August 23
Zij zullen naar Sion vragen; op de weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn, zeggende: Komt, laten wij ons verenigen met de Heere in een eeuwigdurend verbond, dat niet zal worden vergeten.
Jeremia 50:5 (Eng. vertaling)
„Komt, laten wij ons verenigen met de Heere.” Veronderstelt dit dat er enige kracht in het schepsel is om zich met de Heere te verenigen? Geenszins, maar het wil zeggen dat, wanneer de Heere ons met Zichzelf verenigt of Zich aan ons verbindt, wij ons dan aan Hem verbinden. Wanneer de Heere de gelovige in een dadelijke vereniging met Zich brengt, dan is er een opspringing der ziel, een uitgang van de genegenheden tot Hem en een kleven aan Hem. Waarbij komt een voornemen des harten Hem aan te hangen, een in Hem geloven met geheel ons gemoed; een oprechte verzaking, een terzijde stellen, een onder de voet treden, een verwerpen van alles, behalve dan wat Gode welbehagelijk is, hetgeen aan de ziel bekend gemaakt wordt door de Heilige Geest.
Het is geen verwaande taal wanneer er gezegd wordt: „Komt, laten wij ons aan de Heere verbinden.” Het geeft niet te kennen een stoute, vermetele aanspraak tegenover de Heere, alsof zij, nu zijnde op de weg naar Sion en niet ontbloot van zekere bevindingen, een aanspraak kunnen doen gelden op de erfenis en als het ware nu willen binnendringen en de evangelische zegeningen willen grijpen. Maar het geeft te kennen de handelingen van een levende ziel, die, opgewekt en uitgewonnen door de gezegende Geest, hier voor de dag komt.
Het ijdel vertrouwen en de rasse spoed van de gerusten te Sion verschillen veel van het zachtmoedig geloof dergenen die al wenende voortgaan en hun aangezicht naar Sion gewend hebben; wier harten, door de Geest bewrocht, in waar berouw wegsmelten; die alles schade en drek achten buiten Christus, en Die gekruisigd; en die begeren en verlangen naar een blijkje van Zijn liefde. Dezen kunnen zonder verwaandheid en stoute vermetelheid zeggen: „Komt, laten wij ons met de Heere verenigen”, in zich gewaar wordende de daden van het levend geloof, waardoor zij aan Hem kleven en op Hem leunen als de enige stut tussen hen en de hel.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u die woorden nauwelijks in de mond durft te nemen: „Komt, laten wij ons verenigen met de Heere.” U schrikt er misschien voor terug, omdat u weet dat er in u geen kracht is om uzelf aan Hem te verbinden. Dat is waar, en het is goed dat u het weet. Maar bedenk: waar de Heere eerst Zichzelf aan een ziel verbindt, daar springt die ziel op naar Hem, daar gaan de genegenheden tot Hem uit en daar kleeft zij aan Hem.
Dit is geen vermetelheid van de gerusten te Sion, maar het zachtmoedige geloof van hen die al wenende voortgaan met het aangezicht naar Sion. Smelt uw hart soms in waar berouw? Acht u alles schade buiten Christus, en verlangt u naar een blijkje van Zijn liefde? Dan mag u zonder verwaandheid op Hem leunen als de enige stut tussen u en de hel. Hij, Die Zich aan u verbond, maakt een eeuwigdurend verbond, dat niet zal worden vergeten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zij zullen naar Sion vragen; op de weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn, zeggende: Komt, laten wij ons verenigen met de Heere in een eeuwigdurend verbond, dat niet zal worden vergeten.
Jeremia 50:5 (Eng. vertaling)
„Komt, laten wij ons verenigen met de Heere.” Veronderstelt dit dat er in het schepsel enige kracht is om zich met de Heere te verenigen? Helemaal niet. Het betekent dat wij ons aan Hem verbinden wanneer de Heere ons met Zichzelf verenigt of Zich aan ons verbindt. Wanneer de Heere de gelovige in een werkelijke vereniging met Zich brengt, dan springt de ziel op, gaan de genegenheden naar Hem uit en kleeft zij Hem aan. Daarbij komt het voornemen van het hart om Hem aan te hangen, een geloven in Hem met heel ons gemoed; een oprecht verzaken, een opzijzetten, een onder de voet treden, een verwerpen van alles, behalve van wat God welgevallig is, wat aan de ziel bekendgemaakt wordt door de Heilige Geest.
Het is geen verwaande taal wanneer er gezegd wordt: „Komt, laten wij ons aan de Heere verbinden.” Het wijst niet op een brutale, vermetele aanspraak tegenover de Heere, alsof zij, nu zij op de weg naar Sion zijn en niet zonder bepaalde bevindingen, aanspraak kunnen maken op de erfenis en als het ware nu willen binnendringen en de zegeningen van het Evangelie willen grijpen. Maar het wijst op de handelingen van een levende ziel, die hier, opgewekt en voortgedreven door de gezegende Geest, naar voren komt.
Het ijdel vertrouwen en de haastige spoed van de gerusten in Sion verschillen veel van het zachtmoedige geloof van hen die al wenend voortgaan en hun aangezicht naar Sion gewend hebben. Hun harten, door de Geest bewerkt, smelten weg in waar berouw; zij achten alles schade en drek buiten Christus, en Die gekruisigd; en zij begeren en verlangen naar een blijk van Zijn liefde. Zij kunnen zonder verwaandheid en brutale vermetelheid zeggen: „Komt, laten wij ons met de Heere verenigen”, omdat zij in zich de daden van het levend geloof opmerken, waardoor zij Hem aankleven en op Hem leunen als de enige steun tussen hen en de hel.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u die woorden nauwelijks in de mond durft te nemen: „Komt, laten wij ons verenigen met de Heere.” U schrikt er misschien voor terug, omdat u weet dat er in u geen kracht is om uzelf aan Hem te verbinden. Dat is waar, en het is goed dat u het weet. Maar bedenk: waar de Heere eerst Zichzelf aan een ziel verbindt, daar springt die ziel op naar Hem, daar gaan de genegenheden naar Hem uit en daar kleeft zij Hem aan.
Dit is geen vermetelheid van de gerusten in Sion, maar het zachtmoedige geloof van hen die al wenend voortgaan met het aangezicht naar Sion. Smelt uw hart soms in waar berouw? Acht u alles schade buiten Christus, en verlangt u naar een blijk van Zijn liefde? Dan mag u zonder verwaandheid op Hem leunen als de enige steun tussen u en de hel. Hij, Die Zich aan u verbond, maakt een eeuwigdurend verbond, dat niet zal worden vergeten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“They shall ask the way to Zion with their faces thitherward, saying, Come, and let us join ourselves to the LORD in a perpetual covenant that shall not be forgotten.”
Jeremiah 50:5
“Come, let us join ourselves to the Lord.” Does this imply any power in the creature to join himself to the Lord? No; but it implies this—that when the Lord unites us to Himself, then we unite ourselves to Him; when the Lord brings the believer into a manifested union with Himself, then there is a leaping forth of the soul, a going forth of the affections, a cleaving to Him with purpose of heart, a believing in Him with all the powers of the mind, and a solemn renunciation, a casting aside, a trampling under foot, a rejection of everything but that which stands in the power of God, as made known to the soul by the Holy Spirit.
It is not spoken in a presumptuous way—“Come, let us join ourselves to the Lord.” It does not indicate any bold presumptuous claim upon the Lord, as if being now on the road to Zion, and being possessed of certain evidences, they could claim the inheritance, and, as it were, rush in, and lay hold of gospel blessings; but it points out the actings of living faith in the soul, which goes forth, when raised up and drawn out by the blessed Spirit.
The vain confidence and rash forwardness of those who are at ease in Zion is a very different thing from the meek faith of those who are going and weeping, asking the way to Zion with their faces there, whose hearts are melted by the Spirit into contrition, who renounce everything but Christ and Him crucified, and desire to feel and taste the sweet manifestation of the love of a dying Lord. These, without presumption or bold familiarity, can say, “Come, let us join ourselves to the Lord,” as feeling in their souls the actings of that living faith, whereby they cleave to and lean upon Him, as the only prop between them and hell.
To the reader…
It may be that you hardly dare to take these words upon your lips: “Come, let us join ourselves to the Lord.” Perhaps you shrink back from them, because you know there is no power in you to bind yourself to Him. That is true, and it is good that you know it. But remember: where the Lord first joins Himself to a soul, there that soul leaps forth to Him, there the affections go out to Him, and there it cleaves to Him.
This is not the presumption of those who are at ease in Zion, but the meek faith of those who go on weeping with their faces toward Zion. Does your heart sometimes melt in true contrition? Do you count all things loss but Christ, and do you long for a token of His love? Then you may, without conceit, lean upon Him as the only prop between you and hell. He Who joined Himself to you makes a perpetual covenant that shall not be forgotten.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Preguntarán por el camino de Sión, hacia donde volverán sus rostros, diciendo: Venid, y juntaos a Jehová con pacto eterno, que jamás se ponga en olvido.
Jeremías 50:5
“Venid, y juntaos a Jehová.” ¿Implica esto algún poder en la criatura para unirse al Señor? No; pero implica esto: que cuando el Señor nos une a Sí mismo, entonces nosotros nos unimos a Él; cuando el Señor lleva al creyente a una unión manifiesta con Él, entonces hay un saltar del alma, un salir de los afectos, un allegarse a Él con propósito de corazón, un creer en Él con todas las potencias de la mente, y una solemne renuncia, un echar a un lado, un pisotear, un rechazo de todo excepto aquello que consiste en el poder de Dios, tal como el Espíritu Santo lo da a conocer al alma.
No se dice de manera presuntuosa: “Venid, y juntaos a Jehová.” No indica ninguna pretensión atrevida y presuntuosa sobre el Señor, como si, estando ya en el camino de Sión y poseyendo ciertas evidencias, pudieran reclamar la herencia y, por así decir, precipitarse a echar mano de las bendiciones del evangelio; sino que señala las operaciones de la fe viva en el alma, la cual sale cuando es levantada y atraída por el bendito Espíritu.
La vana confianza y el atrevimiento temerario de los que están reposados en Sión es cosa muy distinta de la fe mansa de aquellos que van andando y llorando, preguntando por el camino de Sión con sus rostros vueltos hacia allá, cuyos corazones son derretidos por el Espíritu en contrición, que renuncian a todo excepto a Cristo, y a Este crucificado, y desean sentir y gustar la dulce manifestación del amor de un Señor que murió. Estos, sin presunción ni familiaridad atrevida, pueden decir: “Venid, y juntaos a Jehová”, al sentir en su alma las operaciones de aquella fe viva por la cual se allegan a Él y se apoyan en Él como el único sostén entre ellos y el infierno.
Al lector…
Puede ser que usted apenas se atreva a tomar estas palabras en sus labios: “Venid, y juntaos a Jehová.” Quizá retrocede ante ellas, porque sabe que no hay en usted poder para unirse a Él. Es verdad, y es bueno que lo sepa. Pero recuerde: donde el Señor se une primero a un alma, allí esa alma salta hacia Él, allí los afectos salen hacia Él, y allí se allega a Él.
Esto no es la presunción de los que están reposados en Sión, sino la fe mansa de los que siguen llorando con el rostro vuelto hacia Sión. ¿Se derrite a veces su corazón en verdadera contrición? ¿Tiene todas las cosas por pérdida excepto a Cristo, y anhela una señal de Su amor? Entonces puede, sin presunción, apoyarse en Él como el único sostén entre usted y el infierno. Aquel que se unió a usted hace un pacto eterno que jamás se pondrá en olvido.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl