12 augustus
Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil, op Uw Woord heb ik gehoopt.
Psalm 119:81
Hoe moeilijk is het voor de meesten, en wij mogen er bijvoegen, hoe zeldzaam is het, in staat te zijn met enige grond van duurzaamheid een zoet gevoel van, en een zeker belang bij die geestelijke zegeningen in ons te verzekeren, waarmede wij, voor zover wij in de Zoon Gods geloven, in hemelse plaatsen in Christus Jezus gezegend zijn. Een schijn, een blik, een voorbijgaand gezicht, een teug, een proeve, een droppel, een kruimke, onuitsprekelijk zoet zolang het duurt, maar zelden geschonken en spoedig verdwenen, zijn in het algemeen alles wat wij schijnen te verkrijgen na veel zware arbeid, veel roepen, ernstig smeken en vurig verlangen naar de Heere, zoals Hij Zich aan ons geloof vertoont op de troon Zijner genade.
Hoevelen zijn er die elke dag, en somtijds elk uur, uitroepen, al is het niet in dezelfde woorden, nochtans in dezelfde zin: „Kom, Heere Jezus, kom met kracht!” En toch, hoe lang schijnt Hij te toeven! Hoe zien zij steeds naar boven, totdat ogen en hart schijnen te bezwijken, wachtende op Zijn verschijning als de wachter op de morgen; hoe gaarne zouden ze een offer brengen, zouden ze iets doen, iets zijn, iets verdragen, zo Hij Zich maar aan hun ziel mocht openbaren! Hoe dikwijls zoeken en doorzoeken zij hun harten, hun lippen en hun leven, om te zien of er ook een kwade weg in is waardoor Hij Zijn liefelijk gelaat voor hen verbergt, en Hij geen enkel woord zegt tot hun smachtend hart, waardoor zij met Hem in liefelijke gemeenschap konden zijn! Hoe verlangen zij om gezegend te worden met een wezenlijke verslagenheid van hart en ware bekommernis over hun zonden, en aan Zijn voeten weg te smelten en klein te worden onder het gezicht en het gevoel Zijner bloedende, stervende liefde! Maar waaruit ontspruit al dat verlangend uitzien en dat wachtend verwachten? Tonen niet al die ernstige begeerten en vurige verlangens aan, dat zij in wie zij zo gedurig gevonden worden, wedergeboren zijn tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden?
Het is het Goddelijk leven in hun ziel dat de oorsprong en de bron is van dat inwendig zuchten, dat uitzien en verlangen; en dat Goddelijke leven ontstaat uit een nieuwe en geestelijke geboorte, die zelf de vrucht is van de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
Het is niet het doodgeboren kind dat schreit; het is het geschrei van het levende kind dat de moeder zo aan het hart gaat. Zo tonen de kreten waarvan wij gesproken hebben, dat er leven is. Maar met het leven is er hoop; want waarom zou een mens gedurig roepen om, wachten op en met verlangen uitzien naar een zegen die hij geen hoop heeft ooit te verkrijgen? Indien zij dan geen levende hoop hadden, zouden zij dan roepen? In een dode hoop is geen geroep. Het is omdat de genade der hoop in hun boezem, evenals elke andere genade des Geestes, Gode levend is, dat zij in vereniging met geloof en liefde werkzaam is, om hen ernstig, oprecht en onvermoeid voor de troon te brengen en te houden, verwachtende en tegemoetziende wat God beloofd heeft te schenken aan hen die Hem verwachten.
Maar ’s Heeren gunst zal over die Hem vrezen
in eeuwigheid altoos dezelfde wezen:
zijn trouw rust zelfs op ’t late nageslacht,
dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden,
noch van zijn wet afkerig d’ oren wenden,
maar die naar eis van Gods verbond betracht.
Ps. 103:9
Aan de lezer…
Zijn het voor u, lezer, maar druppels en kruimkens? Een blik, een teug, onuitsprekelijk zoet zolang het duurt, maar spoedig weer verdwenen? En roept u elke dag, misschien elk uur: „Kom, Heere Jezus, kom met kracht!”, terwijl het u voorkomt dat Hij zo lang toeft? Doorzoekt u uw hart en leven of er een kwade weg in is, waardoor Hij Zijn liefelijk gelaat verbergt? Dan bent u niet zo verlaten als het schijnt.
Want dat zuchten, dat uitzien en verlangen komt niet uit uzelf voort. Het is het Goddelijk leven in uw ziel, geboren uit de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Een dode ziel bezwijkt niet van verlangen naar Zijn heil. Hoop dan op Zijn Woord, zoals de psalmist deed, en wacht op Hem als de wachter op de morgen. ’s Heeren gunst blijft over die Hem vrezen in eeuwigheid dezelfde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil, op Uw Woord heb ik gehoopt.
Psalm 119:81
Hoe moeilijk is het voor de meesten, en, mogen we eraan toevoegen, hoe zeldzaam is het, om met enige duurzaamheid in ons verzekerd te zijn van een zoet besef van en een zeker deel aan die geestelijke zegeningen waarmee wij, voor zover wij in de Zoon van God geloven, in hemelse plaatsen in Christus Jezus gezegend zijn. Een glimp, een blik, een voorbijgaand gezicht, een teug, een voorproef, een druppel, een kruimel: onuitsprekelijk zoet zolang het duurt, maar zelden geschonken en snel weer verdwenen. Dat is in het algemeen alles wat wij lijken te ontvangen na veel zware arbeid, veel roepen, ernstig smeken en vurig verlangen naar de Heere, zoals Hij Zich aan ons geloof vertoont op de troon van Zijn genade.
Hoevelen zijn er die elke dag, en soms elk uur, uitroepen, al is het niet met dezelfde woorden, dan toch in dezelfde zin: „Kom, Heere Jezus, kom met kracht!” En toch, hoe lang lijkt Hij te toeven! Hoe zien zij steeds naar boven, totdat ogen en hart lijken te bezwijken, terwijl zij op Zijn verschijning wachten zoals de wachter op de morgen! Wat zouden zij graag een offer brengen, iets doen, iets zijn, iets verdragen, als Hij Zich maar aan hun ziel wilde openbaren! Hoe vaak zoeken en doorzoeken zij hun hart, hun lippen en hun leven, om te zien of er soms een kwade weg in is waardoor Hij Zijn lieflijk gelaat voor hen verbergt, en waardoor Hij geen enkel woord spreekt tot hun smachtend hart, een woord waardoor zij in lieflijke gemeenschap met Hem zouden kunnen zijn!
Hoe verlangen zij ernaar gezegend te worden met een wezenlijke verslagenheid van hart en ware bekommernis over hun zonden, en aan Zijn voeten weg te smelten en klein te worden bij het zien en voelen van Zijn bloedende, stervende liefde! Maar waar komt al dat verlangende uitzien en dat wachtende verwachten vandaan? Laten al die ernstige begeerten en vurige verlangens niet zien dat zij bij wie ze zo voortdurend gevonden worden, wedergeboren zijn tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden? Het is het Goddelijk leven in hun ziel dat de oorsprong en de bron is van dat inwendige zuchten, dat uitzien en verlangen. En dat Goddelijke leven ontstaat uit een nieuwe en geestelijke geboorte, die zelf de vrucht is van de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
Het is niet het doodgeboren kind dat huilt; het is het huilen van het levende kind dat de moeder zo aan het hart gaat. Zo laten de kreten waarover we gesproken hebben zien dat er leven is. Maar waar leven is, is ook hoop. Want waarom zou iemand voortdurend roepen om, wachten op en vol verlangen uitzien naar een zegen waarvan hij geen hoop heeft die ooit te ontvangen? Als zij dan geen levende hoop hadden, zouden zij dan roepen? In een dode hoop wordt niet geroepen. Het is omdat de genade van de hoop in hun hart, net als elke andere genade van de Geest, levend is voor God, dat zij samen met geloof en liefde werkt. Zo brengt en houdt zij hen ernstig, oprecht en onvermoeid voor de troon, terwijl zij verwachten en uitzien naar wat God beloofd heeft te schenken aan hen die Hem verwachten.
Maar ’s Heeren gunst zal over die Hem vrezen
in eeuwigheid altoos dezelfde wezen:
zijn trouw rust zelfs op ’t late nageslacht,
dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden,
noch van zijn wet afkerig d’ oren wenden,
maar die naar eis van Gods verbond betracht.
Ps. 103:9
Aan de lezer…
Zijn het voor u maar druppels en kruimels? Een blik, een teug, onuitsprekelijk zoet zolang het duurt, maar snel weer verdwenen? En roept u elke dag, misschien elk uur: „Kom, Heere Jezus, kom met kracht!”, terwijl het u voorkomt dat Hij zo lang toeft? Doorzoekt u uw hart en leven of er een kwade weg in is, waardoor Hij Zijn lieflijk gelaat verbergt? Dan bent u niet zo verlaten als het lijkt.
Want dat zuchten, dat uitzien en verlangen komt niet uit uzelf voort. Het is het Goddelijk leven in uw ziel, geboren uit de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Een dode ziel bezwijkt niet van verlangen naar Zijn heil. Hoop dan op Zijn Woord, zoals de psalmdichter deed, en wacht op Hem zoals de wachter op de morgen. De gunst van de Heere blijft over hen die Hem vrezen, in eeuwigheid dezelfde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
My soul fainteth for Thy salvation: but I hope in Thy word.
Psalm 119:81
How difficult, for the most part, it is, and we may add, how rare to be able to realize for ourselves, with any degree of abiding permanency, a sweet experimental sense of, and an assured interest in, those spiritual blessings with which, so far as we are believers in the Son of God, we are blessed in heavenly places in Christ Jesus. Glimpses, glances, transient views, sips and tastes, drops and crumbs sweet beyond expression while they last, but rarely given and soon gone, are, generally speaking, all we seem to get after much hard labor, many cries, earnest entreaties, and vehement longings before the Lord, as He presents Himself to our faith, seated on the throne of His grace. How many there are who are daily and sometimes almost hourly crying out, if not in the exact words, yet in the substance of them—
O come, Thou much-expected Guest;
Lord Jesus, quickly come!
And yet how long He seems to delay His coming! How continually are they looking upward until eyes and heart seem alike to fail, waiting for His appearing more than those who watch for the morning; how willing to make any sacrifice, to do anything, be anything, or bear anything, if He would but manifest Himself to their souls. How often are they searching and examining their hearts, lips, and lives, to see if there be any evil way in them, that makes Him hide His lovely face, and not drop one word into their longing breasts, whereby they might hold sweet communion with Him! How they desire to be blessed with real contrition of heart, and godly sorrow for their sins, and be melted and dissolved at His feet, under a sight and sense of His bleeding, dying love!
But whence spring all these longing looks and waiting expectations? Do not all those earnest desires and vehement longings show that those in whom they so continually are found, are begotten again to a lively hope, by the resurrection of Jesus Christ from the dead? It is divine life in their souls which is the spring and source of these inward breathings, lookings, and longings; and this divine life arises out of a new and spiritual birth, which is itself the fruit of the resurrection of Jesus Christ from the dead. It is not the still-born child that cries; it is the cry of the living child which so goes to the heart of the mother. Thus the cries of which we have spoken show that there is life.
But with life there is hope; for why should a man be ever crying after, waiting for, and anxiously expecting a blessing which he has no hope ever to obtain? If, then, these had no living hope, would they cry? There are no cries in a dead hope. It is because the grace of hope in their breasts is, like every other grace of the Spirit, alive unto God, that it acts in union with faith and love, to bring them and keep them earnest, sincere, and unwearied before the throne, expecting and anticipating what God has promised to bestow on those who wait upon Him.
To the reader…
Is it only drops and crumbs for you? A glimpse, a sip, inexpressibly sweet while it lasts, but soon gone again? And do you cry every day, perhaps every hour: “Come, Lord Jesus, come with power!”, while it seems to you that He delays so long? Do you search your heart and life to see whether there is any evil way in you that makes Him hide His lovely face? Then you are not as forsaken as it seems.
For that sighing, that looking out and longing, does not come from yourself. It is the divine life in your soul, born of the resurrection of Jesus Christ from the dead. A dead soul does not faint with longing for His salvation. Hope, then, in His Word, as the psalmist did, and wait for Him as the watchman waits for the morning. The favour of the Lord rests upon those who fear Him, the same for evermore.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Desfallece mi alma por Tu salud, esperando en Tu palabra.
Salmo 119:81
¡Cuán difícil es, por lo general, y podemos añadir, cuán raro, poder experimentar para nosotros mismos, con algún grado de permanencia duradera, un dulce sentimiento experimental de aquellas bendiciones espirituales, y una parte segura en ellas, con que, en tanto que somos creyentes en el Hijo de Dios, somos bendecidos en lugares celestiales en Cristo Jesús! Vislumbres, miradas, vistas pasajeras, sorbos y gustos, gotas y migajas, dulces más allá de toda expresión mientras duran, pero raramente dados y pronto idos, son, hablando en general, todo lo que parecemos obtener después de mucho trabajo duro, muchos clamores, ruegos fervientes y anhelos vehementes delante del Señor, tal como Él se presenta a nuestra fe, sentado en el trono de Su gracia. ¡Cuántos hay que diariamente, y a veces casi a cada hora, claman, si no con las palabras exactas, sí en su sustancia:
Oh ven, Huésped tan esperado;
¡Señor Jesús, ven pronto!
¡Y sin embargo, cuánto parece Él tardar en venir! ¡Cuán continuamente miran hacia arriba, hasta que los ojos y el corazón parecen desfallecer a la par, esperando Su aparición más que los centinelas a la mañana; cuán dispuestos a hacer cualquier sacrificio, a hacer cualquier cosa, ser cualquier cosa o soportar cualquier cosa, con tal de que Él se manifestara a sus almas! ¡Cuántas veces escudriñan y examinan sus corazones, labios y vidas, para ver si hay en ellos algún camino de perversidad que le haga esconder Su rostro amable y no dejar caer una sola palabra en sus pechos anhelantes, por la cual pudieran tener dulce comunión con Él! ¡Cómo desean ser bendecidos con verdadera contrición de corazón y tristeza piadosa por sus pecados, y ser derretidos y deshechos a Sus pies bajo la vista y el sentimiento de Su amor que sangra y muere!
Pero ¿de dónde brotan todas estas miradas anhelantes y estas esperas expectantes? ¿No muestran todos esos deseos fervientes y anhelos vehementes que aquellos en quienes se hallan tan continuamente han sido regenerados en esperanza viva por la resurrección de Jesucristo de los muertos? Es la vida divina en sus almas la que es el manantial y la fuente de estos suspiros, miradas y anhelos interiores; y esta vida divina surge de un nuevo nacimiento espiritual, que es a su vez fruto de la resurrección de Jesucristo de los muertos. No es el niño nacido muerto el que llora; es el llanto del niño vivo el que tanto llega al corazón de la madre. Así, los clamores de que hemos hablado muestran que hay vida.
Pero con la vida hay esperanza; porque ¿por qué habría un hombre de estar siempre clamando por una bendición, esperándola y aguardándola ansiosamente, si no tuviera esperanza alguna de obtenerla jamás? Si estos, pues, no tuvieran una esperanza viva, ¿clamarían? No hay clamores en una esperanza muerta. Es porque la gracia de la esperanza en sus pechos está, como toda otra gracia del Espíritu, viva para Dios, que obra en unión con la fe y el amor para llevarlos y mantenerlos fervientes, sinceros e incansables delante del trono, esperando y aguardando lo que Dios ha prometido otorgar a los que esperan en Él.
Al lector…
¿No son para usted más que gotas y migajas? ¿Una vislumbre, un sorbo, indeciblemente dulce mientras dura, pero pronto ido de nuevo? ¿Y clama cada día, quizá cada hora: “¡Ven, Señor Jesús, ven con poder!”, mientras le parece que Él tarda tanto? ¿Escudriña su corazón y su vida para ver si hay en usted algún camino de perversidad que le haga esconder Su rostro amable? Entonces no está tan abandonado como parece.
Porque ese suspirar, ese mirar y anhelar, no procede de usted mismo. Es la vida divina en su alma, nacida de la resurrección de Jesucristo de los muertos. Un alma muerta no desfallece de anhelo por Su salvación. Espere, pues, en Su Palabra, como lo hizo el salmista, y aguárdele como el centinela aguarda la mañana. El favor del Señor reposa sobre los que le temen, el mismo para siempre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl