20 maart
Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren, in de landen der levenden.
Psalm 116:9
Er is onderscheid tussen het wandelen voor Gods aangezicht en wandelen met God. Wandelen voor Gods aangezicht is wandelen met het bewustzijn dat Gods oog steeds op ons gevestigd is; wandelen met een verlangen naar die dingen die aangenaam zijn in Gods oog; onbesmet wandelen naar Zijn bevelen; wandelen voor Zijn volk zodanig, dat onze klederen door de wereld niet zijn bevlekt; in één woord, wandelen voor Zijn aangezicht in de afzondering en in het openbaar, alleen en in gezelschap, voor de kerk en voor de wereld, bij dag en bij nacht, zoals wij behoren te wandelen, alsof wij Zijn heerlijke majesteit in de hemel hier steeds voor onze ogen hadden. Indien gij nu dagelijks een diep gevoel in u omdraagt dat God elke gedachte zag, elke beweging opmerkte, elk woord hoorde en elke daad gadesloeg, zou die gedachte uw lichtzinnige, beuzelachtige en dwaze geest in bedwang houden. Gij zoudt de wacht houden over uw gedachten, uw woorden, uw daden, als levende onder het bewustzijn dat Gods alziend oog u gadeslaat. Dat is wandelen voor Gods aangezicht.
Maar wij lezen dat Henoch wandelde met God. Dit is een hogere trap van het Goddelijk leven. Wandelen met God is in liefelijke gemeenschap, in heilig vertrouwen, in een gezegend gevoel van belangstelling in Zijn liefde en genade wandelen, en dus met Hem wandelen en spreken als een man wandelt en spreekt met zijn vriend. Er zijn er die voor Gods aangezicht wandelen, maar hoe weinigen wandelen met God! Velen leven onder een meer of min diep en dagelijks gevoel van Gods alomtegenwoordigheid en alwetendheid, die niet in Zijn liefelijke gemeenschap zijn toegelaten, noch de zegen genieten van deze hemelse omgang.
’k Zal met verstand de weg betreên der vromen.
Wanneer zult Gij, mijn Bondsgod, tot mij komen?
Ik zal doen zien in al mijn huisbeleid
d’ oprechtigheid.
Psalm 101:2
Aan de lezer…
Wat een woord: wandelen voor het aangezicht des Heeren! Leeft u met het besef dat Gods oog op u gevestigd is? Niet alleen in de kerk, maar ook in de afzondering; niet alleen bij dag, maar ook bij nacht? Het zou onze lichtzinnige en beuzelachtige geest wel in bedwang houden, als wij dagelijks gevoelden dat Hij elke gedachte ziet en elk woord hoort. Wij moeten eerlijk bekennen hoe weinig wij zo wandelen, en hoe licht onze klederen door de wereld bevlekt worden.
Maar het gaat nog verder. Met God wandelen is meer: het is in liefelijke gemeenschap en heilig vertrouwen met Hem omgaan, zoals een man met zijn vriend spreekt. Kent u daar weinig van, en verlangt u er toch naar? Laat dat verlangen dan een gebed worden. Hij, Die Henoch tot Zich trok, is nog dezelfde, en Hij laat zulke behoeftigen niet zonder antwoord. Zeg dan met de psalmist: „Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren, in de landen der levenden.
Psalm 116:9
Er is verschil tussen wandelen voor Gods aangezicht en wandelen met God. Wandelen voor Gods aangezicht is wandelen met het besef dat Gods oog altijd op ons gericht is. Het is wandelen met een verlangen naar wat aangenaam is in Gods ogen, onbesmet wandelen naar Zijn geboden, en zo wandelen voor de ogen van Zijn volk dat onze kleren niet door de wereld bevlekt zijn. Kortom, het is wandelen voor Zijn aangezicht in de eenzaamheid en in het openbaar, alleen en in gezelschap, voor de kerk en voor de wereld, bij dag en bij nacht, zoals wij behoren te wandelen: alsof wij Zijn heerlijke majesteit in de hemel hier steeds voor ogen hadden.
Als u nu dagelijks een diep besef met u meedroeg dat God elke gedachte ziet, elke beweging opmerkt, elk woord hoort en elke daad gadeslaat, dan zou die gedachte uw lichtzinnige, beuzelachtige en dwaze geest in toom houden. U zou de wacht houden over uw gedachten, uw woorden en uw daden, omdat u leefde in het besef dat Gods alziend oog u gadeslaat. Dat is wandelen voor Gods aangezicht.
Maar wij lezen dat Henoch met God wandelde. Dat is een hogere trap van het goddelijk leven. Wandelen met God is wandelen in lieflijke gemeenschap, in heilig vertrouwen, in een gezegend besef dat wij deel hebben aan Zijn liefde en genade, en zo met Hem wandelen en spreken zoals een man wandelt en spreekt met zijn vriend. Er zijn er die voor Gods aangezicht wandelen, maar hoe weinigen wandelen met God! Velen leven dagelijks met een meer of minder diep besef van Gods alomtegenwoordigheid en alwetendheid, en zijn toch niet toegelaten tot Zijn lieflijke gemeenschap en genieten de zegen van deze hemelse omgang niet.
’k Zal met verstand de weg betreên der vromen.
Wanneer zult Gij, mijn Bondsgod, tot mij komen?
Ik zal doen zien in al mijn huisbeleid
d’ oprechtigheid.
Psalm 101:2
Aan de lezer…
Wat een woord: wandelen voor het aangezicht van de Heere! Leeft u met het besef dat Gods oog op u gericht is? Niet alleen in de kerk, maar ook als u alleen bent; niet alleen overdag, maar ook ’s nachts? Het zou onze lichtzinnige en beuzelachtige geest wel in toom houden als wij dagelijks beseften dat Hij elke gedachte ziet en elk woord hoort. Wij moeten eerlijk erkennen hoe weinig wij zo wandelen, en hoe gemakkelijk onze kleren door de wereld bevlekt worden.
Maar het gaat nog verder. Met God wandelen is meer: het is in lieflijke gemeenschap en heilig vertrouwen met Hem omgaan, zoals een man met zijn vriend spreekt. Kent u daar weinig van, en verlangt u er toch naar? Laat dat verlangen dan een gebed worden. Hij Die Henoch tot Zich trok, is nog dezelfde, en Hij laat zulke behoeftigen niet zonder antwoord. Zeg dan met de psalmist: „Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will walk before the LORD in the land of the living.
Psalm 116:9
There is a distinction between walking before God and walking with God. To walk before God is to walk with an abiding sense of God’s eye being upon us; to walk with a desire to do those things which are pleasing in His sight; to walk in His ordinances blameless; to walk before His people with our garments unspotted by the world; in a word, to walk before Him in private as in public, alone and in company, before the Church and the world, by day and by night, as we should walk if we had a personal view of His glorious majesty in heaven before our eyes.
Now if you carried about with you a deep and daily sense that God saw every thought, marked every movement, heard every word, and observed every action, this sense of His presence would put a restraint upon your light, trifling, and foolish spirit. You would watch your thoughts, your words, your actions, as living under a sense of God’s heart-searching eye. This is to walk before God.
But we read of Enoch that he “walked with God.” This is a more advanced stage of the divine life. To walk with God is to walk with Him in sweet familiarity, in holy confidence, in a blessed sense of a saving interest in His love and grace, and thus to walk with Him and talk with Him as a man walks and talks with his friend. There are some who walk before God, but how few walk with God! Many live under a more or less deep and daily sense of God’s heart-searching presence, who are not admitted into this sweet familiarity, nor enjoy the blessedness of this heavenly communion.
To the reader…
What a word: to walk before the face of the Lord! Do you live with the awareness that God’s eye is upon you? Not only in church, but also when you are alone; not only by day, but also at night? It would surely restrain our light and trifling spirit if we realised daily that He sees every thought and hears every word. We must honestly admit how little we walk like this, and how easily our garments are stained by the world.
But it goes further still. To walk with God is more: it is to go about with Him in sweet fellowship and holy confidence, as a man speaks with his friend. Do you know little of that, and yet long for it? Then let that longing become a prayer. He Who drew Enoch to Himself is still the same, and He does not leave such needy ones without an answer. Then say with the psalmist: “I will walk before the LORD.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Andaré delante de Jehová en la tierra de los vivientes.
Salmo 116:9
Hay una distinción entre andar delante de Dios y andar con Dios. Andar delante de Dios es andar con un sentido permanente de que el ojo de Dios está sobre nosotros; andar con el deseo de hacer las cosas que son agradables delante de Él; andar en Sus ordenanzas sin reprensión; andar delante de Su pueblo con nuestras vestiduras sin mancha del mundo; en una palabra, andar delante de Él en privado como en público, a solas y en compañía, delante de la Iglesia y del mundo, de día y de noche, como andaríamos si tuviéramos ante nuestros ojos una vista personal de Su gloriosa majestad en el cielo.
Ahora bien, si llevara usted consigo un sentido profundo y diario de que Dios ve cada pensamiento, nota cada movimiento, oye cada palabra y observa cada acción, este sentido de Su presencia pondría freno a su espíritu ligero, frívolo y necio. Vigilaría sus pensamientos, sus palabras y sus acciones, como quien vive bajo el sentido del ojo de Dios que escudriña los corazones. Esto es andar delante de Dios.
Pero leemos de Enoc que “caminó con Dios”. Esta es una etapa más avanzada de la vida divina. Andar con Dios es andar con Él en dulce familiaridad, en santa confianza, en un bendito sentido de tener parte salvadora en Su amor y Su gracia, y así andar con Él y hablar con Él como un hombre anda y habla con su amigo. Hay algunos que andan delante de Dios, ¡pero cuán pocos andan con Dios! Muchos viven bajo un sentido más o menos profundo y diario de la presencia de Dios que escudriña los corazones, y sin embargo no son admitidos a esta dulce familiaridad, ni gozan de la bienaventuranza de esta comunión celestial.
Al lector…
¡Qué palabra: andar delante del rostro del Señor! ¿Vive usted con la conciencia de que el ojo de Dios está sobre usted? ¿No solo en la iglesia, sino también cuando está a solas; no solo de día, sino también de noche? Sin duda pondría freno a nuestro espíritu ligero y frívolo si nos diéramos cuenta cada día de que Él ve cada pensamiento y oye cada palabra. Tenemos que reconocer con sinceridad cuán poco andamos así, y con qué facilidad se manchan nuestras vestiduras con el mundo.
Pero va aún más lejos. Andar con Dios es más: es andar con Él en dulce comunión y santa confianza, como un hombre habla con su amigo. ¿Conoce usted poco de eso, y sin embargo lo anhela? Entonces deje que ese anhelo se convierta en oración. Aquel que atrajo a Enoc hacia Sí sigue siendo el mismo, y no deja sin respuesta a los que así están necesitados. Diga entonces con el salmista: “Andaré delante de Jehová”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl