22 mei
Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.
Psalm 119:31
In welke staat of trap van bevinding gij zijn moogt, het zal uw wijsheid en uw genade zijn vast te houden aan het getuigenis van God. Heeft de Heere maar even een werk der genade in uw hart begonnen? Toont Hij u wat gij van nature zijt en brengt Hij u voor ogen de zonden uwer jonkheid, en dit door diepe overtuigingen? Het zal uw wijsheid en genade zijn aan dat getuigenis vast te houden, niet van uw verstand afgedreven te worden in moedeloosheid, noch te vervallen in een vleselijk vertrouwen, maar u te houden bij dat getuigenis, hetwelk de Heere Zelf heeft ingeplant. Heeft de Heere u doen zuchten en schreien uit de diepte van een verbroken hart en heeft Hij u doen neervallen voor Zijn waarheid? Houd u bij dat getuigenis; Hij zal u niet beschaamd doen uitkomen.
Wederom, indien de Heere een weinig meer voor u gedaan heeft en u een lichtstraaltje van barmhartigheid en gunst heeft betoond, een bewijsje van uw aandeel in het bloed van het Lam, dan zal het u tot wijsheid zijn ook aan dat getuigenis vast te kleven. Gij zult er ontmoeten die u vermetel willen voortdrijven, en ook die u in moedeloosheid willen terugdrijven; gij zult er tegenkomen die u willen neerdrukken in dezelfde twijfelingen en vrezen waarin hun eigen gemoederen verkeren. Ook zult gij er vinden die u terzijde willen afleiden in het ijdel vertrouwen waarin zij zelf wandelen. Het zal u dan tot wijsheid zijn te blijven bij het getuigenis dat God heeft geopenbaard; en Hij kan in uw ziel dat geloof werken waardoor gij zult kunnen en willen vastkleven aan Zijn getuigenis.
Maar, zullen sommigen zeggen: „Hoe kan ik weten dat ik aan Gods getuigenis vastkleef?” Ik wil u vragen: Wat zijn de gewaarwordingen uws harten jegens Hem? Is er vreze Gods? Is er een heilige eerbied in uw hart? Is er een diep ontzag? Is er enige werkzaamheid in uw ziel? Een uitstorting uws harten voor God? Een indruk van Zijn tegenwoordigheid? Een vrees om Hem te beledigen? Een verlangen naar Hem? Een diep besef van Zijn volmaaktheden? Dan is er reden te geloven dat er enig getuigenis van God in uw consciëntie is en dat gij daaraan vastkleeft. Is uw godsdienst evenwel zodanig dat zij u leidt tot een ijdel vertrouwen, tot eigengerechtigheid, tot vermetelheid, tot valse gerustheid, en tot een zorgeloze, lichtzinnige, beuzelachtige geest, maak er dan staat op dat gij niet vastkleeft aan Gods getuigenissen, of liever, gij hebt geen getuigenis van God om daaraan vast te houden.
Doch als de Heere in uw ziel enig gevoel geeft van Zijn ongenoegen, omdat gij u misdragen hebt tegenover Hem en u een schuld over uw ziel gebracht hebt en onrust in uw gemoed, dan zal het u tot wijsheid zijn te doen zoals de Heere spreekt in Leviticus 26:41: aan de straffen uwer ongerechtigheid een welgevallen te hebben, uw mond in het stof te steken en te belijden dat gij dwaas gedaan hebt. Dan niet terzijde af te gaan tot een vermetel vertrouwen, waardoor gij de scherpte van het zwaard Gods in uw ziel zou willen verstompen, maar het liever in uw hart te laten ingaan en het in uw consciëntie te omhelzen, ja, daaraan vast te kleven als het getuigenis van God. „Ik kleef vast aan Uw getuigenissen.” Vast te kleven aan alles wat God in de consciëntie openbaart, hetzij oordeel, hetzij barmhartigheid, hetzij een bemoediging, hetzij een afwijzing, hetzij een getuigenis voor, hetzij tegen; wat het ook zij, als het met kracht vergezeld is en door de Geest in de ziel wordt toegepast, kleef eraan vast, want dit houdt de ziel op een veilige en gezegende plaats.
Aan de lezer…
Misschien vraagt u, waarde lezer: „Hoe kan ik weten dat ik aan Gods getuigenis vastkleef?” Zie dan eens in uw hart. Is er vreze Gods, een heilige eerbied, een vrees om Hem te beledigen, een verlangen naar Hem? Dan is er reden te geloven dat God enig getuigenis in uw consciëntie gelegd heeft. Het mag klein zijn: een overtuiging van zonde, een zucht uit de diepte, een lichtstraaltje van barmhartigheid. Maar wat Hij Zelf heeft ingeplant, is het waard om aan vast te houden.
Laat u dan niet afdrijven, noch door wie u vermetel wil voortdrijven, noch door wie u in moedeloosheid wil terugtrekken. En brengt de Heere u Zijn ongenoegen te gevoelen omdat u dwaas gedaan hebt, verstomp dan het zwaard niet, maar buig u en belijd. Kleef vast aan alles wat Hij met kracht in uw ziel openbaart, hetzij oordeel, hetzij barmhartigheid. En bid met de psalmist: „Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.” Dat is een veilige en gezegende plaats.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.
Psalm 119:31
In welke staat of fase van bevinding u ook bent, het zal uw wijsheid en uw genade zijn vast te houden aan het getuigenis van God. Is de Heere nog maar pas een werk van genade in uw hart begonnen? Laat Hij u zien wat u van nature bent, en stelt Hij u door diepe overtuigingen de zonden van uw jeugd voor ogen? Dan zal het uw wijsheid en genade zijn aan dat getuigenis vast te houden. Laat u dan niet van uw verstand afdrijven in moedeloosheid, en verval ook niet in vleselijk vertrouwen, maar houd u aan dat getuigenis dat de Heere Zelf heeft ingeplant. Heeft de Heere u doen zuchten en wenen uit de diepte van een verbroken hart, en heeft Hij u doen neervallen voor Zijn waarheid? Houd u aan dat getuigenis; Hij zal u niet beschaamd laten uitkomen.
En verder: als de Heere iets meer voor u gedaan heeft en u een straaltje licht van barmhartigheid en gunst heeft laten zien, een klein bewijs van uw deel aan het bloed van het Lam, dan zal het uw wijsheid zijn ook aan dat getuigenis vast te kleven. U zult mensen ontmoeten die u vermetel vooruit willen drijven, en ook mensen die u in moedeloosheid terug willen drijven. U zult mensen tegenkomen die u willen neerdrukken in dezelfde twijfels en vrezen waarin zij zelf verkeren. Ook zult u mensen vinden die u opzij willen leiden in het ijdel vertrouwen waarin zij zelf wandelen. Dan zal het uw wijsheid zijn te blijven bij het getuigenis dat God geopenbaard heeft. En Hij kan in uw ziel het geloof werken waardoor u aan Zijn getuigenis zult kunnen en willen vastkleven.
Maar sommigen zullen zeggen: „Hoe kan ik weten dat ik aan Gods getuigenis vastkleef?” Ik wil u vragen: Wat leeft er in uw hart tegenover Hem? Is er vreze Gods? Is er een heilige eerbied in uw hart? Is er een diep ontzag? Is er enige werkzaamheid in uw ziel? Een uitstorten van uw hart voor God? Een indruk van Zijn tegenwoordigheid? Een vrees om Hem te beledigen? Een verlangen naar Hem? Een diep besef van Zijn volmaaktheden? Dan is er reden te geloven dat er enig getuigenis van God in uw geweten is, en dat u daaraan vastkleeft. Maar is uw godsdienst zo dat hij u leidt tot een ijdel vertrouwen, tot eigengerechtigheid, tot vermetelheid, tot valse gerustheid en tot een zorgeloze, lichtzinnige, oppervlakkige geest? Wees er dan zeker van dat u niet aan Gods getuigenissen vastkleeft, of liever: dat u geen getuigenis van God hebt om aan vast te houden.
Maar als de Heere in uw ziel iets laat voelen van Zijn ongenoegen, omdat u zich tegenover Hem misdragen hebt en schuld over uw ziel en onrust in uw gemoed gebracht hebt, dan zal het uw wijsheid zijn te doen wat de Heere zegt in Leviticus 26:41: een welgevallen te hebben aan de straffen van uw ongerechtigheid, uw mond in het stof te steken en te belijden dat u dwaas gehandeld hebt. Ga dan niet opzij naar een vermetel vertrouwen, waarmee u de scherpte van Gods zwaard in uw ziel zou willen afstompen. Laat het liever in uw hart binnengaan, omhels het in uw geweten, ja, kleef eraan vast als het getuigenis van God. „Ik kleef vast aan Uw getuigenissen.” Kleef vast aan alles wat God in het geweten openbaart, of het nu oordeel is of barmhartigheid, bemoediging of afwijzing, een getuigenis vóór of tegen. Wat het ook is, als het met kracht gepaard gaat en door de Geest in de ziel wordt toegepast, kleef eraan vast, want dat houdt de ziel op een veilige en gezegende plaats.
Aan de lezer…
Misschien vraagt u: „Hoe kan ik weten dat ik aan Gods getuigenis vastkleef?” Kijk dan eens in uw hart. Is er vreze Gods, een heilige eerbied, een vrees om Hem te beledigen, een verlangen naar Hem? Dan is er reden te geloven dat God enig getuigenis in uw geweten gelegd heeft. Het mag klein zijn: een overtuiging van zonde, een zucht uit de diepte, een straaltje licht van barmhartigheid. Maar wat Hij Zelf heeft ingeplant, is het waard om aan vast te houden.
Laat u dan niet afdrijven, niet door wie u vermetel vooruit wil drijven en niet door wie u in moedeloosheid wil terugtrekken. En laat de Heere u Zijn ongenoegen voelen omdat u dwaas gehandeld hebt, stomp het zwaard dan niet af, maar buig u en belijd. Kleef vast aan alles wat Hij met kracht in uw ziel openbaart, of het nu oordeel is of barmhartigheid. En bid met de psalmist: „Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.” Dat is een veilige en gezegende plaats.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I have stuck unto Thy testimonies: O LORD, put me not to shame.
Psalm 119:31
In whatever state or stage of experience you are, it will be your wisdom and your mercy to hold fast to God’s testimony. Has the Lord just begun a work of grace in your heart? Is He showing to you what you are by nature, and bringing before your eyes the sins of your youth, and plunging you in deep convictions? It will be your wisdom, and it will be your mercy, to hold fast to that testimony; not to be driven from your standing into despair, nor pushed forward into fleshly confidence; but to hold fast to that testimony which God Himself has implanted.
Has God made you to sigh and cry from the depths of a broken heart—to fall down before His truth? Hold fast to that testimony; He will not put you to shame. Again, if the Lord has done a little more for you, shown you the least glimpse of mercy and favor, and given you some little testimony of your saving interest in the blood of the Lamb, it will be your wisdom, and it will be your mercy, to hold fast to that testimony too.
You will find those who would push you presumptuously forward; you will find those who would drive you despairingly backward; you will find those who would pull you down into those doubts and fears that their own minds are exercised with, and you will find those who would draw you aside into the vain confidence in which they themselves are standing. It will be your wisdom and mercy to abide by the testimony which God Himself has revealed; and He can work in your soul that faith whereby you can and will hold fast to His testimony.
But some may say, “How do I know that I am holding fast to God’s testimonies?” I would ask, what are the feelings of your hearts towards them? Is there godly fear? Is there holy reverence? Is there trembling awe? Is there any exercise of soul? any pouring out of the heart before God? any realizing of His presence? any trembling lest you should offend Him? any desire after Him? any solemn feelings whereby your soul is exercised upon His perfections? Then there is reason to believe there is some testimony of God in your conscience, and that you are holding fast to it.
But if your religion be such as leads to vain confidence, to self-righteousness, to presumption, to false security, and to a careless, light, trifling spirit, depend upon it—you are not holding fast to God’s testimony, or else you have no testimony from God to hold fast unto. But if the Lord is bringing into your soul some sense of His displeasure; if you have trifled with Him, and brought guilt into your soul and trouble into your mind, it will be your wisdom, and it will be your mercy to do, as the Lord speaks in Leviticus 26:41, “accept the punishment of your iniquity;” to put your mouth in the dust, and confess that you are vile; not to turn aside to presumptuous confidence as though you would blunt the edge of God’s sword in your soul, but to receive it in your heart, embrace it in your conscience, and to cleave to it as the testimony of God Himself.
“I have held fast unto Your testimonies.” To cleave to everything which God makes known in the conscience, be it judgment, be it mercy, be it a smile, be it a frown, be it a testimony for, be it a testimony against, whatever it be that comes with power, and is brought to the soul by the application of the Spirit—to cleave to it, keeps the soul in a safe and blessed spot.
To the reader…
Perhaps you ask: “How can I know that I am holding fast to God’s testimony?” Then look into your heart. Is there the fear of God, a holy reverence, a fear of offending Him, a longing after Him? Then there is reason to believe that God has laid some testimony in your conscience. It may be small: a conviction of sin, a sigh from the depths, a little ray of the light of mercy. But what He Himself has planted is worth holding fast to.
Do not let yourself be driven off, then, neither by those who would push you presumptuously forward nor by those who would pull you back into despondency. And if the Lord makes you feel His displeasure because you have acted foolishly, do not blunt the sword, but bow down and confess. Cleave to all that He reveals with power in your soul, whether it is judgment or mercy. And pray with the psalmist: “I have stuck unto Thy testimonies: O LORD, put me not to shame.” That is a safe and blessed place.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Allegádome he a Tus testimonios; oh Jehová, no me avergüences.
Salmo 119:31
En cualquier estado o etapa de experiencia en que usted se encuentre, será su sabiduría y su misericordia aferrarse al testimonio de Dios. ¿Acaba el Señor de comenzar una obra de gracia en su corazón? ¿Le está mostrando lo que usted es por naturaleza, poniendo ante sus ojos los pecados de su juventud y sumergiéndole en profundas convicciones? Será su sabiduría, y será su misericordia, aferrarse a ese testimonio; no dejarse arrojar de su posición a la desesperación, ni empujar hacia adelante a una confianza carnal, sino aferrarse a ese testimonio que Dios mismo ha implantado.
¿Le ha hecho Dios suspirar y clamar desde lo profundo de un corazón quebrantado, postrarse ante Su verdad? Aférrese a ese testimonio; Él no le avergonzará. Además, si el Señor ha hecho un poco más por usted, si le ha mostrado el menor vislumbre de misericordia y favor, y le ha dado algún pequeño testimonio de su parte salvadora en la sangre del Cordero, será su sabiduría, y será su misericordia, aferrarse también a ese testimonio.
Encontrará a quienes querrían empujarle presuntuosamente hacia adelante; encontrará a quienes querrían hacerle retroceder desesperado; encontrará a quienes querrían arrastrarle a esas dudas y temores con que sus propias mentes están ejercitadas, y encontrará a quienes querrían desviarle hacia la vana confianza en que ellos mismos están. Será su sabiduría y misericordia permanecer en el testimonio que Dios mismo ha revelado; y Él puede obrar en su alma esa fe por la cual usted puede aferrarse a Su testimonio, y lo hará.
Pero alguno dirá: “¿Cómo sé que me estoy aferrando a los testimonios de Dios?” Yo preguntaría: ¿cuáles son los sentimientos de su corazón hacia ellos? ¿Hay temor piadoso? ¿Hay santa reverencia? ¿Hay un temblor reverente? ¿Hay algún ejercicio del alma? ¿Algún derramar del corazón delante de Dios? ¿Algún sentir de Su presencia? ¿Algún temor de ofenderle? ¿Algún deseo de Él? ¿Algún sentimiento solemne por el cual su alma es ejercitada en Sus perfecciones? Entonces hay razón para creer que hay algún testimonio de Dios en su conciencia, y que usted se está aferrando a él.
Pero si su religión es tal que conduce a una vana confianza, a la justicia propia, a la presunción, a una falsa seguridad y a un espíritu descuidado, ligero y frívolo, tenga por seguro que no se está aferrando al testimonio de Dios, o bien no tiene testimonio de Dios al cual aferrarse. Pero si el Señor está trayendo a su alma algún sentir de Su desagrado; si usted ha jugado con Él y ha traído culpa a su alma y turbación a su mente, será su sabiduría, y será su misericordia, hacer lo que el Señor dice en Levítico 26:41: “aceptar el castigo de su iniquidad”; poner la boca en el polvo y confesar que es vil; no desviarse a una confianza presuntuosa como si quisiera embotar el filo de la espada de Dios en su alma, sino recibirla en su corazón, abrazarla en su conciencia y allegarse a ella como al testimonio de Dios mismo.
“Allegádome he a Tus testimonios.” Allegarse a todo lo que Dios da a conocer en la conciencia, sea juicio, sea misericordia, sea una sonrisa, sea un ceño, sea un testimonio a favor, sea un testimonio en contra, cualquier cosa que venga con poder y sea traída al alma por la aplicación del Espíritu; allegarse a ello mantiene al alma en un lugar seguro y bendito.
Al lector…
Quizá pregunte usted: “¿Cómo puedo saber que me estoy aferrando al testimonio de Dios?” Mire entonces en su corazón. ¿Hay temor de Dios, una santa reverencia, un temor de ofenderle, un anhelo de Él? Entonces hay razón para creer que Dios ha puesto algún testimonio en su conciencia. Puede ser pequeño: una convicción de pecado, un suspiro desde lo profundo, un pequeño rayo de la luz de la misericordia. Pero lo que Él mismo ha plantado vale la pena retenerlo.
No se deje, pues, apartar, ni por quienes querrían empujarle presuntuosamente hacia adelante ni por quienes querrían hacerle retroceder al desaliento. Y si el Señor le hace sentir Su desagrado porque ha obrado neciamente, no embote la espada, sino inclínese y confiese. Alléguese a todo lo que Él revela con poder en su alma, sea juicio o misericordia. Y ore con el salmista: “Allegádome he a Tus testimonios; oh Jehová, no me avergüences.” Ese es un lugar seguro y bendito.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl