Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Door Baca’s vallei

22 september

Vandaag

6 min. lezen

Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.
Johannes 17:24

Hoe groot, hoe verheven boven alles wat mensen of engelen kunnen uitspreken of begrijpen, moet de heerlijkheid van Christus zijn als de Zoon van de Vader in waarheid en liefde! En de Heere Jezus Christus is niet alleen heerlijk in Zijn wezenlijke Godheid als de Zoon van God, maar ook in Zijn heilige, vlekkeloze mensheid, die Hij aannam in de schoot van de maagd Maria. Want hoewel die mensheid het vlees en bloed van de kinderen was, was zij het Heilige, ontvangen van de Heilige Geest, en verenigd met Zijn eeuwige Godheid, zodat Hij Immanuël kon zijn, God met ons. De zuiverheid, heiligheid en onschuld, de vlekkeloze schoonheid en volkomen volmaaktheid van deze menselijke natuur maken haar in zichzelf buitengewoon heerlijk. Maar haar grote heerlijkheid ligt in de vereniging die zij heeft en geniet met de Goddelijke natuur van de Zoon van God. De zuivere mensheid van de Heere Jezus Christus omsluiert Zijn Godheid, en toch schijnt de Godheid erdoorheen; zij vervult haar met onuitsprekelijke glans en beschijnt haar met een onbegrijpelijke heerlijkheid.

Er is geen verwarring of vermenging van de twee naturen, want de mensheid kan niet de Godheid worden, en de Godheid niet de mensheid; elke natuur blijft afzonderlijk, en iedere natuur heeft haar eigen bijzondere heerlijkheid. Maar er is ook een heerlijkheid in de vereniging van beide naturen in de Persoon van de Godheid. Dat zo’n wijsheid ontplooid moest worden, zo’n genade aan het licht gebracht, zo’n liefde geopenbaard; dat de vereniging van de twee naturen in de Persoon van de Zoon van God niet alleen, om zo te zeggen, eenmaal zou plaatsvinden, maar zou blijven voortbestaan; en dat de zaligheid met al haar huidige vruchten van genade en al haar toekomstige vruchten van heerlijkheid zo gehandhaafd zou worden: dat maakt de vereniging van de twee naturen zo onuitsprekelijk heerlijk.

Laten we er verder op letten dat de kerk door de vereniging van de menselijke natuur met de Goddelijke in de nauwste en innigste gemeenschap is gebracht met de Vader en de Heilige Geest. Wat een heerlijkheid wordt er dan gezien in de verheerlijking van de Persoon van de Godmens! Als God is Hij één met God, en als mens is Hij één met de mens; zo is Hij als mens verenigd met God, en God met de mens. Daarin worden deze wonderlijke woorden vervuld: „Opdat zij allen één zijn; gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn.” En opnieuw: „Ik in hen, en Gij in Mij, opdat zij volmaakt zijn in één.” Zo is er dus de heerlijkheid van Christus als God, de heerlijkheid van Christus als mens, en de heerlijkheid van Christus als Godmens.

En deze drievoudige heerlijkheid komt in zekere mate overeen met wat Hij was voordat Hij in de wereld kwam, met wat Hij was toen Hij in de wereld was, en met wat Hij nu is, nu Hij naar de Vader is heengegaan, volgens Zijn eigen woorden, Joh. 16:28. Voordat Hij in de wereld kwam, was Zijn hoogste heerlijkheid wat Hem eigen was als de Zoon van God. Terwijl Hij in de wereld was, was Zijn hoogste heerlijkheid dat Hij de Zoon des mensen was. En nu Hij naar de hemel is heengegaan, is Zijn hoogste heerlijkheid dat Hij God en mens is in één heerlijk Persoon. Deze laatste heerlijkheid van Christus is in bijzondere zin Zijn middelaarsheerlijkheid. Zij wordt hier door het geloof aanschouwd en zal hierna van aangezicht tot aangezicht gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid.

De drie discipelen op de berg van de verheerlijking, Stefanus toen hij de marteldood stierf, Paulus toen hij werd opgetrokken in de derde hemel, Johannes op het eiland Patmos: zij hebben allen bijzondere en bovennatuurlijke openbaringen gehad van de heerlijkheid van Christus, dat wil zeggen openbaringen die uitgaan boven wat gewoonlijk aan een gelovige gegeven wordt. Maar de gewone manier waarop wij nu Zijn heerlijkheid aanschouwen, is door de Heilige Geest, Die Hem verheerlijkt door het uit het Zijne te nemen en het aan de ziel te openbaren. Deze Goddelijke en gezegende Leraar getuigt van Hem en neemt het deksel van onwetendheid en ongeloof weg dat Hem voor de ziel verbergt. Hij schijnt met een heilig en stralend licht op de Schrift die van Hem spreekt, wekt het geloof op om in Zijn Naam te geloven, en verlicht de ogen van het verstand, zodat men op Hem kan zien. En hoewel Hij niet met het lichamelijk oog gezien wordt, wordt Hij bemind, liefgehad en geloofd, en verblijdt de ziel zich met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Zo met het oog van het geloof gezien in wat Hij is en heeft, in wat Hij zegt en doet, wordt Hij dierbaar en heerlijk.

Zijn wonderen van genade toen Hij op aarde was; Zijn woorden, zo vol genade, wijsheid en waarheid; Zijn gaan door het land, goeddoende; Zijn uitnemend voorbeeld van lijdzaamheid, zachtmoedigheid en onderworpenheid; Zijn lijden en smarten in de hof en aan het kruis; Zijn vlekkeloze heiligheid en reinheid; Zijn verzoenend bloed en rechtvaardigmakende gehoorzaamheid; Zijn stervende liefde, zo sterk en krachtig en toch zo beproefd door de wereld, de hemel en de hel; Zijn nederige en toch eervolle begrafenis; Zijn heerlijke opstanding als de Eerstgeborene uit de doden, waardoor Hij krachtig bewezen werd de Zoon van God te zijn; Zijn zitten aan de rechterhand van de Vader, waar Hij regeert en de scepter zwaait, nu Hem alle macht gegeven is in de hemel en op de aarde, en waar Hij nog voor Zijn volk pleit als de Hogepriester over het huis van God — wat een schoonheid en heerlijkheid stralen er uit al deze Goddelijke werkelijkheden, wanneer het geloof ze ziet in verbinding met het werk en de Persoon van Immanuël!

Aan de lezer…

Hoe wonderlijk is het wanneer een ziel iets van deze heerlijkheid mag zien! Hebt u dat ooit gekend? Niet met het lichamelijk oog, zoals de discipelen op de berg of Johannes op Patmos, maar met het oog van het geloof, wanneer de Heilige Geest het deksel van onwetendheid en ongeloof wegnam en u één blik op Christus gaf? Klaagt u misschien dat het deksel nog zo vaak op uw hart ligt en dat Hij zo verborgen voor u is? Vraag dan de Geest, Die Hem verheerlijkt, om het uit het Zijne te nemen en het aan uw ziel te openbaren.

En vergeet niet wat er staat: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.” Wat hier slechts bij ogenblikken door het geloof aanschouwd wordt, zal hierna van aangezicht tot aangezicht gezien worden. Dat is de wil en de bede van de Zoon Zelf. Hoe arm en duister het nu ook in u is, Hij is dezelfde: God en mens in één heerlijk Persoon, de Hogepriester Die nog voor Zijn volk pleit.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl