1 maart
De gemeente Gods, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
Handelingen 20:28
Verzoening voor de zonden staat of valt met de Godheid van Christus. Als wij Zijn Godheid verloochenen, moeten wij de verzoening verloochenen, want welke waarde kan er zijn in het bloed van een bloot mens, dat God om diens wil zonden zou vergeven? Dit zien de Socinianen duidelijk in en daarom loochenen zij de verzoening geheel. Maar als er geen verzoening, geen offerande, geen zoenoffer voor de zonde is, waar moeten wij dan heen zien voor vergeving en vrede? Waarhenen wij ook onze ogen wenden, daar is vertwijfeling, en wij mogen wel de taal van de gevallen engel de onze maken:
Ik ellendige, waarheen zal ik vlièn?
Oneindige toorn en wanhoop, mitsdien
De hel, is mijn deel; ’k ben mijzelf een hel.
En in deez’ ellend’ dreigt mij daarbij nog wel
Een zwaarder en dieper; dan is deze nog klein
En schijnt deze hel mij een hemel te zijn.
Doch wanneer wij door het oog des geloofs de Zoon van God de wet zien gehoorzamen, en Hem door Zijn doen en sterven, door Zijn arbeid en lijden, de geschonden gerechtigheid des Allerhoogsten een offerande voor de zonde zien opofferen, dan zien wij zulk een heerlijkheid en zulk een waarde in iedere gedachte, woord en daad van Zijn lijdende mensheid doorstralen, dat wij Hem omhelzen. En wij omhelzen Hem in alles wat Hij is en heeft, met elke begeerte en genegenheid van onze wedergeboren ziel. Hier ligt onze gehele godsdienst; geheel ons geloof en hoop en liefde stromen hierheen en zijn als het ware gericht en gevestigd op Jezus Christus en Die gekruisigd.
En zonder een zeker deel daarvan in ons hart en in onze consciëntie hebben wij geen godsdienst die die naam waard is. Niets dat ons redt of heiligt, niets dat ontslaat van de schuld, onreinheid, liefde en kracht en van de praktijk der zonde, niets dat ondersteunt in het leven, of vertroost in ons sterven, of dat gelden kan voor de eeuwigheid, dan deze offerande.
De weg dan waardoor wij komen tot de kennis van en het geloof in de Godheid van Christus, is allereerst door een behoefte te gevoelen aan al wat Hij is als Zaligmaker, en wel een volkomen Zaligmaker. En dan een openbaring van Hem te verkrijgen door de gezegende Geest in onze ziel. Wanneer Hij aldus geopenbaard en nabij gebracht is, zien wij door het oog des geloofs Zijn zuivere en volkomen mensheid en Zijn eeuwige Godheid; en wij zien deze twee onderscheiden naturen verenigd, maar niet vermengd, in onze heerlijke Persoon, Immanuël, God met ons. Totdat wij aldus begunstigd worden, kunnen wij wel de Godheid van Christus in de Schrift zien en in zoverre erin geloven, maar wij hebben niet het toe-eigenend geloof waardoor wij met Thomas kunnen zeggen: „Mijn Heere en mijn God!”
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd waar u heen ziet voor vergeving en vrede. Als het bloed van Christus het bloed van een bloot mens was, zou er voor een schuldige ziel nergens hoop zijn, en waar u ook uw ogen wendde, zou u slechts vertwijfeling vinden. Maar de gemeente is verkregen door Gods eigen bloed. Daarom heeft die offerande zulk een waarde dat zij geen enkele zonde te zwaar laat zijn.
Hoe komt een ziel tot die kennis? Eerst door te voelen dat zij een volkomen Zaligmaker nodig heeft, en dan doordat de Geest Hem in het hart openbaart. Voelt u dat gebrek? Dan bent u op de weg. Bid dat de Heere Zichzelf zo nabij brengt dat u niet slechts in de Schrift leest dat Hij God is, maar met Thomas mag uitroepen: „Mijn Heere en mijn God!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De gemeente Gods, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
Handelingen 20:28
De verzoening voor de zonden staat of valt met de Godheid van Christus. Als wij Zijn Godheid loochenen, moeten wij de verzoening loochenen. Want welke waarde kan er liggen in het bloed van een gewoon mens, zodat God omwille daarvan zonden zou vergeven? Dat zien de socinianen duidelijk in, en daarom loochenen zij de verzoening helemaal. Maar als er geen verzoening is, geen offer, geen zoenoffer voor de zonde, waar moeten wij dan heen zien voor vergeving en vrede? Waar wij onze ogen ook heen wenden, daar is vertwijfeling, en wij mogen dan wel de taal van de gevallen engel tot de onze maken:
Ik ellendige, waarheen zal ik vlièn?
Oneindige toorn en wanhoop, mitsdien
De hel, is mijn deel; ’k ben mijzelf een hel.
En in deez’ ellend’ dreigt mij daarbij nog wel
Een zwaarder en dieper; dan is deze nog klein
En schijnt deze hel mij een hemel te zijn.
Maar wanneer wij met het oog van het geloof de Zoon van God de wet zien gehoorzamen, en zien hoe Hij door Zijn doen en sterven, door Zijn arbeid en lijden, aan de geschonden gerechtigheid van de Allerhoogste een offer voor de zonde opoffert, dan zien wij zo’n heerlijkheid en zo’n waarde doorstralen in iedere gedachte, ieder woord en iedere daad van Zijn lijdende mensheid, dat wij Hem omhelzen. En wij omhelzen Hem in alles wat Hij is en heeft, met elke begeerte en genegenheid van onze wedergeboren ziel. Hier ligt heel onze godsdienst; heel ons geloof, onze hoop en onze liefde stromen hierheen en zijn als het ware gericht en gevestigd op Jezus Christus, en Die gekruisigd.
En zonder een zeker deel daaraan in ons hart en in ons geweten hebben wij geen godsdienst die die naam waard is. Er is niets wat ons redt of heiligt, niets wat ons bevrijdt van de schuld, de onreinheid, de liefde, de kracht en de praktijk van de zonde, niets wat ons ondersteunt in het leven of vertroost in het sterven, of wat geldt voor de eeuwigheid, dan dit offer.
De weg waarlangs wij komen tot de kennis van en het geloof in de Godheid van Christus, is dan allereerst dat wij behoefte voelen aan alles wat Hij is als Zaligmaker, en wel als een volkomen Zaligmaker. En daarna dat wij door de gezegende Geest een openbaring van Hem in onze ziel ontvangen. Wanneer Hij zo geopenbaard en nabijgebracht is, zien wij met het oog van het geloof Zijn zuivere en volkomen mensheid en Zijn eeuwige Godheid; en wij zien deze twee onderscheiden naturen verenigd, maar niet vermengd, in onze heerlijke Persoon, Immanuël, God met ons. Totdat wij zo begunstigd worden, kunnen wij de Godheid van Christus wel in de Schrift zien en er in zoverre in geloven, maar wij hebben niet het toe-eigenend geloof waardoor wij met Thomas kunnen zeggen: „Mijn Heere en mijn God!”
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd waar u heen ziet voor vergeving en vrede. Als het bloed van Christus het bloed van een gewoon mens was, zou er voor een schuldige ziel nergens hoop zijn, en waar u uw ogen ook heen wendde, zou u alleen vertwijfeling vinden. Maar de gemeente is verkregen door Gods eigen bloed. Daarom heeft dat offer zo’n waarde dat het geen enkele zonde te zwaar laat zijn.
Hoe komt een ziel tot die kennis? Eerst door te voelen dat zij een volkomen Zaligmaker nodig heeft, en dan doordat de Geest Hem in het hart openbaart. Voelt u dat gebrek? Dan bent u op de weg. Bid dat de Heere Zichzelf zo nabijbrengt dat u niet alleen in de Schrift leest dat Hij God is, maar met Thomas mag uitroepen: „Mijn Heere en mijn God!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The church of God, which He hath purchased with His own blood.”
Acts 20:28
Atonement for sin stands or falls with the Deity of Christ. If we deny His Deity, we must deny the atonement, for what value or merit can there be in the blood of a mere man that God, for its sake, should pardon millions of sins? This the Socinians clearly see, and therefore deny the atonement altogether. But if there be no atonement, no sacrifice, no atoning sacrifice for sin, where can we look for pardon and peace? Whichever way we turn our eyes there is despair.
But when by the eye of faith we see the Son of God obeying the law, rendering, by doing and dying, acting and suffering, a satisfaction to the violated justice of the Most High and offering a sacrifice for sin, then we see such a glory and such a value breathing through every thought, word, and action of His suffering humanity, that we embrace Him and all that He is and has, with every desire and affection of our regenerated soul. All our religion lies here; all our faith, hope, and love flow unto, and are, as it were, fixed and concentrated in Jesus Christ, and Him crucified; and without a measure of this in our heart and conscience, we have no religion worth the name, nothing that either saves or sanctifies—nothing that delivers from the guilt, filth, love, power, and practice of sin—nothing that supports in life, comforts in death, or fits for eternity.
The way, then, whereby we come to a knowledge of, and a faith in, the Deity of Christ is first by feeling a need of all that He is as a Savior, and a great one, and then having a manifestation of Him by the blessed Spirit to our soul. When He is thus revealed and brought near, we see, by the eye of faith, His pure and perfect humanity and His eternal Deity; and these two distinct natures we see combined, but not intermingled, in one glorious Person, Immanuel, God with us. Until thus favored we may see the Deity of Christ in the Scriptures, and have so far a belief in it, but we have not that personal appropriating faith whereby, with Thomas, we can say, “My Lord and my God.”
To the reader…
Today you are asked where you look for pardon and peace. If the blood of Christ were the blood of a mere man, there would be no hope anywhere for a guilty soul, and wherever you turned your eyes you would find only despair. But the church has been purchased with God’s own blood. That is why the sacrifice has such worth that no sin is too heavy for it.
How does a soul come to this knowledge? First by feeling that it needs a full and complete Savior, and then by the Spirit revealing Him in the heart. Do you feel that need? Then you are on the way. Pray that the Lord may bring Himself so near that you not only read in Scripture that He is God, but may cry out with Thomas, “My Lord and my God!”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“La iglesia del Señor, la cual ganó por Su sangre.”
Hechos 20:28
La expiación del pecado se sostiene o cae con la Deidad de Cristo. Si negamos Su Deidad, hemos de negar la expiación, pues ¿qué valor o mérito puede haber en la sangre de un mero hombre para que Dios, por causa de ella, perdone millones de pecados? Esto lo ven claramente los socinianos, y por eso niegan del todo la expiación. Pero si no hay expiación, ni sacrificio, ni sacrificio expiatorio por el pecado, ¿adónde podemos mirar en busca de perdón y paz? Dondequiera que volvamos los ojos, hay desesperación.
Pero cuando con el ojo de la fe vemos al Hijo de Dios obedeciendo la ley, rindiendo, en el hacer y en el morir, en el obrar y en el padecer, una satisfacción a la justicia violada del Altísimo y ofreciendo un sacrificio por el pecado, entonces vemos tal gloria y tal valor respirando en cada pensamiento, palabra y acción de Su humanidad sufriente, que Le abrazamos a Él y todo lo que Él es y tiene, con todo deseo y afecto de nuestra alma regenerada. Toda nuestra religión está aquí; toda nuestra fe, esperanza y amor fluyen hacia Jesucristo, y a Este crucificado, y quedan, por así decirlo, fijados y concentrados en Él; y sin una medida de esto en nuestro corazón y conciencia, no tenemos religión digna de tal nombre, nada que salve ni santifique; nada que libre de la culpa, la inmundicia, el amor, el poder y la práctica del pecado; nada que sostenga en la vida, consuele en la muerte o prepare para la eternidad.
El camino, pues, por el cual llegamos a un conocimiento de la Deidad de Cristo y a una fe en ella es, primero, sentir necesidad de todo lo que Él es como Salvador, y un gran Salvador, y luego tener una manifestación de Él al alma por el bendito Espíritu. Cuando Él es así revelado y acercado, vemos, con el ojo de la fe, Su pura y perfecta humanidad y Su eterna Deidad; y estas dos naturalezas distintas las vemos unidas, pero no mezcladas, en una gloriosa Persona, Emmanuel, Dios con nosotros. Hasta que somos así favorecidos, podemos ver la Deidad de Cristo en las Escrituras y tener hasta cierto punto una creencia en ella, pero no tenemos esa fe personal y apropiadora por la cual, con Tomás, podemos decir: “¡Señor mío, y Dios mío!”
Al lector…
Hoy se le pregunta a usted dónde busca perdón y paz. Si la sangre de Cristo fuera la sangre de un mero hombre, no habría esperanza en ninguna parte para un alma culpable, y dondequiera que volviera los ojos solo hallaría desesperación. Pero la iglesia ha sido comprada con la propia sangre de Dios. Por eso el sacrificio tiene tal valor que ningún pecado es demasiado pesado para él.
¿Cómo llega un alma a este conocimiento? Primero sintiendo que necesita un Salvador pleno y completo, y luego por el Espíritu que Le revela en el corazón. ¿Siente usted esa necesidad? Entonces está en el camino. Ore para que el Señor Se acerque tanto a usted que no solo lea en la Escritura que Él es Dios, sino que pueda exclamar con Tomás: “¡Señor mío, y Dios mío!”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl