Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 4 dagen geleden
Joseph Charles Philpot Bevindelijke geschriften & prediking

Door Baca’s vallei

23 oktober

Vandaag

3 min. lezen

Tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24

De Heere heeft een absolute belofte gegeven, namelijk deze: „In de Heere zal gerechtvaardigd worden en zich beroemen het ganse zaad Israëls.” En niet minder wordt eraan toegevoegd: „Tot Hem zal men komen.” En wie geeft hun de wil en de macht om te komen? De Vader Zelf, overeenkomstig des Heeren eigen woorden: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.” Maar zal de Vader alle uitverkoren vaten der barmhartigheid tot Jezus trekken? Gewisselijk zal Hij het doen, want de Heere voegt eraan toe: „Gelijk geschreven is in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij” (Joh. 6:45).

Iedere daad des geloofs waardoor u op Jezus ziet, is een komen. Iedere straal van hoop in Zijn bloed is een komen. Iedere zucht, elk gebed of elke traan, elk oprecht berouw, iedere uitgaande begeerte van een verbroken hart, dit alles is een komen. Zodat, wanneer u niet in staat bent u ten volle te vergewissen, zoals u zou wensen, van een aandeel in het vorige gedeelte van de belofte: „Gewisselijk, in de Heere heb ik gerechtigheid en sterkte”, toch door een Goddelijke kracht een verborgen komen in uw ziel gewrocht is, waardoor u een bewezen aandeel hebt in het tweede gedeelte: „Tot Hem zal men komen.”

Wij kunnen niet komen, tenzij wij getrokken worden. „Trek mij,” zegt de bruid, „en wij zullen U nalopen” (Hooglied 1:4). „De Heere is mij verschenen van verre tijden: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.” Als wij getrokken worden, dan komen wij, en dan moeten wij komen. Het is goed om te komen. Zelfs zij die reeds ontvangen hebben, moeten voortdurend komen; wij krijgen niet dan door het komen.

Ons dagelijks leven, als een leven van geloof en hoop, is een leven van komen. Ons aanhoudend gebed is een aanhoudend komen, want de taal van de kerk is steeds: „En de Geest en de bruid zeggen: Kom; en die dorst heeft, kome, en die wil, neme het water des levens om niet.” Zo moeten wij altijd komen, om te allen tijde iets te ontvangen. En alles wat ons doet komen, bevat in zich een wezenlijke zegen. U zult niet tevergeefs komen, wie of wat u ook bent. „Want die tot Mij komt,” zegt de Heere Zelf, „die zal Ik geenszins uitwerpen.”

Aan de lezer…

Waarde lezer, durft u niet zeggen: „In de Heere heb ik gerechtigheid en sterkte”? Kunt u uw aandeel in Hem niet zo vast stellen als u wel zou wensen? Zie dan op het tweede gedeelte van de belofte: „Tot Hem zal men komen.” Iedere zucht, iedere traan, iedere straal van hoop in Zijn bloed, iedere begeerte van een verbroken hart is een komen. En wie zo komt, is getrokken, want niemand kan tot Hem komen, tenzij de Vader hem trekt.

Blijf dan komen, niet eenmaal, maar dagelijks; want wij krijgen niet dan door het komen. Komt u met lege handen, met een schuldig geweten, met een hart dat nauwelijks weet wat het bidden moet: u zult niet tevergeefs komen, wie of wat u ook bent. Hij Zelf heeft het gezegd, en Hij liegt niet: „Die tot Mij komt, die zal Ik geenszins uitwerpen.”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl