17 maart
Ik en de Vader zijn één.
Johannes 10:30
Er is veel haarkloverij in het gemoed van sommige mensen over de uitdrukking „het bloed Gods”. Hoe, zeggen zij, kon de Godheid bloeden? Hoe kon de Godheid lijden? Doch indien het niet is het bloed van Hem, Die God was, dan mocht ik ook evenzeer ter zaligheid mijn vertrouwen stellen op het bloed van één der moordenaren die met Hem gekruisigd zijn. Wat is Christus’ menselijke natuur? Het is de rots waarop zo menig schoon schip heeft gestoten.
Het is niet een persoon met een onderscheiden bestaan, dus afgescheiden van de Godheid van Christus; maar het is een natuur, hetgeen de Heilige Geest noemt: „dat Heilige”, Lukas 1:35; een „lichaam, dat God Hem had toebereid”, Hebr. 10:5. Het is de menselijke natuur, aangenomen tot een gemeenzame, verborgen en onverklaarbare vereniging met de Persoon van de Zoon van God. Zodat, wat ook de menselijke natuur deed en leed, krachtens de gemeenzaamheid en de vereniging met de Zoon van God, de Zoon van God dit deed en leed. Bloedde de natuur? Zij bloedde als hebbende vereniging met de Godheid; zijnde, om zo te spreken, het instrument waarvan de Godheid gebruikmaakte.
Om een voorbeeld te gebruiken: gelijk mijn ziel door middel van mijn hand een voorwerp aanraakt, of haar gedachten uitspreekt door mijn tong, evenzo is het met de Godheid; Zelf niet in staat om te bloeden, bloedde zij door de mensheid. Leed die natuur? Het was niet het blote lijden van een menselijk persoon, gelijk een mens lijden kon; maar het was het lijden van een heilige natuur in directe vereniging met de Persoon van de Zoon van God. En gehoorzaamde die natuur? Zodat te redekavelen over de uitdrukking „het bloed Gods” niets minder is dan een streep te geven door een grote, fundamentele waarheid.
Men kon op dezelfde grond ook bezwaar hebben tegen de uitdrukking „De Heere onze gerechtigheid”, gelijk de profeet daarvan spreekt: „En dit is de naam, waarmede men Hem noemen zal: De Heere onze gerechtigheid”, Jer. 23:6. Wie is onze gerechtigheid anders dan de Zoon van God? En wat was die gerechtigheid anders dan de gehoorzaamheid van Zijn menselijke natuur; want de Godheid kon evenmin gehoorzamen als zij kon lijden en bloeden; en toch is Jehova onze gerechtigheid. En als wij er nu niet op tegen hebben te spreken van de „gerechtigheid Gods”, waarom zouden wij dit wel hebben tegen de uitdrukking „het bloed Gods”?
Nu, dit is de grote verborgenheid die het geloof omhelst en die dierbaar is voor het hart van iedere ziel, door God onderwezen. Welk een kracht en werking ziet het geloof in deze offerande, wanneer het deksel des harten wordt weggenomen! Welk een verzoening voor de zonde door het bloed des Zoons Gods mag zij aanschouwen! Het geloof beschouwt dit niet als het bloed van een mens. Kan het bloed van een mens de zonde wegnemen? Maar wanneer wij het zien als het bloed des Zoons Gods, welk een waarde, kracht, vermogen en heerlijkheid blinken erin uit! Doch tenzij het deksel van het hart wordt weggenomen, kunnen wij niet zien; ook kunnen wij niet — tenzij de Geest het ons bevindelijk doet verstaan — iets kennen van de Goddelijke waardij die er in dit bloed is om onze schuldige consciëntie te reinigen.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls klaagt uw schuldige consciëntie u aan, en waarop rust dan uw hoop? Het bloed van een mens kan de zonde niet wegnemen. Maar het bloed van Christus is het bloed van Hem, Die God was, vergoten in die heilige natuur welke in een verborgen en onverklaarbare vereniging met de Persoon van de Zoon van God werd aangenomen. Daarom ligt er een Goddelijke waardij in, groot genoeg voor de zwaarste schuld.
Laat anderen redekavelen over deze verborgenheid; het geloof omhelst haar en vindt er rust. Ziet u nog weinig van haar kracht en heerlijkheid, bid dan dat het deksel van uw hart wordt weggenomen en dat de Geest het u bevindelijk doet verstaan. Dan wordt het u dierbaar: de Heere uw gerechtigheid, en het bloed des Zoons Gods tot reiniging van een schuldige consciëntie. Daarop kunt u leven, en daarop kunt u sterven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik en de Vader zijn één.
Johannes 10:30
Sommige mensen maken veel haarkloverij over de uitdrukking „het bloed Gods”. Hoe, zeggen zij, kon de Godheid bloeden? Hoe kon de Godheid lijden? Maar als het niet het bloed is van Hem Die God was, dan kon ik mijn vertrouwen voor de zaligheid net zo goed stellen op het bloed van een van de moordenaars die met Hem gekruisigd zijn. Wat is de menselijke natuur van Christus? Het is de rots waarop menig mooi schip is gestrand.
Het is geen persoon met een afzonderlijk bestaan, los van de Godheid van Christus, maar het is een natuur, wat de Heilige Geest noemt: „dat Heilige”, Lukas 1:35; een „lichaam, dat God Hem had toebereid”, Hebr. 10:5. Het is de menselijke natuur, aangenomen in een innige, verborgen en onverklaarbare vereniging met de Persoon van de Zoon van God. Zodat, wat de menselijke natuur ook deed en leed, de Zoon van God dit deed en leed krachtens die innige gemeenschap en vereniging met de Zoon van God. Bloedde die natuur? Zij bloedde als verenigd met de Godheid, als het ware het instrument waarvan de Godheid gebruikmaakte.
Om een voorbeeld te gebruiken: zoals mijn ziel door middel van mijn hand een voorwerp aanraakt, of haar gedachten uitspreekt door mijn tong, zo is het met de Godheid. Zelf niet in staat om te bloeden, bloedde zij door de mensheid. Leed die natuur? Het was niet het lijden van alleen maar een menselijk persoon, zoals een mens lijden kon, maar het was het lijden van een heilige natuur in rechtstreekse vereniging met de Persoon van de Zoon van God. En gehoorzaamde die natuur? Daarom is redeneren over de uitdrukking „het bloed Gods” niets minder dan een streep halen door een grote, fundamentele waarheid.
Op dezelfde grond zou men ook bezwaar kunnen maken tegen de uitdrukking „De Heere onze gerechtigheid”, zoals de profeet daarvan spreekt: „En dit is de naam, waarmede men Hem noemen zal: De Heere onze gerechtigheid”, Jer. 23:6. Wie is onze gerechtigheid anders dan de Zoon van God? En wat was die gerechtigheid anders dan de gehoorzaamheid van Zijn menselijke natuur? Want de Godheid kon evenmin gehoorzamen als lijden en bloeden, en toch is Jehovah onze gerechtigheid. En als wij er geen bezwaar tegen hebben te spreken van de „gerechtigheid Gods”, waarom zouden wij dan wel bezwaar hebben tegen de uitdrukking „het bloed Gods”?
Dit is nu de grote verborgenheid die het geloof omhelst en die dierbaar is voor het hart van iedere ziel die door God onderwezen is. Wat een kracht en werking ziet het geloof in dit offer, wanneer het deksel van het hart wordt weggenomen! Wat een verzoening voor de zonde mag het aanschouwen door het bloed van de Zoon van God! Het geloof ziet dit niet als het bloed van een mens. Kan het bloed van een mens de zonde wegnemen? Maar wanneer wij het zien als het bloed van de Zoon van God, wat een waarde, kracht, vermogen en heerlijkheid stralen er dan uit! Maar tenzij het deksel van het hart wordt weggenomen, kunnen wij niet zien; en wij kunnen ook niets kennen van de goddelijke waarde die er in dit bloed is om ons schuldig geweten te reinigen, tenzij de Geest het ons bevindelijk laat verstaan.
Aan de lezer…
Hoe vaak klaagt uw schuldig geweten u aan, en waarop rust dan uw hoop? Het bloed van een mens kan de zonde niet wegnemen. Maar het bloed van Christus is het bloed van Hem Die God was, vergoten in die heilige natuur die in een verborgen en onverklaarbare vereniging met de Persoon van de Zoon van God werd aangenomen. Daarom ligt er een goddelijke waarde in, groot genoeg voor de zwaarste schuld.
Laat anderen redeneren over deze verborgenheid; het geloof omhelst haar en vindt er rust. Ziet u nog weinig van haar kracht en heerlijkheid, bid dan dat het deksel van uw hart wordt weggenomen en dat de Geest het u bevindelijk laat verstaan. Dan wordt het u dierbaar: de Heere uw gerechtigheid, en het bloed van de Zoon van God tot reiniging van een schuldig geweten. Daarop kunt u leven, en daarop kunt u sterven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“I and My Father are one.”
John 10:30
There is a great deal of caviling in some men’s minds about the expression, “the blood of God.” “How,” say they, “could the Godhead bleed? How could the Godhead suffer?” But if it is not the blood of Him Who was God, I might just as well rely for salvation on the blood of one of the thieves that were crucified with Him. What is Christ’s human nature? That is the rock on which many gallant ships have struck. It is not a person, having a distinct existence apart from the Deity of Christ; but it is a nature—what the Holy Spirit calls a “Holy Thing” (Luke 1:35); “a body that God had prepared for Him” (Heb. 10:5), taken into intimate, mysterious, and inexplicable union with the Person of the Son of God. So that, whatever that human nature did and suffered, from its intimacy and union with the Son of God, the Son of God did and suffered. Did that nature bleed? It bled as having union with Deity; it being, so to speak, the instrument that Deity made use of.
To use an illustration—as my soul touches an object through my hand, or speaks its thoughts by my tongue; so Deity not being itself able to bleed, bled through the humanity. Did that nature suffer? It was not the mere suffering of a human person, as a man might suffer; but it was the suffering of a holy nature in intimate union with the Person of the Son of God. And did that nature obey? The Son of God obeyed through and with that nature. So that, to cavil at the expression, “the blood of God” is nothing less than to strike a blow at a great fundamental truth.
We might object, on the same ground, to the expression, “God our righteousness,” as the Prophet speaks, “And this is His name whereby He shall be called, The Lord our righteousness,” that is, “Jehovah our righteousness” (Jer. 23:6). Who is our righteousness but the Son of God? And what was that righteousness but the obedience of His human nature, for Godhead could no more obey than suffer and bleed; and yet Jehovah is our righteousness. And if we do not object to the expression, “the righteousness of God,” why should we cavil at the expression, “the blood of God?”
Now this is the grand mystery which faith embraces, and which is dear to the heart of every God-taught soul. What a power and efficacy, as the veil is taken off the heart, does faith see in that sacrifice! What an atoning sacrifice does it see made for sin by the blood of the Son of God! Faith does not view it as the blood of man! Can the blood of man put away sin? But when we see it as the blood of the Son of God, oh, what value, efficacy, power, and glory shine forth in it! But until the veil is taken off the heart we cannot see it; nor can we, until the Spirit makes it experimentally known, learn what a divine reality there is in this blood to purge the guilty conscience.
To the reader…
How often does your guilty conscience accuse you, and on what does your hope rest then? The blood of a man cannot take away sin. But the blood of Christ is the blood of Him Who was God, shed in that holy nature which was taken into a mysterious and inexplicable union with the Person of the Son of God. That is why there is a divine worth in it, great enough for the heaviest guilt.
Let others reason about this mystery; faith embraces it and finds rest in it. Do you still see little of its power and glory? Then pray that the veil may be taken from your heart and that the Spirit may make you understand it by experience. Then it will become precious to you: the Lord your righteousness, and the blood of the Son of God to cleanse a guilty conscience. On that you can live, and on that you can die.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Yo y el Padre una cosa somos.”
Juan 10:30
Hay mucha cavilación en la mente de algunos hombres acerca de la expresión “la sangre de Dios”. “¿Cómo —dicen— podía sangrar la Deidad? ¿Cómo podía padecer la Deidad?” Pero si no es la sangre de Aquel que era Dios, lo mismo podría confiar para mi salvación en la sangre de uno de los ladrones que fueron crucificados con Él. ¿Qué es la naturaleza humana de Cristo? Esa es la roca contra la que han chocado muchos barcos gallardos. No es una persona que tenga una existencia distinta aparte de la Deidad de Cristo; sino que es una naturaleza, lo que el Espíritu Santo llama “lo Santo” (Lucas 1:35); “un cuerpo que Dios Le había preparado” (Heb. 10:5), tomado en una unión íntima, misteriosa e inexplicable con la Persona del Hijo de Dios. De modo que todo lo que esa naturaleza humana hizo y padeció, por su intimidad y unión con el Hijo de Dios, lo hizo y padeció el Hijo de Dios. ¿Sangró esa naturaleza? Sangró como teniendo unión con la Deidad; siendo, por así decirlo, el instrumento del que la Deidad se sirvió.
Para usar una ilustración: así como mi alma toca un objeto por medio de mi mano, o expresa sus pensamientos por mi lengua, así la Deidad, no pudiendo sangrar por sí misma, sangró por medio de la humanidad. ¿Padeció esa naturaleza? No fue el mero padecer de una persona humana, como podría padecer un hombre; sino que fue el padecer de una naturaleza santa en íntima unión con la Persona del Hijo de Dios. ¿Y obedeció esa naturaleza? El Hijo de Dios obedeció por medio de esa naturaleza y con ella. De modo que cavilar sobre la expresión “la sangre de Dios” no es nada menos que asestar un golpe a una gran verdad fundamental.
Por la misma razón podríamos objetar a la expresión “Dios, nuestra justicia”, como dice el profeta: “Y este será Su nombre que Le llamarán: JEHOVÁ, JUSTICIA NUESTRA” (Jer. 23:6). ¿Quién es nuestra justicia sino el Hijo de Dios? ¿Y qué era esa justicia sino la obediencia de Su naturaleza humana, pues la Deidad no podía obedecer más de lo que podía padecer y sangrar? Y sin embargo, Jehová es nuestra justicia. Y si no objetamos a la expresión “la justicia de Dios”, ¿por qué hemos de cavilar sobre la expresión “la sangre de Dios”?
Este es, pues, el gran misterio que la fe abraza, y que es querido al corazón de toda alma enseñada por Dios. ¡Qué poder y eficacia ve la fe en ese sacrificio cuando el velo es quitado del corazón! ¡Qué sacrificio expiatorio por el pecado ve hecho por la sangre del Hijo de Dios! ¡La fe no lo mira como sangre de hombre! ¿Puede la sangre de un hombre quitar el pecado? Pero cuando la vemos como la sangre del Hijo de Dios, ¡oh, qué valor, eficacia, poder y gloria resplandecen en ella! Pero hasta que el velo es quitado del corazón no podemos verlo; ni podemos, hasta que el Espíritu lo da a conocer por experiencia, aprender qué realidad divina hay en esta sangre para purificar la conciencia culpable.
Al lector…
¿Cuántas veces le acusa su conciencia culpable, y en qué descansa entonces su esperanza? La sangre de un hombre no puede quitar el pecado. Pero la sangre de Cristo es la sangre de Aquel que era Dios, derramada en esa naturaleza santa que fue tomada en una unión misteriosa e inexplicable con la Persona del Hijo de Dios. Por eso hay en ella un valor divino, lo bastante grande para la culpa más pesada.
Deje que otros razonen sobre este misterio; la fe lo abraza y halla descanso en él. ¿Ve usted todavía poco de su poder y de su gloria? Entonces ore para que el velo sea quitado de su corazón y para que el Espíritu se lo haga entender por experiencia. Entonces le será precioso: Jehová, justicia nuestra, y la sangre del Hijo de Dios para limpiar una conciencia culpable. De eso puede vivir, y con eso puede morir.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl