23 november
Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft.
Romeinen 4:18
De hoop is de vrucht van de Geest, en de afwezigheid der hoop, of waar deze geheel niet gevonden wordt, al noemt men zelfs de naam, daar heerst de dood. „Maar,” zullen sommigen zeggen, „zijn Gods kinderen niet menigmaal de wanhoop ten prooi?” Neen, niet aan de wanhoop. Zij zijn er dikwijls zeer nabij, of op de oever der wanhoop. De rukwinden uit dat verderfelijk land mogen hun pestlucht op hen werpen, zodat zij in hun gewaarwording in de wanhoop verkeren, maar geen van Gods kinderen zette ooit zijn voet over de grensscheiding, zodat hij in het gebied der wanhoop zou terechtgekomen zijn.
Zou hij dit kunnen doen, dan zou hij niet langer in het land der levenden zijn. Indien hij ooit zijn voet zou kunnen zetten over de lijn die het land der hoop van het land der wanhoop afscheidt, hij zou niet langer de Heere aanroepen om zijn ziel van de hel te redden; maar hij zou dadelijk door haar stromen overstroomd worden, die hem in het eeuwig verderf zouden wegvoeren. De hel is de plaats der wanhoop, en de consciëntie van de verworpeling komt, vóór hij in deze verterende vlammen geworpen wordt, vóór de hel haar kaken opspert om hem te ontvangen, in de wanhoop.
En derhalve komt gij als kind van God nooit in de wanhoop, tenzij gij ooit gevoelde wat de verdoemden in de hel beleven, hetgeen gij nooit beleven kunt, ofschoon gij kunt denken er hier iets van te kennen. En hoe na gij ook aan de grens der wanhoop moogt geweest zijn, uw voetstappen hebben nooit die grens overschreden. Neen, er blijft een „wie weet?”, een verborgen ondersteuning als van onder eeuwige armen. Er is een band die de ziel omstrengelt door de God aller genade; er is een gouden keten, door God Zelf vanuit de eeuwige troon van barmhartigheid en waarheid neergelaten, die de ziel bewaart van te worden neergetrokken in die afgrond. Zij wordt bewaard van meegevoerd te worden in die vreselijke waterval en van opgezwolgen te worden in die kokende afgrond beneden.
Er is een onzichtbare arm die de ziel bewaart van door de watervloeden te worden weggevaagd, en deze verborgen ondersteuning openbaart zich hierin, dat de ziel menigmaal wordt opgewekt tot het gebed en dat zij haar klachten mag uitgieten voor des Heeren aangezicht. Zie, dit ondersteunt degenen die zich als overstroomd gevoelen door de stromen der wanhoop, ten tijde dat de sluizen van Gods toorn schijnen opgetrokken te zijn en schijnen te haasten om hen in de eeuwige ellende te doen neerstorten. Derhalve is er niet één kind van God, dat door de Geest is levend gemaakt, of het heeft een zekere hoop, die het voor een algehele schipbreuk behoedt. Zo zeggen wij dus niet te veel, dat de afwezigheid der hoop de mens tekent als een dode.
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, aan de oever der wanhoop gekomen? Waaien de rukwinden uit dat verderfelijk land u tegemoet, en schijnt het of de sluizen van Gods toorn opgetrokken zijn om u te doen neerstorten? U meent misschien dat u de grens al overgegaan bent. Maar hoe na u er ook geweest bent, zolang u nog tot de Heere roept om uw ziel van de hel te redden, staat u niet in het land der wanhoop.
Er blijft een „wie weet?”, een verborgen ondersteuning als van onder eeuwige armen. Er is een gouden keten, door God Zelf neergelaten van Zijn troon van barmhartigheid en waarheid, die u bewaart. Dat u nog bidt, dat u uw klachten nog voor Zijn aangezicht mag uitgieten, is daar het teken van. Laat dat u dan bemoedigen om tegen hoop op hoop te geloven. De God aller genade laat Zijn kind niet in de afgrond wegvoeren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft.
Romeinen 4:18
De hoop is de vrucht van de Geest, en waar de hoop afwezig is of helemaal niet gevonden wordt, al draagt men zelfs de naam, daar heerst de dood. „Maar,” zullen sommigen zeggen, „zijn Gods kinderen niet menigmaal de wanhoop ten prooi?” Nee, niet aan de wanhoop. Zij zijn er vaak heel dichtbij, aan de oever van de wanhoop. De rukwinden uit dat verderfelijke land mogen hun verpeste lucht op hen werpen, zodat zij naar hun gevoel in de wanhoop verkeren, maar geen van Gods kinderen zette ooit zijn voet over de grens, zodat hij in het gebied van de wanhoop terechtgekomen zou zijn.
Als hij dat zou kunnen doen, zou hij niet langer in het land der levenden zijn. Als hij ooit zijn voet zou kunnen zetten over de lijn die het land van de hoop scheidt van het land van de wanhoop, zou hij de Heere niet langer aanroepen om zijn ziel van de hel te redden. Dan zou hij meteen overspoeld worden door haar stromen, die hem in het eeuwig verderf zouden meesleuren. De hel is de plaats van de wanhoop, en het geweten van de verworpene komt in de wanhoop voordat hij in die verterende vlammen geworpen wordt, voordat de hel haar kaken opensperst om hem te ontvangen.
Daarom komt u als kind van God nooit in de wanhoop, tenzij u ooit voelde wat de verdoemden in de hel doormaken. Dat kunt u nooit doormaken, ook al denkt u er hier iets van te kennen. En hoe dicht u ook aan de grens van de wanhoop geweest mag zijn, uw voetstappen hebben die grens nooit overschreden. Nee, er blijft een „wie weet?”, een verborgen ondersteuning als van onder eeuwige armen. Er is een band waarmee de God van alle genade de ziel omsnoert; er is een gouden keten, door God Zelf vanaf de eeuwige troon van barmhartigheid en waarheid neergelaten, die de ziel ervoor bewaart in die afgrond te worden neergetrokken. Zij wordt ervoor bewaard meegesleurd te worden in die vreselijke waterval en verzwolgen te worden in die kolkende afgrond beneden.
Er is een onzichtbare arm die de ziel ervoor bewaart door de watervloeden te worden weggevaagd. Die verborgen ondersteuning blijkt hieruit dat de ziel menigmaal tot gebed wordt opgewekt en haar klachten mag uitstorten voor het aangezicht van de Heere. Zie, dit ondersteunt hen die zich als overspoeld voelen door de stromen van de wanhoop, op het moment dat de sluizen van Gods toorn opengezet lijken te zijn en zich lijken te haasten om hen in de eeuwige ellende te storten. Daarom is er niet één kind van God dat door de Geest levend gemaakt is, of het heeft een zekere hoop die het voor volledige schipbreuk behoedt. Wij zeggen dus niet te veel wanneer wij zeggen dat de afwezigheid van hoop een mens tekent als een dode.
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, aan de oever van de wanhoop gekomen? Waaien de rukwinden uit dat verderfelijke land u tegemoet, en lijkt het alsof de sluizen van Gods toorn opengezet zijn om u in de diepte te storten? U meent misschien dat u de grens al bent overgegaan. Maar hoe dichtbij u ook geweest bent, zolang u nog tot de Heere roept om uw ziel van de hel te redden, staat u niet in het land van de wanhoop.
Er blijft een „wie weet?”, een verborgen ondersteuning als van onder eeuwige armen. Er is een gouden keten, door God Zelf neergelaten van Zijn troon van barmhartigheid en waarheid, die u bewaart. Dat u nog bidt, dat u uw klachten nog voor Zijn aangezicht mag uitstorten, is daar het teken van. Laat dat u dan bemoedigen om tegen hoop op hoop te geloven. De God van alle genade laat Zijn kind niet in de afgrond wegsleuren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Who against hope believed in hope.”
Romans 4:18
Hope is a fruit of the Spirit; and the absence of hope, the thorough, complete absence of hope, stamps death upon that nominal branch, in which the absence of all hope is found. But some will say, “Are not the children of God often plunged into despair?” No; not into despair. They are often very near it, they are on the borders of it; they go to the very brink of it; the gusts from that pestiferous land may so blow their blasts upon them, that in their feelings they shall be in despair; yet no living soul ever set his foot beyond the brink, no child of God ever stepped beyond the border, so as to get into the regions of despair.
If he got there, he would no longer be in “the land of the living;” if ever he set his foot over the border that separates the land of hope from the land of despair, he would be no longer calling upon the Lord to save his soul from the lowest hell, but he would be at once overwhelmed by those torrents, which would sweep him away into endless perdition.
Hell is the place of despair, and of the conscience of the reprobate, before he is cast into those devouring flames; and therefore, unless you know what the very feelings of the damned in hell are (which you can never be certain you do, however you may think you know them), or unless you have gone into the very feelings of despair in the conscience of the reprobate before hell opens its jaws to receive him forever, however near you have been to the borders of that dreadful land, you never can say your foot has crossed the threshold.
No; there is a “Who can tell?” a secret support of “the everlasting arms;” there is a band, a tie, wreathed round the soul by the God of all grace; there is a golden chain let down by God Himself from the everlasting throne of mercy and truth, which keeps the soul from ever being drawn into that whirlpool, going down those tremendous cataracts, and being swallowed up in the boiling abyss below. There is an invisible arm that preserves the soul from being swept away by the water-floods; and this secret help is manifested by a lifting up of the heart oftentimes in prayer, and the relief sometimes experienced in pouring forth the soul in fervent cries, upholding all who feel it from being overwhelmed in the torrent of despair, when the sluices of God’s wrath seem pulled up to hurry it into eternal misery.
And therefore there is no child of God that has been quickened by the Spirit, but has some degree of hope, which keeps him from making shipwreck altogether. So that we do not go too far in saying that the absence of hope altogether stamps death upon a man.
To the reader…
Have you, dear reader, come to the edge of despair? Are the gusts from that pestilent land blowing against you, and does it seem as though the sluices of God’s wrath have been opened to cast you into the deep? Perhaps you think you have already crossed the border. But however close you have been, as long as you still cry to the Lord to save your soul from hell, you are not standing in the land of despair.
There remains a “Who can tell?”, a hidden support as from underneath the everlasting arms. There is a golden chain, let down by God Himself from His throne of mercy and truth, that keeps you. That you still pray, that you may still pour out your complaints before His face, is the sign of it. Let that encourage you, then, against hope to believe in hope. The God of all grace does not let His child be dragged away into the abyss.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Él creyó en esperanza contra esperanza.”
Romanos 4:18
La esperanza es un fruto del Espíritu; y la ausencia de esperanza, la ausencia total y completa de esperanza, sella con la muerte aquella rama nominal en la cual se halla la ausencia de toda esperanza. Pero algunos dirán: “¿No son a menudo sumidos en la desesperación los hijos de Dios?” No; en la desesperación, no. A menudo están muy cerca de ella, están en sus fronteras; llegan hasta su mismo borde; las ráfagas de aquella tierra pestilente pueden soplar sobre ellos de tal manera que en sus sentimientos estén en desesperación; y sin embargo, ninguna alma viva puso jamás el pie más allá del borde, ningún hijo de Dios pasó jamás más allá de la frontera, como para entrar en las regiones de la desesperación.
Si llegara allí, ya no estaría en “la tierra de los vivientes”; si alguna vez pusiera el pie más allá de la frontera que separa la tierra de la esperanza de la tierra de la desesperación, ya no estaría invocando al Señor para que salve su alma del infierno más profundo, sino que sería abrumado de inmediato por aquellos torrentes que lo arrastrarían a la perdición sin fin.
El infierno es el lugar de la desesperación, y también lo es la conciencia del réprobo antes de ser arrojado a aquellas llamas devoradoras; y por tanto, a menos que usted sepa cuáles son los sentimientos mismos de los condenados en el infierno (cosa de la que nunca puede estar seguro, por mucho que piense conocerlos), o a menos que haya entrado en los sentimientos mismos de desesperación en la conciencia del réprobo antes de que el infierno abra sus fauces para recibirle para siempre, por muy cerca que haya estado de las fronteras de aquella espantosa tierra, nunca puede decir que su pie ha cruzado el umbral.
No; hay un “¿Quién sabe?”, un sostén secreto de “los brazos eternos”; hay un lazo, un vínculo, enlazado alrededor del alma por el Dios de toda gracia; hay una cadena de oro bajada por Dios mismo desde el trono eterno de misericordia y verdad, que impide que el alma sea jamás arrastrada a aquel remolino, que baje por aquellas tremendas cataratas y sea tragada en el abismo hirviente de abajo. Hay un brazo invisible que preserva al alma de ser arrastrada por las inundaciones de aguas; y esta ayuda secreta se manifiesta muchas veces por un levantamiento del corazón en oración, y por el alivio que a veces se experimenta al derramar el alma en clamores fervientes, sosteniendo a todos los que lo sienten para que no sean anegados en el torrente de la desesperación, cuando las compuertas de la ira de Dios parecen alzadas para precipitarla a la miseria eterna.
Y por tanto, no hay hijo de Dios vivificado por el Espíritu que no tenga algún grado de esperanza, la cual le impide naufragar por completo. De modo que no vamos demasiado lejos al decir que la ausencia total de esperanza sella con la muerte a un hombre.
Al lector…
¿Ha llegado usted, querido lector, al borde de la desesperación? ¿Soplan contra usted las ráfagas de aquella tierra pestilente, y parece como si se hubieran abierto las compuertas de la ira de Dios para arrojarle al abismo? Quizá piense que ya ha cruzado la frontera. Pero por muy cerca que haya estado, mientras todavía clame al Señor que salve su alma del infierno, no está en la tierra de la desesperación.
Queda un “¿Quién sabe?”, un sostén escondido como desde debajo de los brazos eternos. Hay una cadena de oro, bajada por Dios mismo desde Su trono de misericordia y verdad, que le guarda. Que usted todavía ore, que todavía pueda derramar sus quejas delante de Su rostro, es la señal de ello. Que eso le anime, pues, a creer en esperanza contra esperanza. El Dios de toda gracia no deja que Su hijo sea arrastrado al abismo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl