22 de abril
Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is.
1 Johannes 3:2
Wat Christus is voor de kerk, wat de kerk is voor Christus, kan aan deze zijde van het graf niet naar waarde gekend worden; dit wordt bewaard voor de eeuwigheid, als het geloof zal overgaan in het aanschouwen en de hoop in het genieten. Ook zelfs dan, hoezeer boven alle tegenwoordig begrip de krachten en vermogens van de verheerlijkte zielen en lichamen der heiligen mogen ontwikkeld zijn, hoezeer ook gelijkvormig aan het heerlijk beeld van Christus, of hoezeer ook verrukt door de ontdekkingen van Zijn heerlijkheid en het aanschouwen van Hem, gelijk Hij is in een onbewolkte dag; neen, zelfs dan zal de uiterste grens van de liefde van het schepsel, of de hoogste klaarheid van des schepsels kenvermogen niet ten volle omvatten of ten volle kunnen begrijpen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, zowel in de tijd als in de eeuwigheid. Want deze is in zichzelf wezenlijk onbegrijpelijk krachtens haar oneindigheid en Goddelijkheid.
Wie kan het totaal van het licht en de hitte die de zon bevat en uitstraalt, berekenen? Hoe heerlijk schijnt zij op een heldere dag in de middag! Wij zien, gevoelen en genieten van haar licht en heldere stralen, maar wie kan de miljarden stralen tellen die zij op het vlakke des aardrijks uitzendt, terwijl zij haar licht en warmte en vruchtbaarheid aan elk deel van die aarde mededeelt? Als nu het schepsel zo groot, heerlijk en onbegrijpelijk is, hoeveel groter, voortreffelijker en onbegrijpelijker moet dan de Schepper Zelf zijn!
Het getuigenis van de Schrift aangaande de heiligen in de heerlijkheid is, dat wanneer Christus zal verschijnen, zij aan Hem zullen gelijk zijn, want zij zullen Hem zien gelijk Hij is; dan zullen zij de Heere zien van aangezicht tot aangezicht en kennen gelijk zij gekend zijn, en hun vernederd lichaam zal Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig zijn, en zij zullen met Zijn beeld verzadigd worden als zij zullen opwaken. Zij zullen ook voor de troon van God zijn en Hem dienen dag en nacht in Zijn tempel; en hun zon zal niet meer ondergaan, want de Heere zal hun zijn tot een eeuwig licht, en een uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid zal hun deel zijn. Daarbij zullen zij schijnen als de zon aan het firmament en als de sterren voor altoos en eeuwiglijk.
Doch bij het overdenken van al dit onuitsprekelijk heil en deze heerlijkheid moeten wij bekennen dat er in de Godheid onbegrensde diepten zijn, die geen schepsel, hoe hoog beweldadigd ook, ooit uitvorsen kan. God is mens geworden, maar nooit kan een mens God worden. God kent ons door en door, maar wij kunnen God niet ten volle kennen, want zowel in de eeuwigheid als in de tijd blijft het Woord ten opzichte van het schepsel zijn kracht behouden: „Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe de Almachtige vinden? Zij is als de hoogste hemelen; wat kunt gij doen? dieper dan de zee; wat kunt gij weten? Langer dan de aarde is haar maat en breder dan de zee.” Maar gelijk wij geloven dat de eeuwigheid zelf niet ten volle of geheel de hoogten en diepten der liefde van een drie-enig God ontdekken zal, hoe weinig zal dan hiervan gekend worden in de tijd! En toch is dit weinige de enige balsem in alle smart, de enige grond der ware rust en vrede.
Aan de lezer…
Geliefde lezer, valt het u zwaar om te geloven dat u een kind van God bent, nu u nog zo weinig van Zijn heerlijkheid ziet en zoveel smart draagt? Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Wat Christus voor Zijn kerk is, kan aan deze zijde van het graf niet naar waarde gekend worden. Wij zien maar enkele stralen van de zon, en kunnen de miljarden niet tellen.
Maar dat weinige is niet niets. Het is de enige balsem in alle smart en de enige grond van ware rust en vrede. Is uw kennis klein en uw gezicht beneveld, houd dan vast wat beloofd is: als Hij zal geopenbaard zijn, zullen wij Hem gelijk wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Dan gaat het geloof over in aanschouwen en de hoop in genieten, en zal de zon niet meer ondergaan. Tot zolang mag de liefde die de kennis te boven gaat, u dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is.
1 Johannes 3:2
Wat Christus is voor de kerk en wat de kerk is voor Christus, kan aan deze kant van het graf niet naar waarde gekend worden. Dat wordt bewaard voor de eeuwigheid, wanneer het geloof zal overgaan in aanschouwen en de hoop in genieten. En zelfs dan geldt het volgende. Hoe ver de krachten en vermogens van de verheerlijkte zielen en lichamen van de heiligen ook boven alle huidige begrip ontwikkeld mogen zijn, hoezeer zij ook gelijkvormig zijn aan het heerlijke beeld van Christus, en hoezeer zij ook in vervoering zijn door de ontdekkingen van Zijn heerlijkheid en doordat zij Hem zien zoals Hij is, op een onbewolkte dag: nee, zelfs dan zal de uiterste grens van de liefde van het schepsel, of de hoogste helderheid van het kenvermogen van het schepsel, de liefde van Christus die de kennis te boven gaat, niet volledig omvatten of volledig kunnen begrijpen, in de tijd noch in de eeuwigheid. Want deze liefde is in zichzelf wezenlijk onbegrijpelijk, vanwege haar oneindigheid en Goddelijkheid.
Wie kan de totale hoeveelheid licht en warmte berekenen die de zon bevat en uitstraalt? Hoe heerlijk schijnt zij op een heldere dag tegen het middaguur! Wij zien, voelen en genieten van haar licht en heldere stralen, maar wie kan de miljarden stralen tellen die zij op het oppervlak van de aarde uitzendt, terwijl zij haar licht, warmte en vruchtbaarheid aan elk deel van die aarde meedeelt? Als het schepsel al zo groot, heerlijk en onbegrijpelijk is, hoeveel groter, voortreffelijker en onbegrijpelijker moet de Schepper Zelf dan zijn!
Het getuigenis van de Schrift over de heiligen in de heerlijkheid is dat zij, wanneer Christus zal verschijnen, aan Hem gelijk zullen zijn, want zij zullen Hem zien zoals Hij is. Dan zullen zij de Heere zien van aangezicht tot aangezicht en kennen zoals zij gekend zijn. Hun vernederd lichaam zal aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig zijn, en zij zullen met Zijn beeld verzadigd worden wanneer zij ontwaken. Zij zullen ook voor de troon van God zijn en Hem dag en nacht dienen in Zijn tempel. Hun zon zal niet meer ondergaan, want de Heere zal hun tot een eeuwig licht zijn, en een uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid zal hun deel zijn. Daarbij zullen zij schijnen als de zon aan het uitspansel en als de sterren, voor altijd en eeuwig.
Maar wanneer wij al dit onuitsprekelijke heil en deze heerlijkheid overdenken, moeten wij erkennen dat er in de Godheid onbegrensde diepten zijn die geen schepsel, hoe rijk het ook gezegend is, ooit kan doorgronden. God is mens geworden, maar een mens kan nooit God worden. God kent ons door en door, maar wij kunnen God niet volledig kennen. Want zowel in de eeuwigheid als in de tijd blijft voor het schepsel dit Woord van kracht: „Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe de Almachtige vinden? Zij is als de hoogste hemelen; wat kunt gij doen? dieper dan de zee; wat kunt gij weten? Langer dan de aarde is haar maat en breder dan de zee.” Maar als wij geloven dat zelfs de eeuwigheid de hoogten en diepten van de liefde van een drie-enig God niet volledig zal ontdekken, hoe weinig zal daarvan dan in de tijd gekend worden! En toch is dat weinige de enige balsem in alle smart, de enige grond van ware rust en vrede.
Aan de lezer…
Geliefde lezer, valt het u zwaar om te geloven dat u een kind van God bent, nu u nog zo weinig van Zijn heerlijkheid ziet en zoveel smart draagt? Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Wat Christus voor Zijn kerk is, kan aan deze kant van het graf niet naar waarde gekend worden. Wij zien maar enkele stralen van de zon, en kunnen de miljarden niet tellen.
Maar dat weinige is niet niets. Het is de enige balsem in alle smart en de enige grond van ware rust en vrede. Is uw kennis klein en uw zicht beneveld, houd dan vast wat beloofd is: als Hij zal geopenbaard zijn, zullen wij Hem gelijk wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Dan gaat het geloof over in aanschouwen en de hoop in genieten, en zal de zon niet meer ondergaan. Tot die tijd mag de liefde die de kennis te boven gaat, u dragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Beloved, now are we the sons of God, and it doth not yet appear what we shall be: but we know that, when He shall appear, we shall be like Him; for we shall see Him as He is.”
1 John 3:2
What Christ is to the Church, what the Church is to Christ, can never be really known until time gives place to eternity, faith to sight, and hope to enjoyment. Nor even then, however beyond all present conception the powers and faculties of the glorified souls and bodies of the saints may be expanded, however conformed to the glorious image of Christ, or however ravished with the discoveries of His glory and the sight of Him as He is in one unclouded day—no, not even then, will the utmost stretch of creature love, or highest refinement of creature intellect, wholly embrace or fully comprehend that love of Christ, which, as in time so in eternity, “passes knowledge,” as being in itself essentially incomprehensible, because infinite and divine.
Who can calculate the amount of light and heat that dwell in, and are given forth by the sun that shines so gloriously in the noonday sky? We see, we feel, we enjoy its bright beams; but who can number the millions of millions of rays that it casts forth upon all the surface of the earth, diffusing light, heat, and fertility to every part? If the creature be so great, glorious and incomprehensible, how much more great, glorious and incomprehensible must be its divine Creator!
The Scripture testimony of the saints in glory is that “when Christ shall appear, they shall be like Him, for they shall see Him as He is;” that they shall then see the Lord “face to face, and know even as also they are known;” that their “vile body shall be fashioned like unto His glorious body;” that they shall be “conformed to His image,” and “be satisfied when they awake with His likeness;” that they shall be “before the throne of God, and serve Him day and night in His temple;” that “their sun shall no more go down, for the Lord shall be their everlasting light;” that they shall have “an exceeding and eternal weight of glory;” and shall “shine as the brightness of the skies, and as the stars forever and ever.”
But, with all this unspeakable bliss and glory, there must be in infinite Deity unfathomable depths which no creature, however highly exalted, can ever sound; heights which no finite, dependent being can ever scan. God became man, but man never can become God. He fully knows us, but we never can fully know Him, for even in eternity, as in time, it may be said to the creature, “Can you by searching find out God? can you find out the Almighty unto perfection? It is as high as heaven; what can you do? deeper than hell, what can you know? The measure thereof is longer than the earth, and broader than the sea.” But if, as we believe, eternity itself can never fully or entirely reveal the heights and depths of the love of a Triune God, how little can be known of it in a time state! and yet that little is the only balm for all sorrow, the only foundation of solid rest and peace.
To the reader…
Dear reader, do you find it hard to believe that you are a child of God, now that you still see so little of His glory and bear so much sorrow? It doth not yet appear what we shall be. What Christ is to His church cannot be known at its true worth on this side of the grave. We see only a few rays of the sun, and cannot count the millions.
But that little is not nothing. It is the only balm in all sorrow and the only ground of true rest and peace. Is your knowledge small and your sight clouded? Then hold fast to what is promised: when He shall appear, we shall be like Him; for we shall see Him as He is. Then faith will give way to sight and hope to enjoyment, and the sun will no more go down. Until that time, the love that passes knowledge may carry you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Muy amados, ahora somos hijos de Dios, y aun no se ha manifestado lo que hemos de ser; empero sabemos que cuando Él apareciere, seremos semejantes a Él, porque le veremos como Él es.
1 Juan 3:2
Lo que Cristo es para la Iglesia, lo que la Iglesia es para Cristo, nunca podrá ser realmente conocido hasta que el tiempo dé lugar a la eternidad, la fe a la vista y la esperanza al goce. Ni siquiera entonces, por mucho que se ensanchen, más allá de toda concepción presente, las potencias y facultades de las almas y cuerpos glorificados de los santos, por mucho que sean conformados a la gloriosa imagen de Cristo, o por mucho que sean arrebatados por los descubrimientos de Su gloria y por la visión de Él tal como es en un solo día sin nubes; no, ni siquiera entonces, el máximo alcance del amor de la criatura, ni el más alto refinamiento del intelecto de la criatura, abarcarán por completo ni comprenderán plenamente aquel amor de Cristo que, tanto en el tiempo como en la eternidad, “excede a todo conocimiento”, por ser en sí mismo esencialmente incomprensible, porque es infinito y divino.
¿Quién puede calcular la cantidad de luz y de calor que moran en el sol que brilla tan gloriosamente en el cielo del mediodía, y que de él salen? Vemos, sentimos y gozamos sus brillantes rayos; pero ¿quién puede contar los millones de millones de rayos que derrama sobre toda la superficie de la tierra, difundiendo luz, calor y fertilidad a cada parte? Si la criatura es tan grande, gloriosa e incomprensible, ¡cuánto más grande, glorioso e incomprensible ha de ser su divino Creador!
El testimonio de la Escritura acerca de los santos en gloria es que “cuando Cristo apareciere, serán semejantes a Él, porque le verán como Él es”; que entonces verán al Señor “cara a cara, y conocerán como son conocidos”; que “el cuerpo de su bajeza será transformado para ser semejante al cuerpo de Su gloria”; que serán “conformes a Su imagen”, y “serán saciados cuando despertaren a Su semejanza”; que estarán “delante del trono de Dios, y le servirán día y noche en Su templo”; que “no se pondrá jamás su sol, porque Jehová les será por luz perpetua”; que tendrán “un sobremanera alto y eterno peso de gloria”; y que “resplandecerán como el resplandor del firmamento, y como las estrellas a perpetua eternidad”.
Pero, con toda esta dicha y gloria inefables, ha de haber en la Deidad infinita profundidades insondables que ninguna criatura, por muy exaltada que sea, podrá jamás sondear; alturas que ningún ser finito y dependiente podrá jamás escudriñar. Dios se hizo hombre, pero el hombre nunca puede hacerse Dios. Él nos conoce plenamente, pero nosotros nunca podremos conocerle plenamente a Él, porque aun en la eternidad, como en el tiempo, se le puede decir a la criatura: “¿Alcanzarás tú el rastro de Dios? ¿Llegarás tú a la perfección del Todopoderoso? Es más alto que los cielos: ¿qué harás? Es más profundo que el infierno: ¿cómo lo conocerás? Su dimensión es más larga que la tierra, y más ancha que la mar.” Pero si, como creemos, la eternidad misma nunca podrá revelar plena ni enteramente las alturas y profundidades del amor de un Dios trino, ¡cuán poco puede conocerse de él en el estado del tiempo! Y, sin embargo, ese poco es el único bálsamo para toda tristeza, el único fundamento de un descanso y una paz sólidos.
Al lector…
Querido lector, ¿le cuesta creer que es usted un hijo de Dios, ahora que todavía ve tan poco de Su gloria y lleva tanta tristeza? Aún no se ha manifestado lo que hemos de ser. Lo que Cristo es para Su Iglesia no puede conocerse en su verdadero valor de este lado de la tumba. Vemos solo unos pocos rayos del sol, y no podemos contar los millones.
Pero ese poco no es nada despreciable. Es el único bálsamo en toda tristeza y el único fundamento de verdadero descanso y paz. ¿Es pequeño su conocimiento y nublada su vista? Entonces aférrese a lo prometido: cuando Él apareciere, seremos semejantes a Él, porque le veremos como Él es. Entonces la fe dará lugar a la vista y la esperanza al goce, y el sol no se pondrá jamás. Hasta entonces, el amor que excede a todo conocimiento puede sostenerle.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl