20 september
Opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij.
Romeinen 12:2
De wil van God is goed, volmaakt en welbehagelijk. Hoe moeten wij persoonlijk en bevindelijk beproeven dat hij dit alles is? Wat goed en volmaakt is, strijdt herhaaldelijk tegen mijn natuurlijke neigingen en stelt zich krachtig tegenover mijn vleselijke begeerten. Gods wil roept tot zelfverloochening, maar ik begeer zelfbevrediging; hij eist gehoorzaamheid, maar mijn vleselijk gemoed is het wezenlijk bestaan van ongehoorzaamheid. Hij vraagt vele offers, maar mijn laffe vlees staat daartegen op. Hij wil mij doen wandelen op het pad van lijden, smarten en verdrukking, maar mijn vleselijk gemoed deinst daarvoor terug en zegt: „Neen, ik kan in dat pad niet wandelen!”
Zolang ik dan de wereld gelijkvormig ben, kan ik dit pad niet recht bezien, want deze wereldgelijkvormigheid heeft een deksel voor mijn ogen uitgespreid; of zo ik er al enigszins duister en zwakjes iets van zie, dan ben ik niet gewillig of in staat daarop te wandelen, omdat mijn vleselijk gemoed murmureert tegen alle moeite of zelfverloochening en tegen datgene wat verbonden is met het kruis van Christus. Doch aan de andere kant, indien ik door de genadige werkzaamheden van de Geest in mijn hart uit deze wereldse gelijkvormigheid getrokken en vernieuwd word in de geest van mijn gemoed, en het beeld van de Zoon gelijkvormig word gemaakt, dan wordt die goede en welbehagelijke en volmaakte wil voor mijn consciëntie aangenaam.
Deze goede en welbehagelijke en volmaakte wil is ver, ver buiten het gezicht van het vleselijk oog, buiten het gehoor van het werelds oor, en te ver verwijderd om door de wereldse hand aangeraakt te kunnen worden; maar hij is openbaar voor het geestelijk oog, wordt beluisterd door het geestelijk oor, en de geestelijke hand grijpt hem aan. Om dit voor onszelf te kennen, zal het ons somwijlen goed doen terug te blikken en te zien hoe deze goddelijke wil zich in voorgaande omstandigheden aangenaam heeft bewezen voor ons vernieuwd gemoed. Wij kunnen ook zien hoe verheven en voortreffelijk deze wil heeft geregeerd, en ook hoe voortreffelijk in elk opzicht te onzen beste. Hij heeft alle omstandigheden en gebeurtenissen geregeld en bestuurd onder een samenloop van alle moeilijkheden in voorzienigheid en genade. Geen ding is er uitgelopen tot onze schade, maar alles heeft, overeenkomstig de belofte, medegewerkt ten goede.
Maar één zaak moeten wij wel in gedachten houden: dat wij onszelf niet kunnen ontdoen van de wereldse gelijkvormigheid, evenmin als wij onszelf kunnen vernieuwen in de geest van ons gemoed. De gezegende Geest moet dit beide voor ons doen, en in ons werken het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Doch wanneer wij geleid worden om de ellende van onze staat recht te verstaan, en daartegenover de gelukzaligheid van de andere, dan zullen wij uitzien naar deze gezegende werkingen en goddelijke invloeden. En wanneer de gezegende Geest van tijd tot tijd de ziel uit deze wereldgelijkvormigheid doet uitgaan en haar verandert naar het lijdend beeld van Christus, ziet zij meer en meer de schoonheid en dierbaarheid van het wandelen in dit pad. Dat doet haar Christus en Zijn kruis aanhangen met de tederste genegenheden, hetwelk haar tevens een bewijs is van de goedheid, aangenaamheid en volmaaktheid van de wil van God.
Aan de lezer…
Deinst u, waarde lezer, terug voor het pad dat de Heere u wijst? Roept Zijn wil tot zelfverloochening, terwijl uw vlees zegt: „Neen, ik kan in dat pad niet wandelen”? Schaam u niet te erkennen dat het zo is; zo is het vleselijk gemoed van ons allen. Wij kunnen onszelf niet van de wereld losmaken, en evenmin onszelf vernieuwen. De gezegende Geest moet het willen en het werken in ons werken naar Zijn welbehagen.
Blik dan eens terug op de weg die achter u ligt. Zijn er geen omstandigheden geweest waarin u Gods wil eerst niet begreep, en later zag dat het juist ten goede was? Geen ding is uitgelopen tot uw schade, maar alles heeft medegewerkt. Laat dat u bemoedigen voor de weg die nog voor u ligt. Waar de Geest de ziel tot Christus en Zijn kruis trekt, daar wordt die wil, eens zo hard en vreemd, goed, welbehagelijk en volmaakt bevonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij.
Romeinen 12:2
De wil van God is goed, volmaakt en welbehagelijk. Hoe moeten wij persoonlijk en bevindelijk ervaren dat hij dat allemaal is? Wat goed en volmaakt is, strijdt telkens tegen mijn natuurlijke neigingen en staat lijnrecht tegenover mijn vleselijke begeerten. Gods wil roept tot zelfverloochening, maar ik verlang naar zelfbevrediging. Hij eist gehoorzaamheid, maar mijn vleselijk gemoed is in wezen ongehoorzaamheid zelf. Hij vraagt vele offers, maar mijn laf vlees komt daartegen in opstand. Hij wil mij laten wandelen op het pad van lijden, smarten en verdrukking, maar mijn vleselijk gemoed deinst daarvoor terug en zegt: „Neen, ik kan in dat pad niet wandelen!”
Zolang ik aan de wereld gelijkvormig ben, kan ik dit pad dus niet goed zien, want die gelijkvormigheid aan de wereld heeft een deksel over mijn ogen gelegd. En als ik er al iets van zie, vaag en zwak, dan ben ik niet bereid of in staat erop te wandelen. Mijn vleselijk gemoed mort namelijk tegen alle moeite en zelfverloochening en tegen alles wat met het kruis van Christus verbonden is. Maar aan de andere kant: als ik door de genadige werkingen van de Geest in mijn hart uit deze wereldse gelijkvormigheid getrokken word, vernieuwd word in de geest van mijn gemoed en gelijkvormig gemaakt word aan het beeld van de Zoon, dan wordt die goede en welbehagelijke en volmaakte wil aangenaam voor mijn geweten.
Deze goede en welbehagelijke en volmaakte wil ligt ver, ver buiten het gezicht van het vleselijk oog, buiten het gehoor van het wereldse oor, en is te ver weg om door de wereldse hand te worden aangeraakt. Maar hij is openbaar voor het geestelijk oog, wordt gehoord door het geestelijk oor, en de geestelijke hand grijpt hem aan. Om dit voor onszelf te kennen, zal het ons soms goed doen terug te kijken en te zien hoe deze goddelijke wil zich in vroegere omstandigheden aangenaam heeft betoond voor ons vernieuwd gemoed. Wij kunnen ook zien hoe verheven en voortreffelijk deze wil heeft geregeerd, en hoe voortreffelijk in elk opzicht tot ons beste. Hij heeft alle omstandigheden en gebeurtenissen geregeld en bestuurd te midden van een samenloop van allerlei moeilijkheden in voorzienigheid en genade. Niets is uitgelopen op onze schade, maar alles heeft, overeenkomstig de belofte, meegewerkt ten goede.
Maar één ding moeten wij goed onthouden: wij kunnen ons niet zelf ontdoen van de wereldse gelijkvormigheid, en evenmin kunnen wij onszelf vernieuwen in de geest van ons gemoed. De gezegende Geest moet beide voor ons doen, en in ons werken het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Maar wanneer wij geleid worden om de ellende van de ene staat goed te verstaan, en daartegenover de gelukzaligheid van de andere, dan zullen wij uitzien naar deze gezegende werkingen en goddelijke invloeden. En wanneer de gezegende Geest de ziel van tijd tot tijd uit deze gelijkvormigheid aan de wereld laat uitgaan en haar verandert naar het lijdend beeld van Christus, ziet zij steeds meer de schoonheid en dierbaarheid van het wandelen op dit pad. Dat doet haar Christus en Zijn kruis aanhangen met de tederste genegenheden, en dat is voor haar tegelijk een bewijs van de goedheid, aangenaamheid en volmaaktheid van de wil van God.
Aan de lezer…
Deinst u, waarde lezer, terug voor het pad dat de Heere u wijst? Roept Zijn wil tot zelfverloochening, terwijl uw vlees zegt: „Nee, ik kan dat pad niet gaan”? Schaam u niet te erkennen dat het zo is; zo is het vleselijk gemoed van ons allemaal. Wij kunnen onszelf niet van de wereld losmaken, en evenmin onszelf vernieuwen. De gezegende Geest moet het willen en het werken in ons werken naar Zijn welbehagen.
Kijk dan eens terug op de weg die achter u ligt. Zijn er geen omstandigheden geweest waarin u Gods wil eerst niet begreep, en later zag dat het juist ten goede was? Niets is uitgelopen op uw schade, maar alles heeft meegewerkt. Laat dat u bemoedigen voor de weg die nog voor u ligt. Waar de Geest de ziel naar Christus en Zijn kruis trekt, daar wordt die wil, eens zo hard en vreemd, goed, welbehagelijk en volmaakt bevonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That ye may prove what is that good, and acceptable, and perfect, will of God.
Romans 12:2
The will of God is “good, perfect, and acceptable.” How are we to prove personally and experimentally that it is all this? That good and perfect will runs counter, over and over again, to my natural inclinations, sets itself firmly against my fleshly desires. God’s will calls for self-denial, but I want self gratification; it requires obedience, but my carnal mind is the essence of disobedience; it demands many sacrifices, but my coward flesh revolts from them; it bids me walk in the path of suffering, sorrow, and tribulation, but my fleshly mind shrinks back, and says, “No, I cannot tread in that path!”
As long, then, as I am conformed to the world, I cannot see the path, for this worldly conformity has thrown a veil over my eyes; or if I do dimly and faintly see it, I am not willing or able to walk in it, because my carnal mind rebels against all trouble or self-denial, or anything connected with the cross of Christ. But, on the other hand, if by any gracious operations of the Spirit on my heart, I am drawn out of this worldly conformity, am renewed in the spirit of my mind, and transformed into the likeness of the suffering Son of God, then “that good, and perfect, and acceptable will of God” becomes commended to my conscience.
This good, and acceptable, and perfect will is far, far out of the sight of the carnal eye, out of the sound of the worldly ear, out of the touch of the worldly hand; but is made manifest to the spiritual eye, listened to by the spiritual ear, and laid hold of by the spiritual hand. To realize this for ourselves, we shall find it good sometimes to look back and see how that divine will has, in previous instances, proved itself acceptable to our renewed mind. We can see, also, how supremely that will has reigned, and yet how supreme in all points for our good. It has ordered or overruled all circumstances and all events, amid a complication of difficulties in providence and grace. Nothing has happened to our injury, but all things, according to the promise, have worked together for our good.
But one thing we must deeply bear in mind, that as we cannot deliver ourselves from worldly conformity, so we cannot renew ourselves in the spirit of our mind. The blessed Spirit must do both for us, and work in us to will and to do of His good pleasure. But as we are led to feel the misery of the one state, and the blessedness of the other, we shall seek after these gracious operations and divine influences; and as the blessed Spirit from time to time brings the soul out of this worldly conformity and transforms it into the suffering image of Christ, it sees more and more the beauty and blessedness of walking in this path; and cleaving to Christ and His cross with its tenderest affections proves for itself the goodness, acceptability, and perfection of the will of God.
To the reader…
Dear reader, do you shrink back from the path the Lord shows you? Does His will call for self-denial, while your flesh says, “No, I cannot tread that path”? Do not be ashamed to admit that it is so; that is the carnal mind in all of us. We cannot loosen ourselves from the world, nor can we renew ourselves. The blessed Spirit must work in us both to will and to do of His good pleasure.
Look back, then, on the way that lies behind you. Have there not been circumstances in which at first you did not understand God’s will, and later saw that it was for your good after all? Nothing has turned out to your harm, but all things have worked together. Let that encourage you for the road that still lies before you. Where the Spirit draws the soul to Christ and His cross, that will, once so hard and strange, is found to be good, acceptable and perfect.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que experimentéis cuál sea la buena voluntad de Dios, agradable y perfecta.
Romanos 12:2
La voluntad de Dios es “buena, agradable y perfecta”. ¿Cómo hemos de experimentar personal y experimentalmente que es todo esto? Esa voluntad buena y perfecta va una y otra vez en contra de mis inclinaciones naturales, se opone firmemente a mis deseos carnales. La voluntad de Dios pide negación de uno mismo, pero yo quiero complacerme a mí mismo; requiere obediencia, pero mi mente carnal es la esencia misma de la desobediencia; exige muchos sacrificios, pero mi carne cobarde se rebela contra ellos; me manda andar por la senda del sufrimiento, el dolor y la tribulación, pero mi mente carnal retrocede y dice: “¡No, no puedo andar por esa senda!”
Mientras, pues, esté yo conformado al mundo, no puedo ver la senda, porque esta conformidad mundana ha echado un velo sobre mis ojos; o si la veo de manera borrosa y débil, no estoy dispuesto ni soy capaz de andar por ella, porque mi mente carnal se rebela contra toda aflicción o negación de mí mismo, o contra cualquier cosa relacionada con la cruz de Cristo. Pero, por otra parte, si por alguna operación de gracia del Espíritu en mi corazón soy sacado de esta conformidad mundana, soy renovado en el espíritu de mi mente y transformado a la semejanza del Hijo de Dios sufriente, entonces “la buena voluntad de Dios, agradable y perfecta” se recomienda a mi conciencia.
Esta voluntad buena, agradable y perfecta está muy, muy lejos de la vista del ojo carnal, fuera del alcance del oído mundano, fuera del toque de la mano mundana; pero es manifestada al ojo espiritual, escuchada por el oído espiritual y asida por la mano espiritual. Para comprobar esto por nosotros mismos, nos será bueno mirar a veces hacia atrás y ver cómo aquella voluntad divina, en casos anteriores, se ha mostrado agradable a nuestra mente renovada. Podemos ver también cuán soberanamente ha reinado esa voluntad, y sin embargo cuán soberana en todo para nuestro bien. Ha ordenado o dirigido todas las circunstancias y todos los acontecimientos, en medio de una maraña de dificultades en la providencia y en la gracia. Nada ha sucedido para nuestro daño, sino que todas las cosas, conforme a la promesa, nos han ayudado a bien.
Pero una cosa debemos tener muy presente: que así como no podemos librarnos a nosotros mismos de la conformidad mundana, tampoco podemos renovarnos a nosotros mismos en el espíritu de nuestra mente. El bendito Espíritu tiene que hacer ambas cosas por nosotros, y obrar en nosotros así el querer como el hacer, por Su buena voluntad. Pero a medida que somos llevados a sentir la miseria del un estado y la bienaventuranza del otro, buscaremos estas operaciones de gracia e influencias divinas; y a medida que el bendito Espíritu, de tiempo en tiempo, saca al alma de esta conformidad mundana y la transforma a la imagen sufriente de Cristo, ella ve más y más la belleza y la bienaventuranza de andar por esta senda; y, aferrándose a Cristo y a Su cruz con sus afectos más tiernos, experimenta por sí misma la bondad, lo agradable y la perfección de la voluntad de Dios.
Al lector…
Querido lector, ¿retrocede usted ante la senda que el Señor le muestra? ¿Pide Su voluntad negación de sí mismo, mientras su carne dice: “No, no puedo andar por esa senda”? No se avergüence de admitir que es así; esa es la mente carnal que hay en todos nosotros. No podemos soltarnos del mundo, ni podemos renovarnos a nosotros mismos. El bendito Espíritu tiene que obrar en nosotros así el querer como el hacer, por Su buena voluntad.
Mire, pues, hacia atrás, al camino que queda a sus espaldas. ¿No ha habido circunstancias en que al principio no entendía la voluntad de Dios, y más tarde vio que, después de todo, era para su bien? Nada ha resultado para su daño, sino que todas las cosas le han ayudado a bien. Deje que eso le anime para el camino que aún tiene por delante. Donde el Espíritu atrae el alma a Cristo y a Su cruz, aquella voluntad, antes tan dura y extraña, se halla buena, agradable y perfecta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl