10 januari
Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.
1 Joh. 2:1
Die Voorspraak wordt hier, als overal elders, gezegd „de zaak van de gelovige te bepleiten”, en aan haar is bevrijding verbonden, want zulk een Voorspraak kan nimmer falen. „Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost” (Klaagliederen 3:58). Het beeld is ontleend aan een rechtsgeleerde die de zaak eens misdadigers bepleit, en al zijn pogingen aanwendt om hem te doen vrijspreken.
Zulk een pleitbezorging kan echter om twee redenen falen: 1. de onbekwaamheid van de advocaat, of 2. de slechtheid der zaak. Maar zulke beletselen zijn er niet als Christus de Pleitbezorger is. Hoe kan Hij Zijn eigen lijden, Zijn bloed en Zijn gehoorzaamheid bepleiten! Zijn Persoon Zelf, als de Zoon van God en toch de Zoon des mensen, geeft een onuitsprekelijke waarde en geldigheid aan alle rechtzaak van de Pleitbezorger. Welk een waarde heeft Zijn tussenkomst dan in het gerechtshof des hemels!
Het is waar, Hij kan de waarheid der beschuldiging, door de beschuldiger tegen Zijn cliënt ingebracht, niet loochenen; maar Hij kan Zijn eigen verdienstelijk lijden en de smarten die Hij voor de schuldige verdragen heeft, voorleggen. Op deze grond kan Hij als zijn Borg en Plaatsvervanger optreden en bij de Vader bepleiten dat Hij in zijn plaats heeft geleden. Op de vaste, onwrikbare grond van recht en gerechtigheid kan Hij ten zijnen behoeve eisen: „Laat hem gaan, want Ik heb de straf voor hem gedragen.”
Zie mij, Heer, wie elk moet duchten,
tot U vluchten.
O mijn God, verlaat mij niet!
Blijf niet wegens mijn gebreken
ver geweken;
toon, dat Gij mijn rampen ziet!
Ps. 38:21
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u die stem van de aanklager kent, die u uw zonden voorhoudt en zegt dat er voor u geen hoop meer is. En het ergste is: u kunt het niet ontkennen, want de beschuldiging is waar. Wees daarover dan eerlijk, want ook uw Voorspraak loochent haar niet. Maar Hij doet wat geen aardse pleitbezorger kan: Hij legt Zijn eigen bloed, Zijn lijden en Zijn gehoorzaamheid voor de Vader neer, en pleit dat Hij in de plaats van de schuldige heeft geleden.
Zulk een Voorspraak kan niet falen, want Hij is de Zoon van God en de Rechtvaardige. Uw zaak is slecht, maar Zijn pleitgrond is volkomen. Vlucht dan met al uw schuld tot Hem, en laat Hem voor u spreken in het gerechtshof des hemels. Hoe zoet is het als de ziel met de profeet mag zeggen: „Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.” Hij zegt het nog van ieder die tot Hem vlucht: „Laat hem gaan, want Ik heb de straf voor hem gedragen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.
1 Joh. 2:1
Van die Voorspraak wordt hier, zoals overal elders, gezegd dat Hij er is om „de zaak van de gelovige te bepleiten”, en daaraan is bevrijding verbonden, want zo’n Voorspraak kan nooit falen. „Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost” (Klaagliederen 3:58). Het beeld is ontleend aan een advocaat die de zaak van een misdadiger bepleit en alles in het werk stelt om hem vrijgesproken te krijgen.
Zo’n verdediging kan echter om twee redenen mislukken: 1. door de onbekwaamheid van de advocaat, of 2. doordat de zaak slecht is. Maar zulke belemmeringen zijn er niet als Christus de Pleitbezorger is. Hoe kan Hij Zijn eigen lijden, Zijn bloed en Zijn gehoorzaamheid aanvoeren! Zijn Persoon Zelf, als de Zoon van God en toch de Zoon des mensen, geeft een onuitsprekelijke waarde en geldigheid aan alles wat Hij als Pleitbezorger aanvoert. Wat een waarde heeft Zijn tussenkomst dan in het gerechtshof van de hemel!
Het is waar dat Hij de waarheid van de beschuldiging die de aanklager tegen Zijn cliënt inbrengt, niet kan ontkennen. Maar Hij kan Zijn eigen verdienstelijk lijden voorleggen, en de smarten die Hij voor de schuldige heeft gedragen. Op die grond kan Hij als zijn Borg en Plaatsvervanger optreden en bij de Vader aanvoeren dat Hij in zijn plaats heeft geleden. Op de vaste, onwrikbare grond van recht en gerechtigheid kan Hij voor hem eisen: „Laat hem gaan, want Ik heb de straf voor hem gedragen.”
Zie mij, Heer, wie elk moet duchten,
tot U vluchten.
O mijn God, verlaat mij niet!
Blijf niet wegens mijn gebreken
ver geweken;
toon, dat Gij mijn rampen ziet!
Ps. 38:21
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u die stem van de aanklager kent, die u uw zonden voorhoudt en zegt dat er voor u geen hoop meer is. En het ergste is dat u het niet kunt ontkennen, want de beschuldiging is waar. Wees daar dan eerlijk over, want ook uw Voorspraak ontkent haar niet. Maar Hij doet wat geen aardse advocaat kan: Hij legt Zijn eigen bloed, Zijn lijden en Zijn gehoorzaamheid voor de Vader neer, en voert aan dat Hij in de plaats van de schuldige heeft geleden.
Zo’n Voorspraak kan niet falen, want Hij is de Zoon van God en de Rechtvaardige. Uw zaak is slecht, maar Zijn pleitgrond is volkomen. Vlucht dan met al uw schuld naar Hem, en laat Hem voor u spreken in het gerechtshof van de hemel. Hoe zoet is het als de ziel met de profeet mag zeggen: „Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.” Hij zegt het nog steeds van ieder die naar Hem vlucht: „Laat hem gaan, want Ik heb de straf voor hem gedragen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
We have an advocate with the Father, Jesus Christ the righteous.
1 John 2:1
This advocacy is here called, as elsewhere, “pleading the cause” of the believer, and is connected with deliverance, for such an advocate can never fail—“O Lord, Thou hast pleaded the causes of my soul; Thou hast redeemed my life” (Lam. 3:58). The figure is taken from a lawyer pleading the cause of a criminal, and using his best endeavors to bring him off uninjured. But such advocacy may fail for two reasons: 1. the incompetency of the advocate; or 2. the badness of the cause.
But there are no such hindrances to the success of the advocacy of Christ. How He can plead His own sufferings, blood, and obedience. His very Person as the Son of God, and yet Son of man, gives unspeakable value and validity to every plea of the great Intercessor. What validity, then, has His intercession in the court of heaven!
It is true that He cannot deny the truth of the charge brought by the accuser of the brethren against His client; but He can present His own meritorious sufferings, and the sorrows He endured for the culprit. On this ground He can stand up as his Surety and Representative, and plead with the Father that He has suffered in his place and stead. On the firm, solid ground, then, of justice and equity, He can plead on his behalf, “Let him go, for I endured the penalty due to him.”
To the reader…
You may know that voice of the accuser, which holds your sins before you and tells you there is no more hope for you. And the worst of it is that you cannot deny it, for the charge is true. Be honest about that, then, for your Advocate does not deny it either. But He does what no earthly lawyer can do: He lays His own blood, His sufferings and His obedience before the Father, and pleads that He has suffered in the place of the guilty.
Such an Advocate cannot fail, for He is the Son of God and the Righteous One. Your cause is bad, but His plea is perfect. Flee to Him, then, with all your guilt, and let Him speak for you in the court of heaven. How sweet it is when the soul may say with the prophet, “O Lord, Thou hast pleaded the causes of my soul; Thou hast redeemed my life.” He still says it of everyone who flees to Him: “Let him go, for I have borne the penalty for him.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Abogado tenemos para con el Padre, a Jesucristo el justo.
1 Juan 2:1
Esta abogacía se llama aquí, como en otros lugares, “abogar por la causa” del creyente, y está unida a la liberación, pues tal abogado nunca puede fallar: “Abogaste, oh Señor, la causa de mi alma; redimiste mi vida” (Lam. 3:58). La figura está tomada de un abogado que defiende la causa de un reo y emplea sus mejores esfuerzos para sacarlo libre sin daño. Pero tal defensa puede fracasar por dos razones: 1. la incompetencia del abogado; o 2. la maldad de la causa.
Pero no hay tales obstáculos para el éxito de la abogacía de Cristo. ¡Cómo puede Él alegar Sus propios sufrimientos, Su sangre y Su obediencia! Su misma Persona, como Hijo de Dios y a la vez Hijo del hombre, da un valor y una validez indecibles a cada alegato del gran Intercesor. ¡Qué validez tiene, pues, Su intercesión en el tribunal del cielo!
Es cierto que Él no puede negar la verdad de la acusación que el acusador de los hermanos presenta contra Su cliente; pero puede presentar Sus propios sufrimientos meritorios y los dolores que soportó por el culpable. Sobre esta base puede levantarse como su Fiador y Representante, y alegar ante el Padre que Él ha sufrido en su lugar y en su vez. Sobre el terreno firme y sólido, pues, de la justicia y la equidad, puede abogar en su favor: “Déjale ir, porque Yo sufrí la pena que a él le correspondía”.
Al lector…
Quizá conoce usted esa voz del acusador, que le pone delante sus pecados y le dice que ya no hay esperanza para usted. Y lo peor es que no puede negarlo, porque la acusación es verdadera. Sea, pues, sincero en eso, porque su Abogado tampoco lo niega. Pero Él hace lo que ningún abogado terrenal puede hacer: presenta al Padre Su propia sangre, Sus sufrimientos y Su obediencia, y alega que Él ha sufrido en lugar del culpable.
Tal Abogado no puede fallar, porque es el Hijo de Dios y el Justo. Su causa es mala, pero Su alegato es perfecto. Huya, pues, a Él con toda su culpa, y deje que Él hable por usted en el tribunal del cielo. ¡Qué dulce es cuando el alma puede decir con el profeta: “Abogaste, oh Señor, la causa de mi alma; redimiste mi vida”! Él lo dice todavía de cada uno que huye a Él: “Déjale ir, porque Yo he llevado la pena por él”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl