14 juni
Daarna verminderen zij, en komen ten onder door verdrukking, kwaad en droefenis.
Psalm 107:39
Verdrukking is de oefening van kracht tegenover zwakheid, de overwinning van macht tegenover hulpeloosheid, zodat, letterlijk genomen, de armoede de deur opent voor verdrukking. Zo was het met Hiskia. Toen Hiskia op zijn ziekbed gelegd was en de dood hem in het aangezicht staarde, en hij verwachtte te zullen worden afgesneden en in het verderf te zullen nederdalen, opende dit de deur voor de verdrukking. Daarom zegt hij: „Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.” Het koude doodzweet stond op zijn voorhoofd en vertwijfeling drukte zijn ziel. Al zijn vleselijke godsdienst verdween in één ogenblik, en hij had nog juist geloof en kracht genoeg om, terwijl des verdrukkers hand zijn keel omknelde, uit te roepen: „Wees Gij mijn Borg” (Neem Gij het voor mij op; Eng. vert.), Jesaja 38:14.
Zo is de onderdrukking dan een gewicht of last, aan de armoede toegevoegd. Zij is niet hetzelfde als de armoede. Iemand kan arm zijn zonder onderdrukt te worden; maar arm zijn en tevens onderdrukt te worden, maakt de armoede tienmaal meer dan tevoren. In Zijn handelingen met Zijn volk beoogt de Heere hen in vernedering te brengen. Eerst ontbloot Hij hen en maakt hen arm, en wanneer Hij hen heeft arm gemaakt, en gebracht heeft in de uiterste nood, dan brengt Hij lasten tevoorschijn en legt ze op hen als zware pakken, die hen naar het schijnt moeten doen neerzinken in een eeuwig verderf.
Doch hier is het kenmerk van leven: het kermen, het hijgen, het zuchten en schreien der ziel onder de last. Die dood zijn in de zonden, hebben geen gevoel; evenzo is het met de huichelaars in Sion, en met degenen die hun gemak vinden in een vleselijke godsdienst. Zij kunnen hevige verzoekingen moeten doorstaan; zij mogen buitengewone angsten der hel doormaken; doch zij kennen niet de opheffingen die een levende consciëntie wel heeft onder de last der onderdrukking; zij kennen geen uitstorting des harten voor de Heere, of van enig lucht geven aan de bekommering der ziel in het zuchten en uitwenen voor de Heere, om genade te mogen vinden, of het Hem behagen moge van vrede te spreken en een zoete openbaring te schenken van vergeving en liefde. Zij kennen niet dat aanhouden aan de troon der genade, dag aan dag en nacht aan nacht, totdat de Heere verschijnt. Deze oefeningen zijn aan doden onbekend; zij behoren bij de levende kerk.
Iemand moge schreeuwen van weedom des harten, en van verbreking des geestes huilen (Jesaja 65:14), maar, gelijk de profeet zegt: „Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers” (Hosea 7:14). Maar te hijgen om en te verlangen naar de Heere, te kermen en te zuchten vanwege de onderdrukking, te worstelen met de Zaligmaker en Hem geen rust te gunnen totdat Hij in de ziel verschijnt, dit werk in het binnenste is alleen bekend bij de uitverkorenen en is buiten het bereik van allen die een naam hebben dat zij leven, terwijl zij dood zijn. Het is de vrucht van de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden in hun ziel. Het is het werk van de Heilige Geest, Die hun zwakheden te hulp komt en Die in hen bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.
Aan de lezer…
Gaat u gebukt onder verdrukking, kwaad en droefenis, verminderd en ten onder gebracht? Eerst arm gemaakt, en dan nog lasten erbovenop, alsof u onder het gewicht moet bezwijken? Misschien vreest u dat zulke zware wegen bewijzen dat de Heere tegen u is. Maar ik wijs u op iets anders: het kermen, het hijgen, het zuchten van de ziel onder de last is een kenmerk van leven. Die dood zijn, voelen het gewicht niet en roepen niet met het hart.
Ziet u in uzelf dat aanhouden aan de troon der genade, dag aan dag en nacht aan nacht, dat worstelen tot Hij verschijnt? Dat is niet uw eigen werk; het is de Geest der genade en der gebeden, Die uw zwakheden te hulp komt en in u bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Zeg dan maar met hem die het koude doodzweet voelde: „Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarna verminderen zij, en komen ten onder door verdrukking, kwaad en droefenis.
Psalm 107:39
Verdrukking is het uitoefenen van kracht tegenover zwakheid, de overwinning van macht op hulpeloosheid. Letterlijk genomen opent armoede dus de deur voor verdrukking. Zo was het met Hiskia. Toen Hiskia op zijn ziekbed lag en de dood hem in het gezicht staarde, en hij verwachtte te worden afgesneden en in het verderf neer te dalen, opende dat de deur voor de verdrukking. Daarom zegt hij: „Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.” Het koude doodzweet stond op zijn voorhoofd en wanhoop drukte op zijn ziel. Al zijn vleselijke godsdienst verdween in één ogenblik, en hij had nog net genoeg geloof en kracht om, terwijl de hand van de verdrukker zijn keel omklemde, uit te roepen: „Wees Gij mijn Borg” (Neem U het voor mij op; Eng. vert.), Jesaja 38:14.
De onderdrukking is dus een gewicht of last die aan de armoede wordt toegevoegd. Zij is niet hetzelfde als de armoede. Iemand kan arm zijn zonder onderdrukt te worden; maar arm zijn en tegelijk onderdrukt worden, maakt de armoede tienmaal zwaarder dan eerst. In Zijn handelingen met Zijn volk heeft de Heere tot doel hen in vernedering te brengen. Eerst ontbloot Hij hen en maakt Hij hen arm. En wanneer Hij hen arm gemaakt en in de uiterste nood gebracht heeft, haalt Hij lasten tevoorschijn en legt die op hen als zware pakken, die hen naar het lijkt in een eeuwig verderf moeten doen wegzinken.
Maar hier is het kenmerk van leven: het kermen, het hijgen, het zuchten en schreien van de ziel onder de last. Wie dood zijn in de zonden, hebben geen gevoel; zo is het ook met de huichelaars in Sion, en met hen die hun gemak vinden in een vleselijke godsdienst. Zij kunnen hevige verzoekingen moeten doorstaan en buitengewone angsten van de hel doormaken; maar zij kennen niet het opzien dat een levend geweten wel kent onder de last van de onderdrukking. Zij kennen geen uitstorten van het hart voor de Heere, geen lucht geven aan de zorg van de ziel door te zuchten en uit te wenen voor de Heere, om genade te mogen vinden, of het Hem zou behagen vrede te spreken en een zoete openbaring van vergeving en liefde te schenken. Zij kennen dat aanhouden aan de troon der genade niet, dag aan dag en nacht aan nacht, totdat de Heere verschijnt. Deze oefeningen zijn aan doden onbekend; zij horen bij de levende kerk.
Iemand kan schreeuwen van smart van het hart, en huilen van verbreking van de geest (Jesaja 65:14), maar zoals de profeet zegt: „Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers” (Hosea 7:14). Maar hijgen naar en verlangen naar de Heere, kermen en zuchten vanwege de onderdrukking, worstelen met de Zaligmaker en Hem geen rust gunnen totdat Hij in de ziel verschijnt: dit werk in het binnenste is alleen bekend bij de uitverkorenen. Het ligt buiten het bereik van allen die de naam hebben dat zij leven, terwijl zij dood zijn. Het is de vrucht van de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden in hun ziel. Het is het werk van de Heilige Geest, Die hun zwakheden te hulp komt en Die in hen bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.
Aan de lezer…
Gaat u gebukt onder verdrukking, kwaad en droefenis, verminderd en ten onder gebracht? Eerst arm gemaakt, en dan nog lasten erbovenop, alsof u onder het gewicht moet bezwijken? Misschien vreest u dat zulke zware wegen bewijzen dat de Heere tegen u is. Maar ik wijs u op iets anders: het kermen, het hijgen en het zuchten van de ziel onder de last is een kenmerk van leven. Wie dood zijn, voelen het gewicht niet en roepen niet met het hart.
Ziet u in uzelf dat aanhouden aan de troon der genade, dag aan dag en nacht aan nacht, dat worstelen tot Hij verschijnt? Dat is niet uw eigen werk. Het is de Geest der genade en der gebeden, Die uw zwakheden te hulp komt en in u bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Zeg dan maar met hem die het koude doodzweet voelde: „Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Again, they are minished and brought low through oppression, affliction, and sorrow.
Psalm 107:39
Oppression is the exercise of strength against weakness, the triumph of power over helplessness; so that poverty literally opens the door for oppression. It was so with Hezekiah. When Hezekiah was laid on his bed of sickness, death stared him in the face, and he expected he should be cut off, and cast into perdition. This opened the door for oppression; says he, “Lord, I am oppressed; undertake for me.” The cold damps of death stood upon his forehead, and despair pressed upon his soul. All his fleshly religion vanished in a moment; and he had but just faith and strength enough to cry out under the gripe of the oppressor’s hand at his throat, “Undertake for me” (Isaiah 38:14).
Oppression then is a weight and a burden superadded to poverty. It is not the same thing as poverty, but it is an additional infliction to poverty. A man may be poor without being oppressed; but when he is poor and oppressed too, it makes the poverty tenfold greater than before. Thus the Lord, in His dealings with His people in order to bring them down, first strips them and makes them poor; and when He has made them poor, and brought them into the depths of soul-destitution, then He causes burdens to lie on them as heavy loads, as though they would sink them into a never-ending hell.
But here is the mark of life; the groaning, panting, sighing, and crying of the soul under the burden. The dead in sin feel nothing; the hypocrites in Zion feel nothing; and those that are at ease in a fleshly religion feel nothing. They may have powerful temptations; they may have alarming fears of going to hell; but as to any heavings up of a quickened conscience under the weight of oppression, as to any pouring out of the heart before God, or any giving vent to the distresses of the soul in sighs and cries unto the Lord to have mercy, to speak peace, and bring in a sweet manifestation of pardon and love, and to keep at this day after day, and night after night until the Lord appears; these are exercises unknown to the dead, and peculiar to the living family.
A man may “cry for sorrow of heart, and howl for vexation of spirit” (Isaiah 65:14), but as the prophet speaks, “they do not cry unto God with their heart, when they howl upon their beds” (Hosea 7:14). But to breathe and pant after the Lord, to groan and sigh because of oppression, to wrestle with the Savior and give Him no rest until He appears in the soul—this inward work is known only to the elect, and is out of the reach of all who have a name to live while they are dead. It is the fruit of the pouring out of the spirit of grace and supplications into their soul; it is the work of the Holy Spirit in the heart, helping its infirmities, and making intercession in it with groanings which cannot be uttered.
To the reader…
Are you bowed down under oppression, affliction and sorrow, minished and brought low? First made poor, and then burdens on top of that, as if you must sink beneath the weight? Perhaps you fear that such heavy ways prove the Lord is against you. But I point you to something else: the groaning, panting and sighing of the soul under the burden is a mark of life. Those who are dead do not feel the weight and do not cry with the heart.
Do you see in yourself that persevering at the throne of grace, day after day and night after night, that wrestling until He appears? That is not your own work. It is the Spirit of grace and supplications, Who helps your infirmities and prays in you with groanings which cannot be uttered. Say, then, with him who felt the cold sweat of death: “O LORD, I am oppressed; undertake for me.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y luego son menoscabados y abatidos a causa de tiranía, de males y congojas.
Salmo 107:39
La opresión es el ejercicio de la fuerza contra la debilidad, el triunfo del poder sobre la impotencia; de modo que la pobreza literalmente abre la puerta a la opresión. Así fue con Ezequías. Cuando Ezequías yacía en su lecho de enfermedad, la muerte le miraba a la cara, y esperaba ser cortado y arrojado a la perdición. Esto abrió la puerta a la opresión; dice él: “Jehová, violencia padezco; confórtame”. El frío sudor de la muerte estaba sobre su frente, y la desesperación oprimía su alma. Toda su religión carnal se desvaneció en un momento; y apenas tenía la fe y la fuerza justas para clamar, bajo la garra de la mano del opresor sobre su garganta: “Confórtame” (Isaías 38:14).
La opresión, pues, es un peso y una carga añadidos a la pobreza. No es lo mismo que la pobreza, sino un castigo añadido a la pobreza. Un hombre puede ser pobre sin estar oprimido; pero cuando es pobre y además oprimido, eso hace la pobreza diez veces mayor que antes. Así el Señor, en Sus tratos con Su pueblo para abatirlo, primero lo despoja y lo hace pobre; y cuando lo ha hecho pobre y lo ha llevado a las profundidades de la indigencia del alma, entonces hace que pesen sobre él cargas como fardos pesados, como si hubieran de hundirlo en un infierno sin fin.
Pero he aquí la señal de vida: el gemir, el jadear, el suspirar y el clamar del alma bajo la carga. Los muertos en pecado no sienten nada; los hipócritas en Sion no sienten nada; y los que están reposados en una religión carnal no sienten nada. Puede que tengan tentaciones poderosas; puede que tengan temores alarmantes de ir al infierno; pero en cuanto a los esfuerzos de una conciencia vivificada bajo el peso de la opresión, en cuanto a derramar el corazón delante de Dios, o dar salida a las angustias del alma en suspiros y clamores al Señor para que tenga misericordia, hable paz y traiga una dulce manifestación de perdón y de amor, y perseverar en esto día tras día y noche tras noche hasta que el Señor aparezca: estos son ejercicios desconocidos para los muertos y propios de la familia viva.
Un hombre puede “clamar por el dolor del corazón, y por el quebrantamiento de espíritu aullar” (Isaías 65:14), pero, como dice el profeta, “no clamaron a mí con su corazón cuando aullaron sobre sus camas” (Oseas 7:14). Pero anhelar y jadear en pos del Señor, gemir y suspirar a causa de la opresión, luchar con el Salvador y no darle reposo hasta que aparezca en el alma: esta obra interior solo la conocen los escogidos, y está fuera del alcance de todos los que tienen nombre de que viven y están muertos. Es el fruto del derramamiento del espíritu de gracia y de oración en su alma; es la obra del Espíritu Santo en el corazón, que ayuda a su flaqueza e intercede en él con gemidos indecibles.
Al lector…
¿Está usted abatido bajo la opresión, los males y las congojas, menoscabado y humillado? ¿Primero hecho pobre, y luego cargas encima de eso, como si tuviera que hundirse bajo el peso? Quizás teme que caminos tan duros prueben que el Señor está contra usted. Pero le señalo otra cosa: el gemir, el jadear y el suspirar del alma bajo la carga es una señal de vida. Los que están muertos no sienten el peso y no claman con el corazón.
¿Ve usted en sí mismo ese perseverar ante el trono de la gracia, día tras día y noche tras noche, ese luchar hasta que Él aparezca? Eso no es obra suya. Es el Espíritu de gracia y de oración, que ayuda a su flaqueza y ora en usted con gemidos indecibles. Diga, pues, con aquel que sintió el frío sudor de la muerte: “Jehová, violencia padezco; confórtame”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl