2 mei
Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.
Mattheüs 26:41
Het komen in de verzoeking is onderscheiden van de verzoeking zelf. „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” Een verzoeking presenteert zichzelf, komt tot ons en wij komen tot de verzoeking. Indien de consciëntie een alarm doet horen, zo te zeggen de loefzijde van de verzoeking houdt, dan zijn wij voor het tegenwoordige veilig. De verzoeking is de lager wal, waarop de wind hevig blaast; het is een kuststrook met duizend wrakken en overspoeld met de dorre beenderen van ontelbare verdronken zeelieden. Houdt de voorsteven van het schip op de wind en het zal de omstandigheden trotseren. Veronachtzaamt het zeil en het roer, en het schip zal stranden.
David en Jozef werden aan een bijzondere verzoeking blootgesteld. David weerstond ze niet en viel; Jozef hoedde zich ervoor en bleef staande. In het land ziet ge dikwijls een voetpad, dat het pad kruist, en als wij in dit voetpad blijven, gaan wij veilig. Maar wij kunnen door verschillende dingen verzocht worden een weinig daarvan af te wijken, om bijvoorbeeld een bloem te plukken of ons gemak te zoeken aan de oever der rivier of een kort uitstapje te doen in het veld. Nu, terwijl wij op het voetpad zijn, moge de verzoeking zeer nabij zijn, maar wij zijn er nog niet op ingegaan of hebben erin toegestemd; wij wandelen om zo te zeggen wel op het kantje, doch hebben haar grondgebied nog niet betreden.
Weinigen zijn er, zo er inderdaad enigen zijn, die de verzoeking gehoor geven en er niet door gevallen zijn. De vliegende insecten rondom het spinnenweb zijn, wanneer zij het aanraken, gevangen. De vogel, die vliegt rond de strik van de vogelvanger om van het aas te bijten, moet in de strik geraken. De rondom de kaars fladderende mot moet in aanraking komen met de vlam en brandt haar vleugels. De woorden des Heeren waren niet: waakt en bidt tegen de verzoeking, maar: „opdat gij niet in verzoeking komt.” Weinigen komen uit de verzoeking zoals zij erin gekomen zijn.
Hoe duidelijk beschrijft de apostel Jacobus het onderscheid tussen het verdragen van de verzoeking en het vallen in de verzoeking. Hij zegt niet: „Welzalig is de man, die vrij is van de verzoeking,” maar „die de verzoeking verdraagt.” Welgelukzalig is de man, die op het voetpad gehouden wordt, die ziet de verzoeking aan alle zijden, maar verdraagt ze en wordt niet van het pad afgetrokken, want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen. Hij heeft de goede strijd gestreden, de strijd gewonnen en zal de kroon ontvangen.
Maar hij voegt eraan toe: „Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht.” Hij moet niet zeggen, dat de Heere hem de verzoeking voorstelt en dat derhalve Hij de schuld is wanneer hij valt. Neen, zegt Jacobus, laat deze gedachte verre van u zijn. God kan niet verzocht worden van het kwade en Hij Zelf verzoekt niemand. Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijn eigen begeerlijkheden afgetrokken en verlokt wordt.
Er is in de verzoeking geen zonde, want de Heere Jezus was ook verzocht in alles, gelijk wij, en zonder zonde. Ook is er in de begeerte geen dadelijke uitoefening van de zonde, maar een bespiegelende zonde. Doch wanneer deze twee elkander ontmoeten, elkaar omhelzen en de wil toestemt in deze vereniging, en de stem van God en de consciëntie het zwijgen wordt opgelegd, dan wordt de zonde in de dadelijkheid voortgebracht. En daarop volgt de vreselijke en treurige vrucht. De zonde voleindigd zijnde, baart de dood, dat is, zo ik het begrijp, de dood in de consciëntie, schuld, veroordeling, ellende en uitblussing van alle vruchten en genaden van de gezegende Geest.
Aan de lezer…
Misschien staat u vandaag dicht bij die lager wal, waar al zovele schepen gestrand zijn. De verzoeking lokt u een weinig van het voetpad af, om een bloem te plukken of uw gemak te zoeken, en het schijnt zo onschuldig. Waarde lezer, let op de stem van uw consciëntie wanneer zij alarm slaat. De Heere zegt niet tevergeefs: „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” De mot die om de kaars fladdert, verbrandt haar vleugels; weinigen komen uit de verzoeking zoals zij erin gingen.
Wordt u nu bestreden, schaam u niet over de strijd zelf, want er is in de verzoeking geen zonde: ook de Heere Jezus werd verzocht in alles, gelijk wij, doch zonder zonde. En geef God niet de schuld; uw eigen begeerlijkheid trekt u af. Houd dan de voorsteven op de wind, en roep tot Hem Die u op het pad kan houden. Welgelukzalig is de man die de verzoeking verdraagt; hem is de kroon des levens beloofd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.
Mattheüs 26:41
In verzoeking komen is iets anders dan de verzoeking zelf. „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” Een verzoeking dient zich aan, komt naar ons toe, en wij komen bij de verzoeking. Als het geweten alarm slaat en als het ware aan de loefzijde van de verzoeking blijft, dan zijn wij voorlopig veilig. De verzoeking is de lagerwal waarop de wind hevig staat; het is een kuststrook vol met duizend wrakken, bezaaid met de dorre beenderen van talloze verdronken zeelieden. Houd de boeg van het schip op de wind, en het zal het weer trotseren. Verwaarloos zeil en roer, en het schip zal stranden.
David en Jozef werden aan een bijzondere verzoeking blootgesteld. David weerstond haar niet en viel; Jozef wachtte zich ervoor en bleef staande. Op het land ziet u vaak een voetpad dat de weg kruist, en zolang wij op dat voetpad blijven, gaan wij veilig. Maar wij kunnen door allerlei dingen verleid worden er een beetje van af te wijken, bijvoorbeeld om een bloem te plukken, om aan de oever van de rivier wat rust te zoeken of om een kort uitstapje in het veld te maken. Zolang wij op het voetpad zijn, kan de verzoeking heel dichtbij zijn, maar wij zijn er nog niet op ingegaan en hebben er nog niet in toegestemd. Wij lopen als het ware wel op het randje, maar hebben haar gebied nog niet betreden.
Er zijn er maar weinig, als er al zijn, die aan de verzoeking gehoor geven en er niet door gevallen zijn. Vliegende insecten rond een spinnenweb zijn gevangen zodra zij het aanraken. De vogel die rond de strik van de vogelvanger vliegt om van het aas te pikken, moet wel in de strik terechtkomen. De mot die rond de kaars fladdert, moet wel met de vlam in aanraking komen en verbrandt haar vleugels. De woorden van de Heere waren niet: waakt en bidt tegen de verzoeking, maar: „opdat gij niet in verzoeking komt.” Weinigen komen uit de verzoeking zoals zij erin gekomen zijn.
Hoe duidelijk beschrijft de apostel Jakobus het verschil tussen het verdragen van de verzoeking en het vallen in de verzoeking! Hij zegt niet: „Welzalig is de man, die vrij is van de verzoeking,” maar „die de verzoeking verdraagt.” Welgelukzalig is de man die op het voetpad gehouden wordt, die de verzoeking aan alle kanten ziet, maar haar verdraagt en niet van het pad wordt afgetrokken; want als hij beproefd zal zijn geweest, zal hij de kroon des levens ontvangen. Hij heeft de goede strijd gestreden, de strijd gewonnen, en zal de kroon ontvangen.
Maar hij voegt eraan toe: „Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht.” Hij moet niet zeggen dat de Heere hem de verzoeking voorlegt en dat Hij dus de schuld heeft als hij valt. Nee, zegt Jakobus, laat die gedachte ver van u zijn. God kan niet verzocht worden door het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Maar ieder wordt verzocht wanneer hij door zijn eigen begeerten wordt meegetrokken en verlokt.
In de verzoeking zelf is geen zonde, want de Heere Jezus is ook in alles verzocht geweest zoals wij, maar zonder zonde. Ook is er in de begeerte nog geen daadwerkelijke uitoefening van de zonde, maar een zonde in gedachten. Maar wanneer die twee elkaar ontmoeten en omhelzen, de wil instemt met die vereniging en de stem van God en van het geweten tot zwijgen wordt gebracht, dan wordt de zonde daadwerkelijk voortgebracht. En daarop volgt de vreselijke en treurige vrucht. De zonde, voleindigd zijnde, baart de dood; dat is, als ik het goed begrijp, de dood in het geweten: schuld, veroordeling, ellende, en het uitdoven van alle vruchten en genadegaven van de gezegende Geest.
Aan de lezer…
Misschien staat u vandaag dicht bij die lagerwal, waar al zoveel schepen gestrand zijn. De verzoeking lokt u een beetje van het voetpad af, om een bloem te plukken of wat rust te zoeken, en het lijkt zo onschuldig. Let dan op de stem van uw geweten wanneer het alarm slaat. De Heere zegt niet voor niets: „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” De mot die om de kaars fladdert, verbrandt haar vleugels; weinigen komen uit de verzoeking zoals zij erin gingen.
Wordt u nu bestreden? Schaam u dan niet over de strijd zelf, want in de verzoeking is geen zonde: ook de Heere Jezus werd in alles verzocht zoals wij, maar zonder zonde. En geef God niet de schuld; het is uw eigen begeerte die u meetrekt. Houd dan de boeg op de wind, en roep tot Hem Die u op het pad kan houden. Welgelukzalig is de man die de verzoeking verdraagt; hem is de kroon des levens beloofd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Watch and pray, that ye enter not into temptation.
Matthew 26:41
The entering into temptation is a different thing from temptation itself. “Watch and pray, that you enter not into temptation.” A temptation presents itself, draws near to us, or we draw near to it. If conscience sounds an alarm, and we keep, so to speak, to the windward of temptation, we are for the present safe. Temptation is a lee shore on which the wind fiercely blows; it is a coast strewed with a thousand wrecks, and with the bleached bones of innumerable drowned mariners. Keep the ship’s head to windward, and she may weather the point; neglect sail and helm, and she will go ashore.
David and Joseph were exposed to a similar temptation. David entered into it, and fell; Joseph was kept from entering into it, and stood. In the country you often see a footpath across a field; if we keep in it we are safe. But we may be tempted by various objects to diverge a little, to gather a flower, or saunter upon the banks of the river, or make a shortcut across the fields. While we are in the footpath, temptation may be very near, but we have not yet entered into it; we are upon the borders of it, but we have not yet entered into its territory.
Few, if any, enter into temptation without falling by it. The FLY hovers round the spider’s web; to touch it is to enter into it. The BIRD flies around the fowler’s snare; to peck at the bait is to enter the trap. The MOTH flutters round the candle; to enter the flame is to burn its wings.
The Lord’s words were not, “watch and pray against temptation,” but “that you enter not into temptation.” Few come out of temptation as they entered into it. How clearly James has described the difference between enduring temptation and falling by temptation. He does not say, “Blessed is the man who is free from temptation,” but “who endures temptation.” Blessed is the man who is kept in the footpath, who sees temptation on every side, but endures it, is not drawn out of the path by it, for “when he is tried, he shall receive a crown of life.” He has fought the good fight, won the battle, and shall receive the crown.
But he adds, “Let no man say when he is tempted, I am tempted by God.” He must not say that the Lord presents temptation to him, and is therefore chargeable with it if he falls. “No,” says James, “let that thought be abhorred. God cannot be tempted with evil, neither tempts He any man. But every man is tempted when he is drawn away of his own lust and enticed.” There is no sin in temptation, for the Lord Jesus was “tempted in all points like as we are, yet without sin.” Nor in lust is there practical, though there is speculative sin. It is when the two meet and embrace, and the will consents to the union, silencing the voice of God and conscience, that sin is produced.
And thirdly, follows the fearful and fatal fruit, “Sin, when it is finished, brings forth death;” that is, as I understand it, death in the conscience, guilt, condemnation, and misery, and the deadening of all the fruits and graces of the blessed Spirit.
To the reader…
Perhaps today you stand close to that lee shore where so many ships have been wrecked. Temptation lures you a little way off the footpath, to gather a flower or to seek some rest, and it seems so harmless. Then heed the voice of your conscience when it sounds the alarm. The Lord does not say in vain: “Watch and pray, that ye enter not into temptation.” The moth that flutters round the candle burns its wings; few come out of temptation as they went into it.
Are you being assailed now? Then do not be ashamed of the struggle itself, for there is no sin in temptation: the Lord Jesus too was tempted in all points like as we are, yet without sin. And do not lay the blame on God; it is your own lust that draws you away. Keep the bow to the wind, then, and cry to Him Who is able to keep you on the path. Blessed is the man that endureth temptation; to him the crown of life is promised.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Velad y orad, para que no entréis en tentación.
Mateo 26:41
Entrar en la tentación es cosa distinta de la tentación misma. “Velad y orad, para que no entréis en tentación.” Una tentación se presenta, se acerca a nosotros, o nosotros nos acercamos a ella. Si la conciencia da la alarma y nos mantenemos, por así decirlo, a barlovento de la tentación, por el momento estamos a salvo. La tentación es una costa de sotavento contra la cual sopla el viento con furia; es una costa sembrada de mil naufragios y de los huesos blanqueados de innumerables marineros ahogados. Mantenga la proa del barco al viento, y podrá doblar el cabo; descuide la vela y el timón, y encallará.
David y José estuvieron expuestos a una tentación semejante. David entró en ella y cayó; José fue guardado de entrar en ella y permaneció en pie. En el campo se ve a menudo un sendero que atraviesa un prado; si nos mantenemos en él, estamos a salvo. Pero diversos objetos pueden tentarnos a apartarnos un poco: a recoger una flor, a pasear por la orilla del río o a tomar un atajo por los campos. Mientras estamos en el sendero, la tentación puede estar muy cerca, pero todavía no hemos entrado en ella; estamos en sus límites, pero aún no hemos entrado en su territorio.
Pocos, si es que alguno, entran en la tentación sin caer por ella. La MOSCA revolotea alrededor de la tela de la araña; tocarla es entrar en ella. El PÁJARO vuela alrededor del lazo del cazador; picar el cebo es entrar en la trampa. La POLILLA revolotea alrededor de la vela; entrar en la llama es quemarse las alas.
Las palabras del Señor no fueron: “Velad y orad contra la tentación”, sino “para que no entréis en tentación”. Pocos salen de la tentación tal como entraron en ella. ¡Con qué claridad ha descrito Santiago la diferencia entre sufrir la tentación y caer por la tentación! No dice: “Bienaventurado el varón que está libre de tentación”, sino “que sufre la tentación”. Bienaventurado el hombre que es guardado en el sendero, que ve la tentación por todos lados, pero la sufre y no es apartado del camino por ella; porque “cuando fuere probado, recibirá la corona de vida”. Ha peleado la buena batalla, ha ganado la lucha y recibirá la corona.
Pero añade: “Cuando alguno es tentado, no diga que es tentado de Dios”. No debe decir que el Señor le presenta la tentación y que, por tanto, es culpable de ella si cae. “No”, dice Santiago, “aborrézcase tal pensamiento. Dios no puede ser tentado de los malos, ni Él tienta a alguno; mas cada uno es tentado, cuando de su propia concupiscencia es atraído y cebado.” No hay pecado en la tentación, porque el Señor Jesús fue “tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado”. Ni en la concupiscencia hay pecado práctico, aunque sí lo hay especulativo. Es cuando ambas se encuentran y se abrazan, y la voluntad consiente en la unión, acallando la voz de Dios y de la conciencia, cuando se produce el pecado.
Y en tercer lugar sigue el fruto terrible y fatal: “El pecado, siendo cumplido, engendra muerte”; es decir, según yo lo entiendo, muerte en la conciencia, culpa, condenación y miseria, y el amortecimiento de todos los frutos y gracias del bendito Espíritu.
Al lector…
Quizá hoy se encuentre usted cerca de esa costa de sotavento donde tantos barcos han naufragado. La tentación le atrae a apartarse un poco del sendero, a recoger una flor o a buscar algo de descanso, y parece tan inofensiva. Atienda entonces a la voz de su conciencia cuando da la alarma. No en vano dice el Señor: “Velad y orad, para que no entréis en tentación”. La polilla que revolotea alrededor de la vela se quema las alas; pocos salen de la tentación tal como entraron en ella.
¿Está usted siendo asaltado ahora? No se avergüence entonces de la lucha misma, porque no hay pecado en la tentación: también el Señor Jesús fue tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado. Y no eche la culpa a Dios; es su propia concupiscencia la que le atrae. Mantenga, pues, la proa al viento y clame a Aquel que puede guardarle en el camino. Bienaventurado el varón que sufre la tentación; a él se le ha prometido la corona de vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl