12 juli
En Ik zal u op saffieren grondvesten.
Jesaja 54:11
Voordat wij vast kunnen staan op de dingen Gods, moeten wij een goed fundament hebben, iets stevigs voor ons geloof, onze hoop, onze liefde, ons alles, om op te rusten. God belooft dat te leggen voor Zijn bedroefd Zion: „Ik zal u op saffieren grondvesten.” „Een gift”, lezen wij, „is een kostbare steen in de ogen van hem die hem heeft.” Elke getuigenis dan die God aan de ziel geeft, elke belofte die in het hart valt, elke openbaring van genade, elk bezoek van liefde, elke toepassing der Waarheid, kunnen wij in geestelijke zin een saffier noemen; want zij is inderdaad een edelgesteente, schitterend met de gloed des hemels. Wanneer God dus de saffieren in de ziel legt, maken zij een stevig fundament voor het geloof.
En daar zij door de hand Gods Zelf gelegd zijn, moeten zij vast zijn; daar het saffieren zijn, zijn zij onvergankelijk. Die saffieren, het is waar, kunnen alle begraven zijn onder het stof van vleselijkheid en wereldsgezindheid; de onreinheid en modder van onze gevallen natuur mogen er met de vloed overheen rollen. Maar worden zij daardoor bedorven? Is hun natuur veranderd, hun waarde verminderd, hun glans bezoedeld en hun luister uitgedoofd en verdwenen? Zij mogen voor het oog verborgen zijn, de wijze waarop ze gezet zijn verduisterd, hun vlakken voor een tijd dof; maar één straal van de Zon der Gerechtigheid zal alles weer aan het licht brengen; één streek van de hand des Polijsters zal hun al hun schoonheid wedergeven. De genade heeft niet meer gemeenschap met de zonde dan een diamant met een mesthoop.
Gij zult met luister mij omringen,
mij troosten in mijn smart.
Dan zal ik blij van hart
met luit en harp uw goedheid zingen,
o heilig Opperwezen,
door Israël geprezen!
Ps. 71:16
Aan de lezer…
Lezer, zijn de saffieren in uw ziel als begraven geraakt? Is het stof van vleselijkheid en wereldsgezindheid erover heen gegaan, en ziet u van al de beloften en bezoeken van liefde die u eens ontving, nauwelijks nog een glans? Dan zegt uw hart misschien dat het alles bedrog geweest is. Maar wat God met eigen hand gelegd heeft, ligt vast; het is onvergankelijk, al zijn de vlakken voor een tijd dof.
De modder van onze gevallen natuur kan het edelgesteente bedekken, maar niet bederven. De genade heeft met de zonde niet meer gemeenschap dan een diamant met een mesthoop. Één straal van de Zon der Gerechtigheid brengt alles weer aan het licht; één streek van de hand des Polijsters geeft alle schoonheid terug. Zie dan uit naar die straal, en rust intussen op wat Hij Zelf voor Zijn bedroefd Zion beloofd heeft: „Ik zal u op saffieren grondvesten.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal u op saffieren grondvesten.
Jesaja 54:11
Voordat we vast kunnen staan in de dingen van God, moeten we een goed fundament hebben: iets stevigs waarop ons geloof, onze hoop, onze liefde, ja ons alles kan rusten. God belooft dat te leggen voor Zijn bedroefde Sion: „Ik zal u op saffieren grondvesten.” „Een gift”, lezen we, „is een kostbare steen in de ogen van hem die hem heeft.” Elk getuigenis dat God aan de ziel geeft, elke belofte die in het hart valt, elke openbaring van genade, elk bezoek van liefde, elke toepassing van de Waarheid, kunnen we in geestelijke zin dus een saffier noemen. Want zo’n getuigenis is werkelijk een edelsteen, schitterend met de gloed van de hemel. Wanneer God de saffieren dus in de ziel legt, vormen ze een stevig fundament voor het geloof.
En omdat ze door de hand van God Zelf gelegd zijn, moeten ze vast liggen; omdat het saffieren zijn, zijn ze onvergankelijk. Het is waar: die saffieren kunnen allemaal begraven raken onder het stof van vleselijkheid en wereldsgezindheid. De onreinheid en modder van onze gevallen natuur kunnen er als een vloed overheen rollen. Maar worden ze daardoor bedorven? Is hun aard veranderd, hun waarde verminderd, hun glans bezoedeld en hun luister gedoofd en verdwenen? Ze kunnen voor het oog verborgen zijn, de manier waarop ze gezet zijn kan verduisterd zijn en hun facetten kunnen een tijd dof zijn. Maar één straal van de Zon der Gerechtigheid brengt alles weer aan het licht; één streek van de hand van de Polijster geeft hun al hun schoonheid terug. De genade heeft niet meer gemeenschap met de zonde dan een diamant met een mesthoop.
Gij zult met luister mij omringen,
mij troosten in mijn smart.
Dan zal ik blij van hart
met luit en harp uw goedheid zingen,
o heilig Opperwezen,
door Israël geprezen!
Ps. 71:16
Aan de lezer…
Lezer, zijn de saffieren in uw ziel als het ware begraven geraakt? Is het stof van vleselijkheid en wereldsgezindheid eroverheen gegaan, en ziet u van alle beloften en bezoeken van liefde die u eens ontving nauwelijks nog een glans? Dan zegt uw hart misschien dat het allemaal bedrog is geweest. Maar wat God met eigen hand gelegd heeft, ligt vast; het is onvergankelijk, ook al zijn de facetten een tijd dof.
De modder van onze gevallen natuur kan de edelsteen bedekken, maar niet bederven. De genade heeft met de zonde niet meer gemeenschap dan een diamant met een mesthoop. Eén straal van de Zon der Gerechtigheid brengt alles weer aan het licht; één streek van de hand van de Polijster geeft alle schoonheid terug. Zie dan uit naar die straal, en rust intussen op wat Hij Zelf voor Zijn bedroefde Sion beloofd heeft: „Ik zal u op saffieren grondvesten.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And lay thy foundations with sapphires.
Isaiah 54:11
Before we can stand firmly in the things of God we must have a good foundation, something solid for our faith, our hope, our love, our all, to rest upon. This God promises to lay for His afflicted Zion—“I will lay your foundations with sapphires.” “A gift,” we read, “is a precious stone in the eyes of him that has it.” Every testimony, then, that God gives to the soul, every promise brought into the heart, every manifestation of mercy, every visit of love, or application of truth, we may call, in a spiritual sense, a sapphire; for it is indeed a precious stone, radiant with heaven’s own hue.
When God thus lays His sapphires in the soul, they afford a solid foundation for faith. And as they are laid by the hand of God Himself, they must be firm; as they are sapphires, they must be indestructible. These sapphires, it is true, may every one of them be buried in the dust of carnality and worldly-mindedness; the filth and sewage, the mud and slush, of our fallen nature may roll over them flood after flood.
But are they injured thereby? is their nature changed, their value impaired, their hue tarnished, their luster faded and gone? They may be hidden from view, their setting be obscured, and their faces for a while be dimmed, but one ray from the Sun of righteousness will bring them again to light; one touch of the Polisher’s hand will restore all their beauty. Grace has no more communion with sin than a diamond with an ash-heap.
To the reader…
Reader, have the sapphires in your soul, as it were, become buried? Has the dust of carnality and worldly-mindedness passed over them, and do you hardly see any lustre left of all the promises and visits of love you once received? Then perhaps your heart tells you that it was all a delusion. But what God has laid with His own hand stands firm; it is indestructible, even if its faces are dimmed for a time.
The mud of our fallen nature can cover the precious stone, but not spoil it. Grace has no more communion with sin than a diamond with an ash-heap. One ray of the Sun of Righteousness brings everything to light again; one touch of the Polisher’s hand restores all its beauty. Look out, then, for that ray, and meanwhile rest on what He Himself has promised to His afflicted Zion: “I will lay thy foundations with sapphires.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sobre zafiros te fundaré.
Isaías 54:11
Antes de que podamos estar firmes en las cosas de Dios, debemos tener un buen fundamento, algo sólido sobre lo cual descansen nuestra fe, nuestra esperanza, nuestro amor, nuestro todo. Esto promete Dios asentar para Su afligida Sion: “Sobre zafiros te fundaré”. “Piedra preciosa es el presente”, leemos, “en ojos de sus dueños”. Cada testimonio, pues, que Dios da al alma, cada promesa traída al corazón, cada manifestación de misericordia, cada visita de amor o aplicación de la verdad, podemos llamarla, en sentido espiritual, un zafiro; porque es en verdad una piedra preciosa, radiante con el color mismo del cielo.
Cuando Dios asienta así Sus zafiros en el alma, estos proporcionan un fundamento sólido para la fe. Y como son asentados por la mano de Dios mismo, tienen que ser firmes; como son zafiros, tienen que ser indestructibles. Es verdad que estos zafiros pueden quedar, todos y cada uno, sepultados en el polvo de la carnalidad y de la mundanalidad; la inmundicia y las aguas sucias, el lodo y el fango de nuestra naturaleza caída pueden pasar sobre ellos en avenida tras avenida.
Pero ¿quedan dañados por ello? ¿Cambia su naturaleza, disminuye su valor, se empaña su color, se apaga y desaparece su brillo? Pueden quedar ocultos a la vista, su engaste puede oscurecerse y sus caras pueden quedar empañadas por un tiempo, pero un solo rayo del Sol de justicia los sacará de nuevo a la luz; un solo toque de la mano del Pulidor les devolverá toda su hermosura. La gracia no tiene más comunión con el pecado que un diamante con un montón de ceniza.
Al lector…
Lector, ¿han quedado, por así decirlo, sepultados los zafiros de su alma? ¿Ha pasado sobre ellos el polvo de la carnalidad y de la mundanalidad, y apenas ve brillo alguno en todas las promesas y visitas de amor que recibió una vez? Quizá su corazón le dice entonces que todo fue un engaño. Pero lo que Dios ha asentado con Su propia mano permanece firme; es indestructible, aunque sus caras estén empañadas por un tiempo.
El lodo de nuestra naturaleza caída puede cubrir la piedra preciosa, pero no echarla a perder. La gracia no tiene más comunión con el pecado que un diamante con un montón de ceniza. Un solo rayo del Sol de justicia lo saca todo de nuevo a la luz; un solo toque de la mano del Pulidor le devuelve toda su hermosura. Esté, pues, atento a ese rayo, y mientras tanto descanse en lo que Él mismo ha prometido a Su afligida Sion: “Sobre zafiros te fundaré”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl