klagen en om genade bedelen: ook zij zullen zeker naar buiten gebracht worden.
Het lichaam van Christus werd daar niet gelaten toen het levend gemaakt was; en zo zal ook niemand van u die levend gemaakt bent, gelaten worden in uw zonde en ellende, in uw veroordeling en schuld. Hetzelfde Goddelijke werk dat u tot het geestelijk leven bracht, zal u uit deze staat van onrust en benauwdheid halen en met Christus doen opstaan, zoals het gebeurde met Zijn lichaam toen Hij uit het graf uitging.
Wanneer nu de kracht van God in de ziel werkt, wanneer de barmhartigheid het hart bereikt, wanneer Christus geopenbaard en Zijn Woord toegepast wordt, en de ziel uit het donkere graf komt waarin zij gelegen heeft, zoals Lazarus, gebonden met grafdoeken en toch levend; wanneer zo de deur van de hoop geopend wordt en de ziel opgewekt wordt tot geloof, hoop en liefde, dan is zij „met Christus mede opgewekt”.
De opstanding van Christus was niet alleen het grote getuigenis dat God Hem gaf als Zijn geliefde Zoon, want Hij is „krachtiglijk bewezen te zijn de Zone Gods, door de opstanding uit de doden.” Hij is ook „opgewekt om onze rechtvaardigmaking”, en wij zijn in Hem opgestaan als wij in Zijn Naam geloven. Alle uitverkorenen van God zijn met Hem opgestaan, want zij zijn „leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.” Toen Hij stierf, stierven zij; toen Hij opstond, stonden zij op. Zij zijn in de Persoon van de Zoon van God opgestaan toen Hij zegevierend uit het graf verrees. Zo wekt de Heilige Geest hen ook op wanneer Hij de weldaden en zegeningen van Zijn dood en opstanding aan hun hart en geweten toepast, en brengt Hij hen uit het donkere graf in het open licht van een heerlijke dag van het Evangelie. Dat is „met Christus mede opgewekt” zijn.
Aan de lezer…
Arme zondaar, ligt u nog als in het graf van zonde en ellende, en vraagt u zich af of er ooit een opstanding voor u zal komen? Let dan op wat er in u leeft. Zucht u, klaagt u, bedelt u om genade? Vreest u God, en is uw hart verslagen over de zonde? Een dode doet dat niet. Dat zijn de levensbewegingen die de Heilige Geest werkt, voordat de ziel wordt opgewekt.
Het lichaam van Christus bleef niet in het graf, ook al was het daarin al levend; en niemand die levend gemaakt is, zal gelaten worden in zijn veroordeling en schuld. God, Die rijk is in barmhartigheid, voltooit wat Hij begon. Hetzelfde werk dat u levend maakte, zal u ook uit deze staat van onrust en benauwdheid halen. Uit genade bent u zalig geworden, en uit genade zult u met Christus opstaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But God, who is rich in mercy, for his great love wherewith he loved us, even when we were dead in sins, hath quickened us together with Christ, (by grace ye are saved;) and hath raised us up together.”
Ephesians 2:4-6
Eighteen hundred years have rolled away since the body of Christ was quickened in the sepulcher; but the virtual effect of that quickening reached all the election of grace, and will stretch down to the remotest period of time. Now, by virtue of this quickening, when the Holy Spirit comes forward for the execution of His purpose, life enters into the soul. “You has He quickened, who were dead.” With quickening comes living sensations, such as conviction of sin, guilt of conscience, the fear of God, the heart broken, the spirit of prayer, repentance unto life; in a word, all the first work of grace in the soul.
As in the body of Christ, when quickened by the Holy Spirit, there were vital movements before that body left the sepulcher, so there are vital movements in the soul of a child of God under the quickening operations of God the Holy Spirit, before raised up and brought forth. He is quickened into life, and under that quickening sees, feels, trembles, cries, groans, begs, and sues for mercy; every faculty of his renewed mind is alive and open to the things of God. Never do we pray, read, hear, feel so much the power of eternal things, as when the Lord by His Spirit and grace is first pleased to quicken us into this spiritual life. But no resurrection yet; the quickening precedes.
But as, when the breath of the Holy Spirit, so to speak, quickened the body of Christ as it lay in the sepulcher, it was but a preparation for the raising of that dead body from the tomb, so the quickening operations of God the Holy Spirit in the heart of a child of God are but preparatory to his being raised up together with Christ. Christ’s body did not remain in the tomb, though it was alive in the tomb; so those whom God has quickened, and who are still lying in the tomb of sin, misery, and wretchedness, but are sighing, suing, and begging for mercy at His hands will certainly be brought out. Christ’s body was not left there when it was quickened, neither will any of you who are quickened be left in your sin and misery, in your condemnation and guilt. The same divine operation that quickened you into spiritual life will bring you out of this state of concern and anxiety into the resurrection life of Christ, as was done in the case of His body, when He rose out of the tomb.
Now, when the power of God is put forth in the soul; when mercy reaches the heart; when Christ is revealed, His Word applied, and it comes forth out of the dark tomb in which it has lain, like Lazarus, bound with grave-clothes, and yet alive; when the door of hope thus is set open, and the soul is raised up to believe, hope and love, then it is “raised up together with Christ.” The resurrection of Christ was not merely the grand testimony that God put upon Him as His dear Son, for He was declared to be “the Son of God with power, by the resurrection from the dead,” but He was “raised also for our justification;” and we rose in Him, if we believe in His Name.
All the elect of God rose with Him; for they are “members of His body, of His flesh, and of His bones.” When He died, they died; when He rose again, they rose again; and as they rose virtually in the Person of the Son of God when He rose triumphant from the tomb, so, when the Holy Spirit applies to the heart and conscience the benefits and blessings of His death and resurrection, He raises them up and brings them out of the dark sepulcher into the open light of a glorious gospel day. And this is being “raised up together with Christ.”
To the reader…
Poor sinner, are you still lying as it were in the tomb of sin and misery, and do you wonder whether a resurrection will ever come for you? Then take note of what lives in you. Do you sigh, do you complain, do you beg for mercy? Do you fear God, and is your heart broken over sin? A dead man does not do that. These are the living movements that the Holy Spirit works before the soul is raised up.
The body of Christ did not remain in the tomb, even though it was already alive in it; and no one who has been quickened will be left in his condemnation and guilt. God, Who is rich in mercy, completes what He began. The same work that quickened you will also bring you out of this state of concern and anxiety. By grace you are saved, and by grace you will rise with Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Empero Dios, que es rico en misericordia, por su mucho amor con que nos amó, aun estando nosotros muertos en pecados, nos dió vida juntamente con Cristo; (por gracia sois salvos;) y juntamente nos resucitó.”
Efesios 2:4-6
Han pasado mil ochocientos años desde que el cuerpo de Cristo fue vivificado en el sepulcro; pero el efecto virtual de esa vivificación alcanzó a toda la elección de gracia, y se extenderá hasta el período más remoto del tiempo. Ahora bien, en virtud de esta vivificación, cuando el Espíritu Santo se adelanta para ejecutar Su propósito, la vida entra en el alma. “Y de ella recibisteis vosotros, que estabais muertos.” Con la vivificación vienen sensaciones vivas, como la convicción de pecado, la culpa de conciencia, el temor de Dios, el corazón quebrantado, el espíritu de oración, el arrepentimiento para vida; en una palabra, toda la primera obra de la gracia en el alma.
Así como en el cuerpo de Cristo, cuando fue vivificado por el Espíritu Santo, hubo movimientos vitales antes de que ese cuerpo dejara el sepulcro, así hay movimientos vitales en el alma de un hijo de Dios bajo las operaciones vivificadoras de Dios el Espíritu Santo, antes de ser resucitado y sacado fuera. Es vivificado a la vida, y bajo esa vivificación ve, siente, tiembla, clama, gime, ruega y suplica misericordia; cada facultad de su mente renovada está viva y abierta a las cosas de Dios. Nunca oramos, leemos, oímos ni sentimos tanto el poder de las cosas eternas como cuando al Señor, por Su Espíritu y Su gracia, Le place vivificarnos por primera vez a esta vida espiritual. Pero todavía no hay resurrección; la vivificación va antes.
Pero así como, cuando el aliento del Espíritu Santo, por así decirlo, vivificó el cuerpo de Cristo mientras yacía en el sepulcro, no era sino una preparación para que ese cuerpo muerto fuera levantado de la tumba, así las operaciones vivificadoras de Dios el Espíritu Santo en el corazón de un hijo de Dios no son sino preparatorias para que sea resucitado juntamente con Cristo. El cuerpo de Cristo no permaneció en la tumba, aunque estaba vivo en la tumba; así aquellos a quienes Dios ha vivificado, y que aún yacen en la tumba del pecado, la miseria y la desdicha, pero suspiran, suplican y ruegan misericordia de Sus manos, ciertamente serán sacados fuera. El cuerpo de Cristo no fue dejado allí cuando fue vivificado, ni tampoco ninguno de ustedes que ha sido vivificado será dejado en su pecado y su miseria, en su condenación y su culpa. La misma operación divina que les vivificó a la vida espiritual les sacará de este estado de preocupación y ansiedad a la vida de resurrección de Cristo, como sucedió con Su cuerpo cuando resucitó de la tumba.
Ahora bien, cuando el poder de Dios se manifiesta en el alma; cuando la misericordia alcanza el corazón; cuando Cristo es revelado, Su Palabra aplicada, y el alma sale de la oscura tumba en que ha yacido, como Lázaro, atada con vendas y sin embargo viva; cuando así se abre la puerta de la esperanza y el alma es levantada a creer, esperar y amar, entonces es “resucitada juntamente con Cristo”. La resurrección de Cristo no fue solo el gran testimonio que Dios puso sobre Él como Su amado Hijo, pues fue “declarado Hijo de Dios con potencia, por la resurrección de los muertos”, sino que fue “resucitado para nuestra justificación”; y nosotros resucitamos en Él, si creemos en Su Nombre.
Todos los elegidos de Dios resucitaron con Él; porque son “miembros de su cuerpo, de su carne y de sus huesos”. Cuando Él murió, ellos murieron; cuando Él resucitó, ellos resucitaron; y así como resucitaron virtualmente en la Persona del Hijo de Dios cuando Él se levantó triunfante de la tumba, así, cuando el Espíritu Santo aplica al corazón y a la conciencia los beneficios y bendiciones de Su muerte y resurrección, Él los levanta y los saca del oscuro sepulcro a la luz abierta de un glorioso día del evangelio. Y esto es ser “resucitados juntamente con Cristo”.
Al lector…
Pobre pecador, ¿yace usted todavía, por así decirlo, en la tumba del pecado y la miseria, y se pregunta si alguna vez llegará para usted una resurrección? Entonces fíjese en lo que vive en usted. ¿Suspira, se queja, ruega misericordia? ¿Teme a Dios, y está su corazón quebrantado por el pecado? Un muerto no hace eso. Estos son los movimientos vivos que el Espíritu Santo obra antes de que el alma sea levantada.
El cuerpo de Cristo no permaneció en la tumba, aunque ya estaba vivo en ella; y nadie que haya sido vivificado será dejado en su condenación y su culpa. Dios, Que es rico en misericordia, acaba lo que comenzó. La misma obra que le vivificó le sacará también de este estado de preocupación y ansiedad. Por gracia es usted salvo, y por gracia resucitará con Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl