1 december
De lofzang is in stilheid tot U, o God, in Zion; en U zal de gelofte betaald worden.
Psalm 65:2
Hoe zoet is het God te loven en te prijzen! Er is geen gevoel op aarde dat daarmede te vergelijken is. Maar hoe dikwijls zijn wij in die staat, dat wij noch kunnen bidden, noch loven; wanneer gemelijkheid en ontevredenheid zodanig bezit van ons hebben genomen, dat wij, verre van God te loven, zelfs niet in staat zijn Zijn aangezicht te zoeken; en dat er, wel verre van Hem te zegenen, zelfs treurige gedachten in het hart zijn, die op vreselijke wijze getuigen van de vijandschap van ons vleselijk gemoed. Zij die door zulke gevoelens pijnlijk geoefend worden, zijn daarom zeker dat het alleen het werk van God is dat hen bekwaamt om Zijn heilige Naam te loven en te prijzen.
En komt een ziel die zo van de hemel geleerd is, niet somtijds in die toestand dat zij uitroept: „O, mocht de Heere mij iets geven waarvoor ik Hem kan prijzen; mocht Hij mij uit deze beproevingen helpen; die rampzalige strik verbreken; die vreselijke verzoeking van mij wegnemen; mij uit deze moeilijkheid verlossen; mijn ziel zegenen en besproeien; mijn hart vertroosten; mijn geest versterken; mij een zoete getuigenis geven Zijner liefde!” „O,” zegt die ziel, „hoe zou ik Hem dan loven en prijzen! Ik zou luidkeels roepen om Zijn heilige Naam te verheffen.”
Maar als de Heere de zegen, die zo vurig door haar begeerd wordt, aan de ziel onthoudt, kan zij er op verre afstand naar staren, hem in de geest aanschouwen en verlangen hem te ervaren. Maar zij zegt: „Vóórdat die zegen met kracht komt, vóórdat hij in al zijn lieflijkheid tot mij komt, vóórdat hij aan mijn hart is bezegeld, zodat hij mijn gemoed geheel heeft ingenomen, kan ik, durf ik Gods heilige Naam niet loven en prijzen.” O, wat is een ziel die van de hemel geleerd is, toch een afhankelijk schepsel! Hoe houdt zij niet op bij de Heilige Geest aan te houden, dat Hij in haar datgene werke wat welbehaaglijk is in Zijn oog! Hoe is zij ervan overtuigd dat zij de zonde niet kan gevoelen noch belijden, dat zij noch gebed noch lof kan uitademen, tenzij de „God aller genade” door Zijn eigen krachtige hand deze gezegende vruchten der lippen schept (Jes. 57:19)! Zijt gij zo hulpeloos in uw gevoelens als deze? Zijt gij zo geheel afhankelijk van de soevereine genade? Dan zijt gij geestelijk van God geleerd; want het is Gods onderwijs in de ziel dat een mens brengt tot een bevindelijke kennis van zijn eigen volstrekte hulpeloosheid voor Zijn aangezicht.
De lofzang klimt uit Sions zalen
tot U met stil ontzag.
Daar zal men U, o God, betalen
geloften, dag bij dag.
Gij hoort hen, die uw heil verwachten,
o Hoorder der gebeên,
dies zullen allerlei geslachten
ootmoedig tot U treên.
Ps. 65:1
Aan de lezer…
Hoe dikwijls kunt u noch bidden noch loven! Zijn gemelijkheid en ontevredenheid zo in uw hart gekropen dat u zelfs Zijn aangezicht niet zoekt, en schrikt u van de treurige gedachten die daar opkomen? Schaam u er voor de Heere over, maar wanhoop niet. Juist zo leert de ziel dat het alleen het werk van God is wat haar bekwaamt om Zijn heilige Naam te prijzen; uit haar eigen hart komt geen lofzang op.
Staart u dan op verre afstand naar een zegen die u nog niet smaakt, en durft u niet te loven voordat hij met kracht aan uw hart bezegeld is? Houd dan aan bij de Heilige Geest, als een afhankelijk schepsel, dat Hij in u werke wat welbehaaglijk is in Zijn oog. Hij is de Hoorder der gebeden. Ook de lofzang in stilheid is Hem niet vreemd, en wie nu in stilte wacht, zal Hem eenmaal zijn gelofte betalen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De lofzang is in stilheid tot U, o God, in Zion; en U zal de gelofte betaald worden.
Psalm 65:2
Hoe zoet is het God te loven en te prijzen! Er is geen gevoel op aarde dat daarmee te vergelijken is. Maar hoe vaak zijn wij in een toestand waarin wij bidden noch loven kunnen! Dan hebben knorrigheid en ontevredenheid zo’n bezit van ons genomen dat wij, verre van God te loven, zelfs niet in staat zijn Zijn aangezicht te zoeken. Dan zijn er, verre van dat wij Hem zegenen, zelfs treurige gedachten in het hart, die op vreselijke wijze getuigen van de vijandschap van ons vleselijke gemoed. Zij die door zulke gevoelens pijnlijk geoefend worden, zijn er daarom zeker van dat het alleen het werk van God is dat hen bekwaam maakt om Zijn heilige Naam te loven en te prijzen.
En komt een ziel die zo door de hemel onderwezen is, niet soms in de toestand dat zij uitroept: „O, mocht de Heere mij iets geven waarvoor ik Hem kan prijzen; mocht Hij mij uit deze beproevingen helpen; die rampzalige strik verbreken; die vreselijke verzoeking van mij wegnemen; mij uit deze moeilijkheid verlossen; mijn ziel zegenen en besproeien; mijn hart vertroosten; mijn geest versterken; mij een zoete getuigenis geven Zijner liefde!” „O,” zegt die ziel, „hoe zou ik Hem dan loven en prijzen! Ik zou luidkeels roepen om Zijn heilige Naam te verheffen.”
Maar als de Heere de zegen die zij zo vurig begeert, aan de ziel onthoudt, kan zij er van verre naar staren, hem in de geest aanschouwen en verlangen hem te ervaren. Maar zij zegt: „Vóórdat die zegen met kracht komt, vóórdat hij in al zijn lieflijkheid tot mij komt, vóórdat hij aan mijn hart is bezegeld, zodat hij mijn gemoed geheel heeft ingenomen, kan ik, durf ik Gods heilige Naam niet loven en prijzen.” O, wat is een ziel die door de hemel onderwezen is toch een afhankelijk schepsel! Hoe houdt zij niet op bij de Heilige Geest aan te houden, dat Hij in haar werkt wat welbehaaglijk is in Zijn oog! Hoe is zij ervan overtuigd dat zij de zonde niet kan voelen of belijden, dat zij geen gebed en geen lof kan uitademen, tenzij de „God aller genade” deze gezegende vruchten van de lippen met Zijn eigen krachtige hand schept (Jes. 57:19)! Bent u in uw gevoelens ook zo hulpeloos? Bent u zo volkomen afhankelijk van Gods soevereine genade? Dan bent u geestelijk door God onderwezen. Want het is Gods onderwijs in de ziel dat een mens brengt tot een bevindelijke kennis van zijn eigen volkomen hulpeloosheid voor Zijn aangezicht.
De lofzang klimt uit Sions zalen
tot U met stil ontzag.
Daar zal men U, o God, betalen
geloften, dag bij dag.
Gij hoort hen, die uw heil verwachten,
o Hoorder der gebeên,
dies zullen allerlei geslachten
ootmoedig tot U treên.
Ps. 65:1
Aan de lezer…
Hoe vaak kunt u bidden noch loven! Zijn knorrigheid en ontevredenheid zo in uw hart gekropen dat u zelfs Zijn aangezicht niet zoekt, en schrikt u van de treurige gedachten die daar opkomen? Schaam u daarover voor de Heere, maar wanhoop niet. Juist zo leert de ziel dat het alleen het werk van God is dat haar bekwaam maakt om Zijn heilige Naam te prijzen; uit haar eigen hart komt geen lofzang op.
Staart u dan van verre naar een zegen die u nog niet smaakt, en durft u niet te loven voordat hij met kracht aan uw hart bezegeld is? Houd dan als een afhankelijk schepsel aan bij de Heilige Geest, dat Hij in u werkt wat welbehaaglijk is in Zijn oog. Hij is de Hoorder van de gebeden. Ook de lofzang in stilheid is Hem niet vreemd, en wie nu in stilte wacht, zal Hem eens zijn gelofte betalen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Praise waiteth for Thee, O God, in Sion: and unto Thee shall the vow be performed.
Psalm 65:1
What a sweet thing it is to bless and praise God! There is no feeling upon earth equal to it. But how often are we in that state when we can neither pray nor praise, when sullenness, frowardness, and peevishness seem to take such complete possession, that, so far from praising God, there is no power even to seek His face; and so far from blessing Him, there are even dreadful things working up in the heart against Him, which awfully manifest the enmity of the carnal mind. Those who are painfully exercised with such feelings are certain, therefore, that it is God’s work to enable them to praise and bless His holy Name.
And does not the heaven-taught soul come sometimes into this spot, “O that the Lord would give me something to praise Him for, would bring me out of this trial, break this wretched snare, remove this dreadful temptation, lift me out of this providential difficulty, bless and water my soul, comfort my heart, strengthen my spirit, give me some sweet testimony of His covenant love!” “O,” says the soul, “how I would then bless and praise Him! I would spend all my breath in exalting His holy Name.”
But when the Lord withholds from the soul the blessings it so eagerly covets, it can only look at them at a great distance, view them wishfully, and long to experience them. But it says, “Until they come with power, until they are brought in with sweetness, until they are sealed upon my very heart, so as to take full possession of my breast, I cannot, I dare not, bless and praise God’s holy Name.”
O what a dependent creature a heaven-taught soul is! How it hangs upon the Spirit of God to work in it that which is well-pleasing in His sight; how convinced it is that it cannot feel sin nor confess it, that it cannot breathe forth prayer nor praise unless the “God of all grace” create by His own powerful hand these blessed fruits of the lips (Isaiah 57:19). Are you so helpless in your feelings as this? Are you such complete dependents upon sovereign grace? Then you are spiritually taught of God; for it is God’s teaching in the soul which brings a man to an experimental knowledge of his own complete helplessness before Him.
To the reader…
How often you can neither pray nor praise! Have sullenness and discontent so crept into your heart that you do not even seek His face, and are you alarmed at the dreadful thoughts that rise up there? Be ashamed of it before the Lord, but do not despair. It is just in this way that the soul learns that it is God’s work alone that enables it to praise His holy Name; no song of praise rises from its own heart.
Do you then gaze from afar at a blessing you do not yet taste, and dare you not praise until it is sealed upon your heart with power? Then, as a dependent creature, keep on waiting upon the Holy Spirit, that He may work in you what is well-pleasing in His sight. He is the Hearer of prayer. Even praise that waits in silence is not strange to Him, and whoever waits in silence now will one day perform his vow to Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A Ti es plácida la alabanza en Sion, oh Dios: y a Ti se pagarán los votos.
Salmo 65:1
¡Qué cosa tan dulce es bendecir y alabar a Dios! No hay sentimiento en la tierra que se le iguale. Pero ¡cuán a menudo estamos en ese estado en que no podemos ni orar ni alabar, cuando el mal humor, la terquedad y la irritación parecen tomar posesión tan completa que, lejos de alabar a Dios, no hay poder ni siquiera para buscar Su rostro; y lejos de bendecirle, hay incluso cosas terribles que se levantan en el corazón contra Él, y que manifiestan espantosamente la enemistad de la mente carnal! Los que son dolorosamente ejercitados con tales sentimientos están, por tanto, seguros de que es obra de Dios capacitarlos para alabar y bendecir Su santo Nombre.
¿Y no llega a veces el alma enseñada del cielo a este punto: “¡Oh, si el Señor me diera algo por lo cual alabarle; si me sacara de esta prueba, rompiera este miserable lazo, quitara esta terrible tentación, me levantara de esta dificultad providencial, bendijera y regara mi alma, consolara mi corazón, fortaleciera mi espíritu, me diera algún dulce testimonio de Su amor del pacto!”? “Oh”, dice el alma, “¡cómo Le bendeciría y alabaría entonces! Gastaría todo mi aliento en exaltar Su santo Nombre”.
Pero cuando el Señor retiene del alma las bendiciones que codicia con tanto anhelo, ella solo puede mirarlas a gran distancia, contemplarlas con deseo y anhelar experimentarlas. Pero dice: “Hasta que vengan con poder, hasta que sean introducidas con dulzura, hasta que sean selladas sobre mi mismo corazón, de modo que tomen plena posesión de mi pecho, no puedo, no me atrevo a bendecir y alabar el santo Nombre de Dios”.
¡Oh, qué criatura tan dependiente es un alma enseñada del cielo! ¡Cómo pende del Espíritu de Dios para que obre en ella lo que es agradable delante de Él; cuán convencida está de que no puede sentir el pecado ni confesarlo, de que no puede exhalar oración ni alabanza, a menos que el “Dios de toda gracia” cree con Su propia mano poderosa estos benditos frutos de labios (Isaías 57:19)! ¿Es usted tan impotente en sus sentimientos como esto? ¿Depende usted tan completamente de la gracia soberana? Entonces es usted enseñado espiritualmente por Dios; porque es la enseñanza de Dios en el alma la que lleva al hombre a un conocimiento experimental de su propia completa impotencia delante de Él.
Al lector…
¡Cuántas veces no puede usted ni orar ni alabar! ¿Se han introducido el mal humor y el descontento de tal modo en su corazón que ni siquiera busca Su rostro, y le alarman los pensamientos terribles que se levantan allí? Avergüéncese de ello delante del Señor, pero no desespere. Precisamente así aprende el alma que solo la obra de Dios la capacita para alabar Su santo Nombre; de su propio corazón no se eleva ningún cántico de alabanza.
¿Contempla usted, pues, de lejos una bendición que todavía no gusta, y no se atreve a alabar hasta que sea sellada con poder sobre su corazón? Entonces, como criatura dependiente, siga esperando en el Espíritu Santo, para que Él obre en usted lo que es agradable delante de Él. Él es el Oidor de la oración. Aun la alabanza que espera en silencio no Le es extraña, y quien ahora espera en silencio un día Le pagará su voto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl