11 februari
Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
Filippenzen 3:12
De apostel Paulus, misschien de grootste heilige die ooit op aarde leefde, moest belijden dat hijzelf het nog niet gekregen had. Er was meer nog in Christus dan hij ooit gezien of gekend, gevoeld of gesmaakt had. Er waren hoogten in Zijn heerlijkheid, diepten in Zijn liefde, in Zijn lijden, in Zijn bittere doodsnoden in de hof en aan het kruis, die alle bevatting en begrip te boven gaan. Daarom zegt hij: „Niet dat ik het alrede gekregen heb.” Ik ben nog een kind, een leerling, even zwak als altoos, even hulpbehoevend als voorheen, om te verkrijgen wat ik nodig heb. Ofschoon ik voortga, ofschoon ik vergeet wat achter is, en jaag naar wat voor mij is; ofschoon ik weet wat mijn oogmerk is en wat ik zoek; ofschoon mijn oog eenvoudig is, mijn hart ernstig gestemd, toch is het niet zo alsof ik het alrede gekregen had.
Nu, weeg uzelf af in deze weegschaal en handel oprecht met uzelf. Let wel op deze dingen. Jaagt gij ernaar? Ziet gij dat er iets is dat gesmaakt, gevoeld, getast en verwezenlijkt kan worden van de dierbare zaken van God? Hadt gij ooit enige teugjes, proefjes, drupjes of voorsmaakjes? Is uw hart ooit gesmolten, week geworden of verwarmd door de goedertierenheid en genade van God, door de liefde van Christus? Gevoelde gij ooit dat er een zoetheid, zegen en blijdschap in de zaken Gods was, waarbij niets te vergelijken was?
Is uw hart wel eens door de liefde Gods geopend, zodat ge iets van het leven en van de vrede in uw hart gevoelde, en ge, zo gij op die plaats hadt kunnen blijven, alles gehad zoudt hebben wat nodig was om de dood kalm in het aangezicht te kunnen zien? Welnu, het zijn deze teugjes, smaakjes, drupjes, deze ontdekkingen van hetgeen de Heere is voor gelovige zielen, die de begeerten des harten opwekken en in staat stellen ernaar te jagen.
Maar er komt onverwachts duisternis, de Heere onttrekt Zich, de zonde gaat werkzaam worden, de satan verzoekt, de beproevingen verbijsteren het gemoed, ongeloof steekt de kop op en begint alles te betwijfelen. Dan heeft er geen jagen plaats. Het is rondom duister en somber; Goddelijke zaken zijn uit het gezicht, twijfel en vrees bezetten het gemoed en het schijnt of alles tekort, ver tekort schiet, zodat de vraag in het gemoed opkomt of het op het eind niet alles tekort zal schieten; of wij onszelf niet bedrogen hebben; of alles wat wij ondervonden hebben niet enkel bedrog is geweest.
En bemerk nu waarom dit nodig is. Het maakt de ziel werkzaam, het doet haar opnieuw en wederom naar het bestendige zoeken; het schijnt bij vernieuwing de ogen te openen om te zien wat de ware godsdienst is: dat hij bestaat in de onderwijzingen en werkingen van de Heilige Geest in het hart. Zo worden onze tekortkomingen, gebreken en klachten gelukkig dienstbaar gemaakt en door genade in het werk gesteld om ons op te wekken bij vernieuwing het pad te lopen dat ons voorgesteld is.
Maar verlies dit niet uit het oog, dat de meest begunstigde heilige op aarde reden zal hebben met Paulus te zeggen: „Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben”; dat is: gerijpt en rijp. Niet volmaakt in kennis, niet volmaakt in het hart, niet volmaakt in God te prijzen, niet volmaakt in het beleven. Ieder kind van God moet zijn onvolmaaktheid belijden, en die onvolmaaktheid is afgedrukt op al wat hij heeft en is; de onvolmaaktheid op alles, behalve op het werk van de Zoon van God, op het kruis en op het werk van God de Heilige Geest in het hart.
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor wie bedroefd is omdat hij het nog niet gekregen heeft. Bent u dat? Kent u uw onvolmaaktheid in kennis, in liefde, in gebed en in wandel? Weet dan dat ook de meest begunstigde heilige moet belijden: „Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben.” Maar vraag uzelf eerlijk af: hebt u ooit een teugje, een drupje, een voorsmaakje gehad van de liefde van Christus, zodat uw hart smolt en u niets daarmee kon vergelijken?
Dan is het juist die smaak die u doet jagen. En komt er weer duisternis, onttrekt de Heere Zich, steekt het ongeloof de kop op en vraagt u of alles bedrog is geweest, laat de moed dan niet zakken. Ook dat maakt de ziel weer werkzaam, en opent de ogen voor wat de ware godsdienst is: het werk van de Heilige Geest in het hart. Jaag er dan naar, of u het ook grijpen mocht, want Hij Die u gegrepen heeft, laat Zijn werk niet varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
Filippenzen 3:12
De apostel Paulus, misschien de grootste heilige die ooit op aarde leefde, moest belijden dat hij het zelf nog niet gekregen had. Er was nog meer in Christus dan hij ooit gezien of gekend, gevoeld of gesmaakt had. Er waren hoogten in Zijn heerlijkheid en diepten in Zijn liefde, in Zijn lijden, in Zijn bittere doodsnood in de hof en aan het kruis, die alle bevatting en begrip te boven gaan. Daarom zegt hij: „Niet dat ik het alrede gekregen heb.” Ik ben nog een kind, een leerling, even zwak als altijd, even hulpbehoevend als vroeger om te verkrijgen wat ik nodig heb. Al ga ik voort, al vergeet ik wat achter is en jaag ik naar wat voor mij ligt, al weet ik wat mijn doel is en wat ik zoek, al is mijn oog eenvoudig en mijn hart ernstig gestemd, toch is het niet zo alsof ik het al gekregen had.
Weeg uzelf nu op deze weegschaal en wees eerlijk tegenover uzelf. Let goed op deze dingen. Jaagt u ernaar? Ziet u dat er iets is van de dierbare zaken van God wat gesmaakt, gevoeld, getast en werkelijk ervaren kan worden? Hebt u ooit enkele teugjes, proefjes, druppels of voorsmaakjes gehad? Is uw hart ooit gesmolten, week geworden of verwarmd door de goedertierenheid en genade van God, door de liefde van Christus? Hebt u ooit gevoeld dat er een zoetheid, zegen en blijdschap in de zaken van God was waarmee niets te vergelijken was?
Is uw hart weleens door de liefde van God geopend, zodat u iets van het leven en van de vrede in uw hart voelde, en u, als u op die plaats had kunnen blijven, alles gehad zou hebben wat nodig was om de dood kalm in de ogen te zien? Welnu, het zijn deze teugjes, smaakjes en druppels, deze ontdekkingen van wat de Heere is voor gelovige zielen, die de begeerten van het hart opwekken en het in staat stellen ernaar te jagen.
Maar dan komt er onverwacht duisternis. De Heere trekt Zich terug, de zonde wordt werkzaam, de satan verzoekt, de beproevingen verbijsteren het gemoed, het ongeloof steekt de kop op en begint alles te betwijfelen. Dan is er geen jagen meer. Het is rondom duister en somber; de Goddelijke zaken zijn uit het gezicht, twijfel en vrees nemen het gemoed in beslag, en het lijkt alsof alles tekortschiet, ver tekortschiet. Zo komt de vraag op of het op het eind niet alles tekort zal schieten, of wij onszelf niet bedrogen hebben, of alles wat wij ervaren hebben niet louter bedrog is geweest.
Let er nu op waarom dit nodig is. Het maakt de ziel werkzaam; het doet haar opnieuw en telkens weer zoeken naar wat blijvend is. Het lijkt opnieuw de ogen te openen om te zien wat de ware godsdienst is: dat hij bestaat in het onderwijs en de werkingen van de Heilige Geest in het hart. Zo worden onze tekortkomingen, gebreken en klachten gelukkig dienstbaar gemaakt en door genade gebruikt om ons op te wekken opnieuw het pad te lopen dat ons is voorgesteld.
Maar verlies dit niet uit het oog: de meest begunstigde heilige op aarde zal reden hebben om met Paulus te zeggen: „Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben”; dat wil zeggen: gerijpt en rijp. Niet volmaakt in kennis, niet volmaakt in het hart, niet volmaakt in het prijzen van God, niet volmaakt in het leven. Ieder kind van God moet zijn onvolmaaktheid belijden, en die onvolmaaktheid staat gedrukt op alles wat hij heeft en is. De onvolmaaktheid staat op alles, behalve op het werk van de Zoon van God aan het kruis en op het werk van God de Heilige Geest in het hart.
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor wie bedroefd is omdat hij het nog niet gekregen heeft. Bent u dat? Kent u uw onvolmaaktheid in kennis, in liefde, in gebed en in wandel? Weet dan dat ook de meest begunstigde heilige moet belijden: „Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben.” Maar vraag uzelf eerlijk af: hebt u ooit een teugje, een druppel, een voorsmaakje gehad van de liefde van Christus, zodat uw hart smolt en u daar niets mee kon vergelijken?
Dan is het juist die smaak die u doet jagen. En komt er weer duisternis, trekt de Heere Zich terug, steekt het ongeloof de kop op en vraagt u zich af of alles bedrog is geweest, laat de moed dan niet zakken. Ook dat maakt de ziel weer werkzaam, en opent de ogen voor wat de ware godsdienst is: het werk van de Heilige Geest in het hart. Jaag er dan naar, of u het ook grijpen mocht, want Hij Die u gegrepen heeft, laat Zijn werk niet varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Not as though I had already attained, either were already perfect: but I follow after, if that I may apprehend that for which also I am apprehended of Christ Jesus.
Philippians 3:12
The Apostle Paul, perhaps the greatest saint that ever lived upon earth, had to confess that even he had not attained. There was that in Christ more than he had ever seen, ever known, ever felt, ever tasted, ever handled, ever realized. There were heights in His glory, depths in His love, in His sufferings, in His bitter agonies in the garden and on the cross, which passed all apprehension and comprehension. Therefore he says, “Not as though I had already attained.” I am a child still, a learner still, as weak as ever, as helpless as ever to obtain what I need. Though I follow on; though I forget the things which are behind and reach forward to the things before; though I know what I am aiming at, what I am seeking; though my eye is single, my heart earnest, yet it is not with me as if I had already attained.
Now just put yourself in that scale; and to measure yourself aright, look at these things. Are you following after? Do you see that there is something which is to be tasted, handled, felt, and realized of the precious things of God? Have you ever had any sips, tastes, drops, foretastes? Has your heart ever been melted, softened, warmed by the goodness and mercy of God, by the love of Christ? Did you ever feel that there was a sweetness, blessedness, and happiness in the things of God to which nothing else could be compared? Has your heart ever been opened and enlarged by the love of God, so that you felt that spirituality of mind which is life and peace; and could you have continued in that spot it would have been to you all that you needed to make you look death calmly in the face?
Now it is these sips, tastes, and drops, these sweet discoveries of what the Lord is to believing souls, which draw forth the desires of the heart and enable it to follow after.
But darkness intervenes—the Lord withdraws Himself, sin works, Satan tempts, trials perplex your mind, unbelief rises up and begins to question everything. Then there is no following on. Everything looks so dark, so gloomy; divine things are so out of sight; doubts and fears so possess the mind; and it seems as if we came so short, so very short, that the question arises whether we may not come short at last; whether we may not have deceived ourselves; whether all we have felt may not have been a dreadful delusion.
And yet see how this works. How it stirs the mind up; how it makes us seek again and again to possess realities; how it seems to open the eyes afresh to see what true religion is, and that it consists in the teachings and operations of the Holy Spirit upon the heart. Thus our very short-comings, deficiencies, and complaints are blessedly overruled and made to work graciously to stir us up to run again the race set before us.
But depend upon it, the most highly-favored saint upon earth will have reason to say with Paul, “Not as though I had already attained, either were already perfect,” that is, matured and ripe. Not perfect in understanding, nor perfect in heart, nor perfect in lip, nor perfect in life. Every saint of God will have to confess imperfection—imperfection stamped upon all that he has and is—imperfection, imperfection upon everything but the work of the Son of God upon the cross and the work of God the Holy Spirit in the soul.
To the reader…
These words are for those who are grieved because they have not yet attained. Is that you? Do you know your imperfection in knowledge, in love, in prayer and in your walk? Know, then, that even the most highly favoured saint must confess, “Not as though I had already attained, either were already perfect.” But ask yourself honestly: have you ever had a sip, a drop, a foretaste of the love of Christ, so that your heart melted and nothing could be compared with it?
Then it is that very taste which makes you follow after. And when darkness comes again, when the Lord withdraws Himself, when unbelief rears its head and you wonder whether it has all been a delusion, do not lose heart. That too stirs the soul up again, and opens the eyes to what true religion is: the work of the Holy Spirit in the heart. Follow after, then, that you may apprehend, for He Who has apprehended you does not forsake His work.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No que ya haya alcanzado, ni que ya sea perfecto; sino que prosigo, por ver si alcanzo aquello para lo cual fui también alcanzado de Cristo Jesús.
Filipenses 3:12
El apóstol Pablo, quizá el mayor santo que jamás vivió sobre la tierra, tuvo que confesar que ni aun él había alcanzado. Había en Cristo más de lo que él jamás había visto, conocido, sentido, gustado, palpado o experimentado. Había alturas en Su gloria, profundidades en Su amor, en Sus sufrimientos, en Sus amargas agonías en el huerto y en la cruz, que sobrepasaban toda aprehensión y comprensión. Por eso dice: “No que ya haya alcanzado.” Todavía soy un niño, todavía un aprendiz, tan débil como siempre, tan incapaz como siempre de obtener lo que necesito. Aunque prosigo; aunque olvido lo que queda atrás y me extiendo a lo que está delante; aunque sé a qué apunto y qué busco; aunque mi ojo es sencillo y mi corazón ferviente, no es conmigo como si ya hubiera alcanzado.
Pues bien, póngase usted en esa balanza; y para medirse debidamente, mire estas cosas. ¿Está prosiguiendo? ¿Ve que hay algo de las cosas preciosas de Dios que ha de ser gustado, palpado, sentido y experimentado? ¿Ha tenido alguna vez sorbos, gustos, gotas, anticipos? ¿Se ha derretido, ablandado o calentado alguna vez su corazón por la bondad y la misericordia de Dios, por el amor de Cristo? ¿Sintió alguna vez que había en las cosas de Dios una dulzura, una bienaventuranza y una felicidad con las que nada más podía compararse? ¿Se ha abierto y ensanchado alguna vez su corazón por el amor de Dios, de modo que sintió aquella intención del espíritu que es vida y paz; y si hubiera podido permanecer en ese lugar, habría sido para usted todo lo que necesitaba para mirar a la muerte cara a cara con calma?
Pues bien, son estos sorbos, gustos y gotas, estos dulces descubrimientos de lo que el Señor es para las almas creyentes, los que despiertan los deseos del corazón y lo capacitan para proseguir.
Pero se interponen las tinieblas: el Señor se retira, el pecado obra, Satanás tienta, las pruebas confunden la mente, la incredulidad se levanta y comienza a ponerlo todo en duda. Entonces no hay proseguir. Todo parece tan oscuro, tan sombrío; las cosas divinas están tan fuera de la vista; las dudas y los temores se apoderan de tal modo de la mente; y parece que nos quedamos tan cortos, tan cortísimos, que surge la pregunta de si no nos quedaremos cortos al final; de si no nos habremos engañado a nosotros mismos; de si todo lo que hemos sentido no habrá sido un terrible engaño.
Y sin embargo, vea cómo obra esto. Cómo despierta la mente; cómo nos hace buscar una y otra vez poseer realidades; cómo parece abrir de nuevo los ojos para ver lo que es la verdadera religión, y que consiste en las enseñanzas y operaciones del Espíritu Santo en el corazón. Así, nuestras mismas faltas, deficiencias y quejas son dirigidas para bien de manera bendita, y se hace que obren con gracia para movernos a correr de nuevo la carrera que nos es propuesta.
Pero tenga por cierto que el santo más favorecido sobre la tierra tendrá motivo para decir con Pablo: “No que ya haya alcanzado, ni que ya sea perfecto”, es decir, maduro y sazonado. Ni perfecto en entendimiento, ni perfecto en corazón, ni perfecto en los labios, ni perfecto en la vida. Todo santo de Dios tendrá que confesar imperfección: imperfección estampada sobre todo lo que tiene y todo lo que es; imperfección, imperfección sobre todo, excepto la obra del Hijo de Dios en la cruz y la obra de Dios Espíritu Santo en el alma.
Al lector…
Estas palabras son para los que se afligen porque todavía no han alcanzado. ¿Es usted uno de ellos? ¿Conoce su imperfección en el conocimiento, en el amor, en la oración y en su andar? Sepa entonces que aun el santo más favorecido tiene que confesar: “No que ya haya alcanzado, ni que ya sea perfecto.” Pero pregúntese con sinceridad: ¿ha tenido alguna vez un sorbo, una gota, un anticipo del amor de Cristo, de modo que su corazón se derritió y nada podía compararse con ello?
Entonces es precisamente ese gusto el que le hace proseguir. Y cuando vuelvan las tinieblas, cuando el Señor se retire, cuando la incredulidad levante la cabeza y se pregunte si todo ha sido un engaño, no se desanime. También eso despierta de nuevo el alma y abre los ojos a lo que es la verdadera religión: la obra del Espíritu Santo en el corazón. Prosiga, pues, por ver si alcanza, porque Aquel que le ha alcanzado no abandona Su obra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl