11 november
Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.
Johannes 3:3
Ware godsvrucht begint met een binnenkomen van Goddelijk licht en Goddelijk leven in de ziel. Hoe en vanwaar het komt, weet de ziel niet; „want de wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar kunt niet zeggen van waar hij komt en waar hij henen gaat; zo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is.” De wind zelf wordt niet gezien, maar zijn uitwerking wordt gevoeld. Het geluid van de wind wordt gehoord in de toppen der moerbeziënbomen, waar God Zelf niet gezien wordt. De stem des Heeren, krachtig en vol majesteit, werd gehoord door hen die geen gelijkenis zagen (Deut. 4:12). Dus worden de uitwerkselen gevoeld, ofschoon de oorzaken onbekend zijn.
Stromen vloeien in het hart uit een onbekende bron; lichtstralen vallen in de ziel van een zon die niet is opgegaan; en levenstekenen wekken in ons een nieuw leven uit een ongeziene levensbron. De pasgeboren zuigeling gevoelt leven in al zijn leden, ofschoon hij zijn aardse vader nog niet kent, uit wie dat leven ontsproot. Zo ook zijn herboren zielen zich bewust van gevoelens die haar tot hiertoe onbekend waren, en gevoelen zij de eb en vloed van een geheimzinnig, onbegrijpelijk levensgetij in hun hart, ofschoon het „Abba, Vader” nog niet van hun lippen kwam.
Het lichaam van een mens is vatbaar voor elk gevoel: van de krab ener speld tot een dodelijke wond, van een voorbijgaande pijn tot een ongeneeslijke ziekte. Het hart kan niet een enkele seconde in zijn gewone slag vertragen of stilstaan, zonder dat een eigenaardige aandoening, waarvan dit vergezeld gaat, zulks aangeeft. Zullen dan aandoeningen het teken en het bewijs van het natuurlijke leven aangeven en niet van het geestelijke? Zal ons onedel deel, het schepsel van een dag, ons vergankelijk lichaam, ons stof uit het stof, aandoeningen hebben om elke smart en elk genot uit te drukken, en trillen bij elke verandering, zo uit- als inwendig, en zal dan onze onsterfelijke ziel niet evenzeer begaafd zijn met een dergelijke barometer, om door rijzen en dalen de stand van het geestelijk leven aan te geven? Wij moeten het dan reeds op de drempel der levende godzaligheid vaststellen: indien iemand zich niet van nieuwe gevoelens bewust is geweest, en niet met meer of minder nauwkeurigheid een bijzonder tijdstip kan aanwijzen, een nooit te vergeten tijd, wanneer die gevoelens ongevraagd in zijn hart kwamen, dan is hij nog niet overgegaan uit de dood in het leven. Wie dit niet kent, is niet in Christus. Want hij is niet in Christus, indien hij geen nieuw schepsel is (2 Kor. 5:17).
Ps. 31:13
Aan de lezer…
Misschien weet u niet hoe en vanwaar het begon, en durft u daarom niet te geloven dat er iets van Gods werk in u is. U hoort het geluid van de wind en kunt niet zeggen waar hij vandaan komt. Maar is er geen eb en vloed in uw hart geweest die u vroeger niet kende: een zucht om licht, een smart over de zonde, een uitzien naar wat u niet ziet? De pasgeboren zuigeling kent zijn vader nog niet, en toch leeft hij.
Wees dan eerlijk, maar ook teder met uzelf. Een ziel die nooit iets gevoelde van het binnenkomen van Goddelijk licht en leven, heeft reden te vrezen. Maar een ziel die de wind hoort, al ziet zij hem niet, mag weten dat de Geest waait waar Hij wil. Het „Abba, Vader” is misschien nog niet over uw lippen gekomen; bid dan dat Hij dat leven in u zal doen doorbreken, tot u Hem met name kent in Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.
Johannes 3:3
Ware godsvrucht begint ermee dat Goddelijk licht en Goddelijk leven de ziel binnenkomen. Hoe en vanwaar het komt, weet de ziel niet; „want de wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar kunt niet zeggen van waar hij komt en waar hij henen gaat; zo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is.” De wind zelf wordt niet gezien, maar zijn uitwerking wordt gevoeld. Het geluid van de wind wordt gehoord in de toppen van de moerbeibomen, waar God Zelf niet gezien wordt. De stem van de Heere, krachtig en vol majesteit, werd gehoord door hen die geen gestalte zagen (Deut. 4:12). Zo worden de uitwerkingen gevoeld, ook al zijn de oorzaken onbekend.
Stromen vloeien het hart binnen uit een onbekende bron; lichtstralen vallen in de ziel van een zon die nog niet is opgegaan; en tekenen van leven wekken in ons een nieuw leven uit een onzichtbare levensbron. De pasgeboren zuigeling voelt leven in al zijn leden, hoewel hij zijn aardse vader, uit wie dat leven voortkwam, nog niet kent. Zo zijn ook wedergeboren zielen zich bewust van gevoelens die hun tot dan toe onbekend waren. Zij voelen de eb en vloed van een geheimzinnig, onbegrijpelijk getij van leven in hun hart, ook al is het „Abba, Vader” nog niet over hun lippen gekomen.
Het lichaam van een mens is ontvankelijk voor elk gevoel: van de kras van een speld tot een dodelijke wond, van een voorbijgaande pijn tot een ongeneeslijke ziekte. Het hart kan zijn gewone slag geen enkele seconde vertragen of stilstaan zonder dat een bijzondere gewaarwording dat aangeeft. Zouden gewaarwordingen dan wel teken en bewijs zijn van het natuurlijke leven, maar niet van het geestelijke? Zou ons onedele deel — het schepsel van een dag, ons vergankelijke lichaam, ons stof uit het stof — gewaarwordingen hebben om elke smart en elk genot uit te drukken, en trillen bij elke verandering, uitwendig zowel als inwendig? En zou onze onsterfelijke ziel dan niet evenzeer voorzien zijn van zo’n barometer, die door stijgen en dalen de stand van het geestelijke leven aangeeft? We moeten het daarom al op de drempel van de levende godzaligheid vaststellen: als iemand zich niet bewust is geweest van nieuwe gevoelens, en niet min of meer nauwkeurig een bepaald moment kan aanwijzen, een nooit te vergeten tijd, waarin die gevoelens ongevraagd in zijn hart kwamen, dan is hij nog niet overgegaan uit de dood in het leven. Wie dit niet kent, is niet in Christus. Want wie geen nieuw schepsel is, is niet in Christus (2 Kor. 5:17).
Ps. 31:13
Aan de lezer…
Misschien weet u niet hoe en vanwaar het begon, en durft u daarom niet te geloven dat er iets van Gods werk in u is. U hoort het geluid van de wind en kunt niet zeggen waar hij vandaan komt. Maar is er geen eb en vloed in uw hart geweest die u vroeger niet kende: een zucht om licht, een smart over de zonde, een uitzien naar wat u niet ziet? De pasgeboren zuigeling kent zijn vader nog niet, en toch leeft hij.
Wees dan eerlijk, maar ook teder voor uzelf. Een ziel die nooit iets heeft gevoeld van het binnenkomen van Goddelijk licht en leven, heeft reden te vrezen. Maar een ziel die de wind hoort, al ziet zij hem niet, mag weten dat de Geest waait waar Hij wil. Misschien is het „Abba, Vader” nog niet over uw lippen gekomen; bid dan dat Hij dat leven in u laat doorbreken, totdat u Hem in Christus bij name kent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Except a man be born again, he cannot see the kingdom of God.
John 3:3
True religion begins with an entrance into the soul of supernatural light and supernatural life. How or why it comes, the soul knows not; for “the wind blows where it wills, and you hear the sound thereof, but can not tell whence it comes or where it goes, so is every one that is born of the Spirit.” The wind itself is not seen, but its effects are felt. The sound of the wind is heard in the tops of the mulberry trees, where God Himself is not seen. “The voice of the Lord, powerful and full of majesty. You heard His words but didn’t see His form; there was only a voice” (Deut. 4:12). Thus effects are felt, though causes are unknown.
Streams flow into the heart from a hidden source; rays of light beam into the soul from an unrisen sun; and kindlings of life awaken in us a new existence out of an unseen fountain. The new-born babe feels life in all its limbs, though it knows not yet the earthly father whence that natural life sprang. And thus new-born souls are conscious of feelings hitherto unpossessed, and are sensible of a tide of life, mysterious and incomprehensible, ebbing and flowing in their heart, though “Abba, Father,” has not yet burst from their lips.
A man’s body is alive to every feeling, from a pin’s scratch to a mortal wound, from a passing ache to an incurable disease. The heart cannot flutter or intermit for a single second its customary beat, without a peculiar sensation that accompanies it, notices it, and registers it. Shall feelings, then, be the mark and evidence of natural life, and not of spiritual? Shall our ignoble part, the creature of a day, our perishing body, our dust of dust, have sensations to register every pain and every pleasure, and be tremblingly alive to every change without and every change within; and shall not our immortal souls be equally endowed with a similar barometer to fluctuate up and down the scale of spiritual life?
We must lay it down, then, at the very threshold of vital godliness, that if a man has not been conscious of new feelings, and cannot point out, with more or less precision, some particular period, some never-to-be-forgotten season, when these feelings came unbidden into his heart, he has not yet passed from death unto life. He is not in Christ, if he is not a new creature (2 Cor. 5:17).
To the reader…
Perhaps you do not know how and whence it began, and so you do not dare to believe that there is anything of God’s work in you. You hear the sound of the wind and cannot tell where it comes from. But has there not been an ebb and flow in your heart that you did not know before: a sigh for light, a grief over sin, a longing for what you cannot see? The new-born babe does not yet know its father, and yet it lives.
Be honest, then, but also tender with yourself. A soul that has never felt anything of the entrance of divine light and life has reason to fear. But a soul that hears the wind, though it does not see it, may know that the Spirit blows where He wills. Perhaps “Abba, Father” has not yet passed your lips; then pray that He will let that life break through in you, until you know Him by name in Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El que no naciere otra vez, no puede ver el reino de Dios.
Juan 3:3
La verdadera religión comienza con la entrada en el alma de una luz sobrenatural y de una vida sobrenatural. Cómo o por qué viene, el alma no lo sabe; porque “el viento de donde quiere sopla, y oyes su sonido; mas ni sabes de dónde viene, ni a dónde vaya: así es todo aquel que es nacido del Espíritu”. El viento mismo no se ve, pero sus efectos se sienten. El sonido del viento se oye en las copas de los morales, donde a Dios mismo no se Le ve. “Voz de Jehová con potencia; voz de Jehová con gloria.” “Oísteis la voz de Sus palabras, mas a excepción de oír la voz, ninguna figura visteis” (Deuteronomio 4:12). Así se sienten los efectos, aunque las causas sean desconocidas.
Corrientes fluyen al corazón desde una fuente escondida; rayos de luz brillan en el alma desde un sol que aún no ha salido; y destellos de vida despiertan en nosotros una existencia nueva desde un manantial invisible. El niño recién nacido siente la vida en todos sus miembros, aunque todavía no conoce al padre terrenal de quien brotó esa vida natural. Y así las almas recién nacidas son conscientes de sentimientos que hasta entonces no poseían, y perciben una marea de vida, misteriosa e incomprensible, que baja y sube en su corazón, aunque el “Abba, Padre” todavía no haya brotado de sus labios.
El cuerpo de un hombre es sensible a toda sensación, desde el rasguño de un alfiler hasta una herida mortal, desde un dolor pasajero hasta una enfermedad incurable. El corazón no puede agitarse ni interrumpir un solo segundo su latido acostumbrado sin una sensación peculiar que lo acompañe, lo note y lo registre. ¿Serán, pues, los sentimientos la marca y la evidencia de la vida natural, y no de la espiritual? ¿Tendrá nuestra parte innoble, criatura de un día, nuestro cuerpo perecedero, polvo del polvo, sensaciones que registren todo dolor y todo placer, y será trémulamente sensible a todo cambio exterior y todo cambio interior; y no estarán nuestras almas inmortales igualmente dotadas de un barómetro semejante que suba y baje en la escala de la vida espiritual?
Debemos establecer, pues, en el mismo umbral de la piedad vital, que si un hombre no ha sido consciente de sentimientos nuevos, y no puede señalar, con más o menos precisión, algún período particular, alguna ocasión inolvidable, en que estos sentimientos entraron sin ser llamados en su corazón, todavía no ha pasado de muerte a vida. No está en Cristo, si no es una nueva criatura (2 Corintios 5:17).
Al lector…
Quizá usted no sabe cómo ni de dónde comenzó, y por eso no se atreve a creer que haya algo de la obra de Dios en usted. Oye el sonido del viento y no sabe decir de dónde viene. Pero ¿no ha habido en su corazón un bajar y subir que antes no conocía: un suspiro por la luz, un dolor por el pecado, un anhelo de lo que no puede ver? El niño recién nacido todavía no conoce a su padre, y sin embargo vive.
Sea, pues, sincero, pero también tierno consigo mismo. Un alma que nunca ha sentido nada de la entrada de la luz y la vida divinas tiene motivo para temer. Pero un alma que oye el viento, aunque no lo vea, puede saber que el Espíritu sopla donde quiere. Quizá el “Abba, Padre” todavía no ha pasado por sus labios; ore entonces para que Él haga irrumpir esa vida en usted, hasta que Le conozca por nombre en Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl