22 september
Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.
Johannes 17:24
Hoe groot, hoe verheven boven alle uiting of begrip van mensen of engelen moet de heerlijkheid van Christus zijn als de Zoon des Vaders in waarheid en liefde! En niet alleen is de Heere Jezus Christus heerlijk in Zijn wezenlijke Godheid als de Zoon van God, maar ook heerlijk in Zijn heilige, vlekkeloze mensheid, die Hij aannam in de baarmoeder van de maagd Maria. Want ofschoon die mensheid het vlees en bloed der kinderen was, zij was het Heilige, van de Heilige Geest ontvangen, en verenigd geworden met Zijn eeuwige Godheid, opdat Hij mocht zijn Immanuël, God met ons. De zuiverheid, heiligheid en onschuld, de vlekkeloze schoonheid en algehele volmaaktheid van deze menselijke natuur maakt haar in zichzelf buitengewoon heerlijk; maar haar grote heerlijkheid bestaat in de vereniging die zij bezit en geniet met de Goddelijke natuur van de Zoon van God. De zuivere mensheid van de Heere Jezus Christus omsluiert Zijn Godheid, en toch schijnt de Godheid erin uit, haar vervullende met onuitsprekelijke glans en haar beschijnende met een onbegrijpelijke heerlijkheid.
Er is geen verwarring of vermenging van de twee naturen, want de mensheid kan niet de Godheid worden, noch de Godheid de mensheid; elke natuur blijft afzonderlijk, en iedere natuur heeft haar eigen bijzondere heerlijkheid. Maar er is ook een heerlijkheid in de vereniging van beide naturen in de Persoon van de Godheid. Dat zulk een wijsheid moest ontplooid worden, zulk een genade aan het licht gebracht, zulk een liefde geopenbaard, en dat de vereniging der twee naturen in de Persoon des Zoons Gods niet slechts, om zo te spreken, eertijds zou plaatshebben, maar zou blijven voortbestaan, en dat de zaligheid met al haar tegenwoordige vruchten van genade en al haar toekomende vruchten van heerlijkheid zou gehandhaafd worden, dit maakt de vereniging van de twee naturen zo onuitsprekelijk heerlijk.
En wanneer we verder daarop acht geven dat door de vereniging van de menselijke natuur met de Goddelijke de kerk in de nauwste en innigste gemeenschap is gebracht met de Vader en de Heilige Geest, welk een heerlijkheid wordt dan aanschouwd in de verheerlijking van de Persoon van de Godmens, Die als God één is met God, en als mens één is met de mens, en aldus als mens verenigd is met God, en God met de mens, waarin de vervulling van deze wonderlijke woorden volbracht wordt: „Opdat zij allen één zijn; gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn.” En wederom: „Ik in hen, en Gij in Mij, opdat zij volmaakt zijn in één.” Zo is er dus de heerlijkheid van Christus als God, de heerlijkheid van Christus als mens, en de heerlijkheid van Christus als Godmens.
En deze drievoudige heerlijkheid komt in zekere mate overeen met wat Hij was vóór Hij in de wereld kwam, met wat Hij was toen Hij in de wereld was, en met hetgeen Hij nu is, nadat Hij tot de Vader is heengegaan, volgens Zijn eigen woorden, Joh. 16:28. Vóór Hij in de wereld kwam, was Zijn hoogste heerlijkheid hetgeen Hem eigen was als de Zoon van God; terwijl Hij in de wereld was, was Zijn hoogste heerlijkheid dat Hij de Zoon des mensen was; en nu Hij is heengegaan naar de hemel, is Zijn hoogste heerlijkheid dat Hij God en mens is in één heerlijk Persoon. Deze laatste heerlijkheid van Christus is in bijzondere zin Zijn middelaarsheerlijkheid. Zij wordt hier door het geloof aanschouwd en zal hiernamaals van aangezicht tot aangezicht gezien worden door degenen die Hem verwachten tot zaligheid.
De drie discipelen op de berg der verheerlijking, Stefanus toen hij gemarteld werd, Paulus toen hij werd opgetrokken in de derde hemel, Johannes op het eiland Patmos, zij hebben allen bijzondere en bovennatuurlijke openbaringen gehad van de heerlijkheid van Christus, dat wil zeggen: openbaringen die te boven gaan wat gewoonlijk aan een gelovige gegeven wordt. Doch de gewone wijze waarop wij nu Zijn heerlijkheid aanschouwen, is door de Heilige Geest, Die Hem verheerlijkt door het te nemen uit het Zijne en het aan de ziel te openbaren. Deze Goddelijke en gezegende Leraar getuigt van Hem, neemt het deksel van onwetendheid en ongeloof dat Hem voor de ziel verbergt weg, schijnt met een heilig en glansrijk licht op de Schrift die van Hem spreekt, wekt het geloof op om in Zijn Naam te geloven, en verlicht de ogen des verstands, zodat op Hem gezien kan worden. En ofschoon Hij niet gezien wordt met het lichamelijk oog, wordt Hij bemind, geliefd, geloofd, en verblijdt de ziel zich met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Alzo door het oog des geloofs gezien in wat Hij is en heeft, wat Hij zegt en doet, maakt het Hem dierbaar en heerlijk.
Zijn genadewonderen toen Hij op aarde was; Zijn woorden, zo vol genade, wijsheid en waarheid; Zijn gaan door het land, goeddoende; Zijn uitnemend voorbeeld van lijdzaamheid, zachtmoedigheid en onderdanigheid; Zijn lijden en smarten in de hof en op het kruis; Zijn vlekkeloze heiligheid en reinheid; Zijn verzoenend bloed en rechtvaardigmakende gehoorzaamheid; Zijn stervende liefde, zo sterk en krachtig en toch zo beproefd door de wereld, de hemel en de hel; Zijn nederige en toch eerbare begrafenis; Zijn heerlijke opstanding als de Eerstgeborene des doods, waardoor Hij krachtig bewezen werd te zijn de Zoon van God; Zijn zitten aan de rechterhand des Vaders, waar Hij regeert en de scepter zwaait, alle macht Hem gegeven zijnde in de hemel en op de aarde, en waar Hij nog voortreedt voor Zijn volk als de Hogepriester over het huis Gods — welk een schoonheid en heerlijkheid blinken er uit al deze Goddelijke werkelijkheden, wanneer het geloof ze bespiedt in vereniging met het werk en de Persoon van Immanuël!
Aan de lezer…
Hoe wonderlijk is het wanneer een ziel iets van deze heerlijkheid mag zien! Hebt u dat ooit gekend? Niet met het lichamelijk oog, zoals de discipelen op de berg of Johannes op Patmos, maar met het oog des geloofs, wanneer de Heilige Geest het deksel van onwetendheid en ongeloof wegnam en u één blik op Christus gaf? Klaagt u misschien dat het deksel nog zo dikwijls op uw hart ligt en dat Hij u zo verborgen is? Vraag dan de Geest, Die Hem verheerlijkt, om het uit het Zijne te nemen en het aan uw ziel te openbaren.
En vergeet niet wat er staat: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.” Wat hier slechts bij ogenblikken door het geloof aanschouwd wordt, zal hiernamaals van aangezicht tot aangezicht gezien worden. Dat is de wil en de bede van de Zoon Zelf. Hoe arm en duister het nu ook in u is, Hij is dezelfde: God en mens in één heerlijk Persoon, de Hogepriester Die nog voor Zijn volk voortreedt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.
Johannes 17:24
Hoe groot, hoe verheven boven alles wat mensen of engelen kunnen uitspreken of begrijpen, moet de heerlijkheid van Christus zijn als de Zoon van de Vader in waarheid en liefde! En de Heere Jezus Christus is niet alleen heerlijk in Zijn wezenlijke Godheid als de Zoon van God, maar ook in Zijn heilige, vlekkeloze mensheid, die Hij aannam in de schoot van de maagd Maria. Want hoewel die mensheid het vlees en bloed van de kinderen was, was zij het Heilige, ontvangen van de Heilige Geest, en verenigd met Zijn eeuwige Godheid, zodat Hij Immanuël kon zijn, God met ons. De zuiverheid, heiligheid en onschuld, de vlekkeloze schoonheid en volkomen volmaaktheid van deze menselijke natuur maken haar in zichzelf buitengewoon heerlijk. Maar haar grote heerlijkheid ligt in de vereniging die zij heeft en geniet met de Goddelijke natuur van de Zoon van God. De zuivere mensheid van de Heere Jezus Christus omsluiert Zijn Godheid, en toch schijnt de Godheid erdoorheen; zij vervult haar met onuitsprekelijke glans en beschijnt haar met een onbegrijpelijke heerlijkheid.
Er is geen verwarring of vermenging van de twee naturen, want de mensheid kan niet de Godheid worden, en de Godheid niet de mensheid; elke natuur blijft afzonderlijk, en iedere natuur heeft haar eigen bijzondere heerlijkheid. Maar er is ook een heerlijkheid in de vereniging van beide naturen in de Persoon van de Godheid. Dat zo’n wijsheid ontplooid moest worden, zo’n genade aan het licht gebracht, zo’n liefde geopenbaard; dat de vereniging van de twee naturen in de Persoon van de Zoon van God niet alleen, om zo te zeggen, eenmaal zou plaatsvinden, maar zou blijven voortbestaan; en dat de zaligheid met al haar huidige vruchten van genade en al haar toekomstige vruchten van heerlijkheid zo gehandhaafd zou worden: dat maakt de vereniging van de twee naturen zo onuitsprekelijk heerlijk.
Laten we er verder op letten dat de kerk door de vereniging van de menselijke natuur met de Goddelijke in de nauwste en innigste gemeenschap is gebracht met de Vader en de Heilige Geest. Wat een heerlijkheid wordt er dan gezien in de verheerlijking van de Persoon van de Godmens! Als God is Hij één met God, en als mens is Hij één met de mens; zo is Hij als mens verenigd met God, en God met de mens. Daarin worden deze wonderlijke woorden vervuld: „Opdat zij allen één zijn; gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn.” En opnieuw: „Ik in hen, en Gij in Mij, opdat zij volmaakt zijn in één.” Zo is er dus de heerlijkheid van Christus als God, de heerlijkheid van Christus als mens, en de heerlijkheid van Christus als Godmens.
En deze drievoudige heerlijkheid komt in zekere mate overeen met wat Hij was voordat Hij in de wereld kwam, met wat Hij was toen Hij in de wereld was, en met wat Hij nu is, nu Hij naar de Vader is heengegaan, volgens Zijn eigen woorden, Joh. 16:28. Voordat Hij in de wereld kwam, was Zijn hoogste heerlijkheid wat Hem eigen was als de Zoon van God. Terwijl Hij in de wereld was, was Zijn hoogste heerlijkheid dat Hij de Zoon des mensen was. En nu Hij naar de hemel is heengegaan, is Zijn hoogste heerlijkheid dat Hij God en mens is in één heerlijk Persoon. Deze laatste heerlijkheid van Christus is in bijzondere zin Zijn middelaarsheerlijkheid. Zij wordt hier door het geloof aanschouwd en zal hierna van aangezicht tot aangezicht gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid.
De drie discipelen op de berg van de verheerlijking, Stefanus toen hij de marteldood stierf, Paulus toen hij werd opgetrokken in de derde hemel, Johannes op het eiland Patmos: zij hebben allen bijzondere en bovennatuurlijke openbaringen gehad van de heerlijkheid van Christus, dat wil zeggen openbaringen die uitgaan boven wat gewoonlijk aan een gelovige gegeven wordt. Maar de gewone manier waarop wij nu Zijn heerlijkheid aanschouwen, is door de Heilige Geest, Die Hem verheerlijkt door het uit het Zijne te nemen en het aan de ziel te openbaren. Deze Goddelijke en gezegende Leraar getuigt van Hem en neemt het deksel van onwetendheid en ongeloof weg dat Hem voor de ziel verbergt. Hij schijnt met een heilig en stralend licht op de Schrift die van Hem spreekt, wekt het geloof op om in Zijn Naam te geloven, en verlicht de ogen van het verstand, zodat men op Hem kan zien. En hoewel Hij niet met het lichamelijk oog gezien wordt, wordt Hij bemind, liefgehad en geloofd, en verblijdt de ziel zich met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Zo met het oog van het geloof gezien in wat Hij is en heeft, in wat Hij zegt en doet, wordt Hij dierbaar en heerlijk.
Zijn wonderen van genade toen Hij op aarde was; Zijn woorden, zo vol genade, wijsheid en waarheid; Zijn gaan door het land, goeddoende; Zijn uitnemend voorbeeld van lijdzaamheid, zachtmoedigheid en onderworpenheid; Zijn lijden en smarten in de hof en aan het kruis; Zijn vlekkeloze heiligheid en reinheid; Zijn verzoenend bloed en rechtvaardigmakende gehoorzaamheid; Zijn stervende liefde, zo sterk en krachtig en toch zo beproefd door de wereld, de hemel en de hel; Zijn nederige en toch eervolle begrafenis; Zijn heerlijke opstanding als de Eerstgeborene uit de doden, waardoor Hij krachtig bewezen werd de Zoon van God te zijn; Zijn zitten aan de rechterhand van de Vader, waar Hij regeert en de scepter zwaait, nu Hem alle macht gegeven is in de hemel en op de aarde, en waar Hij nog voor Zijn volk pleit als de Hogepriester over het huis van God — wat een schoonheid en heerlijkheid stralen er uit al deze Goddelijke werkelijkheden, wanneer het geloof ze ziet in verbinding met het werk en de Persoon van Immanuël!
Aan de lezer…
Hoe wonderlijk is het wanneer een ziel iets van deze heerlijkheid mag zien! Hebt u dat ooit gekend? Niet met het lichamelijk oog, zoals de discipelen op de berg of Johannes op Patmos, maar met het oog van het geloof, wanneer de Heilige Geest het deksel van onwetendheid en ongeloof wegnam en u één blik op Christus gaf? Klaagt u misschien dat het deksel nog zo vaak op uw hart ligt en dat Hij zo verborgen voor u is? Vraag dan de Geest, Die Hem verheerlijkt, om het uit het Zijne te nemen en het aan uw ziel te openbaren.
En vergeet niet wat er staat: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.” Wat hier slechts bij ogenblikken door het geloof aanschouwd wordt, zal hierna van aangezicht tot aangezicht gezien worden. Dat is de wil en de bede van de Zoon Zelf. Hoe arm en duister het nu ook in u is, Hij is dezelfde: God en mens in één heerlijk Persoon, de Hogepriester Die nog voor Zijn volk pleit.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Father, I will that they also, whom Thou hast given Me, be with Me where I am; that they may behold My glory, which Thou hast given Me: for Thou lovedst Me before the foundation of the world.
John 17:24
How great, how elevated above all utterance or all conception of men or angels, must the glory of Christ be—as the Son of the Father in truth and love! And not only is the Lord Jesus Christ glorious in His essential Deity as the Son of God, but glorious also in His holy, spotless humanity which He assumed in the womb of the Virgin Mary. For this, though the flesh and blood of the children, was “that holy One Who was begotten of the Holy Spirit,” and was taken into union with His eternal Deity, that He might be “Immanuel, God with us.” The purity, holiness and innocence, the spotless beauty and complete perfection of this human nature, make it in itself exceedingly glorious; but its great glory is the union that it possesses and enjoys with the divine nature of the Son of God.
The pure humanity of Jesus veils His Deity, and yet the Deity shines through it, filling it with unutterable brightness, and irradiating it with inconceivable glory. There is no blending of the two natures, for humanity cannot become Deity, nor can Deity become humanity; each nature remains distinct; and each nature has its own peculiar glory. But there is a glory also in the union of both natures in the Person of the God-man. That such wisdom should have been displayed, such grace manifested, such love revealed, and that the union of the two natures in the Person of the Son of God should not only have, so to speak, formerly originated, but should still unceasingly uphold, and eternally maintain salvation with all its present fruits of grace, and all its future fruits of glory, makes the union of the two natures unspeakably glorious.
And when we consider further that through this union of humanity with Deity, the Church is brought into the most intimate nearness and closest relationship with the Father and the Holy Spirit, what a glory is seen to illuminate the Person of the God-man, Who as God is one with God, and as man is one with man, and thus unites man to God, and God to man; thus bringing about the fulfillment of those wonderful words, “That they all may be one; as You, Father, are in Me, and I in You, that they also may be one in Us.” And again, “I in them, and You in Me, that they may be made perfect in one.”
Thus there is the glory of Christ as God, the glory of Christ as man, and the glory of Christ as God-man. And this threefold glory of Christ corresponds in a measure with what He was before He came into the world, with what He was while in the world, and with what He now is as having gone to the Father, according to His own words (John 16:28). Before He came into the world His chief glory was that belonging to Him as the Son of God; while in the world His chief glory was in being the Son of man; and now that He is gone back to heaven His chief glory is that of His being God and man in one glorious Person.
This latter glory of Christ, which is, in an especial sense, His mediatorial glory, is seen by faith here, and will be seen in the open vision of bliss hereafter. The three disciples on the Mount of transfiguration, Stephen at the time of his martyrdom, Paul when caught up into the third heaven, John in Patmos, had all special and supernatural manifestations of the glory of Christ; that is, surpassing what is generally given to believers. But the usual way in which we now see His glory is by the Holy Spirit “glorifying Him by receiving of what is His, and showing it to the soul.”
This divine and blessed Teacher testifies of Him; takes away the veil of ignorance and unbelief which hides Him from view; shines with a holy and sacred light on the Scriptures that speak of Him; and raising up faith to believe in His Name sets Him before the eyes of the enlightened understanding, so that He is looked unto and upon; and though not seen with the bodily eye, is loved, believed, and rejoiced in with joy unspeakable and full of glory. Thus seen by the eye of faith, all that He is and has, all that He says and does is made precious and glorious.
His miracles of mercy, while here below; His words so full of grace, wisdom, and truth; His going about doing good; His sweet example of patience, meekness, and submission; His sufferings and sorrows in the garden and on the cross; His spotless holiness and purity, yet tender compassion to poor lost sinners; His atoning blood and justifying obedience; His dying love, so strong and firm, yet so tried by earth, heaven, and hell; His lowly, yet honorable burial; His glorious resurrection, as the first-begotten of the dead, by which He was declared to be the Son of God with power; His ascension to the right hand of the Father, where He reigns and rules, all power being given unto Him in heaven and earth, and yet intercedes for His people as the great High Priest over the house of God. What beauty and glory shine forth in all these divine realities, when faith can view them in union with the work and Person of Immanuel!
To the reader…
How wonderful it is when a soul may see something of this glory! Have you ever known it? Not with the bodily eye, like the disciples on the mount or John on Patmos, but with the eye of faith, when the Holy Spirit took away the veil of ignorance and unbelief and gave you one glimpse of Christ? Do you perhaps complain that the veil still lies so often on your heart and that He is so hidden from you? Then ask the Spirit, Who glorifies Him, to take of what is His and reveal it to your soul.
And do not forget what is written: “Father, I will that they also, whom Thou hast given Me, be with Me where I am.” What is seen here by faith only in moments will hereafter be seen face to face. That is the will and the prayer of the Son Himself. However poor and dark it may be within you now, He is the same: God and man in one glorious Person, the High Priest Who still pleads for His people.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Padre, aquellos que Me has dado, quiero que donde Yo estoy, ellos estén también conmigo; para que vean Mi gloria que Me has dado: por cuanto Me has amado desde antes de la constitución del mundo.
Juan 17:24
¡Cuán grande, cuán elevada por encima de toda expresión y de toda concepción de hombres o de ángeles ha de ser la gloria de Cristo como el Hijo del Padre en verdad y en amor! Y no solo es glorioso el Señor Jesucristo en Su Deidad esencial como el Hijo de Dios, sino glorioso también en Su santa e inmaculada humanidad, que asumió en el seno de la virgen María. Porque esta, aunque era la carne y sangre de los hijos, era “lo Santo” engendrado del Espíritu Santo, y fue tomada en unión con Su eterna Deidad, para que Él fuese “Emmanuel, Dios con nosotros”. La pureza, santidad e inocencia, la belleza sin mancha y la completa perfección de esta naturaleza humana la hacen en sí misma sumamente gloriosa; pero su gran gloria es la unión que posee y disfruta con la naturaleza divina del Hijo de Dios.
La pura humanidad de Jesús vela Su Deidad, y sin embargo la Deidad resplandece a través de ella, llenándola de un brillo indecible e irradiándola de una gloria inconcebible. No hay mezcla de las dos naturalezas, porque la humanidad no puede convertirse en Deidad, ni la Deidad en humanidad; cada naturaleza permanece distinta, y cada naturaleza tiene su propia gloria peculiar. Pero hay también una gloria en la unión de ambas naturalezas en la Persona del Dios-hombre. Que se haya desplegado tal sabiduría, manifestado tal gracia, revelado tal amor, y que la unión de las dos naturalezas en la Persona del Hijo de Dios no solo haya, por así decirlo, originado en otro tiempo la salvación, sino que aún la sostenga sin cesar y la mantenga eternamente, con todos sus frutos presentes de gracia y todos sus frutos futuros de gloria, hace que la unión de las dos naturalezas sea indeciblemente gloriosa.
Y cuando consideramos además que, por medio de esta unión de la humanidad con la Deidad, la Iglesia es traída a la más íntima cercanía y a la más estrecha relación con el Padre y el Espíritu Santo, ¡qué gloria se ve iluminar la Persona del Dios-hombre, el cual como Dios es uno con Dios, y como hombre es uno con el hombre, y así une al hombre con Dios y a Dios con el hombre, llevando a cumplimiento aquellas maravillosas palabras: “Para que todos sean una cosa; como Tú, oh Padre, en Mí, y Yo en Ti, que también ellos sean en Nosotros una cosa”! Y de nuevo: “Yo en ellos, y Tú en Mí, para que sean consumadamente una cosa”.
Así hay la gloria de Cristo como Dios, la gloria de Cristo como hombre y la gloria de Cristo como Dios-hombre. Y esta triple gloria de Cristo corresponde en cierta medida a lo que Él era antes de venir al mundo, a lo que fue mientras estuvo en el mundo, y a lo que ahora es habiéndose ido al Padre, conforme a Sus propias palabras (Juan 16:28). Antes de venir al mundo, Su principal gloria era la que le pertenecía como el Hijo de Dios; mientras estuvo en el mundo, Su principal gloria fue ser el Hijo del hombre; y ahora que ha vuelto al cielo, Su principal gloria es la de ser Dios y hombre en una gloriosa Persona.
Esta última gloria de Cristo, que es en sentido especial Su gloria de Mediador, se ve aquí por la fe, y se verá en la visión abierta de la dicha en lo venidero. Los tres discípulos en el monte de la transfiguración, Esteban en la hora de su martirio, Pablo cuando fue arrebatado al tercer cielo, Juan en Patmos, tuvieron todos manifestaciones especiales y sobrenaturales de la gloria de Cristo, es decir, que sobrepasaban lo que generalmente se da a los creyentes. Pero el modo usual en que ahora vemos Su gloria es por el Espíritu Santo, que “le glorifica, tomando de lo Suyo y haciéndolo saber al alma”.
Este divino y bendito Maestro da testimonio de Él; quita el velo de ignorancia e incredulidad que le oculta a la vista; resplandece con una luz santa y sagrada sobre las Escrituras que hablan de Él; y, suscitando la fe para creer en Su Nombre, le pone delante de los ojos del entendimiento iluminado, de modo que se mira a Él y se le contempla; y aunque no se le ve con el ojo corporal, se le ama, se cree en Él y se goza en Él con gozo inefable y glorificado. Así, visto con el ojo de la fe, todo lo que Él es y tiene, todo lo que dice y hace, se hace precioso y glorioso.
Sus milagros de misericordia mientras estuvo aquí abajo; Sus palabras tan llenas de gracia, sabiduría y verdad; Su andar haciendo bienes; Su dulce ejemplo de paciencia, mansedumbre y sumisión; Sus sufrimientos y dolores en el huerto y en la cruz; Su santidad y pureza sin mancha, y sin embargo Su tierna compasión por los pobres pecadores perdidos; Su sangre expiatoria y Su obediencia justificadora; Su amor hasta la muerte, tan fuerte y firme, y sin embargo tan probado por la tierra, el cielo y el infierno; Su sepultura humilde y a la vez honrosa; Su gloriosa resurrección, como el primogénito de los muertos, por la cual fue declarado Hijo de Dios con potencia; Su ascensión a la diestra del Padre, donde reina y gobierna, habiéndole sido dada toda potestad en el cielo y en la tierra, y sin embargo intercede por Su pueblo como el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios. ¡Qué belleza y qué gloria resplandecen en todas estas realidades divinas, cuando la fe puede contemplarlas en unión con la obra y la Persona de Emmanuel!
Al lector…
¡Qué maravilloso es cuando un alma puede ver algo de esta gloria! ¿Lo ha conocido usted alguna vez? No con el ojo corporal, como los discípulos en el monte o Juan en Patmos, sino con el ojo de la fe, cuando el Espíritu Santo quitó el velo de ignorancia e incredulidad y le dio una vislumbre de Cristo. ¿Se queja usted quizá de que el velo sigue tan a menudo sobre su corazón y de que Él le está tan oculto? Pida entonces al Espíritu, que le glorifica, que tome de lo Suyo y lo revele a su alma.
Y no olvide lo que está escrito: “Padre, aquellos que Me has dado, quiero que donde Yo estoy, ellos estén también conmigo”. Lo que aquí se ve por la fe solo en momentos, se verá después cara a cara. Esa es la voluntad y la oración del Hijo mismo. Por pobre y oscuro que esté ahora dentro de usted, Él es el mismo: Dios y hombre en una gloriosa Persona, el Sumo Sacerdote que sigue intercediendo por Su pueblo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl